16e eeuw,
het Leeuwarder Blokhuis
In de 16e eeuw, door Dr. J. S. THEISSEN
l.Onder de documenten, waaraan de historiographie haar gegevens ontleent tot het uitbeelden van lang vervlogen tijden, nemen oude rekeningen zeker niet de minst belangrijke plaats in. Kwalijk is, om maar eens enkele voorbeelden te noemen, nog een cultuurgeschiedenis of geschigdenis der staatsinstellingen, een politieke geschiedenis zelfs uit den tijd der graven uit het Henegouwsche huis denkbaar, waarvoor niet ook de door Hamaker uitgegeven rekeningen van de grafelijkheid van Holland of van Zeeland geraadpleegd zouden zijn. Buitenrust Hettema en Telting zou het onmogelijk zijn geweest hun lezers rond te leiden, zooals ze dat onlangs deden, door het oude Deventer, zoo niet de Cameraarsrekeningen hun eerst den weg hadden gewezen in het bonte, middeleeuwsche stadsgewoel.
Mr. Muller heeft van sommige zijner schetsen uit de Middeleeuwen de stof grootendeels ontleend aan rekeningen en soortgelijke stukken en Kuypers stelde uit rekeningen van allerlei aard voor een gedeelte zijn geschiedenis van de Nederlandsche Artillerie samen. En verwonderen kan het niet, dat juist deze documenten zooveel geraadpleegd worden; weinig bronnen zullen zóó rijk vloeien van gegevens tot weder-opbouw van die periode uit het verleden, waarin haar wordingstijd valt. Bovendien, ze zijn zoo bij uitstek teekenend; ze geven, als momentopnamen, het leven weer in volle actie; ze zijn zoo veelzeggend voor wie weet te onderscheiden de wereld van verheugen, van lijden en strijden, waarvan de resultante in een enkele, korte post soms is geboekt.
Ook Friesland bezit eene serie van zulke stukken, die, stammende uit den tijd van Karel V en Philips II, overrijk zijn aan gegevens op bijna ieder gebied: van staat, van kerk, van militair-, van maatschappelijk en van huiselijk leven. Ze zijn, helaas, nog onuitgegeven en berusten in het depot van het Rijksarchief te Leeuwarden. Uit deze „Rentmeesters-rekeningen" in hoofdzaak las ik de brokken samen tot reconstructie van het complex van gebouwen, dat eens bekend stond als het Leeuwarder blokhuis; iedere trek van de onderstaande schets, waarvan de afkomst niet bepaald wordt aangewezen, is daaraan ontleend. Ik achtte het, om niet bijna bij ieder woord door een nootcijfer de aandacht van den lezer af te leiden, niet dienstig telkens rekening en folio op te geven; de aanwijzing hier aan den voet der pagina zal contróle voldoende gemakkelijk maken. Over den bouw van het Leeuwarder blokhuis, over zijn uiterlijk en over het leven, dat daarbinnen geleefd werd, zal successievelijk het een en ander meegedeeld worden.
Het jaar 1498 was een jaar van rouw voor het Friesche land; een dierbre doode werd toen uitgeleid; de Friesche vrijheid was gestorven. Wel was ze op geweest, een oud bestje, der dagen zat en kijfachtig den laatsten tijd in hooge mate, maar desondanks veroorzaakte haar heengaan een gevoel van leegte bij de Friezen, die haar zoolang hadden gekweekt, getroeteld en verpleegd. Verontrust over haar voortdurend kwijnen hadden enkelen, daar de gewone medicijnen blijkbaar niet meer baatten, buiten de grenzen zelfs hulp gezocht ; maar de vreemde arts, die was gekomen, had de patiente den genadestoot gegeven; na een smartelijken doodstrijd was ze bezweken.
Vooraan in het gelid van hen, die zich tegen de groeiende macht van Albrecht van Saksen, den door de Schieringers ingehaalden vreemdeling, verzetten, stond de stad Leeuwarden. Maar lang maakte zij het niet, toen zij ernstig werd bedreigd; op onderhandelingen ging zij weldra in en terwijl deze gaande waren, werd een kleine, ongewapende bezetting al vast toegelaten op Uniahuis, dat toen als een „slot ende schoon getimmert van playsance, genoech starck uth het water upgewracht" in 't Z.0. van de plaats zich verhief. Toen de onderhandelingen zoo goed als ten einde gevoerd, echter nog niet geheel afgesloten waren, deed 's Hertogs stadhouder, Willebrord van Schaumburg, een poging om al vast meerdere middelen van verzekering binnen de stad te brengen. Door een list dacht hij zijn doel te bereiken ; met boter waren de kruittonnen besmeerd en het geschut op den wagen was met riet overdekt. Maar als Lochems knapen waren het de Leeuwarder jongens, die het booze opzet bemerkten en verijdelden. Men liep te wapen, en de weerlooze bezetting van Uniahuis betaalde het gelag. Nog eens volgde toen een beleg, gedurende 9 weken dapper doorstaan, maar besloten door de onderwerping op zeer strenge voorwaarden, waaronder deze, dat het den Hertog zou vrijstaan binnen de stad eene sterkte te bouwen en met zijn mannen te bezetten. „Kort na de overgave van Leeuwarden" - ik geef hier een oogenblik Eekhoff het woord - „werd de nog weinig bebouwde zuidoosthoek der stad tot het bouwen van een kasteel het meest geschikt gekeurd. Het huis en hof van het adellijk geslacht Hania, daar in het begin dezer eeuw gebouwd, benevens de tuin van Jan Tammama, moesten daartoe aangekocht en weggeruimd worden.
Nadat men reeds in het midden der maand November 1498 begonnen was de boomen te roeijen en de plaats te effenen en af te palen, ving men den 22 Februarij des volgenden jaars aan met het aanleggen en bouwen van het Blokhuis". Tot het graven van de gracht werden tegen zekere vergoeding de naastgelegen Grietenijen verplicht, terwijl de noodige steen werd geleverd door het nu gesloopte Uniahuis en de door de Leeuwarders en Groningers vernielde stinsen van enkele Schieringer Edelen. Ziedaar het verhaal van de geboorte van het Leeuwarder blokhuis. De groei was in den beginne zeer voorspoedig; daarna werd dat minder; hij hield gelijken tred niet den graad van afkeer waarmee de Friezen de vreemde heerschappij verdroegen.
Er is een plattegrond van Leeuwarden van ± 1500, waarop - zeer juist naar het mij voorkomt - het Blokhuis zich vertoont als een verzameling van gebouwen, waarvan er geen enkel, met uitzondering van de in 1530 geheel hernieuwde Kapel, anders dan door omvang aanzienlijk uitsteekt boven de andere. Het geheel maakt, vergeleken bij den toestand van latere tijden, den indruk van gezellige gemoedelijkheid, barsch naar buiten, goedig van binnen, zooals ook de verhouding tusschen vorst en volk hier in de dagen van Karel V onmiskenbaar nog den stempel van een zekere gemoedelijkheid draagt. Er zijn tegenstellingen van den beginne af aan: er is eenerzijds een neiging tot steeds sterker absolutisme, andererzijds een steeds toenemend verlangen naar meezeggenschap in zaken van bestuur; de zin tot samensmelting van de losse brokken van het groote rijk in wording staat scherp tegenover het particularisme der deelen; de oude ende nieuwe godsdienst tegenover elkander brengen, bij het bloed van enkele martelaren reeds, àl meer scheiding; maar ondanks dit alles is de verstandhouding nog verte van gespannen. De Friezen hadden hun meester gevonden, niet alleen hun heer, maar ook hun opvoeder, die den steigerenden hartstochten den breidel in den bek wist te wringen en ze leerde loopen in het gareel van een geordend bestuur.
Eenmaal daaraan gewoon moest wel de nieuwe toestand beter voldoen dan de oude, mits er een tijd aanstaande was, dat de teugels minder strak werden aangehaald en wat meer vrijheid werd gelaten om te gaan naar eigen believen. De eisch van een goede opvoeding brengt mee ook de ontwikkeling van den eigen wil en het eigen inzicht in goed en kwaad, nuttig en onnuttig; wordt de met zóó gekweekte bewustheid gedane keuze ten slotte toch genegeerd dan is, bij alle dankbaarheid voor de genoten verpleging, een breuk onvermijdelijk. In dat stadium was men gekomen toen Karel V zich den last der regeering van de schouders wierp en het bewind over de Nederlandsche gewesten overdroeg aan Philips II. Bovendien werd de staatkunde van 't centraal bestuur steeds meer anti-nationaal : strijd kon dus kwalijk uitblijven; de opstand stond voor de deur. Dat wist men zeer wel en al in 1557 begint men, weldra onder het toezicht van een specialen bouwmeester, met het maken van nieuwe versterkingen, met herstel van het oude en met den aanbouw van heel wat nieuws. Meer dan 1300 ton kalk wordt in genoemd jaar uit Dordrecht aangevoerd, 100 ton cement komt uit Amsterdam, 100 schuiten zand, 100000 Friesche en 400000 dubbele Leidsche steenen worden naar het Blokhuis verscheept, terwijl van het vorige jaar nog 800000 Leidsche steenen onder de uitgaven staan geboekt. Dat alles wordt vermetseld aan een nieuw rondeel in den noordoosthoek van het huis. Dan arriveert het nieuwe, zware geschut, uit Utrecht verzonden; op het pas verrezen rondeel vindt het de plaats zijner bestemming. Intusschen wordt de verhouding tusschen vorst en onderdanen steeds minder vriendschappelijk en in dezelfde mate het uiterlijk van het Leeuwarder Blokhuis steeds meer dreigend.
De rekening van 1559 op 1560 - den tijd, waarin Philips II naar Spanje vertrok met achterlating echter van enkele duizenden van vreemde krijgers, den tijd ook van de nieuwe kerkelijke indeeling, die zoo algemeen tegenstand vond - de rekening van 1559 op 1560 bevat nog grootere posten in uitgave voor materialen ten behoeve „vanden nyeuwen bouw opten voorsz. blocqhuyse." Noorsche en Deventer balken, eiken planken tot „vueringe" van den wal, weer kalk en Leidsche steenen ten getale zelfs van 357000 worden aangekocht; ook blauwe, Namensche steen „ofte graeuwen orduyn" en van een „blauw huis" binnen de citadel wordt van nu af gesproken. In Hasselt en Zwol wordt Bentheimer steen bekeken, die men graag zou hebben gebruikt, had de staat der financiën het toegelaten. In hetzelfde jaar 1559 wordt gerept van een rekening van den bouw van zekere „galerye, oversteck, keller" en zekere brug, op nieuw gelegd, alles bij en op het blokhuis; en in 1561 - typisch teeken weer der tijden - wordt het oude schavot afgebroken en vervangen door een nieuw, het huis van den scherprechter gerepareerd, een brug „staande bij het schavot", gedekt met blauwe steen en de straat, die daarover naar de sterkte voert, - om beter begaanbaar te zijn bij het steeds drukker wordend verkeer - geplaveid. Ook worden verschillende plaatsen in den omtrek van Blokhuis en schavot geëffend; zoo kan het waarschuwend voorbeeld sterker nog spreken en mocht het desondanks niet inslaan, bij groeiend verzet een nog gevoeliger les gegeven worden.
In 1562, '63 en '64 wordt een nieuw logies gebouwd voor den maarschalk van het fort, „mede tot gemak van den Stadhouder", heet het in de desbetreffende posten. Een groote inslag weer van hout, spijkers, Bentheimer, Friesche en Leidsche steen wijst met den langen duur van het werk op den grooten omvang daarvan. In dezen tijd dus moet, naar het mij voorkomt, het blokhuis die verandering van uiterlijk hebben ondergaan, die merkbaar is op de latere plattegronden der stad Leeuwarden 1) en moet aan den zuidkant dat groote gebouw zijn opgetrokken, dat ook na de ontmanteling als hèt „Blokhuis" is blijven bestaan. In de volgende jaren zijn het bakhuis, het kruithuis, het slachthuis, „het huisken in des Heeren hof' en de rosmolen aan de beurt; de wal wordt hier en daar geducht onder handen genomen, en - al weer kenmerkend voor de tijdsomstandigheden - ook de nieuwe gevangenis „met de yseren doeren", waarvoor reeds in 1554 het materiaal was aangekocht, wordt nog eens nagezien en mogelijk vergroot. En toch, hoe grimmig het aanzien der blokhuizen ook werd, geen dreigen, geen vertoon van macht, geen geweld zelfs straks kon de vrijheidsbeweging stuiten, die, in andere gewesten begonnen, in Friesland weldra bij velen instemming vond.
In 1572 - het jaar van de inneming van Den Briel - wordt vernieuwing van het staketsel, gaande midden door de gracht, als een eisch van dringende noodzakelijkheid geoordeeld; zware balken worden ingeheid, dicht naast elkaar, en door een stevige gording verbonden; haastig gebeurt dat á1les, zonder last zelfs van den Raad van Financiën, uit vrees voor de rebellen, die in Bolsward, Sneek en Franeker reeds meester waren. Ditmaal echter nog mislukte een poging om ook Leeuwarden voor de zaak der vrijheid te winnen; toch bleef de spanning bestaan, en het was te voorzien dat als hier eens het verzet zou losbreken, het Blokhuis, dat sprekend monument der absolute vorstenheerschappij, het 't eerst zou moeten ontgelden. Zelfs kwam het in 1577 in de macht der stad en zweefde daardoor een tijdlang in levensgevaar; maar tot demolitie durfde men toen nog niet overgaan en het werd den Stadhouder weer in handen gegeven. Pas na het sluiten van de Unie van Utrecht scheen de kans op ontmanteling groot; Willem van Oranje en de Staten-Generaal gaven last de kasteelen in Friesland ter beschikking te stellen van de Staten van dat gewest, die zeker niet lang zouden dralen met het doodvonnis te strijken. Maar Rennenberg, weifelend tusschen beide partijen, aarzelde te gehoorzamen. Toen besloten de Staten van Friesland tot geweld over te gaan : Gedeputeerden gaven aan Adje Lammerts, Burgemeester van Leeuwarden en kapitein van de burgerwacht, commissie het Blokhuis door middel van list of geweld te veroveren. Langs beide wegen duchtig bestookt, ging weldra de bezetting op onderhandelingen in;
den 1st Februari 1580 werd de capitulatie geteekend en namen de Staten en de Stad het kasteel in bezit. Niet vóór dat het Blokhuis was ontmanteld trokken de burgers, die tot de verovering hadden medegewerkt, af. Het is mijn bedoeling een schets te geven van het Blokhuis, zooals het was, toen het nog met recht dien naam droeg; het is nu als zoodanig overleden; ik zou dus hier zijn geschiedenis kunnen afbreken, na er nog eens op gewezen te hebben hoe juist zich in de historie van de uiterlijke veranderingen der citadel de wisselende verstandhouding weerspiegelt tusschen landsheer en onderdanen; hoe strengheid wijkt voor gemoedelijkheid en deze weer voor een barschheid, die prikkelt tot verzet, en als vele al te strenge heeren, het dan maar kort meer maakt. Dit echter zij volledigheidshalve aan het voorafgaande nog toegevoegd : het hoofdgebouw van het gedemolieerde Blokhuis werd spoedig na de ontmanteling van de sterkte ingericht tot een huis van arrest voor het Hof van Friesland; tegen den westelijken gevel werd een schavot gebouwd, later nog eens vernieuwd en ten behoeve van het krijgsgericht werd vóór het huis een galg gesteld.
Zóó bleef de toestand tot 1783; „toen werd" - vertelt Eekhoff in zijn geschiedkundige beschrijving van Leeuwarden - „de oude westelijke gevel geheel afgeworpen en vernieuwd en gedekt met de tegenwoordige fraaije lijst en frontespice, naar de Toskaansche orde, waarboven het gekroonde wapenschild der provincie, door twee leeuwen gehouden, werd geplaatst. Evenzoo werd ook de hoofdpoort in den muur ter noordzijde vernieuwd, en daar boven versierd met het beeld der Geregtigheid enz. Ook inwendig bekwam het gebouw onderscheidene veranderingen, ten einde het voor deszelfs bestemming meer geschikt te maken. Sedert bevatte het in het geheel 14 bewaarplaatsen voor gevangenen, benevens nog 10 vertrekken, zalen en woonkamers, onder welke de voornaamste waren: de Heerenzaal of examinatiekamer voor de Raden van den Hove; de Pijningkamer, waarin nog de vroeger gebruikte pijnbank met toebehooren aanwezig was; de Droef kamer, waarin de ter dood veroordeelden hunne laatste uren doorbragten; de Gijzeling of de civile gevangenis; de Studentenkamer, de Ontkleedkamer en de Geeselzaal, aan wier zolder een opgezette krokodil was opgehangen, die men zeide, dat eens op de Friesche kust was gevonden . . . . Dit vertrek aan den westgevel verleende den toegang naar het omheinde schavot, waarop de regtsoefeningen van het Hof van Justitie plaats hadden". In 1661 was achter het Blokhuis een Lands Tucht- en Werkhuis gebouwd dat in 1754 door brand verwoest, onmiddellijk daarna opnieuw werd opgetrokken. In 1824 werd toen dat blokhuis zelf vertimmerd en tot woning voor den kommandant der gevangenis ingericht , tot het in 1870 werd afgebroken om zijn plaats te ruimen voor de tegenwoordige rijksgevangenis.
Aan den zuidoosthoek dus der stad lag het Leeuwarder Blokhuis, voor den beschouwer uit de verte een wondere collectie van allerlei soort van huisbedekking, uitstekende boven den wal. Eenvoudige rietdaken, waarvan de vorst met zoden is belegd, wisselen af met kleurige pannen- en grauwe leidaken, en de enkele torentjes, die meer of minder hoog zich verheffen, schijnen in luchtigen dans zich vroolijk te maken over het bonte tooneel beneden. Breede grachten, die voor een gedeelte ook de stad zelve tot beschutting moeten dienen, omgeven het geheel. Op het water dobberen, met stevige lijnen vastgelegd aan den wal, enkele pramen en roeibooten, behoorlijk voorzien van riemen en hoosvaten. Een veerman echter ontbreekt; ongenoode gasten zijn ongewenschte op Leeuwardens citadel. Niet tot veerdienst zijn de schuiten bestemd; de waterrijkdom van het Friesche land maakt ze tot zeer bruikbare vervoermiddelen. De „modderpraam" buitendien lokt toch tot oversteken niet uit en de galgepraam" vertolkt in haar naam voldoende haar lugubere bestemming. Niet om in te halen, maar om buiten te sluiten dienen de grachten om het Blokhuis. Daartoe ook moeten medewerken het staketsel in de gracht aangebracht, en de boomen, met hangsloten stevig verzekerd, die zelfs het passeeren van beide kanten onmogelijk maken.
Een machtige bondgenoot wordt zóó het water ter verdediging van de sterkte. Maar verraderlijk en ontrouw is het steeds bevonden, en ook hier wordt de vriendschappelijke verhouding nu en dan afgewisseld door een strijd op leven en dood. Dan is heel het garnizoen druk in de weer. Met stalen ijsbijlen en haken aan lange, vurenhouten stengen tracht men de voorgenomen overbrugging der gracht te verijdelen; de losgeraakte schotsen worden uit het water verwijderd, in manden weggedragen van onder de bruggen, waar men ze met haken niet bereiken kan, en met behulp van sparren en ijstouwen vastgebonden aan den wal. Onvermoeid wordt dag aan dag, zoolang de vorst aanhoudt, van weerskanten gestreden, tot eindelijk het oproerige element zich voegt en bij het invallen van den dooi zich weer leent tot zijn gewone diensten.
Trouwer bondgenoot van de bezetting is de wal, die zich uitstrekt langs de geheele binnenzijde van de gracht. Eiken planken en balken, bevestigd aan eikenhouten ribben, die tot palen dienen, moeten het wegbrokkelen en invallen tegengaan en een staketsel alweer het bestijgen bemoeilijken. Dan volgt een doorloopende gordel van groene dorenstruiken, vinnig van stekels, zooals de handschoenen getuigen, die worden aangekocht om ze door middel van teenen stevig samen te binden; en daarboven verheft zich de groene grashelling, behoorlijk van greppels voorzien voor het afloopen van het regenwater en gekroond met een „overste staketting". De bovenkant, met schelpzand bestrooid, vormt een soort van boulevard rondom de citadel. In druk gesprek met den Stadhouder gewikkeld, liep eens Janko Douwama driemaal hem rond ?) en desondanks moet de grond telkens worden aangeslagen, om de noodige vastheid te behouden. Daaraan zijn zeker niet geheel onschuldig de nijvere mollen, ongewenschte mineurs, waarvan men op het Blokhuis veel last heeft, en op welker gevangenneming ter executie zoo nu en dan een premie wordt gesteld. Gestut door Noorsche balken en Bremer delen zijn hier en daar strijkweren, kazematten, aangebracht; grimmige vuurmonden staan er gereed om onwelkomen bezoekers een hartig: „halt!" toe te donderen. De rondeelen op de hoeken zijn eveneens van geschut wel voorzien, en onder aan den wal steken, om te beter de gracht te bestrijken, de stereotype „mesecouwen" uit.
Langs dezen weg binnen te dringen heeft dus heel wat moeielijkheden in; toegang tot de vesting geeft, behalve een kleine brug in het Zuidoosten, een groote „slagbrugge" of „valbrugge" in het Westen, de zijde naar de stad gekeerd. Zij leidt naar de hoofdpoort, een poortgebouw in optima forma, met leien dak en looden goten en vensters voor den uitkijk. De zaal boven den ingang ziet er tamelijk confortabel uit: een vijftal tafels, lange en. korte banken daaraan geplaatst, bankkisten langs den muur en elders, en een open kast vol schenk- en drinkvaten geven een niet ongezellig aanzien aan bet vertrek. De verwarmbare, kleine kamer naast deze zaal, de „stove dair bij", zooals de inventaris, waaraan ik deze bijzonderheden ontleend heb'), het uitdrukt, prijkt behalve met tafels en banken nog met een kleederkist met twee deuren en een buffet; maar in de „stove" boven de zaal heeft alles een eenvoudiger aanzien: van „slechte" tafelen wordt gesproken en van een „klein kleederkist". Der edelluiden kamer, grenzend aan het laatstgenoemde vertrek, zal wel weer een wat rijker aanblik hebben opgeleverd.
Is men nu, langs de portierskamer beneden, de poort doorgegaan, dan bevindt men zich binnen de eigenlijke citadel, een veelheid van gebouwen en gebouwtjes die, in bonte afwisseling tegen den binnenkant der wallen aan, een groot grasveld omzoomen. Het is niet meer doenlijk precies te zeggen, welke van al de zalen en stoven en kamers onder één dak gelegen waren, maar tal van afzonderlijke huizen zijn toch nog klaar te onderscheiden. Dicht bij de poort bevindt zich het hoofdgebouw, met twee torens versierd, en vroeger prijkende met den Duitsch-Keizerlijken Adelaar, met het Saksische wapenschild op de borst en het wapen van den stichter, Graaf Willebrord van Schaumburg; nu met het wapen van Karel V. Hier moeten stellig enkele van de gewichtigste en grootste vertrekken gezocht worden. Een koperen deur geeft toegang tot des Stadhouders kamer. Daarbinnen trekt, naast weer de gewone meubels, een „contoer", een kast, de aandacht; 300 „duyckeren", een soort van spijkers, zijn er aan verbruikt; men mag dus vrijelijk veronderstellen, dat zij den last van schenkvaten, kleederen of anderszins, haar toevertrouwd, heeft kunnen torsen.
De tapijten, waarvoor „clauwieren" worden aangekocht om ze er aan op te hangen, hebben mogelijk tot een muurbedekking voor dit vertrek moeten dienen, en eveneens tot meerder sieraad is de kacheloven in des Gouverneurs stove rood geverfd. Slaap- en zitvertrekken waren in die dagen nog niet zoo streng gescheiden als tegenwoordig; ongeveer in dezen tijd nog laat de President van het Hof van Friesland zich in zijn studeerkamer een ruime bedstede met „portaal' maken, omdat er - naar het heet in de rekening - op de gansche benedenverdieping, waarop zich dat „studoer" bevond, geen gelegenheid tot slapen was. Ook in des Stadhouders kamer ontbreekt dus zulk een bedstede niet, die, daar zij nu en dan gerepareerd werd, zeker niet ongerept werd gelaten. Een klein „kamerken" verder sluit zich aan bij het grootere vertrek; zoo het geen huisaltaar bevatte, was het zeer waarschijnlijk een schrijfkabinet van de soort zooals die ook voorkwamen in de door Mr. Muller beschreven huizen der Utrechtsche kanunniken . De deur van een ander belendend „klein kamerken" laten we liefst gesloten.
Onder hetzelfde dak bevindt zich dan nog zeer waarschijnlijk de groote zaal, misschien hetzelfde vertrek, dat elders „de groote stove" wordt genoemd, en voor welks geweldige oven Trijn Pottebakkers van Haarlem niet minder dan 680 kachelsteenen leverde. Lange tafels op de zaal nooden tot aanzitten en toetasten, als er is opgedragen. Het zou wat voorbarig zijn uit de vele ruiten, die hier vaak te stoppen of te vernieuwen zijn, conclusies te willen trekken omtrent de stemming der gasten, al kon het er bij zulke gelegenheden soms ruw genoeg van langs gaan. Aan middelen tot opwekking was geen gebrek; des Stadhouders kelder in een rondeel aan den noordelijken wal zal wel behoorlijk voorzien zijn geweest.
Misschien ook nog in dit gebouw moet men zoeken „mijns vrouwen zaal", ofschoon in het algemeen bokken en schapen op het Leeuwarder Blokhuis, naar den eisch, van elkaar zijn gescheiden. Voor de vrouwelijke bevolking is er een afzonderlijk „vrouhuys." Onder de netbeschoten zoldering is het goed samenzitten bij het vuur, door een blaasbalg nu en dan wat aangewakkerd, als het kwijnend dreigt in te dommelen bij het koor der stemmen die kaatsen met de nieuwtjes van den dag. Vier ketels tegelijk worden aangekocht voor dit vertrek; een veelbelovende aanwinst met het oog op de gezelligheid, die nu nog even zacht blijft nasuizen door de kamer, als de stereotype bedsteden als groote dompers het vuur dier vrouwelijke welsprekendheid hebben gedoofd. Verder is het mogelijk, dat zich in het hoofdgebouw bevinden des „hofmeesters stove" en de vertrekken van enkele schrijvers, ofschoon er althans één een kamerken heeft naast de kerk, in een ander deel van het Blokhuis. Misschien ook heeft de Maarschalk, de bevelhebber van het huis, hier zijn „logement"; enkele aanwijzingen echter zijn er, die geneigd zouden maken om tot een aparte woning voor dezen machthebber evenals voor den kastelein te besluiten. Eindelijk nog kunnen voorloopig enkele kamers, waarvan de bewoners met name genoemd worden maar die niet nader te bepalen zijn, hier worden ondergebracht.
Der knechten kamer en stove bevindt zich in een afzonderlijk gebouw, misschien samen met de kamer der trawanten. Hier huizen de landsknechten, die de bezetting vormen van het kasteel, en, is ons vermoeden juist, ook de speciale lijfwacht van de Stadhouders. In de stove zijn hier en daar geschilderde wapens aangebracht; tafels en banken ontbreken niet, evenmin als de bedsteden, uit Pruisische delen getimmerd, en waarin de dappere krijgers rusten voor een gedeelte op keizerlijke bedden en peluwen en oorkussens en slapen onder keizerlijke wollen dekens, tot die gaandeweg opraken en door nieuwe van 's Keizers wege niet weer vervangen worden. De kamer der knechten was, vooral in den beginne, niet over-soliede, en onaangename verrassingen werden daardoor den bewoners nu en dan bereid; de beruchte Friesche winden dreven met het kranke dak maar al te gemakkelijk hun spel en deden meer dan eens de bezetting van het slot onverwachts geheel of gedeeltelijk onder den blooten hemel kampeeren. „Van den winde neergeworpen" was er heel wat getimmer noodig om het gevallene weer op de been en behoorlijk gedekt te krijgen.
Ook om op de been te houden, al wat het Leeuwarder Blokhuis bevolkte, werd heel wat werk vereischt en de keukenmeester, hoe vol ijver voor zijn taak, zal zich met een zucht van verlichting menigmaal na gedanen arbeid teruggetrokken hebben in het nieuwgevloerde vertrek, naast zijn departement, hem tot een verblijf bestemd. Hij kan zich overigens thuis voelen in zijn keuken; de zaak wordt daar door hem en zijn helpers op groote schaal gedreven, getuige de inventaris. 1) De haard, geflankeerd door de noodige tangen en vuurschoppen, heeft plaats voor een stevig vuur, en een „troch, daermen de varkens in broyt" d. w. z. met heet water ze overgiet, maakt het zeer waarschijnlijk dat de 18 braadspitten en 2 brandijzers, waarvan melding wordt gemaakt, niet louter tot stoffeering dienen. Het ossenhuis, het verkenskot en het vleeschhuis met zijn vleeschtouwen en zijn groot blok om het vleesch op te houwen zijn de leveranciers en ook het hoenderhuis levert nu en dan een bijdrage. Een groote koperen vleeschpot met draaivoet, 2 groote, 2 middelbare en één kleine koperen bakpan, 5 koperen potten en 3 dito ketels vormen een collectie om de meest verwende keukenprinses te doen watertanden en de meest verwende lekkerbek kan voldaan worden als 3 koperen mortieren en een dubbele steenen mortier met houten stamper daartoe in verbond willen samentreden.
Zes ijzeren hengsels eindelijk met al hun toebehooren en 2 ijzeren roosters liggen klaar om als middelaars te dienen tusschen pannen en potten en de vlam, waarom die vragen. Een ruime kast, een „scappraye", bergt schotelen, saucieren, tellioren, kannen en potten, samen 297 pond aan tin, en dan is er nog sprake van „de sàle, daer het tinnenwerk in leyt". Een put levert het water, dat in nog een „troch" kan worden verzameld; een goot voert het afgedankte weg naar buiten. De „pasteioven", die in de rekeningen voorkomt, hoort misschien thuis in „der Heeren keuken", waar men tot de hoogste praestatie's op het gebied der kookkunst dient toegerust te zijn. Eindelijk behooren nog tobben en schepvaten tot de onmisbare en daarom ook aanwezige ingredienten, terwijl de turfschuur de materie levert voor het hoog oplaaiende vuur, dat een eigenaardig schijnsel werpt over het drukke gedoe en knetterend instemt in het veelstemmig koor van rinkelende kettingen en schurende ijzers, van klaterend tinwerk en sissend gebraad en stemmen, die opklinken, bedrijvig kort in woord en weerwoord of in een liedeken, dat maat geeft aan den arbeid.
Is zóó nu de keuken bezichtigd, dan leidt de weg van zelf naar den kelder, de causa movens van alle keukenbedrijvigheid. Met de stove, die zich er boven verheft, beslaat hij een niet onaanzienlijke oppervlakte, die een niet gering denkbeeld geeft van de bergruimte daarbinnen. Bij het licht van kaarsen op een grooten ijzeren kandelaar, onderscheidt men vaag de stellages, uit zware boomen getimmerd, die zwoegen onder den last van allerlei proviand, en op den achtergrond staan „tresoren", ruime voorraadkasten, als niet te versmaden hulptroepen. De afgesloten wijnkelder zou met zijn verschillende buitenlandsche wijnen stof tot een geografische les kunnen leveren; maar daarvoor is het hier de plaats niet en ook de vleeschkelder geeft tot geen uitweiding aanleiding; we gaan verder en richten ons naar het bakhuis. Achter de kapel stond dat oorspronkelijk, toegerust met alles wat tot de bakkerij dienstig is, en niet een broodhuis in de nabijheid als reservoir voor het afgewerkte materiaal; „tuimelaars" en goudsche steenen waren aan den oven verbruikt; de inhoud van een waterbak voorkwam, dat al te substantiëele baksels gevaar deden ontstaan voor de -lenigheid der knechten, en de schoorsteen, vaak geveegd, kon lustig rooken ondanks de rieten dakbedekking. In 1523 intusschen wijst de aankoop van een partij Noorsche delen, wagenschotten, kerksparren voor steigerhout, latten, eiken ribben, lood, ijzer, spijkers, steenen, kalk, pannen en kachelen op groote dingen, die staan te gebeuren. Veel hout wordt verzaagd voor vensterkozijnen en zolderingen. Enkele maanden lang zijn metselaars en timmerlieden druk in de weer. Dan is op het Leeuwarder Blokhuis een nieuw gebouw verrezen, dat een nieuwe bakkerij, en daarnaast 3 kamers beneden en 2 boven en een keurig afgewerkt badvertrek, met inrichting voor warm en koud water, bevat. Van een kleinen en een grooten oven vindt men nu en dan melding gemaakt; mogelijk zijn het de oude en de nieuwe, die naast elkaar in gebruik zijn gebleven.
Boven de oude bakkerij was gelegenheid het koren te warmen, vóór het blootgesteld werd aan de reeks van gedaanteverwisselingen, die het een' eetbaren vorm ten slotte zouden geven. Als eerste metamorphosekast fungeerde een rosmolen, telkens opgelapt in den beginne, maar waarvan desondanks in een inventaris van 1530 wordt betuigd, dat hij „niet en deugt", en in een van 1547, dat hij ter ziele was, van ouderdom bezweken. Hij kan trouwens rusten in vrede, want zijn fiere collega, de hooge windmolen, die zich in den noordoosthoek van het Leeuwarder Blokhuis verheft, kan alleen den arbeid wel af. Echter niet zonder nu en dan een versterking te behoeven. Nieuwe Noorsche balken moeten het zware kruis aan den voet en het stevige geraamte op krachten houden; nieuwe „sporten" in de „vleugelen" en ijzers aan de molenroeden worden nu en dan vereischt; en vooral de zeilen vragen vaak vervanging en dwingen herhaaldelijk tot aankoop van kamfas en garen. Een enkele maal ook zijn nieuwe molensteenen noodig, die in Deventer worden aangekocht en per schip naar Leeuwarden worden vervoerd.
Van dezen windmolen wordt een heel ander getuigenis afgelegd dan van zijn kwijnenden confrater; bijna dagelijks is hij in de weer, heet het; gelukkig voor de bezetting, dat hij zoo voortdurend wat te malen vindt. De korenzolders, waarvan er een zich bevindt boven de kerk, zijn behoorlijk voorzien; het kan zelfs wel minder, meenen de wormen, die in de rogge nu en dan voorkomen; een veronderstelling, die intusschen krachtig wordt weerlegd blijkens het aankoopen van „zeeckere menichte van scuppen, daermen het cooren mede verschiet." Ook tarwe, naast rogge, is in groote voorraad aanwezig; haver, ten gebruike in de stallen, ligt opgeslagen op den haverzolder, en gerst, meel, boter, zout, wijn- en bierazijn en hop worden verder nog genoemd, benevens niet minder dan 1347 pond rijst. De dorst worde gelescht, nu de honger gestild is;
De brouwerij zij nu aan de beurt. Daarbinnen valt het eerst de groote brouwkuip op, een waardig, pendant van wijlen Hertog Reinoud III van Gelre. Van dezen toch gaat het verhaal, dat hij, door een snooden broeder gevangen gezet, zóózeer in lichaamsomvang toenam, dat het onnoodig werd de deur van zijn kerker te sluiten en dat de muur moest worden uitgebroken, toen eindelijk het uur der verlossing geslagen had. Onze brouwkuip aók was zoodanig gebuikt, dat men eveneens een opening in den muur van het voor haar bestemde verblijf had moeten breken, om, omgekeerd, haar binnen te krijgen. Boven een ijzeren rooster werd ze daar geplaatst, en toen het vuur weldra vroolijk opvlamde, kon ze met haar praestatie's beginnen. Boven het brouwhuis was het benoodigde daartoe geborgen; er is sprake van een windas en van vele korven, waarin mogelijk graan en hop werden neergelaten, en aan het maken en repareeren van zakken van kamfas verdiende ook de vrouw van den brouwer nog een aardig duitje. Het vereischte water wordt geleverd door een put, waarmee het brouwhuis in regelrechte verbinding staat. Goten van masten gemaakt en van tappen voorzien voeren de afgewerkte vochten weg en leiden de bruikbare naar koelvaten. Een groot aantal tonnen staat gereed om dan in laatste instantie het intusschen voor de consumptie gereed geworden brouwsel te ontvangen.
De smederij van het blokhuis is voorzien van zelfs een tweetal vuurhaarden, van blaasbalgen, die met vischtraan worden lenig gehouden en waarvoor nu en dan staal, hout, huiden, hoepen en touw worden aangekocht, van aanbeelden, hamers, tangen en andere instrumenten, tot een smidse noodig. De wachthuizen aan den wal, het waschhuis en de waag bieden niets opmerkelijks; maar anders is dat met de kapel, of weidscher, de kerk van het blokhuis. Afzonderlijk staat zij daar, ongeveer midden op het terrein, als trekt zij zich huiverig zooveel doenlijk terug van zóóveel wereldsch bedrijf. Aan den ingang van het gebouw vindt men het gewone wijwaterbekken met de wijwaterkwast of „quispel", aan een koord bevestigd. De kerk zelve is eenvoudig in haar soort, zooals zij voor den dienst meest voor eenvoudigen bestemd is; maar er heerscht toch iets als van stille wijding in de betrekkelijk kleine ruimte met haar flauw flikkerend olielicht voor het H. Sacrament en haar schijn van kaarsen in de metalen kroon of in kandelaren op het altaar of vóór Heilige- of Mariabeeld. Op de groote feestdagen, op Kerstmis en op Paschen straalt van lichter glans het onaanzienlijk kerkgebouw; extra Kerst- en Paaschkaarsen en groote wassen toortsen werpen dan een vroolijk schijnsel om zich heen, straks zorgvuldig weer gedoofd door middel van dophorens en helmen.
Aan St. Anna is de kerk gewijd; en St. Annendag dus ook, is voor haar een niet gewone. Dan bedienen in plaats van den gewonen kapelaan, die naast de kapel zijn woning heeft, de Minderbroeders de mis en zingen de vesper, en 10 ommekannen wijns is hun loon. Er is een trap in de kerk, die voert naar een galerij en in de sakristie worden de kostbaarheden bewaard : een verguld zilveren miskelk met ampullen, een misboek en andere zangboeken, ook de priestergewaden, de damasten „amyt", „alven", met groen zijden lint geboord, en kazuifels, gevoerd met „bolcraen", een fijne stof, uit geitenhaar geweven; eindelijk nog de benoodigde miswijn, het misbrood en de wierook. Grenzend aan de kerk bevindt zich de goudsmidskamer, waar de aanwezige sieraden in behoorlijken staat worden gehouden. In den toren der kapel is een uurwerk aangebracht. In verband met het gebouw, waarboven het prijkt, moge het gestadige voortglijden van den wijzer op de vergankelijkheid aller dingen wijzen en stichtelijke gedachten kunnen wekken, voor de bezetting van het fort zal de klok, evenals de ook aanwezige zonnewijzer, wel meer tolk zijn geweest van den welbekenden „vriend met ijzeren hand"
ieder uur heeft hier zijn bestemming, waaraan geen man zich ongestraft kan onttrekken. Tot geen daad echter meer kan het uurwerk, hoe hard het moge manen, hèm opwekken, die gedwongen verblijf houdt in het kleine huis daar in de nabijheid der kapel, een der gevangenissen van liet Leeuwarder Blokhuis. Men kent de verzuchting van den jongen Franschen dichter André Chénier, toen hij, slachtoffer van het woeden van Robespierre in de dagen van het schrikbewind, niet zoovelen het uur van zijn ster ven wachtte:
„Peut-ètre est ce bientót mon tour; Peut-étre, avant que l'heure, en cercle promenée, Ait posé sur l'émail brillant, Dans les soixante pas, ou sa route est bornée Son pied sonore et vigilant, Le sommeil du tombeau pressera ma paupière!"
Met soortgelijke gedachten zal misschien menige gevangene hier hebben opgezien naar den wijzer op den toren, en zich hebben afgevraagd, wanneer voor hem het fatale uur zou zijn aangebroken, waarop hij zou worden gevoerd naar het schavot in de nabijheid van het Blokhuis, of erger, nog eens weer naar den pijnigtoren met zijne huiveringwekkende herinneringen. Als het intusschen waar is, dat, om de menschelijke verkeerdheid, gedeelde smart slechts halve smart is, dan wordt hier nog niet eens 1/3 van het hoogtepunt bereikt; want ook in de nabijheid van de smidse en het broodhuis en onder de poort bevinden zich zulke „hondegaten", afgezien nog van de vrouwengevangenis en de bewaarplaats van delinquenten in de woning van den portier. En als eindelijk het nieuwe gevangenhuis verrijst, dan pas recht wordt de veel-gedeelde smart tot een minimum gereduceerd en wordt de klacht van Philips 11 over zoovelen der veroordeelden begrijpelijk, dat ze den dood niet vreezen, en dat ze, als men ze openlijk hun straf doet ondergaan, daarin jubelen en de omstanders trachten over te halen hun voorbeeld te volgen.
Het Leeuwarder Blokhuis is uiteraard rijk aan middelen tot verdelging; schavot en galg staan daarin niet alleen. Nog slechts terloops hebben we een blik geslagen op het geschut, dat geplant staat op de wallen; we hebben dat nu wat nader te beschouwen. In het algemeen heerscht er op dit gebied in het begin der 16e eeuw zeer bonte verscheidenheid, èn wat de vuurwapenen zelve, èn wat de projectielen betreft; ook hier komen oud en nieuw en komen bronzen en ijzeren geschut voor naast elkander. De oude, korte, maar dikke en zware bombaarde, die steenen kogels slingert, is nog door 16 exemplaren vertegenwoordigd; de „tuimelaer" of mortier in „zijnde seer wijt ende met sware ijseren banden omleght, waar achter aene in worde gevoecht een ijseren camere opte groote van den geschut passende, die men vult met buspoeder om uyt te werpen groote swaerte van ronde ijseren ofte steenen bollen, recht op in der lucht, dewelcke int nedervallen, mits hunne swaerte ende crachte van poeder, groote schade ende gewelt doen". Het nieuwe geschut echter heeft reeds de overhand; kegelvormig toeloopende kartouwen en halve kartouwen treffen we aan, scherpmetzers, waarvan Keizer Maximiliaan de vinder en vader wordt genoemd , en slanke, lichte slangen en kwartslangen, zoo bijzonder geschikt om zich te wringen door de nauwe openingen der strijkweren in den wal of der rondeelen op de hoeken, met drakenkoppen versierd en voor een deel gegoten door den beroemden Poppenreuter uit Mechelen. Er is een neiging bij den mensch om ziel te leggen in het ziellooze, waarmee hij veel verkeert; men behoeft niet juist Zola's „Bête Humaine" of zijn „Débácle" gelezen te hebben om te beseffen, dat een machinist als met een levend wezen kan verkeeren met de machine, die hij steeds berijdt, en dat een artillerist kan treuren bij het verminkte overschot van een stuk, waarmee hij veel doorleefde, als bij het lijk van een te vroeg gestorven vriend. Hij doet het spreken en een naam geeft hij het:
„Breeck, scuret al muer ende wal „Bin ick geheten; „Doer Berch en Dal boert minen bal, Van mi gesmeten".
Ook op het Blokhuis dragen zóó enkele kanonnen een eigen naam: „'t Bloemken Bleau" bloeit er, en het „Bloemken van Groningen" is er verdwaald; „Poppenreuter" zelf is er aanwezig en viert met het uitwerpen van steenen ballen de electie van den Keizer; de „duvel van Harlingen" verder is er een tijdlang te gast om er een verjongings, en versterkingskuur te ondergaan. Het groote geschut, dat we tot nu toe bezagen, rust op affuiten met zwaar beslagen raderen, met tappen reeds voorzien, waardoor het kan draaien, of het is ingelaten nog in „laden", even uitgeholde balken, geteerd of geverfd, die de beweging van het richten moeten meemaken. Heel wat toestel is er noodig voor het gebruik: esschenhouten stokken om de stukken te lichten, bokken en touwen om het „uit ende in te laten", schaapsvellen om het van binnen te reinigen, lepels om het van kruit te voorzien, kolven om de kogels aan te stooten, vuurpannen om er de lontstokken in gloeiend te maken, kisten tot berging van een en ander.
Veel klein geschut is er verder op het Blokhuis aanwezig: serpentijnen en haakbussen meer dan 100 en ook een 50-tal morgensterren, knotsen met kogels van ijzeren punten voorzien, die weinig goeds voorspellend zouden opgaan boven de hoofden van al te vermetele vijanden, maar die nu bij de makheid der tijden werkeloos dommelen in het nevelrijk der kazematten in den wal. Zóóveel monden eischen heel wat voedsel; in het kruithuis, door een stevig staketsel omgeven, staan, in flink gehoepte tonnen opbewaard, een keur van gerechten: grof kruit en knipkruit voor de knipbussen, en haakbussenkruit - want elk stuk heeft zijn bepaalde voorliefde - en daarnaast nog de onvermengde ingrediënten: salpeter en zwavel. Een kruitmolen met vier stampers, een groote koperen pan en twee koperen ketels zorgen voor de bereiding. Hoopen kogels, steenen en ijzeren, worden voortdurend op sterkte gehouden door steeds weer nieuwen aanvoer; ijzeren storm- en brandhaken, vorken en schoppen treuren in donker-bruin roestig rouwgewaad, dat de schoone dagen van weleer voorbij zijn toen Focko trok voor 't huis van Rienck en Rienck weer 't huis van Focko neerwierp, toen „vrunden, helpers en helpers helperen" maar al te bereid gevonden werden om aan 't werk der vernieling mee de hand te slaan. In de harnaskamer is wapentuig geborgen voor de bezetting van het slot, en in het tuighuis liggen laden voor het geschut, vele oude raderen, assen „en andere rommeling, dienende tot de artillerie"; ook staan hier een paar tonnen vol ijssporen, die in barre winters in het waterrijke gewest onontbeerlijk kunnen blijken.
Aan den noordelijken wal van het Blokhuis staan de stallen, eenvoudig, met riet gedekt, een grootere en een kleinere. Karrepaard en molenpaard zijn er, naast voornamere rasgenooten, gebonden aan de krib. Op den zolder boven hunne hoofden liggen hooi en haver geborgen, die hun door middel van een windas nader worden gebracht; een wan is aanwezig om het laatstgenoemde voedsel te zuiveren. In een kamer onder hetzelfde dak huist de stalknecht en in de nabijheid van de stallen is de „drencke, daermen de paerden inne watert"; die wordt af en toe uitgebaggerd en schoongemaakt. De ossen hebben dit vóór op de paarden, dat ze behalve over hun ossenhuis nog over een ossenweide te beschikken hebben; de varkens hebben niet dan hun kot: wanden van hout en riet, een zolder van kerksparren en een rieten dak. In de nabijheid van de afdeeling stallen is zeker ook de bergschuur voor de vele wagens en karren, die op het Blokhuis gebruikt worden; een vischkar trof ik er aan en een rolwagen; een slikkar, een hooi- en een bierwagen; een molenkar, een stortkar, een blok- en een houtwagen; verder nog een groot aantal handkarren, kruiwagens en berriën. Een boomgaard behoort er bij het Blokhuis; appelboomen groeien er, door hoepen beveiligd tegen ongewenschte aanraking, en een wingerd, met teen gebonden, smacht er naar zuiderzon en zuiderluchten; aan een specialen gardenier is de taak opgedragen om met een „houten reep" en „een yseren crauwele het quaede kruit', dat ook hier wast, uit den hof te verwijderen en er het gras te maaien. „Kwaad kruid" en muizen en ratten - want ook „musevallen" en „rottevallen" worden aangekocht - zijn een te onbehagelijk gezelschap, om er langer in te vertoeven; we staan liever nog een oogenblik stil bij het leven door de blokhuisbewoners binnen de citadel geleid.
IV.
Bij het schetsen van dit leven begin ik met het minst verkwikkelijke gedeelte van mijn taak; ik voer u eerst weer naar de gevangenissen terug; te zoeter smaakt de vrijheid na een tijdelijk ontberen. Weinigen intusschen van wie binnen deze ruimten neerzitten, in voetboeien geklonken, de handen soms gekneveld bovendien of in het gevangenblok besloten, zullen de waarheid dier woorden uit eigen ervaring eens kunnen bevestigen. Wel ver melden de Rentmeestersrekeningen onder de gevangenen éénmaal een zekeren „Mager Hein", maar tenzij hij is ontsnapt en wraak heeft willen nemen over zijn tijdelijke vrijheidsberooving, moet het een andere dan de algemeen bekende en vaak gevreesde zijn geweest; want die is blijkbaar volkomen vrij in zijn bewegingen en blijft op het Blokhuis juist hier zijn meeste slachtoffers vragen. En had men hem zijn eisch vaak maar onvoorwaardelijk ingewilligd, ja, desnoods hem geholpen zijn werk met spoed te doen, 't zou nog zoo heel erg niet geweest zijn; het is de tijd der doodendansen en niet den boer alleen verschijnt de geweldenaar als een helper en redder in den nood. Maar er is een tegenwerken en toegeven beurtelings, dat, wanneer ten slotte hij toch zegeviert, het geheele proces des te pijnlijker doet zijn. Er wordt in zekere mate zorg gedragen voor de kerkerbewoners en voor hen die, al hebben ze wat te pronk gestaan niet liedekens, gereprobeerde boeken of valsche daalders om den hals, of met een paar spinrokkens in den arm, ten slotte toch in hun vrijheid hersteld worden, is dat het danken wel waard. Zelfs wie het er met het gemis van zijn hand of zijn ooren afbrengt of met een doorpriemde tong of een brandmerk op zijn lichaam, heeft het er te beter om gehad. Maar bittere ironie wordt vaak die verpleging voor hen, voor wie verlenging van het leven slechts beteekent rekken van de mogelijkheid tot foltering en lijden, en uitstel van executie. Een zekere Auck b.v. werd gehangen na viermaal ter bank te zijn geleid. Zou Auck, bij de herinnering aan de sombere pijnkamer, waar bij het grillig flikkrend licht van toortsen en van kaarsen zoo onduldbre smart geleden was, en bij de kans om nog eens en nog eens te moeten doormaken, in erger mate, wat reeds werd doorgestaan, niet met smachtend verlangen hebben uitgezien naar het einde, op welke wijze dat dan ook komen mocht?
Was het wel zoo heel groote ondankbaarheid, als zij zich den barbier van het Blokhuis, die telkens haar wonden cureerde, weinig verplicht achtte? En niet veel anders zal het zoovelen zijn vergaan, die, na allerlei kwellingen vooraf, ten slotte met den zwaarde werden gericht, geworgd, verbrand of gehangen. Intusschen er wordt voor allen, die gevangen zijn, in zekere mate zorg gedragen. Eenige bossen stroo strekken hun tot ligplaats: dat is zachter dan de naakte bodem; dekens beschutten hen voor de ergste kou; voedsel wordt hun verstrekt, waarvoor de cipier per man en per dag een bepaalde vergoeding ontvangt; op tijd worden de kerkers behoorlijk gereinigd. Ook medische hulp wordt, zoo noodig, verleend. En die noodzakelijkheid doet zich nu en dan voor, want hoe ook afgezonderd uit de menschelijke samenleving, aan wat menschen zoo al overkomen kan staan ze ook hier nog bloot. Voor rekening van den Keizer wordt een gevangene gecureerd van een groot gat, hem „in den rug gevallen" door de pokken ; voor een anderen zieke worden verplegingskosten in rekening gebracht; één sterft er, ondanks die zorgen, en - als compensatie zeker - wordt Grietje, 't „vroedwijf", geroepen bij een heidensche vrouw, die gevangen zat op 't Blokhuis. De kleine zigeunertelg, aan wie zij kort daarop het leven schonk, werd onder weinig opbeurende omina geboren, tenzij het lot hem later dacht schadeloos te stellen voor wat het in zijn prille jeugd aan hem misdeed. Heerlijke geschiedenissen, vooral op jeugdigen leeftijd met graagte verslonden, die van ontsnappingen uit kerkers! De eerste gedachte, die flitst door het brein; het rijpende plan; het geduldige schaven en krabben met de nietige scherf; de ontdekking bijna; dan het groeien der opening; eindelijk de vlucht in het holle van een donkeren nacht; dat zijn alle stadia van een proces, in spanning gevolgd en in sympathieke deelneming met den held van het verhaal.
Op het Leeuwarder Blokhuis hebben we onze fantasie niet van noode om nog eens weer die sensatie uit onze jonge jaren te voelen. Er wordt werkelijk gewag gemaakt van een uitbreken bij nacht; en Hanske metselaar krijgt in last het gat weder dicht te stoppen „twelck die gevangens gebroecken hadden". Onmiddellijk daarop wordt een zware eikenhouten plank gekocht voor de gevangenis bij de smidse, wordt 4 dagen lang hout gezaagd en drie pond koperdraad verbruikt aan 't venster boven die cel. In het broodhuis en de smederij, grenzende aan het gebouwtje, wordt een tijdje lang ijverig gemetseld en ook de andere kerkers worden versterkt en beter voorzien; de „hondegaten", en „het duystere vangenisse" zijn voortaan veilige bewaarplaatsen, zelfs voor arme „onzinnigen", die het in hun woestheid hun medemenschen te lastig maakten en den cipier genoeg te doen vaak geven.
Wij wenden ons af; ons blijven zou hun toch niet baten. Het leven en bedrijf der landsknechten vraagt nu onze aandacht. 't Is een curieuse verzameling, het troepje krijgers, dat de bezetting vormt van Leeuwardens citadel. Van alle oorden in en ook buiten de Nederlanden zijn ze samengestroomd; bont is hun kleeding en bont is hun taal. Evert „Platnuese" moge in zijn naam geheimzinnig de plaats van zijn afkomst verbergen, Jan Seldenrijck is al niet eens tevreden met de aanwijzing, dat hij meer dan anderen lijdt aan het gewone euvel van een platte beurs; Jan Seldenrijck van Groningen noemt hij zich; hij weet zeer wel, dat er onder de Van Kollums en Van Dokkums broeders zijn, met wie men hem anders zou kunnen verwarren. Zij kennen allen min of meer de kwaal, waaraan hij lijdt en kunnen hem nazuchten
„Gheldeloos, ghi doet mi pijn. „Al mijn vruecht doet ghi verdroogen. „Ick soude so gaerne vrolijc zijn, „Woudt mijnen buydel ghedooghen. „Het was mi van te voren gheseyt, „lek en wouder niet na hooren. „Radde ick een pennincxken wech gheleyt, „Dat mochte ick nu oorboren. „Doen ic goet geldeken had in mijn tas, „Doen ghinc ic metten goey ghesellen. „Mer nu mijn ghelt is al verteert »Nu moet ic boomkens tellen.
„Wanneer ie in die taverne come, „Ter tafelen ben ie haest geseten, „Dan make ic mi van achter uut, „Dat die goey ghesellekens niet en weten.
„Pot ende kanne, het is al verteert. „Waer sal icx meer gaen halen? „Die vrouwe, die mi te borghen plach, „Die moet ic nu wel betalen.
„Eten ende drincken is mijn motijf. „Te sitten metten vollen balghe. „Als ict ghebrenghen can int lijf, „Voor die dore en staet gheen galghe. 1)
Uit Zwol, uit Steenwijk, uit Blokzijl, uit Ootmarsum, uit Oldenzaal en Deventer, uit Den Haag, ja uit Emden en Heidelberg zijn ze samengekomen, en toch hebben ze in al hun verscheidenheid wel iets ook gemeen; hun afkomst uit de lagere lagen der maatschappij, het bankroet van hun leven, een verleden vol avontuur, een groote, erkende voorliefde voor Wijntje en voor Trijntje:
„Sinte Noywerc hebben si vercoren „Tot hunnen alder besten patroon. „Si hebben hem dapperlijc hulde gesworen, „ln leechdom eeren si zijnen persoon. „Sinte Luyaert hebben si om ghedraghen, „En Sinte Noywerc heerlic gheviert, „Si hebbense ghedient bi nachte, bi daghen „Sinte Reynwyts heeft hen bestiert". „Ic drinc so gheerne mijn buycxken vol", erkent er één, en allen stemmen van harte in met het refrein: „Hi laet ons schincken en clincken, „En laet ons maken den dobbelen haen. „Mijn keelken moet wijneken drincken, „Al sou mijn voetken barvoets gaen".
Met ledigheid en luiheid echter is het nu gedaan. Al is aan het leven op een Blokhuis in vredestijd ook niet al te veel arbeid verbonden, er valt steeds wat te doen. Het geschut moet behoorlijk onderhouden worden en nu en dan beproefd; de vele kogels, die worden ingelost, bewijzen dat er geschoten wordt al loopt geen vijand storm en vóór het zoover is vereischt het laden van al de stukken heel wat zorg. Dan moeten raderen en laden geteerd en met een streekje verf wat opgesierd, rustingen, spiesen en hellebaarden schoongemaakt en gesmeerd worden. Grootere bedrijvigheid nog heerscht er, als een enkele maal nieuw geschut zal worden gegoten.
Het giethuis wordt extra nagezien, het dak gestopt, een heele schuit Bergerturf opgedragen, hout gezaagd voor een slede, waar de slang op rusten zal als men ze boort, en 30 sparren worden verwrocht aan het groote gietfornuis. Nog meer legt het maken der ammunitie beslag op de werkkracht der knechten; wel rust op den busmeester de verantwoordelijkheid voor de meerdere of mindere bruikbaarheid van het geproduceerde vuurwerk: kruit en vuurpijlen en vuurballen; maar zonder de hulp der knechten zou hij zich van zijn taak moeielijk kunnen kwijten. Wal en hof eischen verzorging; telkens zijn mannen bezig schelpzand te strooien en het gras, dat er te veel is, weg te maaien. En vooral als er gebouwd wordt op het Blokhuis is er voor de knechten veel te doen, maar ook menig extra stuivertje te verdienen. Steenen moeten worden opgedragen uit de schepen, die gemeerd liggen onder aan den wal; op kruiwagens en handkarren worden ze „geschoven" naar het huis en gestapeld op de plaats, in den boomgaard of elders. Honderden tonnen kalk en heel wat schuiten zand worden aangevoerd; zand en kalk moeten gelost, gemengd en beslagen worden. Dan weer komt het nieuwe geschut aan, uit Utrecht verzonden of van Mechelen afkomstig; met raderen en laden, er bij behoorende, moet het aan land worden gebracht, in het schieten geprobeerd, en verder gesleept naar het nieuwe rondeel, waar het een blijvende plaats zal vinden. Meer dan 20 man zijn er 8 dagen lang mee bezig. Zoo wordt de oefening der landsknechten voor velen afgewisseld door allerlei arbeid en slechts nu en dan is er gelegenheid om het oude, lustige refrein uit vroegere onbezorgde dagen nog eens weer te doen opklinken. Hoe afgelegen ook, het Leeuwarder Blokhuis blijft niet vreemd aan de gewichtige gebeurtenissen, die worden afgespeeld op het wereldtooneel; het leven van den grooten meester in de verte leeft het mee; het jubelt in zijn wel en het deelt in zijn wee. Nog maar pas noemde Karel V zich Heer van Friesland, toen de Keizerskroon hem lokte in het verschiet; het rijk, waarin de zon al niet onderging, maakte aanstalten zijn grenzen nog verder uit te zetten. Maar het imperatorschap werd Maximiliaans jongen kleinzoon heftig betwist; niemand minder dan de Koningen van Frankrijk en Engeland daagden op als concurrenten. Geld - men wist dat toen reeds - vermocht veel; gebeden konden mogelijk ook wat uitwerken; den Minderbroeders in Leeuwarden werd 7 ƒ uitbetaald voor hun tusschenkomst ten gunste van 's Keizers electie. Intusschen moest er vinnig om de zege gestreden worden; in spanning wachtte men den uitslag af en 5 goudguldens voor een nieuwen tabberd werden gegeven voor de eerste boodschap van Karels verkiezing, die op het Blokhuis aankwam. Toen maakte men zich op om de blijde gebeurtenis naar waarde te vieren. Zwaar dreunende kanonschoten maakten de bevolking bekend met het welkome nieuws en 30 sparren werden in den hof verbruikt tot palen om er tafelen en banken op te leggen tot het banket, dat men hield „doen delectie geschied was van den Keyser, ons genadigen Heere".
Drukke bedrijvigheid heerschte in stallen en vleeschhuis, in keuken en brouwerij en gezellige kout klonk op bij schuimende bekers, malsche bouten en sterk gekruide gerechten. Dan wordt de stemming losser nog bij 't ophalen van oude heldendaden en dolle avonturen, en wie „een nieuw liedeken" kent, die geeft het graag ten beste. Wekt het slot een weemoedige herinnering:
„Die dit liedeken dichte, „Dat was een ruyter fijn. „Hi hevet wel ghesonghen; „Hi en mach bi zijn lief niet zijn",') een ander verdrijft die ras weer en vindt algemeene instemming „Maer die dit liedeken eerstwerf sanck, „Hi hevet wel ghesonghen. „Hi hevet alle vroukens lief! „God scheynde die verraders tonghen".
Er moet al een dichter bij de gratie Gods gescholen hebben onder de Leeuwarder landsknechten, zou het toen spontaan zijn geboren, maar bijval zou het zeker gevonden hebben, het nieuwe lied van 's Keizers verkiezing:
„Lof toeverlaet, Maria zonder sneven! „Dies mogen wi wel loven sonder respijt, „Den Keyserliken hoet die is ons coninc bleven! „Dies moghen wi wel maken groot jolijt „In desen tijt! „Ende al met hem verblijden, „Ende laten trueren lijden.
0, princelic graen, ghi zijt souvent idone, „Want den oppersten coninc heeft u so wel versint, „Ghi sult ontfaen die Keiserlicke crone! „En acht dese nijders' tonghen niet en twint! „Ghi zijt gemint! „Wil U noch yemant deren, „Wi sullent ' helpen weren „Met lijf ende' ghelt, als ghi op velt „U tenten stelt. Der leeuwen moet swelt „Met schilden ende met speren!
Elke medaille heeft haar keerzijde; Karel's verkiezing deed de spanning, die sinds lang bestond tusschen hem en Frans 1 van Frankrijk, eindelijk in een openlijken strijd overgaan; de geweldige worsteling van de twee grootste machten in Europa nam een aanvang en zou voortduren, bijna onafgebroken, tot pas het midden van de 18e eeuw een korten tijd van verzoening en verademing zou brengen. Grimmig wierpen de beide kolossen zich op elkaar; de volken zagen in spanning toe, leden en baden; ook in Leeuwarden werd plechtige ommegang gehouden en stegen gebeden op om victorie voor den vorstelijken meester. En als dan het bericht komt van de schitterende zege, voor Pavia bevochten - de vijand verpletterd, Frankrijks koning in gevangenschap - dan juichen 's Keizers onderdanen, dan juicht weer het Blokhuis.
De korte winterdag is te kort om al den jubel te omvatten: vijfhonderd brandhouten worden gekocht „daermen tvier af maecte, doen de K. M. de victorie gehadt hadde voor Pavye tegen den Coninck van Vranckrijcke", een heele schuit turf wordt ingeslagen voor hetzelfde doel en pek- en teertonnen worden mede gebezigd tot opbouw van den geweldigen brandstapel. Haastig vluchtend voor de begeerig lekkende vlammen verheft zich de donkere rookzuil, spreidt in rustige zweving zich dan uit en blijft hangen boven het terrein als een machtige koepel, die nu en dan opgloeit bij het hooger laaien van het vuur. Het geknetter van het brandende hout mengt zich met de jubelende stemmen der feestvierende knechten en nu hier, dan daar treedt van het bonte samenstel van gebouwen en gebouwtjes een schilderachtig hoekje in het rossige licht, om zich even later weer in schemering of duisternis terug te trekken. En al luider klinkt het gejoel en al doller wordt de pret, tot met het minderen van den gloed en liet vorderen van den nacht ook de stemming zakt en eindelijk nog slechts de eenzame wachter bij het haast gedoofde vuur zich bewust is dat er feest werd gevierd dien dag en tot korting van den tijd bespiegelingen kan houden op het thema: sic transit gloria mundi. „Sic transit gloria mundi" - de waarheid dier bewering treedt den bewoners van het Blokhuis ook op een andere wijze nu en dan overtuigend voor oogen. Aan zes eiken staken hangen de lijken van zes knechten, die met het zwaard gericht werden: zij prediken het luide van hun hooge schouwplaatsen en zij vinden een stil en aandachtig auditorium. Slechts „Hans Scarprichter" heeft reden om zich te verheugen; een financieel buitenkansje en een paar nieuwe handschoenen bracht hem de dag en ook zijn dienaars, de bierdragers, hebben elk voor wijn 15 stuiver opgestreken. Zes sleden, elke slede van 3 stuiver, voeren „de doode lichamen, de raden ende staken uit" ... en dan keert alles terug tot den gewonen gang van zaken en is spoedig de indrukwekkende les vergeten.
Intusschen is op den slag bij Pavia de vrede van Madrid gevolgd, zoo haast niet gesloten of ook al weer verbroken. Italië vooral wordt nu het tooneel van den krijg; daarheen begeeft zich dan ook de Keizer; om zijn behouden overkomst wordt weer in Leeuwarden gebeden. Zóó volgt men uit de verte den vorst op den voet, volgt de wisselende kansen van den krijg met smeeking en gejuich, tot de eindvrede van Crespy voorloopig, na een viertal oorlogen reeds, de vijandelijkheden doet staken. Maar Karel V zorgt er voor dat desondanks de gelegenheid om te jubelen in zijn groote daden zijn onderdanen niet ontbreekt.
Enkele jaren slechts later brandt weer het geschut los op het Leeuwarder Blokhuis en meldt een victorie van den Keizer; brandende pektonnen vieren weer een triumf: het Duitsche protestantisme, dat naar de wapenen had gegrepen, was bij Muhlberg verslagen. Zeker niet algemeen echter was ditmaal dok de vreugde in het Friesche land; de tijd kwam nader dat het getal aanmerkelijk zou slinken van hen, die instemden in den jubel over een neerlaag van de zaak der Hervorming. Naar het Leeuwarder Blokhuis stroomen dus voortdurend berichten over wat er wordt afgespeeld op het tooneel der groote wereldgebeurtenissen; nu en dan wordt het enkelen der knechten gegeven ook zelf een kijkje naar buiten te nemen; zoo b.v. als er gelden worden gezonden naar Brabant en een militair geleide de tonnen en korven, waarin de kostbare materie is geborgen, tegen verdachte nieuwsgierigheid krijgt te beveiligen. Zoo'n reis, op zich zelf vol van afwisseling, moet een welkome onderbreking zijn geweest van den gewonen sleurgang der dingen.
Dichter bij huis onderhoudt de bevolking van de citadel communicatie met de stad op velerlei wijze, ook door de arbeiders, die bijna voortdurend daarbinnen verkeeren. Een machtig potentaat in die dagen was de Friesche wind, die den eersten Hofspresident, zoo vol moed en werklust naar deze streken getogen, binnen een jaar tijds knakte als een bloem op het veld, die Sonnius op zijn inquisitiereis zich minder wèl dan anders deed gevoelen, die het gevaarlijk maakte om in den avond, bij het schijnsel van toortsen, de met riet gedekte hutten der kleine luiden te naderen. Wij zagen reeds hoe hij ook de daken van het Blokhuis niet spaarde en riet-, en lei- en pannendekker zijn met hem in voortdurende worsteling. De loodgieter ook wordt telkens ontboden om te voorkomen, dat het regenwater doordringt naar plaatsen, waar men er minder op gesteld is. Timmerlieden, metselaars en opperlieden hebben bij een nieuwen aanbouw de handen vol en de tand des tijds, toen scherp als nu, geeft ook zonder dat hun veel te doen. Dan nog prijst de glazenmaker de breekbaarheid van het glas en stopt en soldeert en hernieuwt heel het lange jaar door. De smid brengt nu en dan leven in de smederij en de slotenmaker sluit ieder jaar weer zijn contract tot de leverantie van sloten en slotelen en tot reparatie van wat herstel behoeft op zijn terrein. Zelfs de privaatveger . . . . maar daarover past het te zwijgen. We stijgen naar hooger sfeeren.
Over 'den maarschalk vond ik weinig; een enkele maal een naam; daarbij bleef het. Maar beter kennen we de Stadhouders die achtereenvolgens, voor korter of langer tijd, overeenkomstig hunne instructie, het Blokhuis bewoonden. Hugo, graaf van Leisnig, is de eerste na de definitieve onderwerping, aan wien Leeuwarden, in plaats van Franeker en later Harlingen, tot residentie werd aangewezen, om van daar uit het Friesche land te besturen. Dat was geen gemakkelijke taak na de pas gedempte onlusten; echter is ze door hem op waardige wijze vervuld. Waar het noodig bleek, trad hij op met groote strengheid; maar 'in het algemeen drong hij aan op het bewaren van den vrede, en trachtte door geven en nemen tot het behoud daarvan zelf mee te werken. Te groote eischen van medestanders werden beslist afgewezen, matige belooniiigen echter niet geweigerd, bekeerde vijanden bij vrienden van ouds niet achtergesteld. Zoo gelukte het hem „gut regiment, frieden und ordnung" te scheppen in het geplaagde land en weldra kon het Blokhuis zijn poorten openen voor Hertog George van Saksen in persoon, die kwam om het werk, door zijn Gouverneur begonnen, tot een goed einde te voeren. Spoedig daarop vinden we Hendrik, graaf van Stolberg-Wernigerode met het Stadhouderschap bekleed. Een merkwaardig, een zeldzaam sympathiek man, die Graaf van Stolberg! Als een vreemdeling kwam hij naar deze streken en in korten tijd krijgt hij het Friesche land, waarvan later een Raadsheer van Karel V getuigen zou, dat hij er, nu ja, wel een tijd lang blijven, maar voor geen geld ter wereld sterven wilde, zóó lief, dat hij er wenscht begraven te worden, toen hij, in Keulen vertoevende, zijn einde voelde naderen. Meeen tegenstander om het zeerst prijzen hem, roemen zijn takt, zijn rechtvaardigheid en zijn ijver in het bevorderen van orde en welvaart. Er heerschte rouw in stad en land toen de sombere stoet, die hem naar zijn laatste rustplaats voerde, het Blokhuis verliet.. Vier edellieden droegen de baar, twee schreden vooruit met vaan en wapen ; twee volgden en voerden bij den teugel zijn paard, met een lang, zwart kleed behangen. Dan kwamen nog meer dan 200 geestelijken uit de kloosters in de nabijheid en uit de stad; die allen - zegt Winsemius - werden na de uitvaart op het Blokhuis te gast genoodigd.
Heel anders vergaat het zijn opvolger, Graaf Everwijn van Bentheim. Van binnen en van buiten de grenzen bestookt, meent hij een exempel te moeten stellen: Friesche edelen bestijgen het schavot, vóór het Blokhuis opgeslagen; maar hun bloed komt neer op des Stadhouders eigen hoofd. Al heel spoedig is hij tegen het groeiend verzet niet meer opgewassen, en als ook de komst van den Hertog zelf niet meer in staat is den tegenstand te breken, gaat het land over in handen van Karel V. Het zou mij te ver voeren, wilde ik lang stilstaan bij de mannen, die, resideerende op het Leeuwarder Blokhuis, zijn plaatsvervangers hier waren. Floris van Egmond en Willem van Roggendorf waren ephemere verschijningen; Schenck van Tautenburg een geducht krijgsman, een uitnemend strateeg, een krachtig en beleidvol regent, een trouw dienaar van zijn meester. Hem gelukte het Friesland, naar de uitdrukking dier dagen, „over een te brengen" en het voor den Bourgondiër te bewaren als een rustig, langzaam opluikend bezit.
Een korten tijd laat dan Maximiliaan van Egmond den glans van zijn roem lichten bok over deze streek; Maximiliaan van Egmond, „de laatste" - naar Potgieter's voorstelling - „die stierf zooals het een ridder past - na de toediening des heiligen oliesels, geharnast en gespoord, het zwaard aan de heup, den mantel om de schouders, het gulden vlies op de borst, den brekenden blik op de ijzeren handschoenen, en den helm met pluimen vóór hem gevest; die zijn jongste oogenblikken doorbracht, of sterven slechts reizen ware naar een schitterend tournooi, even moedig van zijn vrienden afscheid nemende - heuschelijk zijnen getrouwen gedachtenissen uitreikend - levenslustig met zijn' ouden valkenier over zijn lievelingsvogels koutend - dankbaar den gastmaalsbeker ter eere zijns Keizers ledigend - den geest gevende onder de verklaring, dat hij nimmer met ketters klonk". Zijn verscheiden doet het Stadhouderschap overgaan op Johan van Ligny, Graaf van Aremberg, den Zuid-Neder-lander, die, naijverig op zijn hoogheidsrechten, met het Hof van Friesland weldra in vinnigen twist geraakte; de man, onder wien de oorlogswolken al donkerder en dreigender zich samenpakten, tot ze met de eerste bliksemschicht, waarin ze zich ontlaadden, Frieslands Stadhouder velden. Bij Heiligerlee bezweek hij, strijdende voor de zaak van zijn Koning en zijn plaats liet hij na aan den graaf van Megen, aan Caspar Robles weldra, die dijken meer geëigend vond dan privilegiebrieven, om watervloeden te keeren, wiens rijdier als „des kolonels paard" is vereeuwigd in de Rentmeestersrekeningen en wiens naam bewaard is gebleven in het Caspar-Robles of Kolonelsdiep. Dat Rennenberg eindelijk zich het Blokhuis zag ontslippen en van bestemming veranderen, zagen we reeds. Als van zelf brengt de aanwezigheid dezer hoogste machthebbers op het Blokhuis bijzondere drukte meé van allerlei aard. Met hun „hofgezin" en hun lijfwacht vermeerderen zij de bevolking. Een kapelaan, een secretaris, een heraut, een „overste stalknecht" en een "stalknechtruyter", een „snyder", een brouwer, meer dan gewoonlijk bedreven in zijn vak, en nog 11 man, zonder nadere beroepsaanwijzing, vormden het personeel van Van Tautenburg; uit 12. „hellebardiers" of „trawanten" bestond zijn lijfwacht. Boden komen en boden gaan; ze brengen brieven over van de centrale regeering : berichten, adviezen, bevelen en plakkaten; ze trekken uit om kondschap in allerlei vermomming, dragen stukken naar Brabant of bevelen of oproepingsbrieven naar kloosters en stinsen, naar grietenij- en stadsbesturen. Raadsheeren melden zich aan en Commissarissen uit het zuiden; gewichtige besprekingen worden gehouden en spannende momenten doorleefd, vooral als in het naburige reventer der Minderbroeders de Staten zijn vergaderd en beraadslagen over de gedane petitie. Heel wat schipperskunst wordt dan vereischt om tusschen alle klippen door te zeilen, zoo min mogelijk prijs te geven en toch zooveel mogelijk te bereiken. Hoop en teleurstelling wijken beurtelings voor elkaar, tot vreugde heerscht of verslagenheid, al naar mate de afloop gunstig is of ongunstig. Maar pas recht in de tijden, als ook de Canselarij gehouden wordt binnen Leeuwardens citadel, is deze de hartader van het Friesche bestuur, waarvan elke actie uitgaat en waartoe alles weêrkeert. Dan ook trekken deurwaarders uit en citeeren naar hun bevolen is; partijen verschijnen en vragen om recht; commissarissen reizen af tot het onderzoek, aan hun scherpzinnigheid toevertrouwd; de Substituut van den Griffier opent zijn vangtochten; Grietmannen voeren onder escorte delinquenten aan en leveren ze af op het Blokhuis.
Eén figuur slechts, die trouwens gewoon is achteraan te komen, blijft mij nog over te bespreken. Het is Mincke, de Nar, die een korten tijd binnen de vesting verblijf hield. Te zijnen faveure staat in de rekening van 1517 tot 1519 een uitgaaf voor rood laken en voering geboekt, en een voor geel dito om den rok mee te boorden. Nog twee nieuwe pakken worden in deze jaren voor hem aangekocht. Waarlijk, hij heeft niet te klagen en kan in goeden luim lustig den spot drijven met allen en alles, ook met deze poging om de eeuwen te overbruggen en een deel te doen herleven van een verleden, dat onherroepelijk voorbijging.
▲
geschiedenis |