HomeBLOKHUISPOORT.NL

 

Engelstalige BlokhuispoortHyves Blokhuispoort  FacebookTwitterLinkedin

MUSEUM AGENDA EXPOSITIE RONDLEIDING CONTACT ZOEK VVV
berucht bibliotheek educatie beeld geschiedenis ontsnappingen bunker winkel

Blokhuis 1846 geschiedenis beschrijving Leeuwarden

van Friesland door Eekhoff, 1846
Stichting van een Kasteel, Sterkte of Blokhuis in de Stad.

Onder de voorwaarden, waarop Hertog ALBERT van Saksen het bewind over Friesland had aangenomen, was ook deze, dat het hem vrij zou staan, in het land sloten en sterkten te bouwen, waar hij het zou verkiezen1. Uit het gebeurde met Uniahuis bleek duidelijk, hoeveel waarde men bij het bezetten van eene stad aan zulk een vast huis hechtte, 't Was dus natuurlijk, dat Graaf WILLEBRORD ook dit punt tot eene voorwaarde maakte bij de onderwerping der stad2.

Het vernederende daarvan lag vooral hierin: dat de stad, tot haar eigen bedwang, moest toestaan, dat de Stadhouder, ten behoeve van den Hertog van Saksen, een Blokhuis zou stichten, daar, waar hij het verkoos, op hare kosten, hoewel hij die som voorschieten zou, om ze zoo spoedig mogelijk terug te ontvangen.

Kort na de overgave van Leeuwarden werd de nog weinig bebouwde zuidoosthoek der stad tot het bouwen van een Kasteel het meest geschikt gekeurd. Het huis én hof van het adellijk geslacht HANIA, daar in het begin dezer eeuw gebouwd3, benevens de tuin van JAN TAMMAMA, moesten daartoe aangekocht en weggeruimd worden.

Nadat men reeds in het midden der maand November 1498 begonnen was, de boomen te roeijen en de plaats te effenen en af te palen, ving men den 22 Februarij des volgenden jaars aan met het aanleggen en bouwen van het Blokhuis. Wanneer men door dit laatste woord een enkel gebouw verstaat, gelijk dat oude gedeelte, hetwelk wij thans nog onder dien naam kennen, zoo vormt men zich een verkeerd denkbeeld van eene plaats van verdediging en aanval, welke men gewoon is meer algemeen met de namen van Kasteel, Sterkte, Citadel, Fort of verschanste Legerplaats te bestempelen.

De sterkte toch, van welke wij spreken, werd, naar de toenmalige wijze van vestingbouw, aangelegd in een vierkanten vorm, en geheel met eene breede gracht omringd. Aan de zuid- en oostzijde kwam hiertoe de regthoekige strekking van de Stadsgracht te stade, uit welke aan de noordzijde, ter plaatse waar later de Nieuwe Oosterstraat is gerooid, eene gracht werd gegraven, die, bij de tegenwoordige Hillemapijp, naar het zuiden kromde, en zich, ter plaatse van het Stads Burger-Ziekenhuis, met de Buitengracht vereenigde. Tot het graven van deze gracht, in zeven perken afgedeeld, werden de naastgelegene Grietenijen verpligt, tegen eene vergoeding van 25 Goudguldens voor iedere roede lengte.

Uit deze gracht werd aan de binnenzijde een wal of hooge borstwering opgeworpen, op welken men het geheel kon rondwandelen4. Op ieder der vier hoeken werd een rondeel of vlakke hoektoren gebouwd. Aan de west- of stadzijde kwam in den wal de groote poort of hoofdingang, met eene ophaalbrug over de gracht er voor, waardoor men de gemeenschap met de stad kon onderhouden. Uit den zuidoostelijken hoektoren lag eene hulpbrug over de Stadsgracht5.

Zoodanig was de uitwendige vorm van deze sterkte, die aan de west- en noordzijde eenige onbebouwde ruimte voor zich had. Binnen dien omtrek was in het midden een ruim plein. Het hoofdgebouw of het kasteel van den Stadhouder, Maarschalk of Bevelhebber van den Hertog, met twee torens versierd, werd aan de regterzijde van den ingang gesticht; terwijl aan den westgevel geplaatst werd het in hardsteen gehouwen wapen, voorstellende den Duitsch-keizerlijken Adelaar, met het Saksische wapenschild op de borst, en het wapen van den stichter des gebouws, Graaf WILLEBRORD VAN SCHAUMBURG, daarnevens6. De stallen, de voorraadschuren van krijgs- en levensbehoeften, de kwartieren of de kazernen voor de soldaten, de ...(leesverder naar wachthuizen)

1 Charterboek, I 783.

2 Aldaar, 792.

3 De standplaats van dit huis blijkt uit eene plaats van de Geneal. Aijttana, in de Anal. Belg. van HOYNCK VAN PAPENDRECHT, waar I 270 gezegd wordt: "Watze Hania (zoon van Gale en Hints Ekinga) was een beroemd Genees- en Heelkundige, en heeft te Leeuwarden gewoond op de plaats, waar na het kasteel is (ibi nunc est castruin)." Dat hiermede het Blokhuis bedoeld werd, blijkt ook uit SIBR. LEONIS Vitae Abbat. in Lidlum, in MATTHÆUS, Anal. III 575, waar het een castrunt firmum genoemd wordt. Zie ook Stamboek, 143, aant. 89.

4 J. DOUWAMA l49: "Sijne Gnaden ginck met mij om de wal 3 malen."
5 EDO JONGHAMA, bij WINSEMIUS, 411. Zie den vorm dezer sterkte in haar geheel op den eerstvolgenden Plattegrond, van omstreeks 1550.

6 Tegenw. Staat van Friesl. II 120; VAN HALMAEL, Alijd Jarla, in den Friesche Volks-Almanak voor 1838, 12, 22. In 1515 zijn deze wapens echter door andere van den toenmaligen Heer vervangen.

wachthuizen, de windkorenmolen en alle andere gebouwen, welke onmisbare deelen eener vesting zijn, werden verder aan alle vier zijden binnen of tegen den wal gebouwd. De kerk of kapel der bezetting, wier westgevel met een spitsen toren pronkte, en waarvan de bediening aan een afzonderlijken Kapelaan was opgedragen, werd meer naar het midden geplaatst, en aan de oostzijde met eene woning voor dien Geestelijke voorzien.

Ten behoeve van dezen belangrijken aanbouw werd allereerst gebruik gemaakt van den steen van het vroeger aangevallene Uniahuis, dat Leeuwarden opgelegd was te herstellen, doch dat nu geheel gesloopt werd, welligt omdat het den Stadhouder, zoo nabij het Blokhuis, in den weg stond7. De overige bouwstoffen werden voor een groot deel gevonden uit den steen van de stinzen der Schieringer edelen uit den omtrek, welke de Leeuwarders en Groningers afgeworpen hadden, en welke de Stadhouder beloofde des noods te zullen voldoen.

Onder ijverige hulp der stedelingen en landbewoner werd op deze wijze, in den loop van het jaar 1499, deze dwangnagel der vrijheid, dit blijk van overheersching en onderworpenheid, aangelegd en voltooid, om tevens tot een veiligen zetel te verstrekken van het Saksische bewind in Friesland8.

6. Leeuwarden als Hoofdstad van Friesland.
Ten gevolge der stichting van het Blokhuis, de Canselarij en de Munt zag Leeuwarden zich ten jare 1504, door de gunst van Hertog GEORG van Saksen, tot bestendigen zetel van zijnen Stadhouder en Provincialen Raad, tot vaste vergaderplaats van de Staten des lands, en alzoo tot Hoofdstad van Friesland verheven. Zij werd boven andere steden met dit voorregt begunstigd wegens hare geschikte ligging midden in het land, en wegens hare meerdere grootte en aanzien; uit welken hoofde de geschiedschrijver WINSEMIUS haar noemde: "eene Hofplaetse, uytmuntende, na de standt van dier tijden, in schoone ghebouwen ende timmeragien, met welke deselve, even als ten huijdigen daghe, door voorspoedt der Fortuijnen ende Rijckdommen, altijts verciert ende behangen gheweest is"9.

Reeds vroeg plukte Leeuwarden dus weldadige vruchten van eene vreemde overheersching, welke men eerst lang tegenstand had geboden, doch die het algemeen en bijzonder belang van stad en land weldra groote voordeelen aanbragt. Inzonderheid was dit het geval onder het bestuur van den Saksischen Stadhouder HENDRIK, Graaf van Stolberg en Heer van Wernigerrode; — een man, die door tijdgenooten, bijzonder met zijn persoon en zijne handelingen bekend, geroemd wordt als een braaf en opregt Christen, die God, zijnen pligt en het land liefhad; die alles deed, wat een goed, regtvaardig en onpartijdig Regent behoorde te doen, tot eer van den Vorst en tot welvaart van den lande; en die de belangen van Friesland dermate ter harte nam, dat iedere Fries vergat, hetgeen er onaangenaams vóór hem geschied was; dat ieder God dankte, onder zulk eene rustige regering te mogen leven, en dat niemand de verlorene vrijheid voor deze overheersching terugwenschte10.

Onder zulk eene regering, die hare plannen tot verbetering met klem en kracht doorzette, konden er eindelijk ook ondernemingen tot stand komen, welke voor Friesland en bijzonder voor Leeuwarden van hoog belang waren, en waarvan de uitvoering onder het vroegere landsbestuur, wegens het woeden der partijschappen en gebrek aan eenheid van wil, te vergeefs beproefd was. Wij bedoelen: de verbetering van de middelen van gemeenschap te water, van Leeuwarden met de overige steden en deelen van Friesland.

5. Het Blokhuis van Leeuwarden versterkt en bezet, en daarna ingenomen en 7 Volgens WINSEMIUS, 394, en GABBEMA, 260, werd de gracht, welke Uniahuis had omgeven, in 1504 gedempt met de baggerspecie of slataarde, bij het uitdiepen en overwulven van het brugplein de Brol bekomen, met oogmerk, om op de ruimte van het vroegere huis, gracht en tuin, welke tot een plein geëffend werd, voortaan de Vischmarkt te houden. Later werd dit plein tot Ossemarkt gebruikt.
8 Zie Charterboek, II 85; SCHARLENSIS, 93°; WINSEMIUS, 365; SCHOT. 467; PETER VAN THABOR, II 150; GABBEMA, 237; BENINGA, bij MATTHÆUS, IV 426; F. SJOERDS, Beschrijv. I 810, 852.

Meerdere bijzonderheden omtrent het Blokhuis zijn medegedeeld in Aanteekening 25.
9 Chronique van Vrieslant, 1622, 393.
10 Zie over dezen uitmuntenden, te weinig bekenden, Landvoogd de berigten van KEMPO MARTENA, Landboek, Charterboek, II 67, en van JANCKO DOUWAMA, Boeck der Partijen, 135, 136.

ontmanteld. 1580.

Niet te vergeefs had Hertog ALBERT van Saksen aan den zuidoosthoek van Leeuwarden een forsch kasteel, met weerbare vestingwerken omringd, laten bouwen, ten einde de vastheid van zijn opgedrongen gezag te verzekeren, en om, bij het minste blijk van oproerige gezindheid, de stad door zijn geschut te bedwingen. Niet te vergeefs hadden zijne opvolgers groote waarde gehecht aan dezen zetel van hunne Stadhouders en van de voornaamste krijgsmagt in dit gewest. En hoewel de omstandigheden hen nooit genoodzaakt hadden, om van deze kleine vesting tot aanval of verdediging gebruik te maken, — toch waren zij bestendig voortgegaan, om de gebouwen en werken, overeenkomstig de vorderingen van den vestingbouw in dien tijd, te verbeteren en te versterken.

Dit laatste was pligt en zelfs noodzakelijkheid geworden, toen, na langdurigen vrede, de landzaten zich eindelijk tegen het misbruikte oppergezag te weer stelden, en er magt van vreemde soldaten vereischt werd, om de gestrenge plakkaten des Konings te doen uitvoeren, en de burgers bij de gehoorzaamheid aan den Landsheer te bewaren. Inzonderheid was CASPER ROBLES, Heer van Billij, die wakkere Stadhouder des Konings, hiervan overtuigd, toen, in 1572, de wapenen der vrijheidslievende Edelen hier en elders zooveel voorspoed ondervonden, en DUCO MARTENA pogingen deed, om Leeuwarden voor den Prins van Oranje te winnen.

Daarom wendde hij allen ijver aan, om het Blokhuis in vele opzigten sterker te maken. Door een Venetiaanschen Bouwmeester liet hij al de werken herstellen en verbeteren, en aan de oostzijde eene nieuwe en hoogere borstwering uit de gracht optrekken. Ten einde het overzwemmen van die gracht te beletten, deed hij in haar midden, rondom het geheel, eene rij spitse palen heijen, welke voor de zeedijken bestemd waren. De boomen, waarmede de ruimte aan de west- en noordzijde beplant was, liet hij omverhakken, als tot een sein, dat hij zich in staat van verdediging stelde, of tot aanval voorbereidde. Door deze maatregelen, en dóór het gebod, om de wapenen der huislieden van het omgelegen land op het Blokhuis- en hunne granen in de stad te brengen, trachtte hij zijne beste pogingen aan te wenden, om de stad tegen een onverhoedschen aanval te versterken, en bij een gevreesd beleg tegen hongersnood te beveiligen, ten einde haar voor de zaak des Konings te bewaren11.

Met den jare 1576 had evenwel zijn gezag uitgediend, en was de Graaf van Rennenberg tot Stadhouder benoemd. Deze stelde den Hollandschen edelman JAN VAN MATHENES DE WYBISMA tot Drost of Maarschalk op den Blokhuize aan, en deed de Waalsche soldaten door eene bezetting van Duitsche benden vervangen. Sedert de Pacificatie van Gent eenige meerdere ruimte had gegeven, was dit kasteel, als een dwangnagel der vrijheid, den ingezetenen een doren in 't vleesch. Bij elke gelegenheid gaven zij den wensch lucht, dat het of door de burgers zelve bezet-, óf ten gronde toe gesloopt mogt worden. Zelfs schreven de Gedeputeerde Staten van Friesland naar Brussel, met het verzoek tot "die demolitie (afwerping) van de Huysen, ende die Domeynen van de Majesteyt te mogen aentasten ende employeren tot betalinghe van de groote schulden, tot bescherminghe van den Landen"12.

In dezen stand van zaken ondernam WYBRANT ROORDA. van Goutum, Grietman van Idaarderadeel en Luitenant van den Hopman RIENCK VAN DEKAMA, op aanzoek van de Spaanschgezinde Raden van het Hof, in Augustus 1577, het kasteel te vermeesteren. Met een vaandel van 130 soldaten komt hij op het Vliet, trekt langs den Grachtswal achter het Blokhuis, en weet van daar den Bevelhebber VAN MATHENES te belezen, om, zoo hij voorgaf tot zijne versterking, hem en zijn vaandel op het huis te nemen. Naauwelijks waren zij de hulppoort ingelaten, of ROORDA verklaarde zich, namens den Koning, tot meester van de sterkte. Nu ontstond er groot oproer onder de veel sterkere bezetting en in de stad, in welke op dien dag meer dan vier malen alarm werd geklept. Met moeite werd de bloedstorting voorgekomen, en hoeveel ijver VAN MATHENES ook aanwendde, om de overrompelaars tot den aftogt te bewegen, hij was genoodzaakt, zich gevangen te geven, en de zijnen, te ontwapenen, tot den tijd, dat RENNENBERG zelf in Leeuwarden verwacht werd. Na groote beweging tegen het Hof verwekt te hebben, kwamen de burgers met ROORDA overeen, dat hij tegen eene vergoeding van 3300 t«d. zou aftrekken.

Nu werd het kasteel door zestig Stads Schutters, onder bevel van de Kapiteinen RIENCK VAN CAMMINGHA, Heer van Camminghaburg, en AESGE HARMENS PHELTEN, Burgemeester, bezet. Het was nu wel in de magt der stad; doch hare begeerte, om het kasteel te ontmantelen, werd onderdrukt door de vrees voor de komst van RENNENBERG, aan wien het in de volgende maand September weder werd overgedragen13.
11 Charterb. III 900 en verv.; WINS. 578; SCHOT. 764; GABB. 535.
12 WINSEMIUS 602.
13 Een verhaal van dit voorval, door een partikulieren brief medegedeeld, komt voor in het Charterboek, III, 1174; WINSEMIUS, 602; SCHOT. 811. WYBREN ROORDA of WYBE VAN GOUTUM komt mede voor in 't Charterb. III 935, 1163; VAN SMINIA,

Grietmannen,
Men plukte dus voor de zaak der vrijheid geene of geringe vruchten van deze opoffering. Doch daartoe was de tijd ook. nog niet rijp. Toen echter de Religions-vrede en de Unie van Utrecht allengs meerdere vrijheid en zelfstandigheid ontwikkelden, werden ook de Blokhuizen een ondragelijke dwang. De middelen, om zich daarvan te bevrijden, "waren de voorwerpen van de dagelijksche gesprekken der burgers. Reeds den 27 September 1578 had de Aartshertog MATTHIAS den Friezen uit eigene beweging aangeschreven, dat hij, om alle achterdocht te voorkomen, goedgevonden en toegestaan had, dat de kasteelen van Friesland, en inzonderheid dat van Leeuwarden, in handen der burgers gesteld-, en zoo lang van hunnentwege bewaard zouden worden, als de stad genoegzaam versterkt zou zijn, om dit kasteel te kunnen ontmantelen14.

Opmerkelijk is het, dat de Staten van Friesland op den zelfden dag een besluit namen, dat de kasteelen van Leeuwarden, Harlingen en Stavoren in handen van de Staten gesteld zouden worden, om ze door hunne soldaten te doen bewaken, totdat zij afgebroken zouden zijn15. Toen dit tegengehouden werd, gaven de Friesche afgevaardigden aan de Bondgenooten te Utrecht dringend het verlangen te kennen tot vervulling der belofte van den Aartshertog; en ook deze beloofden op nieuw, in December 1579, een Ingenieur herwaarts te zullen zenden, om de ontmanteling van het Blokhuis te bevorderen16. Ook Prins WILLEM en de Algemeene Staten hadden den Stadhouder RENNENBERG bevolen, om de kasteelen der drie steden in handen van de Staten des lands over te dragen, ten einde ze af te werpen.

De Provinciale Staten hadden toch aan de Algemeene Staten de som van 18,500 Gulden, onder deze bijzondere voorwaarde, voorgeschoten. Daarom gaven zij den Stadhouder bij een uitvoerigen brief dringend te kennen, wat zij van hem verwachtten, en konden eischen17.

Doch alles vergeefs! Het laaghartig verraad, dat RENNENBERG in zijnen boezem voedde, en hetwelk geen ander doel had, dan om al de vruchten der bereids verkregene vrijheid te verijdelen, en Friesland weder geheel onder het dwangjuk des Konings te brengen; — dat verraad, hetwelk hij weinige maanden later, ten koste van zijne eer en rust, en van de vrijheid eener stad als Groningen pleegde, — dit deed hem de uitvoering van ieder bevel vertragen, elk verzoek der Staten in den wind slaan, en hij elke gelegenheid uitvlugten en uitstellen zoeken. Hij deed nog meer. Zelf altijd afwezig, en langer dan vijf maanden in het klooster Essen in Groningerland vertoevende, plaatste hij een, bij de Staten verdacht, persoon, JAN VAN SCHAGEN, aan het hoofd van een groot getal vreemde soldaten, als Drossaart of Maarschalk, op het Blokhuis te Leeuwarden.

Deze versmading van het hoogste gezag, die lagen, welke men bemerkte, dat heimelijk gelegd werden, en het belang der zaak, dat aldus verwaarloosd werd, voerden het wantrouwen en den afkeer jegens hem ten top. Dit alles, en de aandrang der burgers deed eindelijk bij de Staten het besluit .geboren worden, om, hetzij met list, hetzij met geweld, zich meester te maken van dit laatste gehate blijk van overheersching; te meer, dewijl men van de bezetting der sterkte voor de stad de schrikkelijkste tooneelen meende te moeten vreezen, wanneer de vermoedens omtrent het voornemen RENNENBERG eenmaal verwezenlijkt mogten worden.

Inmiddels hadden de Steden van Friesland zich onderling verbonden, om, met hulp der Grietenijen, de drie Blokhuizen af te werpen. Wel werden zij daartoe eenigzins ontmoedigd, toen RENNENBERG kort hierop acht vaandelen krijgsvolk «herwaarts zond, in schijn om hen te helpen, doch in de daad om de uitvoering van dit voornemen te beletten. Maar de Staten drongen op voortzetting aan, dewijl tijdverlies ligtelijk aanleiding kon geven tot ontbinding van deze vereeniging.

Op den 31 Januarij 1580 werd dan door de Gecommitteerden der Steden, DOUWE SIXMA, Burgemeester van Franeker, en JELLE SYBES en ADJE LAMMERTS, Burgemeesteren van Leeuwarden, eene schriftelijke overeenkomst gemaakt, waarbij zij elkander hulp en bijstand beloofden, om Leeuwarden zoo spoedig mogelijk van het Blokhuis en "Tijrannennest" te bevrijden. Te gelijk verklaarden zij, de hulp van de Gedeputeerden en van hunne medeburgers en landgenooten steeds dankbaar te zullen erkennen, wanneer zij hen in krijgsgevaar bijstaan-, en binnen de stads vesten bescherming verleenen wilden18. Tot hunne verzekering werd deze Acte aan Gedeputeerde Stalen ter hand gesteld; en deze verleenden nu op den zelfden dag aan den Burgemeester ADJE LAMMERTS, als kapitein van de Burgerwacht en als hoofd van de soldaten, tot bewaring en verzekering
150; Stamb. 314, Aant. 212.
14 Charterboek, III 1214.
15 Staats-Resolutieboek.
16 Charterboek, IV 109; SCHOTANUS, 835.
17 WINSEMIUS, 651; SCHOTANUS, 839.
18 WINSEMIUS, 653; SCHOTANUS, 8-41.
van de stad aangenomen, volledige commissie, last en volmagt, om het Blokhuis met list of geweld te bespringen, in te nemen en te veroveren19.

Op eene heimelijke wijze werden nu dadelijk eenige pogingen in het werk gesteld, om de voornaamste hoofdmannen der bezetting van het kasteel in het belang der stad over te halen. De kapiteins JAN VAN VERVOU, JAN BONGA en OENE VAN GROVESTINS, die mei hunne benden op het Vliet builen de stad lagen, wist men op zijde te krijgen, en tol hulp te bewegen. Op het huis van het adellijk geslacht VAN ANDRINGA, slaande aan de Oudegracht nevens de Blokhuisbrug, die het voorplein der sterkte met de stad verbond, legde men eene wacht, om het kasteel langs dezen toegang hulp uit de stad af te snijden.

Slechts aan enkele burgers, op welker trouw men zich kon verlaten, werd het geheim van den aanslag geopenbaard. Gedurende den nacht werden daartoe alle voorbereidselen gemaakt, ofschoon men voorgenomen had, eerst list aan te wenden, en, als deze mislukte, dan geweld van volk en wapenen te gebruiken.

Deze list, welke op onderscheidene wijzen verhaald wordt, bestond hierin. Vóór het begon Ie dagen, begaf de Hopman FOX SELSMA zich naar het kasteel, bij den poortwachter voorgevende, met eenige zijner bekenden van de bezetting goede sier te willen maken. Hij had bij zich zekeren HENDRIK KLEINZORG, een moedig soldaat, die gehuurd was, om, zoodra zij binnengelaten waren, den poortwachter te doorschieten, op welk gerucht de bezetting van Andringahuis tot hulp zoude uilrukken. Het schot mislukt — de wachter roept de bezetting in het geweer — en SELSMA en KLEINZORG, ook reeds door andere wachten ontdekt, worden genoodzaakt het slot in aller ijl te verlaten20.

Deze mislukking sloeg den moed der aanvallers eerst ter neder. Hun grijze bevelhebber, Burgemeester ADJE LAMMERTS, wist die echter weer te doen ontvonken, en hen aan te sporen tot het besluit, om nu met list en geweld beide, zonder uitstel, het voorgestelde doel te bejagen. Op bevel van de Gedeputeerden werd er ijlings m de stad alarm geslagen, de klokken geklept en alle burgers gewekt. Nu strooide men onder de toevloeijende menigte uit, dat de bezetting van het Blokhuis met nieuwe vaandelen gesterkt was, en het voornemen had, uit te vallen en de stad te plunderen. Dit gerucht bragt alle burgers in vuur en verontwaardiging.

Allen betoonden zich bereid, om niet slechts tot verdediging van de stad het uiterste te wagen, maar ook, om het gehate kasteel te veroveren en te sloopen, roepende, nu de wapenen niet weder te willen afleggen vóór dat dit geschied was. Met de benden der genoemde Hoplieden trokken zij dadelijk in groote menigte op, en omsingelden de sterkte-, die in naam der Staten des lands werd opgeëischt. Nu werden de boomen, langs de grachten der stad staande, uit den grond gerukt, om daarmede de gracht van het kasteel te dempen. Verschansingen werden opgeworpen, om daaruit het Blokhuis te beschieten en te bestormen. Eene menigte knapen voerde het geschut uit het Stads Wapenhuis aan, en trok het voort met een spoed, alsof er paarden voor gespannen waren. Eén maatregel, welke men vervolgens gebruikte, en die bijzonder doel trof, bestond hierin: dat men de monniken en de nonnen uit de kloosters en de Roomschgezinden uit hunne huizen haalde, en deze, met de vrouwen en kinderen der mannen, die op het Blokhuis in bezetting lagen, nevens hen, aan de overzijde der gracht vóóraan stelde, in het gezigt van de belegerden.

Dezen ontviel hierdoor de moed; zij ontzagen de hunnen, en gaven de hoop op, om de vesting langer te kunnen bewaren. Ook den Bevelhebber JAN VAN SCHAGEN, hoewel voorzien van alles, wat tot zijne verdediging noodig was, zag geen kans de hem aanvertrouwde sterkte langer te kunnen behouden, toen hij deze krijgslist en dien geestdrift en wakkerheid van jong en oud, van rijk en arm, door zulke dappere aanvoerders voorgegaan, bemerkte, en tevens de verslagenheid der zijnen aanschouwde.

Geen uitzigt op ontzet hebbende, leende hij eindelijk het oor aan den herhaalden raad en drang van eenige, omgekochte, onderbevelhebbers, en gaf het Blokhuis aan de Staten van Friesland en de burgers van Leeuwarden over, onder deze voorwaarde, dat aan hem en de zijnen vrije aftogt gegund-, en hem levenslang een jaargeld van 200 Gld. toegestaan wierde. Op den zelfden dag, den l Februarij 1580, werd die overeenkomst gesloten, trok hij met zijne benden af, en namen de Staten en de Stad bezit van het kasteel, waarvan zij de bewaring aan hunne deurwaarders, gewapende dienaars en zes-en-twintig uitgelezene soldaten toevertrouwden21.
19 Van deze Commissie heb ik de oorspronkelijke Minute, van de hand van den Secretaris der Staten, EKO ISBRANDI, met eene daarbij gevoegde Copie van de hand van GABBEMA, onder de papieren van dezen laatsten gevonden. Daar zij nergens gedrukt is en een zoo belangrijk feil geldt, heb ik gemeend, haar als Bijlage M te moeten mededeelen.

20 Volgens de MS. Memoriën van den Griffier M. HEYMANS, door de hand van WINSEMIUS overgeschreven, en in 't Archief van GABBEMA bewaard, zouden eenige afgedankte soldaten van het Blokhuis hun geweer van 't kasteel hebben willen halen, doch, door den portier afgewezen, op dezen een "sinckroer" afgeschoten hebben, waarop alarm op het Blokhuis en in de stad volgde.

21 Zie over deze gewigtige gebeurtenis: WINSEMIUS, 654; SCHOTANUS, 842; WILH. BAUDARTIUS VAN DEYNSE, de Nassausche Oorloghen, Amst. 1615,337.

De burgers, die zoo ijverig tot den aanval medegewerkt hadden, gaven zich echter niet dadelijk over aan de vreugde wegens het bereiken van hun doel; — neen, zij hielden woord: — zij bleven in groote menigte den ganschen dag voortarbeiden, om aan de noord- en westzijde, waar de werken naar de stad gerigt waren, de wallen af te graven, en daarmede de grachten der sterkte te vullen; en zij keerden niet huiswaarts voor hun wensch vervuld-, en het Blokhuis ontmanteld-, of, gelijk men het destijds en later noemde, gedemolieerd was.

Den volgenden dag kwamen de hulpbenden weder in de stad, liepen naar de kloosters, haalden de monniken en verdere geestelijken daar uit, namen hen tusschen hunne gelederen, en voerden hen, door trompetten, pijpen en trommelen voorgegaan, met allerlei vreugdebedrijf uit de Hoeksterpoort buiten de stad tot aan Lekkum, waar zij door eenige huislieden werden opgenomen. Het was wel geen wonder, dat zij hierbij veel smaad-, en de kloosters veel onrust en schending te verduren hadden. Gelukkig, dat het gevoel van vreugde over de behaalde overwinning zoo luide sprak, boven de zucht naar wraak, die elders op zulke eene wreede wijze de eer der zegepraal besmette22.

Op zulk eene wijze werd Leeuwarden verlost van zijne sterkte, door welke het steeds het aanzien had van eene overheerde stad, en maakte de vrees voor gevaar en verraad, in het hart der burgeren plaats voor het zoete gevoel van vrijheid en onafhankelijkheid. Door deze welgeslaagde onderneming, die den moed der burgers tot zooveel eer verstrekte, werd de staatkundige, burgerlijke en godsdienstige vrijheid hier gevestigd, en de zegepraal van de Hervorming bewerkt. Toen eerst verkreeg deze stad een zelfstandig bestaan, als lid van het nieuwe Nederlandsche Gemeenebest.

— Ook voor dit gansche Gewest had deze daad belangrijke gevolgen: want zoodra Leeuwarden overgegaan- en voor de goede zaak gewonnen was, werden ook kort daarna de beide kasteelen van Harlingen en Stavoren ingenomen, en verviel in Friesland bijna alle gezag en invloed van de Spaanschen en Roomschgezinden, van welke laatsten velen de vlugt namen. Toen eerst zag men, welk eene uitwerking zulk een manhaftig voorbeeld-, en welk een invloed eene stad als Leeuwarden op het gansche land uitoefende. Groot was de algemeene vreugde en dankbaarheid; maar deze steeg nog hooger, toen slechts eene maand later, het naburige Groningen door het gevreesde verraad van RENNENBERG weder geheel aan de Spaansche dienstbaarheid onderworpen-, en onder de heerschappij van Rome's kerkleer en gewetensdwang gebragt werd;

— een verraad, ten gevolge waarvan die stad nog veertien jaren dat juk moest torschen, en van het genot der vrijheid verstoken bleef. Toen vooral beseften de Friezen de hooge waarde van hunne tijdige verlossing, tot welke de inneming van het kasteel van Leeuwarden het sein en de eerste schrede was geweest. En welk eene dankbare bewondering aller harten vervulde voor de ontvangene hulp des Allerhoogsten, blijkt uit den aanhef van een verbond tusschen de Volmagten der Landen en Steden van Friesland, kort daarna gesloten, luidende: dat "God almachtich deur sijne sonderlinghe ghenade ende barmherticheyt, seer miraculeuselijck heeft belieft, dese onse gemeene lieve Vaderlandt van West-Vrieslant te verlossen ende te bevryen van de wreede Tyranije der Spangiaerden ende hun aenhangeren, soo deur veroveringe ende demaritilatie der Casteden, als ooc die uytroeyenge der Pauselijcke Afgoderye ende andersins"23.
Aanteekening 25, op Bladz. 2. Het Kasteel of Blokhuis.
Omtrent den oorsprong der benaming van Blokhuis zegt de geleerde HOEUFFT, in zijne belangrijke Verzameling van Fransche woorden uit de Noordsche talen ontleend, I 53: "Blocus, Fr., blockhaus, Hoogd., blokhuis, Ned., misschien aldus genaamd, omdat oudtijds de werken om belegerde plaatsen van blokken werden vervaardigd, of mogelijk van het Angels, belucan, ons verouderde beluiken, nog overig in beloken, besloten, besluiten. ROQUEFORT vertaalt het maison fortifiée. Men moet dit blokhuis, voor eene soort van versterking genomen, niet voor het zelfde houden met blokhuis, in de beteekenis van gevangenhuis, 't welk aldus geheeten wordt van het blok, waarin de voeten der gevangenen eertijds gesloten werden.

—Bij de beschrijving van den toestand van het Blokhuis heb ik hoofdzakelijk gevolgd de afbeelding, welke daarvan voorkomt op den Plattegrond der stad, van omstreeks 1550, hier voor als Plaat IV medegedeeld.
22 SCHOTANUS, 8-42; VAN DEYNSE, t. a. p., waarbij eene plaat gevoegd is, welke den uittogt voorstelt. Ook het vroeger vermelde HS. der R. G. Kerk van den H. Bonifacius stemt met deze berigten omtrent het uitleiden van de Geestelijken en Kloosterlingen overeen.
23 WINSEMIUS, 661.

— Zie meerdere bijzonderheden in Aanteek. 63.
Hoewel de Hertogen van Saksen meest hun verblijf hielden op Sjaerdemahuis te Franeker en het kasteel te Harlingen, namen zij, bij hunne komst te Leeuwarden, hun verblijf òf op het Blokhuis, dat bestendig door hunne Stadhouders werd bewoond, òf in Montzimahuis op de Waeze. (Zie Aant. 61 hier achter.) Het opperbevel van de sterkte was toevertrouwd aan een Bevelhebber of Maarschalk, die eerst de zelfde persoon was met 's Vorsten Canselier van het ingestelde Hof. PETER VAN THABOR, Archief, II 148, noemt in 1499 als de eerste "Cancelleer Doctoer Derick in beyden Rechten, die een Ouerlander was ende des Hartoghes Castelleyn toe leewerden opt grote bolwerck." In het volgende jaar was deze als Canselier reeds vervangen door SIGISMUND PHLUG; terwijl HANS VAN GROMBACH, Kapitein of Ambtman van het huis te Leeuwarden wordt genoemd, bij gelegenheid, dat hij in 1503, ter belooning van zijne getrouwheid, door den Hertog beleend werd met de verbeurd verklaarde goederen van WILKE RINGIE. Hij werd opgevolgd door zynen broeder FRITS VAN GROMBACH, die zich in 1509 Hofmaarschalk te Leeuwarden noemde. (Zie Chartb. II, 229, 265, 273; SCHARL 97; WINS. 377.)

Volgens de keizerlijke Instructie voor den Stadhouder, van 1540, (Chartb. II 805) zou hij in Friesland tot "zyn residentie hebben, t Blochuys van Leeuwarden;" terwijl "de Keyser hem onderhouden sal eenen Maerschalck, die in absentie van den Stadhoudre de last ende bewaeringhe van den huyse hebben sal; ende sal dese jaerlycx tot gaigen (traktement) hebben, voor hem ende zynen knecht, twee honderdt Karolus guldenen." Bovendien moest er op het huis eene bezetting gehouden worden van zestig,man, die jaarlijks ieder 40 Goudgl. zouden genieten, en het huis niet verlaten mogten, maar het dag en nacht bewaken en bewaren moesten. Volgens dit stuk was er op het huis te Harlingen een Drost, en op dat van Stavoren een Kastelein, omtrent welke hierin mede verschillende bepalingen voorkomen.

Van de Slotvoogden van dit Blokhuis zijn mij, behalve de genoemde, nog bekend geworden: in 1516 "GYSBERT VAN BAECX RAET," die in het volgende jaar vervangen werd door "HANS BARBIER, Castelein." (Chartb. II 334.) Jr. BALTHASAR VAN WARKUTSCH, geboortig van Heijnderstorp in Westphalen, had reeds lang de waardigheid van Ko. Maj. Maarschalk op den Blokhuize bekleed, toen hij in 1561, bij een uitvoerig en belangrijk testament (waarvan het oorspronkelijke in 't Archief van het St. Anthonij-Gasthuis berust), bepaalde, in de Galileërkerk bij zijn zoon (bij vrouwe GAETS VAN GROVESTINS in echte verwekt) begraven te willen worden, en dat er eene menigte legaten aan verschillende personen en gestichten uit zijne nalatenschap zouden uitgekeerd worden.

In 1564 is hij opgevolgd door EVERT ENS, eerst Drost van Koevorden, en in 1567 als Luitenant of plaatsbekleeder van den Graaf van Aremberg op den Blokhuize overleden (GABB. 493). Zijn opvolger was SEGHER, Heer van Groesbeecke, Ridder. (Chartb. III 725; SCHOT. 746.) Daar wij gelijktijdig ADRIAAN POTTER als "Burg voogd" of Kastelein vermeld vonden, zoo schijnt dit later een mindere of aan den Maarschalk ondergeschikte betrekking geweest te zijn (GABB. 493). Met den naam van Maarschalk vinden wij verder genoemd: in 1571 MATTHYS BOOM, en in 1572 GERRIT BLOKZYL (GABB. 535), die in 't zelfde jaar vervangen werd door den beroemden CASPER DE ROBLES, die in 1577 tot opvolger had JAN VAN MATHENES DE WYBISMA, een Zuid-Hollandsch Edelman, wiens moeder ATH VAN OENEMA VAN WYBISMA eene Friezin was. (Chartb. III 1087, 1167; WINS. 605, 606, 607, 635; KOK, Vad. Woordb. XXII 291.)

In het Archief van GABBEMA is van hem een eigenhandige brief van 1578 bewaard, waaruit, onder meerdere bijzonderheden, blijkt, dat hij het kasteel niet afwerpen, maar voor de zaak der vrijheid behouden wilde. Bij de verovering in 1580 was de Kommandeur SCHAGEN bevelhebber van 't Blokhuis (WINS. 655).

—Behalve "Heer MAGNUS, Capellaan van de Ghuwernoer," bij JANCKO DOUWAMA, 385, in het jaar 1522, vermeld, gelijk ook GABBEMA, 281, 1512, van den "Kapellaan van 't Blokhuis" spreekt, zijn mij geene andere namen der Slotgeestelijken voorgekomen. Hun bestaan schynt ook niet lang daarna opgehouden te hebben, en de der dagelijksche mis op het Blokhuis gedaan te zijn door de Minderbroerders van het Galileër-klooster, ten behoeve van "den Knechten, liggende in garnisoene in Leuwaerden,'' welke mis gedaen ende gecelebreert plach te wordene by eenen Cappellaen Weerlyeken Priester, die daer aff jaerlyrx ontfinck veertich gouden guldens, zonder eenige sermoenen te doene." (Chartb. III 407; GABB. 393; Oudh. en Gestichten, I 270.)

De Minderbroeders deden echter meer: want behalve de dagelijksche mis, verledigden zij zich ook, om "alle Zondaghe ende andere boghe daeghen binnen den Slote te prediken ende te vercundighen t woirt Godts, d welck die voorscreuen Cappellaen niet en plach te doene." Om deze reden begeerden zij ook de door hem genotene 40 Ggl., benevens den turf uit de koninklijke veenen daarvoor te ontvangen, gelijk hun dan ook, op hun verzoek, grootendeels is toegestaan, bij Giftbrief van Koning FILIPS, van 19 December 1556. (Chartb. III 407.)

—Uit de bekende regtspleging van JEMME HERJUWSMA en GERBRAND MOCKEMA, in 1512, en andere berigten blijkt het, dat het Blokhuis ook toenmaals reeds tot gevangenis of huis van arrest en gijzeling
diende. (Ook later, zie Chartb. II 77, 473, 644; III 646, 1152; IV 21; SCHARL. 102°; WINS. 411, 412; SCHOT. 809, 816; p. v. THABOR, 419; GABB. 276, 353; DOUWAMA, 180.) In de aantee-keningen van EDO JONGEMA bij WINS. wordt die gevangenis met den, hier ter stede nog bek enden, naam van "honnegat" bestempeld.

De zuidoostelijke hoektoren of rondeel, later de Kruidtoren geheeten, wordt in 15-49 ook de Pijnigtoren genoemd, naar de pijnbank van het Hof, welke daar geplaatst was. (Charterb. III 1175; SCHOT. 810; T. J. VAN BRAGHT, Martelaars-spiegel der Doopsg. II 81; BLAUPOT TEN CATE, Geschied. der Doopsg. in Friesl. 281, waar voorbeelden van pijnigingen voorkomen.
Op het voorplein of de esplanade van het kasteel werden de monsteringen van het krijgsvolk, en soms de strafoefeningen van het Hof en het Malefaits- of Krijgsgerigt, op een opgeslagen schavot of "kerdoijs", gehouden. (SCHARL. 102, 103; WINS. 411; GABB. 279.)

Omtrent den Korenmolen van het Blokhuis, die nagenoeg ter plaatse van de tegenwoordige Evang. Luthersche Kerk stond, als ook omtrent den molenaar en bakker, verhaalt EGG. BENINGA in zijne Kronyk (MATTHÆUS, IV 805) een mirakel van dien tijd, namelijk: dat in 1553 de weit op den molen onder het malen in bloed zou veranderd zijn, hetwelk hij als een teeken van Gods ongenoegen over het vergoten bloed der ketters wilde aangemerkt hebben.

Aanteekening 63, op Bladz. 2. Het Gedemoliëerde Blokhuis.
De naam van het gedemoliêerde Blokhuis, welke sedert aan het nog bestaande gebouw is gegeven, heeft sommigen in den waan gebragt, dat bij de inneming van de sterkte, in 1580, al de gebouwen zijn gesloopt geworden. Het is echter duidelijk genoeg, dat het woord demolièren (van het latijnsche demoliri, dat afwerpen, slechten, verwoesten beteekent) enkel ziet op de vestingwerken van het kasteel, en dan nog wel bijzonder op die aan de westen noordzijde, welke alléén de stad konden schaden; terwijl de zuid- en oostzijde oorspronkelijk de stadswal en gracht waren, en ook als zoodanig weder hersteld werden. Zoo werden ook de drie hoektorens of rondeelen afgeworpen, terwijl de vierde, in den Zuidoosthoek de Pijnigtoren genoemd, bewaard bleef, en sedert tot Stads- en daarna tot Lands-Kruidtoren gebruikt werd; gelijk de kerk vervolgens tot Stads-Ammunitiehuis verstrekte, en in 1824 afgebroken is.

Ten einde den naam des wakkeren tachtigjarigen Burgemeesters, ADJE LAMMERTS, (aan wiens beleid men den gelukkigen uitslag der inneming van het Blokhuis bijzonder toeschreef, duurzaam in aandenken te houden, wilde de burgerij van Leeuwarden, dat de westelijke brug of pijp der stad, in wier nabijheid hij woonde, van toen af den naam van Adje-Lammerts-pijp zou dragen, gelijk de tweede pijp reeds, naar den edelen handhaver der Friesche vrijheid, Voecke-Martena-pijp was genoemd. Zij komt onder dien naam het eerst in het Plakkaatboek van 1582 voor, en verdiende, wegens de belangrijkheid der herinnering, dien voortaan duurzaam te dragen.

Ook de Staten van Friesland wilden deze gewigtige gebeurtenis door eene blijvende gedachtenis in zegenend aandenken bewaren, toen zij besloten, daarop twee Gedenkpenningen, van ongelijke grootte, te laten slaan. Ze zijn bij VAN LOON, Nederl. Historie-penningen, I 281, afgebeeld en beschreven. Op de voorzijde der grootste ziet men de drie kasteelen afgebeeld, en daar om heen een aantal personen bezig, om met houweelen, spaden, kruiwagens en karren de wallen af te breken en de grachten te vullen. Daar boven staan de letters en cijfers: L. 1. H. 5. ST. 18. F.; waardoor zeer kort wordt uitgedrukt, dat het kasteel van Leeuwarden op den eersten-, dat van Harlingen op den vijfden-, en dat van Stavoren op den achttienden Februarij is overgegaan. Het randschrift, met het wapen van Friesland er tusschen, luidt:
PRINCIPIV(M) RECVPERATÆ LIBERTATIS FRI(SIÆ)
en drukt uit, dat men deze gebeurtenis beschouwde als
Het begin der wederverkregene Vrijheid van Friesland.
De keerzijde stelt, in het gezigt van strijdende legers en tenten, |en gevecht voor van den Nassauschen DAVID, met een slinger-, en den Spaanschen GOLIATH, met zwaard, speer en schild gewapend. Op dat schild staat het jaar der gebeurtenis A°. 80. In het randschrift wordt hulde bewezen aan de hulp des Allerhoogsten, door: e woorden van Psalm 118 vers 23:

A DOMINO FACTVM EST ILLVD.

Dit is van den Heere geschied.
De kleinere medaille, tot eene legpenning bestemd, heeft, in plaats; van het eerst gemelde randschrift, enkel:
PRINCIPIVM LIBERTATIS. 1580.

Het beginsel van de Vrijheid.
Dat echter de Staten en de ingezetenen ingezetenen hoog liepen met het wel poging, was zeer natuurlijk; maar vreemd klinkt het, dat de Leeuwarders zelfs bij den Koning door deze daad eer inlegden, en dat zij hun tot deugd en wakkerheid gerekend werd. Immers dit blijkt duidelijk uit het Koninklijk Octrooi, ten behoeve van de versterking der stad, den -4 Augustus 1580, en dus weinige maanden later "vuyt sunderlinge gratie" aan Leeuwarden geschonken, waarin met ronde woorden gezegd wordt: dat de stad Leeuwarden steeds der gemeene zaak geene mindere diensten bewezen heeft dan de overige steden;" "zelfs dat zy (sonder naer God) hun moegen toeschryuen de ganssche bewaernisse ende preseruacie van ons geheel landt van Vrieslandt, deur t innemen van den Blockhuysse aldaer, tegens den gheweldigen Besitters van dien; hebbende zulcx int verhoueren van denseluen lyf ende goedt in peryckel gestelt, jae nyet verre geweest, by alzoo verre als den aenslach nyet geluct en hadde, om met haere huysvrauwen ende kinderen aen den hals te commen." (Stedelijk Archief, N°. 91; Charterboek, IV 188.)

Daar nu dit stuk den naam en de waardigheden des Konings aan het hoofd draagt, zoo moet het met regt groote bevreemding wekken, om den Koning dus te hooren spreken over eene daad, welke toch niets minder was dan dadelijke opstand tegen hem, en ontweldiging aan zijn gezag. Wij kunnen dien zonderlingen inhoud echter alleen daardoor verklaren, dat het Charter in naam des Konings te Antwerpen is afgegeven door den zwakken Aartshertog MATTHIAS, die onder den invloed stond van den Prins van Oranje, die hem zulke dingen op eene dubbelzinnige wijze liet zeggen.

Deze gebeurtenis, welke den Leeuwarders inwendig zoo veel voordeel- en uitwendig zoo veel roem bezorgde, werd ook na den vrijheidsoorlog nog lang dankbaar en vereerend herdacht. Inzonderheid was het in de vorige eeuw de geleerde staatsman WYBRAND VAN ITSMA24, die in de bekende Jagt-praatjes, Leeuw. 1737, I 70, zijn vaderlandsch gevoel en kunstsrnaak aan den dag legde door de volgende woorden, welke nog steeds der behartiging waardig zijn: "Ik heb my dikwils verwondert, dat in het nieuw Raadhuis van onse nabuirige Stad Leeuwarden nergens een schildery wort gevonden, afbeeldende hoe haar groote Burgemeester Adje Lammerts het Blokhuys innam, en van de Spaansche besetting ontlaste en aldus de Stad in vryheit bragt, welke buiten twyffel de grootste actie was, die een Burger van Leeuwarden tot aflossing van syn Vaderlant konde bedrijven; en vry meer te wardeeren als de actie by Chattam, met so veel praal te Dortreqt op het Stadhuys ter eeren van hun Burgemeester Cornelis de Wit afgemaalt, welke expeditie eigentlyk niet anders was als een bravade teegen de Koning van Engelant, en in haar gevolg niet te vergelyken by het bemagtigen van het Blok-huys of Gasteel, van Leeuwarden."

Het portret van Burgemeester ADJE LAMMERTS bestaat nog, en is in het bezit van Jhr. J. M. . VAN BEYMA THOE KINGMA, op Kingma-State te Sweins. Behalve een uitvoerig opschrift, komt daarop ook zijne spreuk voor: Het is mei sizsen naet toa dwaen: Het is met zeggen niet te doen. Volgens het Stads-Burgerboek kwam hij in 1561 van Kollum als Koopman te Leeuwarden wonen. Hij komt nog in den jare 1586 als Volmagt ten landsdage voor in het Chartb. IV 604, ja zelfs nog in 1591 in het Sententieboek van het Hof. Zijne kinderen namen den verlatiniseerden geslachtsnaam van ADIUS aan, onder welken zij op vele plaatsen in het 3e stuk des eersten deels van FERWERDA, Wapenboek voorkomen, inzonderheid bij de geslachtlijst van DE BILAU, 4e Gener. — Zie verder over hem: SCHELTEMA, Staatk. Nederl. II 11; AITZEMA, Voorrede van de Herstelde Leeuw, 8; VRIEMOET, Ath. Fris. 137; Stamboek, 92, aant. 58; Chb. IV 380, 387, 493, 504.

24 Dat deze woorden van dit naamloos uitgegeven geschrift van WYBRAND VAN ITSMA zijn, en niet van zijn vriend EPO SJUCK VAN BURMANIA, die welligt een der twee volgende stukken van dit werk geschreven heeft, weten wij door het getuigenis van den geleerden s. H. VAN IDSINGA, oio in zijn weinig bekend en zeer belangrijk werkje: Vry moedig Beroep tegen de Staten van Friesland, op bl. -41 een uitvoerig verhaal geeft van de inneming van hel Blokhuis, hetwelk ik eerst lang na mijne bewerking ontdekte.
Bijlage M, zie Bladz. 2.
Commissie van Gedeputeerde Staten van Friesland voor Burgemeester ADJE LAMMERTS, Kapitein en Hoofd van de Burgerij en de Soldaten te Leeuwarden om het Blokhuis voor de Staten te veroveren.
1580, den 31 Januarij,

Alzoo syn Altèze (Aarts-hertog MATTHIAS van Oostenrijk, Algemeen Landvoogd), by raidt ende aduys van den Generale Staeten, den 27 Septembris anno acht ende seuentich verleden, omme alle diffidentie wech te nemen, den Staeten van Vrieslandt of haarluyden (Gedeputeerden geaccordeert heeft, ende ook geordonneert, dat de drye Casteelen van Vrieslandt zouden in handen gestelt worden van den Staeten van Vrieslandt voorschr. ende den Burgers van Leeuwarden, Harlingen ende Staueren respectiuelyck; ende hoewel die voors. Staeten, sampt den Burgers ende Raidt der stede Leuwerden syn Genade (den Stadhouder, Grave van Rennenberg) omme t seluige met veelfoldige sollicitatien by syn Genade dese twee iaeren aengehouden hebben, omme t seluige naer behoren in t werck gestelt te mogen worden, heeft nochtans syn Genade niet willen obtempereren de expresse ordonnantie en beveelen van syn Altèze ende dije Generale Staten in t alderminste, tot kleyne reputatie van syn voors. Altèze ende die Generale Staten, ende merckelyck grote praejudicie van den Landen ende der stadt Leuwarden, t seluige gheensins tot dese tyt toe willen volcomen of gedogen, dat t seluige volcomen ende geeffueert mochte syn; ende dat arger is, heeft op den voors. Blockhuyse binnen Leuwarden eenen Maarscalck gestelt, dije noch den Staten, noch die burgerye van Leuwarden aggreabel is; — waeromme is t, dat wy, Gedeputeerden der Staeten van Vrieslandt, gecommitteert ende geordonneert hebben, ordonneren ende committeren mits dezen, den achtbaren, vromen ende manhaftigen ADIJEN LAMBERTS, capitein ende hooft van den soldaten, tot bewaringe ende verseeckeringe der stadt Leuwarden aen-genomen, het voors. Gasteel van Leuwarden met syn voors. onder hem hebbende soldaten met zeecker practique ofte oock met gewalt te bespringen, inne te neemen ende te veroueren, ten eynde men, stracks nae den veroueringe ofte inneminge van dijen, het seluige sal mogen demanteleren ende affwerpen, omme alsoo te genijeten die vrucht van den rescriptie van syn Altèze, ende eenmaal ons van den slauernye in vryheyt te vindiceren. Tot allen dezen geuen wy den voors. ADIEN LAMBERTS volcomen last ende macht, belonende t seluige te doen aggreeren by syn Altèze, Excellentie (Prins WILLEM van Oranje) ende dije Generale Staeten ende die naerder gevnieerde prouincien, ende hem van dezen alles costeloos ende scaedeloos te indempneren ende ontheffen.

(Aan de achterzijde van dit zelfde blad staat nog:)
huyden den naestlesten January 1580. Alzoo by ons onderschreven geresolueert is, dat men (soe Godt wil), met practique ofte gewalt, het Gasteel van Leuwarden sal innemen, binnen vijer of vvff daegen nae dato van desen, soe hebben wy alx andere belooft ende beloeuen by dezen, by malckanderen te blyuen binnen der voors steede Leuwarden, omme malckanderen met raidt ende daet te adsisteren tegen alle occurrentien, hen ende ter tyt het voors. exploict volbracht zal zyn, ende wy by gemeene raidt bevinden sullen sulcx van nooden te wesen.

geschiedenis

 


Museum Blokhuispoort Leeuwarden Verzetsmuseum Leeuwarden  Fries museum  Gevangenismuseum Veenhuizen  Museumfederatie Friesland  Tresoar  HCL Historisch Centrum Leeuwarden Gemeente Leeuwarden

29-01-2012

vanPlan BeleefFriesland  VVV Leeuwarden  Dagjeweg  Museuminfo Omroepfryslan  Leeuwardercourant  Wikipedia Blokhuispoort  KvK Leeuwarden Openmonumentdag  Rijksoverheid    Statistieken

© 2003-2012 Stichting Blokhuispoort  Colofoon  Gastenboek Informatie links Nieuwsbrief