Dokter 0. en de gifmoorden
Een proces dat aan het begin van de jaren zestig landelijke bekendheid kreeg,
betrof dat van de voormalige huisarts Dr. 0. uit Berkel Rodenrijs. In 1954 was
Dr. 0. reeds in Den Haag tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld wegens
moord (vergiftiging door cyaankali) op zijn vrouw.
In mei 1955 werd hij in de Leeuwarder gevangenis gedetineerd. Hij ontmoette daar
Adriaan Lodder die zijn vrouw eveneens door gif (arsenicum) had vermoord en
eveneens in 1954 te Den Haag tot levenslange gevangenisstraf was veroordeeld.
Op 5 februari 1958 ontstond in de gevangenis Leeuwarden enige commotie omdat de
gevangene Lodder dood in zijn cel werd aangetroffen. Hij bleek te zijn
vergiftigd met cyaankali. Fouillering van Dr. 0, die de avond tevoren nog op
bezoek was geweest bij Adriaan Lodder, leverde een afscheidsbrief van Lodder op.
Daarin werd Dr. 0. vrijgepleit van de moord op diens vrouw. Na een
strafrechtelijk onderzoek werd Dr. 0. evenwel in staat van beschuldiging gesteld
als moordenaar van Adriaan Lodder.
Het proces trok internationale belangstelling: hoe kon iemand in de gevangenis
aan cyaankali komen om een medegevangene te vermoorden! In het blad 'Wereldkroniek'
zette hoofdredacteur Leo Uittenbogaard vraagtekens bij de schuld van Dr. 0. De
wekelijkse vervolgverhalen in de 'Wereldkroniek' werden door het publiek
verslonden. Ook de landelijke pers besteedde aandacht aan deze geruchtmakende
zaak.
Dr. 0. werd evenwel onder grote publieke belangstelling door de
arrondissementsrechtbank schuldig bevonden en tot levenslange gevangenisstraf
veroordeeld. Bij de appèlprocedure voor het Gerechtshof Leeuwarden werd de
gevangene verdedigd door de bekende Friese raadsman Mr. H. Schootstra. Eén van
de getuigen was Pieter Baan, hoogleraar psychiatrie te Groningen. Ook het
Gerechtshof oordeelde de verdachte schuldig aan moord bij arrest van 5 juni 1962
en veroordeelde hem tot levenslange gevangenisstraf. Ruim een jaar later werd
ook het cassatieberoep bij de Hoge Raad verworpen.
(Panorama nr. 09 )
De brieven van gifmoordenaar dokter O.
In de loop der jaren heb ik honderden moordzaken onderzocht of belicht: in de
krant, in Panorama of in mijn tv-programma. U mag er van uit gaan dat al die
moordzaken iets bijzonders hebben gehad, want anders zou ik er geen aandacht aan
hebben besteed. Toch raakt de ene moord mij meer dan de andere, zo heb ik
ervaren. Voor de meeste mensen is 'een moord een moord', maar als je, zoals ik,
het grootste deel van je leven misdaadverslaggever bent, gaan bepaalde
levensdelicten ook een beetje voor je 'leven', als u snapt wat ik bedoel. Je
krijgt er 'iets' mee op een of andere manier. En het gekke is dat een van de
moorden die mij het meest intrigeert, al is gepleegd toen ik letterlijk nog in
de wieg lag. Het gaat om de gifmoord op Arnolda van Eijl in 1952. Nu zult u
zeggen: nooit van gehoord. Maar als ik u zeg dat dit de eerste moord was van 'de
Berkelse gifarts', beter bekend als dokter O., dan roept u waarschijnlijk 'O… ja!'
Dokter O. is de enige persoon in ons land die tweemaal (!) tot levenslange
gevangenisstraf is veroordeeld. Een keer voor de genoemde moord op zijn
echtgenote en nog een keer voor - alweer - een gifmoord op een celgenoot in de
gevangenis, ene Arie Lodder.
De rechtzittingen tegen dokter O. hebben destijds een tumult veroorzaakt zoals
we dat heden ten dage niet meer kennen. Het kreeg het predikaat 'proces van de
eeuw' en dat was niet ten onrechte. Nederland was verdeeld in twee kampen, die
in zijn schuld en in zijn onschuld geloofden. Toen ik een keer door een auto-ongeluk
een paar dagen geveld was heb ik de boeken die over O. zijn verschenen gelezen
en vanaf dat moment was ik door deze zaak gegrepen. De dokter was overigens geen
type voor wie je snel sympathie koesterde. De officier van justitie
karakteriseerde hem ooit als 'een duivelse sluipmoordenaar die geen criminele
fantasie te groot, geen leugen te grof en geen verraad te gemeen is'.
In 1995 schreef ik in Panorama een column met een oproep aan mensen die de
illustere dokter gekend hadden. Dat leverde een heel interessante reactie op. Er
meldde zich een vrouw, Roeltje Kastelijn, die in de tijd dat de dokter zijn
levenslange straf uit zat jaren met hem had gecorrespondeerd en hem wekelijks
had bezocht. Uiteindelijk behartigde zij zelfs al zijn zaken. Ze had een
prachtig archief over de dokter in bezit, dat mij destijds deed watertanden. Via
haar kwam ik ook nog in contact met de zoon van dokter O., die - overigens
zonder dat ik dat wist - in mijn jeugd op een kilometer afstand had gewoond.
Voor mijn programma heb ik toen met hulp van Roeltje Kastelijn een historische
reconstructie van de moorden gemaakt, een aflevering die nog altijd tot mijn
all-time-favorites behoort en die mijn fascinatie alleen maar deed toenemen. In
de jaren die volgden sprak ik Roeltje nog af en toe en we stuurden elkaar altijd
een kerstkaartje.
Deze jaarwisseling kreeg ik echter een brief van haar. Ze schreef dat ze zich
was gaan afvragen wat ze met het archief - waaronder enkele honderden
handgeschreven brieven van de dokter, die een uniek tijdsbeeld van hem zelf en
het gevangenisleven schetsen - moest doen nu ze wat ouder werd. 'Ik wil het jou
cadeau doen', berichtte ze me. 'Ik weet dat het bij jou in goede handen is...'.
En afgelopen week heeft ze bij een etentje alles aan mij overgedragen en liet ik
het oude papier voorzichtig door mijn handen gaan.
Het bevat vele pronkstukken, zoals de handgeschreven studentenkaart van de
dokter. In mijn collectie van misdaadmemorabilia krijgt het een ere plaatsje.
Dr. O. is al enige tijd dood en ik voel me hiermee een klein beetje de beheerder
van zijn papieren nalatenschap, een zeldzaam brievenarchief. Veel dank Roeltje,
ik zal er heel goed voor zorgen!
© 2003 Peter R. de Vries, misdaadverslaggever / Endemol Nederland B.V. Alle
rechten voorbehouden. Gebruiksvoorwaarden en privacybeleid eerder gepubliceerde columns
Mei 1962 Veertig jaar geleden ging er een huivering door ons land. Met afgrijzen vernam
Nederland de details van de moord van Dokter O. op zijn echtgenote. En van zijn
overspel met de dienstmaagd. Eenmaal in het gevang volgde een tweede gifmoord.
Goed voor een tweede keer levenslang. DECEMBER 1954. 'Verdachte heeft als
echtgenoot en vader niet geschroomd zijn vrouw, de moeder van zijn drie jonge
kinderen, van het leven te beroven', zei de president van het Haagse Gerechtshof.
'Deze daad is door hem langdurig en stelselmatig voorbereid en in koelen bloede
ten uitvoer gelegd. Slechts de hoogste straf komt in aanmerking.'
Martin van Amerongen Mei 1962. 'De Berkelse arts zal de geschiedenis ingaan als een der meest
geraffineerde moordenaars van de laatste vijftig jaar', zei de
procureur-generaal van het Leeuwarder Gerechtshof. 'Hij zal zijn gehele verdere
leven in eenzame opsluiting moeten doorbrengen. Dat is een verschrikkelijk lot,
maar passend voor de gemene daden van deze buitengewoon gevaarlijke en verstokte
misdadiger.'
Zo werd dokter J. F. A. M. O. tot tweemaal toe tot levenslange gevangenisstraf
veroordeeld, tot dat moment een unicum in de geschiedenis van Nederlandse
rechtspraak. De kranten spraken van 'de Borgia van Berkel', want beide keren had
de arts zich van cyaankali bediend, zowel bij het uit de weg ruimen van zijn
echtgenote Nol als, acht jaar later, bij de 'zelfmoord' op Adriaan Lodder,
eveneens wegens gifmoord gedetineerd in de strafgevangenis van Leeuwarden.
Reeds de eerste moordzaak, die op Nol O., had Nederland in rep en roer gebracht.
Het vergt van de eigentijdse lezer enig voorstellingsvermogen. Een vergiftigde
echtgenote is thans, in een verhard crimineel klimaat, hoogstens goed voor een
tweekoloms bericht op een binnenpagina. Maar toen, halverwege de jaren vijftig,
had de maatschappij nog iets onschuldigs. Bovendien betrof het een dokter, een
man die boeken las, een man die het met nota bene zijn dienstmeid had aangelegd.
Ook over een dergelijke misstap wordt tegenwoordig niet meer zo moeilijk gedaan,
maar veertig jaar geleden, in de maanden van de 'eerste zaak-dokter O.',
daverden de donderpreken door de rechtszaal. Er was onmiskenbaar sprake van een
'schending van de huwelijksmoraal', zei O.'s eigen advocaat, 'die ons slechts
met afkeer voor deze man kan vervullen', zei het Openbaar Ministerie.
HUIVEREND VAN GENOT nam het publiek, in de rechtszaal en in de huiskamer, kennis
van het bezwarende feitenmateriaal: cyaankali voor mevrouw O., 'kussen en andere
handtastelijkheden' voor het dienstmeisje Nellie, een aantal keren leidende tot
'vleselijke gemeenschap', bedreven op het linoleum van de spreekkamer, in de
bosschages van Amstelveen en zelfs - vijf keer! - in het echtelijk slaapvertrek,
als mevrouw O. toevallig op familiebezoek was.
O. stond niettemin bekend als een keurige man, in 1916 geboren als zoon van een
officier, in 1936 naar Nederland gekomen om medicijnen te gaan studeren. Voor
studentenjool had hij geen tijd, geen geld en geen temperament - zijn studietijd
viel trouwens grotendeels samen met de oorlog. Hij trouwde in 1947, het jaar
waarin hij bovendien afstudeerde, leende geld om een plattelandspraktijk te
kopen en werkte zich vervolgens andermaal het bloed in de schoenen om die lening
af te betalen. Een gezellige man was O. nog steeds niet, een beetje nurks, hij
nam niet deel aan het sociale verkeer in het dorp en voor small talk aan de
leestafel van het lokale cafe voelde hij ook niet veel.
'Ik heb hem altijd onbetrouwbaar gevonden', zei de burgemeester van Berkel, toen
zijn dorpsgenoot achter de tralies was verdwenen. 'Hij nam onvoldoende deel aan
het godsdienstig leven', sprak de plaatselijke pastoor met stroeve mond.
O. ontkende de moord op zijn vrouw in alle toonaarden. Hij was, gegeven de vele
verdachte omstandigheden, kansloos. In de gevangenis werkte hij als een bezetene
aan de revisie van zijn zaak, met sceptische belangstelling gadegeslagen door
zijn medegedetineerden. Met name bij Adriaan Lodder vond O. - gifmengende
vrouwenmoordenaars-onder-elkaar - een willig oor. O. schreef zelfs een heel
toneelstuk over zijn affaire en toen de gevangenisdirectie toestemming gaf het
op te voeren, vervaardigde Lodder er de affiches bij: 'Grote toneelavond,
Onschuldig veroordeeld, toneel van John Opdam. Met John Opdam en Adriaan Lodder.
Kom zien, vanavond in de feestzaal.' Het was een nauwkeurige reconstructie van
de zaak-Berkel, met dit verschil dat de auteur het levenslang in vrijspraak had
veranderd. Andermaal in de verdachtenbank gezeten, nu in de gevangeniskantine,
merkte O. tot zijn woede dat zijn mede- acteurs, in de rol van officier en
rechter, eigenhandig in de tekst hadden ingegrepen: hij werd voor de derde keer
tot levenslang veroordeeld, nu door zijn mede-bajesklanten, die te verstandig en
ervaren waren om in de kletspraatjes van 'de pil' te geloven.
OP 5 FEBRUARI 1958 werd Adriaan Lodder dood in zijn cel gevonden. Vergiftigd,
zoals bleek. Tegelijkertijd ontving de ge vangenisdirecteur per interne post een
brief van de overledene, met de bekentenis dat niet O. maar L. de moordenaar van
Nol O. was geweest. Lodder had een verhouding met O.'s echtgenote gehad, schreef
hij (de woordkeuze van de brief leek overigens verdacht veel op die van O.), een
verhouding die op zwangerschap was uitgelopen, waarna hij van de paniek en het
schuldgevoel van zijn minnares gebruik had gemaakt om haar tot het nemen van het
fatale vergif te pressen. En nu had Lodder, geconfronteerd met de man die voor
zijn misdaad moest opdraaien, uiteindelijk zo'n berouw gekregen dat hij niet
langer wilde leven. Vandaar dat hij besloten had zelfmoord te plegen, met behulp
van het vergif dat O. via duistere wegen de gevangenis in had weten te smokkelen.
Aldus werd de Berkelse arts toch nog gerehabiliteerd. Zo was althans de
bedoeling. Het feitelijke effect van dit fantastische verhaal was namelijk dat
O., andermaal van moord beschuldigd, ten tweede male voor zijn rechters moest
verschijnen.
De advocaat in de eerste zaak-O. was mr. M. H. Huygens geweest, een opgewonden
standje, zo'n romantisch, inmiddels grotendeels uitgestorven type strafpleiter
van Franse of Amerikaanse signatuur, die de rechtbank toespreekt alsof het een
jury is. Dit soort juristen wordt in het bedaagde Nederland per definitie niet
serieus genomen. De advocaat in de tweede zaak-O. was mr. H. Schootstra, een
rustige en redelijke Fries, die besloten had dat zijn client ten minste het
voordeel van de twijfel verdiende. Zijn slotpleidooi geldt als een klassieker in
de historie van recht en wet. Ademloos luisterden publiek en pers naar
Schootstra's beschrijving van Lodders laatste minuten. Daarin vertoonde Lodder
wel degelijk het gedrag van een zelfmoordenaar, constateerde de verdediger. Wij
kunnen niet het feit negeren dat er sprake is van niet minder dan twee
afscheidsbrieven, aan de gevangenisdirecteur en aan de moeder van de gestorvene.
Zouden die hem allebei door O. zijn ingefluisterd? In de mondhoek van het lijk
zijn trouwens chocoladeresten gevonden, de enige juiste smaakverdrijver bij het
innemen van het gebruikte gif. Ondanks de smerige cyaankalismaak had Lodder geen
gebruik gemaakt van de alarmbel, die hij binnen handbereik had. In plaats
daarvan heeft hij de dekens tot de kin opgetrokken en de handen op de buik
gevouwen. 'Na zichzelf aldus keurig te hebben afgelegd gaat Lodder de
zelfverkozen dood in. Mijnheer de president, ik kan niet anders dan tot de
overtuiging komen dat Lodder zelfmoord heeft gepleegd en dat O. onschuldig is
aan hetgeen hem ten laste is gelegd. Daarom vraag ik vrijspraak', sprak mr.
Schootstra.
Even later troffen de rechtbankverslaggevers van de Leeuwarder Courant, de
Friese Koerier, Ons Noorden, het Nieuwsblad van het Noorden en het Friesch
Dagblad elkaar in het nabijgelegen cafe De Klanderij. Zij kregen al spoedig
gezelschap van hun jonge collega van de lokale editie van Het Vrije Volk, die
overigens slechts als intermediair had opgetreden tussen de redactionele telex
en de regelrecht ter zitting geschreven verslagen van zijn ervaren collega Gerda
Brautigam, die speciaal voor deze zaak uit Amsterdam was overgekomen. Het
pleidooi had op iedereen diepe indruk gemaakt. Er moest, besloot men na het
derde glas Beerenburg, sprake zijn van een justitiele dwaling. Nog twee glazen
later begaf de HVV-verslaggever zich naar de HVV-vestiging, waar Gerda Brautigam
net aan haar laatste alinea's bezig was. Rustig liet zij haar even jeugdige als
opgewonden collega uitspreken. 'Lieve jongen', zei zij uiteindelijk, 'geloof mij
nou maar, die man is guilty as hell.'
DE PSYCHIATERS hadden O. 'een ernstig gepsychopathiseerde persoonlijkheid van
het schizoide type' genoemd, 'agressief, zelfingenomen, rancuneus, eigenwijs en
querulant', een 'ten diepste gestoorde' fantast in 'psychische nood'. Zo iemand
hoort men niet alleen op te sluiten, maar ook te behandelen, zou men denken.
Maar zover was het Nederlandse rechtsbestel nog niet in het begin van de jaren
zestig. O. ging de isoleercel in. Vrienden had hij niet, zijn familie meed hem,
zijn medegevangen waren bang voor hem. Totdat hij, na een tocht langs zo'n half
dozijn strafgevangenissen, uiteindelijk in Scheveningen bij een therapeut
terechtkwam die besefte dat zelfs dokter O. recht had op een menswaardige
behandeling. O. kreeg een bureautje plus een paar woordenboeken en begon, onder
het pseudoniem O. P. Dam, wat vertaalwerk te doen voor een uitgeverij in Bussum.
Bovendien kreeg hij eindelijk bezoek, van een jonge vrouw uit Amsterdam die zich
zijn lot had aangetrokken. Eerst kon het tweetal goed met elkaar opschieten.
Toen begon, tot bittere teleurstelling van de vrouw, het besef door te dringen
dat O. wel degelijk een 'pathologische leugenaar' was, die iedereen alles wijs
dacht te kunnen maken. Zelfs haar, die het goed met hem voorhad. Had O. in de
oorlog in Dachau gezeten? Hoe kwam die man erbij zo'n aantoonbare onwaarheid een
heel jaar lang vol te houden? 'Hij weet gewoon niet meer wanneer hij liegt', zei
de vrouw later, 'hij gaat het op het laatst zelf geloven'. Natuurlijk, beter dan
wie ook wist zij dat O. wel degelijk zijn vrouw had vergiftigd. 'Ik zei altijd:
Tja, als jij Nol had laten leven was dit allemaal niet gebeurd.' Deze conclusie
werd, significant genoeg, door de gevangene zonder protest of tegenstribbelen
geaccepteerd.
Dokter O. is in 1975 vrijgelaten. Na anderhalve bekentenis. Inderdaad, hij was
verantwoordelijk voor de dood van zijn echtgenote, gaf hij toe. Maar bij het
overlijden van zijn medegevangene Lodder had hij slechts hand- en spandiensten
verleend. Zeker zullen wij het nooit weten - waarschijnlijk zijn het de enige
ware woorden die O., de overfantasierijke 'Borgia van Berkel', gedurende dertig
jaar detentie heeft gesproken.
De gifmenger uit Berkel en Rodenrijs; het verhaal van doker O.
Dit is de vaart langs de Noordeindseweg in Berkel & Rodenrijs. Ik ben geboren
ter hoogte van nummer 63 (het huis is afgebroken). Verderop was de praktijk en
het woonhuis van onze huisarts. Een jonge en intelligente man; getrouwd en drie
kinderen. De huisarts is de geschiedenis in gegaan als dokter O. Hij is de enige
ooit in Nederland die twee keer levenslang kreeg opgelegd; hij werd schuldig
bevonden aan twee gifmoorden. O. vergiftigde zijn vrouw met cyaankali en bracht
tijdens zijn gevangenschap een medegedetineerde eveneens met cyaankali om het
leven.
Intelligent en veelbelovend Johannes Franciscus Albertus Martinus O. (John) werd geboren op 30 oktober 1916
op Soerabaja. Toen hij twintig was kwam hij naar Nederland. Hij ging oude talen
studeren en later medicijnen.O. had een IQ van 152. In 1947 slaagde hij voor
zijn artsexamen en trouwde met de zes jaar jongere Arnolda van Eyl. Hij kocht
een praktijk in Berkel en Rodenrijs en maakte furore als begaafd
plattelandsdokter. Zo deed hij per jaar ongeveer 130 bevallingen, een absoluut
streekrecord. Tot deze cijfers behoren ook de bevalling van mijn broer Cees en
diverse neven en nichten. John O. was graag gezien voor wat betreft de natale
zorg.
Een stroef huwelijk Het huwelijk verliep verre van soepel. De ouders van Arnolda waren niet zo
gelukkig met haar keuze; met name tussen John en zijn schoonmoeder boterde het
niet. Er ontstonden veel spanningen. Desondanks werden er drie kinderen geboren.
Later opperden psychiaters dat hij zijn schoonmoeder enorm haatte en die haat
had botgevierd op haar dochter. Enkele dorpsbewoners vertellen dat er aan
Arnolda van Eyl niet zo veel te beleven viel. Haar man reageerde korzelig op
haar aanwezigheid in de praktijk.
De jonge hulp in de huishouding In 1951 betreedt een 19-jarige hulp in de huishouding, Nellie Aaldering, het
doktershuis aan de Noordeindseweg. De dokter raakt meteen in de ban van haar. Er
ontstond een verhouding. De kranten berichtten later met verve over vrijpartijen
in het bos, op de vloer van de praktijk en ook vijf keer in het echtelijke bed. Arnolda ontdekte de relatie. Van scheiden kon, gezien haar katholieke afkomst,
geen sprake zijn. Nellie Aaldering werd ontslagen. Dit baatte echter niet.
O.zette de relatie voort. Toen mevrouw O. ernstig ziek werd schreef hij zijn
geliefde dat hij na de dood van zijn echtgenote met haar wilde trouwden
De slechte gezondheid en de dood van mevrouw
Arnolda O.- van Eyl, die altijd al een slechte gezondheid had, werd ineens snel
zieker en zieker. In de loop van 1952 liet O. haar opnemen in het St. Franciscus
Gasthuis in Rotterdam. Ze was oververmoeid, had hoofdpijn en leed aan haaruitval.
Volgens O. waren dit duidelijke tekenen van een hersentumor, maar zijn
collega-artsen konden niets vinden. Arnolda wordt uit het ziekenhuis ontslagen.
Inmiddels had O. al met tranen in de ogen in het dorp verkondigd dat ze
ongeneeslijk ziek was. Op 24 september 1952 nodigt John zijn moeder en schoonmoeder uit voor het diner.
Na het eten geeft O. zijn vrouw, die die dag weer pijn had, een poeder, opgelost
in een kopje water. Ze krijgt het benauwd, wordt in bed gelegd en krijgt van O.
nog een morfine-injectie. Ze raakt buiten bewustzijn en overlijdt diezelfde
nacht. De volgende dag noteert een arts, op gezag van O., als doodsoorzaak “hersentumor”.
De schoonmoeder vertrouwt het niet
Maar de moeder van Arnolda vertrouwt het niet. Moeder Van Eyl doet aangifte en
laat een tweede dokter komen. Die houdt het in zijn verslag op “doodsoorzaak
onbekend”. Daardoor worden politie en justitie gealarmeerd. Toen een patholoog
vervolgens resten cyaankali in het lijk vond, werd dokter O. aangehouden. En dan
blijkt onder meer dat O. op 23 en 24 september, dus vlak voor de dood van
Arnolda, zijn assistente in totaal elf gram cyaankali heeft laten bestellen; een
stof die daarvoor in de praktijk nog nooit nodig was geweest.
Het motief Het duurt tot mei 1954 voordat de arts voor de rechter verschijnt. Hij wordt
schuldig bevonden. Het enige waar de rechters vraagtekens bij zetten, was het
motief. Was het de relatie met de voormalige hulp in de huishouding? Zou een
egocentrisch en rationeel mens als dokter O. zoiets doen vanwege een passionele
verhouding? Dat leek niets voor hem. Was het de haat jegens zijn schoonmoede?
Echt duidelijk werd het niet. Maar ook zonder motief waren er meer dan genoeg
bewijzen en de arts werd veroordeeld tot levenslang. De officier van justitie:
“alles getuigt van een kalme voorbereiding, welke ons met een diepe afkeer kan
vervullen.”
Het contact met een collega gifmoordenaar
In de gevangenis in Leeuwarden zit drie cellen verderop Arie Lodder. Een collega
in kwade zaken. Lodder had eveneens zijn zieke vrouw vergiftigd omdat hij meer
zag in een andere vrouw met wie hij een relatie onderhield. Ook hij had
levenslang gekregen. O. en Lodder krijgen een goed contact met elkaar.
Inmiddels is de dokter begonnen aan het schrijven van een toneelstuk over zijn
eigen zaak. In het stuk moet de officier van justitie zeggen dat er voldoende en
overtuigend bewijs is van de onschuld van O. Arie Lodder neemt deze rol op zich
en eist, in tegenstelling tot de tekst en in overeenstemming met de praktijk,
tijdens de opvoering van het stuk in de gevangenis levenslang. O. is woedend. Niet lang daarna, in februari 1958, wordt Arie Lodder dood in zijn cel gevonden.
Oorzaak: cyaankali.
Voor de tweede keer levenslang
De zaak was voor de rechter duidelijk. En leidde tot het unicum dat een
levenslang gestrafte opnieuw levenslang krijgt. Dokter O. heeft de moord op zijn
vrouw in 1965 alsnog bekend. De moord op Arie Lodder heeft hij nooit toegegeven.
O. kreeg in 1975 na drieëntwintig jaar cel gratie, hij was ernstig ziek en mocht
thuis sterven.
Bronnen Dorps- en familieverhalen en het boek De dertig meest geruchtmakende misdaden
van de lage landen van Peter Smolders, waarin o.a. ook is opgenomen de zaak
Blonde Dolly, de Heineken-ontvoering, de Baarnse moordzaak, de ontvoering van
Toos van der Valk en de zaak Hans van Z. Baarn, Uitgeverij Tirion, 1999. ISBN
90-4390-015-X;
|
|