|
Bewaarplaats vernietiging, omvang en toegankelijkheid
Het archief van het Kollege van Regenten / de Kommissie van Administratie over
de gevangenen te Leeuwarden werd in 1966 vanuit het Huis van Bewaring
overgebracht naar het Rijksarchief in Friesland.
De hoofdmoot van de gevangenisarchieven volgde in 1968. Het restant van de
gevangenisarchieven benevens het grootste deel van het archief van het Kollege
van Regenten over de gevangenissen te Sneek volgde in de jaren 1969-1977. Bij
vernietiging uit de hier beschreven archieven werd strikt de hand gehouden aan
de voorschriften die zijn neergelegd in de „Lijst van voor vernietiging ".
De archieven hebben een gezamenlijke omvang van 53 m'. Ze zijn openbaar op
voorwaarde echter dat de archiefbescheiden betreffende nog levende personen,
anders van voor wetenschappelijk onderzoek, niet toegankelijk zijn. Overgebleven
informatie zoals reglementen en boeken die op de zolders lagen en die van enige
belang waren, zijn ingescand.
Gevangeniswezen 1810 - 1953
1. Inleiding 1.1. Algemeen hoofdstuk
De geschiedenis van het Nederlandse gevangeniswezen valt in een aantal perioden
uiteen. Voor een juist begrip van hetgeen zich in Friesland heeft afgespeeld
leek het mij raadzaam om elk van die perioden hier kort te beschrijven. "Hetgeen
volgen moet mag niet schijnen in de lucht te zweven." ( Busken Huet, blz. 1.)
1.1.1. De Gestichten
1.1.1.1. De periode van 1810-1821 Op 20 oktober 1810 gaf de Franse minister van binnenlandse zaken het "Arrêté sur
l'organisation des prions" uit. ( De Jongh, deel 1, blz.31-32.) Het was een eerste, niet altijd even geslaagde, poging om het
gevangeniswezen - voordien in ieder gewest afzonderlijk georganiseerd - door het invoeren van uniforme regels te verbeteren.
Ondanks het vrij geringe succes van de minister en ondanks het feit dat,
behoudens een enkele uitzondering, de oudste van de in deze inventaris opgenomen
en beschreven archiefstukken eerst een aanvang nemen in de twintigerjaren van de
vorige eeuw is het toch van belang om aan de teorie van het Arrêté enige
aandacht te wijden, temeer waar het aan de basis heeft gestaan van latere
nederlandse reglementen en verordeningen die vooral de Franse gestichtsnamen goeddeels
handhaafden en aanvankelijk ook de besturen op Franse leest schoeiden. Het
Arrêté onderscheidde vijf gestichtstypen. Eén daarvan, het Maison de Police
Municipale, laten wij hier verder rusten omdat het niets uitstaande heeft met de
gestichten waarvan de archieven in de navolgende inventaris beschreven staan. Op
deze plaats moet allereerst aandacht worden besteed aan het Maison d'Arrêt. Daarin werden
opgesloten zij die van een overtreding werden verdacht en in wier zaak nog geen
gerechtelijk vooronderzoek was geopend. Was men eenmaal in staat van
beschuldiging gesteld dan volgde overbrenging naar het Maison de Justice.
Beide hierboven genoemde gestichten waren, met andere woorden, bestemd voor de
opname van voorlopig aangehoudenen. Na een eventuele veroordeling waren er twee
mogelijkheden: licht gestraften werden in een Maison de Correction, zwaar
gestraften in een Maison de Détention opgesloten.
1.1.1.2. De periode van 1821-1886
In de benaming en bestemming van de onderscheidene strafgestichten werd na het
herstel van de onafhankelijkheid voorshands geen verandering aangebracht. Eerst
in 1820 werd een commissie in het leven geroepen die tot taak kreeg een
reorganisatie van het gevangeniswezen voor te bereiden.
De bevindingen van deze commissie werden neergelegd in een rapport dat de
grondslag vormde voor het Koninklijk Besluit van 4 november 1821. ( De Jongh, deel I, blz. 120-127. Zie ook: Hallema, blz. 224 en
225.)
Hierbij werden de strafgestichten als volgt onderverdeeld:
1. Huizen van Korrektie, bestemd voor degenen die een gevangenisstraf van vier à
zes maanden tot vijfjaar moesten ondergaan.
2. Huizen van Reklusie en Tuchtiging (ook wel: Opsluiting en Tuchtiging) voor
mannelijke, krimineel veroordeelden.
3. Huizen van Militaire Detentie, bestemd, uiteraard, voor gestrafte militairen,
met uitzondering echter van de "zware gevallen" die hun straf in Huizen van Opsluiting en Tuchtiging moesten uitzitten.
Naast deze gevangenissen stelde de wet een aantal gestichten in "bepaaldelijk
bestemd tot verzekerde bewaring der wegens misdaad of wanbedrijf beklaagde of beschuldigde personen".
Onder deze categorie waren begrepen:
1. Huizen van Arrest. 2. Huizen van Justitie. 3. Provoosthuizen.
4. Huizen van Bewaring.
Aan de nummers drie en vier van deze opsomming gaan wij even voorbij. Zij komen
ter sprake nadat hier aandacht is besteed aan de enigszins gekompliceerde
samenhang tussen de Huizen van Arrest en die van Justitie.
De overeenkomst tussen beide gestichtstypen was gelegen in het feit dat ze
bestemd waren tot de opname van voorlopig aangehoudenen.
Het verschil was dat men in een Huis van Arrest werd opgesloten als men
verdachte was en niet meer dan dat. Het hechtenisbevel was dan uitgevaardigd
door een opsporingsambtenaar.
Met het Huis van Justitie maakte men kennis zodra een "arrest tot
terechtstelling" was uitgevaardigd; wanneer men, met andere woorden, van
verdachte beschuldigde was geworden. Om der wille van de duidelijkheid laat ik
de volledige tekst van het arrest tot terechtstelling hier volgen:
"ln naam en vanwege den Koning
HET HOF voor de provincie.... (kamer van beschuldiging)
REGT DOENDE op het requisitoir van den procureur-generaal, waarbij de
instructie, gevoerd bij den arrondissements-regtbank te...., betrekkelijk den
persoon van.... gevorderd wordt, dat het hof over de teregtstelling van den
beklaagde zal beslissen.
De stukken van den griffier gelezen zijnde.
GELET op de conclusiën van den procureur-generaal en deszelfs verslag en
mondelinge voordragt.
GEZIEN art. 135 van het wetboek van strafvordering.
BEVEELT de teregtstelling van...., geboren te...., oud...., van beroep....,
wonende te...., terzake van op den...., te...., enz. (evenals in het
requisitoir), en beveelt dat de procureur-generaal binnen den kortst mogelijken
tijd eene akte van beschuldiging zal opstellen.
GELAST, dat, overeenkomstig de wet, de beschuldigde uit het huis van arrest,
waarin dezelve thans is gedetineerd, zal worden overgebracht naar de gevangenis
van het hof.
Gedaan, enz.". ( De Bosch Kemper, bijvoegsel, blz. 60.)
De laatste volzin maakt alles duidelijk zodra men in staat van beschuldiging was
gesteld werd men ingesloten in het Huis van Justitie (de gevangenis van het gerechtshof).
Vanaf 1842 konden bovendien, als daartoe termen aanwezig waren, korrektioneel
veroordeelden, die een straf van drie tot zes maanden tegen zich hadden horen
uitspreken, deze in een Huis van Justitie ondergaan. ( De Jongh, deel 1,
blz.608. )
Wenden wij ons nu tot de Provoosthuizen, dan kan worden volstaan met de
opmerking dat daarin werden ondergebracht de militairen die in voorarrest zaten.
De Huizen van Bewaring waren kantonale gevangenissen waarin, blijkens een
missive van de minister van binnenlandse zaken van 16 augustus 1839 ( De Jongh, deel 1, blz.572-573.) behoorden te worden gedetineerd:
1. Personen door de kantonrechter gestraft met l tot 7 dagen gevangenisstraf.
2. De wegens boete gegijzelden. 3. De nalatige miliciens. 4. De door politieambtenaren aangehoudenen van allerlei aard.
5. Doortrekkende gevangenen.
* Bovendien konden vanaf 1855 in de Huizen van Bewaring worden opgenomen de tot
ten hoogste één maand veroordeelde burgerlijke gevangenen. ( De Jongh, deel 1,
blz. 588-590. Zie ook: Hallema, blz. 225.)
1.1.1.2.1. Samenvoeging van gestichten
Reeds onder de Franse wetgeving waren de Maisons de Justice en de Maisons
d'Arrêt veelal op één en hetzelfde terrein gebouwd. Het Koninklijk Besluit van
1821 bestendigde die toestand in artikel 4: "Daar, waar de huizen van arrest, de
huizen van justitie en de provoosthuizen in dezelfde stad bestaan zal Ons de
vereeniging van dezelve, mits met behoorlijke afscheidingen, worden
voorgedragen, zooveel en zoo spoedig dit doenlijk zal worden bevonden, en op
zoodanige wijze, als voor het Rijk het meest voordeelig zal wezen".
De naam van de aldus samengevoegde gestichten zou "Burgerlijk en Militair Huis
van Verzekering" luiden.
Op het eerste gezicht waren zo de benaming en de bestemming van de diverse
inrichtingen afdoende gedefmieerd. Het feit echter dat het begrip "gevangenis"
in die tijd werd gebruikt als een verzamelnaam voor alle in dit hoofdstuk
omschreven gestichtstypen kan soms verwarring stichten.
Duidelijk wordt overigens wel, dat het Koninklijk Besluit van 1821 aan zijn
opzet: het zo doelmatig mogelijk reglementeren van het nederlandse
gevangeniswezen, grotendeels heeft voldaan.
Het K.B. werd in de loop der jaren steeds uitgebreid met nieuwe reglementen en
bepalingen totdat men, ruim zestig jaar later, de tijd gekomen achtte om de
struktuur van het vaderlandse gevangeniswezen wederom op de helling te zetten.
1.1.1.3. De periode van 1886-1953
De wet op de organisatie van het gevangeniswezen van 3 januari 1884, zoals die
werd gewijzigd bij de wet van 28 augustus 1886 (Staatsblad 130) betekende een
ingrijpende wijziging in de struktuur van het gevangeniswezen hier te lande. (
Verzameling van 1886, blz. 880-883. Zie ook: Hallema, blz. 296v.)
In het eerste artikel werden drie soorten gevangenissen onderscheiden:
1. Strafgevangenissen. 2. Huizen van Bewaring. 3. Passantenhuizen.
De aandacht moet hier in de eerste plaats worden gevestigd op de Huizen van
Bewaring, die nu ook de taak van de oude Huizen van Arrest en de Huizen van
Justitie overnamen. Hun bestemming werd in artikel drie als volgt omschreven:
"De huizen van bewaring zijn bestemd:
1. tot opneming van hen, die straffen van hechtenis of van militaire detentie
moeten ondergaan; 2. tot opneming van alle anderen, wier vastzetting, aanhouding, gevangenneming
of gevangenhouding door het openbaar gezag is bevolen of krachtens rechterlijke
uitspraak of beschikking geschiedt, voor zooverre geene andere plaats voor hen
is bestemd; 3. tot verblijf van doortrekkende gevangenen en andere onder verzekerde bewaring
vervoerd wordende personen".
De Strafgevangenissen werden onderscheiden in gewone en bijzondere.
In gewone werd men ondergebracht als men tot een straf van ten hoogste vijfjaar
veroordeeld was.
De Bijzondere Strafgevangenissen waren bestemd voor de tot een straf van meer
dan vijf jaar veroordeelden. Daarbij behoorden ook de levenslang gestraften.
Het begrip "bijzonder" had de volgende betekenis: in de gewone strafgevangenis
werd men cellulair opgesloten. In de bijzondere bracht men de eerste vijf jaren
van zijn straf in de cel door. Daarna werd men gedurende de rest van de
straftijd in de gemeenschap geplaatst.
Ook kon het voorkomen dat een tot twintig jaren veroordeelde de eerste vijfjaren
van zijn straf in een Gewone Strafgevangenis cellulair doorbracht en de overige
vijftien jaar in de gemeenschap van de Bijzondere Strafgevangenis.
De wet voorzag in de oprichting van twee Bijzondere Strafgevangenissen: één voor
vrouwen te Gorinchem; één voor mannen in Leeuwarden.
Vastgesteld kan worden dat de wet van 1886 toch voortbouwde op het Koninklijk
Besluit van 1821. De Huizen van Bewaring "nieuwe stijl" kunnen worden beschouwd
als de logische voortzettingen van de eertijds in de Burgerlijke en Militaire
Huizen van Verzekering samengevoegde gestichten en van de Huizen van Bewaring
"oude stijl".
De Gewone en de Bijzondere Strafgevangenissen namen de funktie over van de
Huizen van Reclusie en Tuchtiging.
De in 1886 ingevoerde regels hebben, zij het steeds aangevuld en gewijzigd,
lange tijd dienst gedaan. Ze werden eerst vervangen door de Beginselenwet
Gevangeniswezen van 21 december 1951, die op 1 juni 1953 werd ingevoerd.
1.1.2. De Besturen N.B. Vergelijk Eggink, blz. 49-52.
1.1.2.1. De periode van 1810-1822
Evenals de gevangenissen waren hun besturen voor de Franse tijd in ieder gewest
afzonderlijk ingericht. Het Arrêté van 1810 trachtte ook in die toestand
verandering aan te brengen. Dat geschiedde door de instelling van een "conseil
gratuit et charitable" van vijf leden voor elke plaats die één of meer
gevangenissen binnen de poorten had.
Veel bevoegdheden hadden deze besturen, in Nederland al gauw "Raden of
Commissiën van Weldadigheid" genoemd, niet, omdat in feite alle macht bij de
prefekt berustte.
In tegenstelling nu tot bij de gevangenissen kwam het nieuwe nederlandse bewind
na 1813 al redelijk gauw met verordeningen ten aanzien van de besturen. Bij
Koninklijk Besluit van 26 februari 1814 werd de "Provisionele Instructie voor de
Collegiën van Regenten over de Gevangenissen in de Vereenigde Nederlanden"
afgekondigd. ( De Jongh, deel 1, blz.49-52.)
De door het Franse bewind ingestelde besturen moesten plaats maken voor Colleges
van Regenten bestaande uit zeven personen: ".... de Burgemeester of één der
Burgemeesteren, of de President van het plaatselijk bestuur, de Officier der
Regtbank en vijf Leden, gekozen uit de Inwoners der stad of gemeente".
Het voorzitterschap kwam bij de burgemeester te berusten. De Colleges waren
verplicht eens per maand te vergaderen. Ze hadden tot taak toezicht te houden
over de aan hun beheer toevertrouwde gevangenissen. Teneinde de administratie in
goede banen te houden moesten ze uit hun midden een sekretaris aanstellen en een
thesauriër, die de financiën behartigde en de uitgaanskassen van de gevangenen
administreerde. ( Een deel van het door de gevangenen verdiende geld werd
gestort in de zogeheten "uitgaanskassen", die hun bij ontslag ter hand werden
gesteld, zodat ze bij terugkeer in de maatschappij niet met lege handen hoefden
te staan.)
Een grote beslissingsbevoegdheid hadden de Colleges niet in die eerste jaren; de
provinciale goeverneur was de allesbeheersende figuur.
1.1.2.2. De periode van 1822-1886 In die toestand kwam verandering, toen de Provisionele Instruktie op 21 oktober
1822 werd vervangen door een definitieve. ( De Jongh, deel 1, blz. 131-138.)
De Colleges van Regenten werden vervangen door Commissies van Administratie met
de provinciale goeverneur als voorzitter. Tweede man werd een door de koning te
benoemen vice-president. De macht van de besturen werd nu aanzienlijk. De "Kommandanten,
Cipiers en verdere Bedienden der gevangenissen" werd gelast "derzelver bevelen
stiptelijk (te) achtervolgen". ( Vergelijk: De Haan, blz. 218-221.) Namens de
Commissie van Administratie was de maandkommissaris belast met het toezicht op
het reilen en zeilen binnen de gevangenis. Hij ging op inspektie, deelde
straffen uit en bracht van zijn ervaringen verslag uit in de vergadering. Deze
funktie rouleerde maandelijks langs de commissieleden. De vice-president was,
indien hij dat wenste, van dit werk vrijgesteld. Inmiddels verdween de
goeverneur steeds meer naar de achtergrond. Steeds vaker traden de
gevangenisbesturen zonder zijn tussenkomst in kontakt met het ministerie van
justitie.
1.1.2.3. De periode van 1886-1953
De algehele reorganisatie van het gevangeniswezen in 1886 liet ook de
bestuursinrichting niet ongemoeid. Bij ministerieel schrijven van 24 augustus
1886 werden de kommissarissen des konings, onder dankzegging voor hun "vele en
gewichtige diensten" van hun voorzitterschap ontheven. ( Verzameling van 1886,
blz. 910.) Vervolgens werd bij Koninklijk Besluit van 31 augustus 1886 (Stbl.
159) een "algemene maatregel van inwendig bestuur voor de nederlandse
gevangenissen" afgekondigd. ( Verzameling van 1886, blz. 911-929.)
Het beheer over de gestichten werd nu gevoerd door de direkties, onder de
bevelen van de besturen, die nu weer Colleges van Regenten heetten. Deze
kolleges, waarvan de leden en de voorzitter op voordracht van de leden zelf door
de Kroon werden benoemd, dienden uit tenminste drie personen te bestaan. Het
lidmaatschap was een honorair ambt. Wel kon, indien daar volgens het oordeel van
de minister van justitie aanleiding toe bestond, een bezoldigde sekretaris
worden aangesteld. De macht van de besturen bleef inmiddels groot. Artikel 12
van de nieuwe maatregel decreteerde: "Het toezicht over alle aangelegenheden van
de gestichten is aan het college van regenten opgedragen". Voor alle
duidelijkheid voegde artikel 13 daar nog aan toe: "Behoudens het gezag, aan de
hoofden toegekend, gaan in het algemeen alle bevelen omtrent den dienst van de
gestichten van het college van regenten uit".
Tegen deze toestanden begon de Tweede Kamer omstreeks 1920 bezwaren te maken. Er
rees met name verzet tegen de omstandigheid dat de besturen eigenlijk zichzelf
aanvulden. Het zou gewenst zijn dat regering en parlement daarop meer greep
kregen. De minister was het daarmee eens en hij gaf de voordracht voor nieuwe
regenten in handen van de kommissaris der koningin, die overigens de besturen
nog wel hoorde. Tevens konden nu de gestichtsdirekteuren adviserende leden zijn
van hun besturen. ( Eggink, blz.66 )
In 1929 gingen vanuit de volksvertegenwoordiging stemmen op om de Colleges van
Regenten te vervangen door Commissies van Toezicht met aanmerkelijk minder
bevoegdheden. Daarin wenste de minister echter niet te bewilligen. Pas na de
oorlog kwam dit thema weer ter tafel. De in 1946 ingestelde commissie Fick kwam
na lange discussies tot het advies om de Colleges van Regenten af te lossen door
Commissies van Toezicht en het beheer over de gevangenissen volledig in handen
van de direkties te leggen. In de Beginselenwet Gevangeniswezen van 1953 werden
die suggesties overgenomen. De Colleges van Regenten maakten plaats voor
Commissies van Toezicht; de direkteuren kregen de volle verantwoordelijkheid
voor het beleid in de gevangenissen toegeschoven. ( Egging, blz. 66-70.) 1.2.
De leeuwarder gevangenissen en hun besturen
1.3. Hoofdstuk iii de gevangenissen van heerenveen en
sneek en hun besturen 1.3.1. Heerenveen 1.3.1.1. De Gestichten
Blijkens het meer aangehaalde rapport betreffende de toestand van het
gevangeniswezen in Friesland in 1798 bezat Heerenveen in dat jaar geen
gevangenis. Op 26 april 1811 besloot de prefekt dat in Heerenveen een
"convenabel gebouw" moest worden aangekocht om als Huis van Arrest te kunnen
dienen. ( B.R.F. Voorlopig inventarisnummer 1313.) Van kopen kwam echter niets.
In 1811 werd een huis aan de Molenwijk gehuurd van Elias Hiddinga, koopman te
Heerenveen. ( Het huurkontrakt is door mij niet aangetroffen. In B.R.F.,
voorlopig inventarisnummer 1841, bevindt zich een besluit van de prefekt van 20
maart 1813 betreffende het uitbetalen van achterstallige huur aan Hiddinga. ) De
plaatsbepaling van het gebouw kan worden vastgesteld uit een brief van Hiddinga
aan de goeverneur van Friesland. Archief Gouverneur, 1ste Divisie, ingekomen brief van 7 maart 1815, nummer 208. (
Archief Gouverneur, brief van het College van Regenten over de gevangenissen te
Heerenveen, ingekomen op 19 april 1833, nummer 10. (Algemene Administratie).)
Dit gehuurde gebouw bleef in gebruik tot 1833. Bij Koninklijk Besluit van 12
februari 1833, nr. 22, werd krediet verleend voor de aankoop van Crackstate, dat
nog in hetzelfde jaar als gevangenis werd ingericht.
In 1889 en 1890 werd achter Crackstate een nieuwe gevangenis gebouwd. Tussen
1811 en 1887 waren in Heerenveen gevestigd:
1. Een Huis van Arrest. 2. Een Huis van Bewaring "oude stijl".
3. Een Huis van Korrektie.
Het bestaan van het Huis van Korrektie kon door mij slechts worden vastgesteld
aan de hand van de inhoud van sommige registers van inschrijving. De daarin
vermelde straffen, 4 maanden tot 5 jaar, konden volgens het Koninklijk Besluit
van 4 november 1821 slechts in een Huis van Korrektie worden uitgezeten. Met
betrekking tot de aanvangsdata van het Huis van Bewaring en het Huis van
Korrektie verkeren wij in het ongewisse. Ook de archieven van het Provinciaal
Bestuur van Friesland, 1813-1918 geven geen uitsluitsel en hetzelfde geldt voor
de archieven van de ministeries van justitie en van binnenlandse zaken. Vanaf
1887 was ook in Heerenveen de in het eerste hoofdstuk van deze inleiding
breedvoerig omschreven wet van 1886 van kracht. Dit had tot gevolg dat er twee
gevangenissen overbleven:
- een Huis van Bewaring "nieuwe stijl";
- een Gewone Strafgevangenis, die in 1902 werd omgezet in een
Hulpstrafgevangenis. De gevangenissen in Heerenveen werden met ingang van 1
november 1923 opgeheven. ( Koninklijk Besluit van 10 september 1923. Een
afschrift van dit besluit werd mij welwillend toegestuurd door het Centraal
Wervings- en Opleidingsinstituut van het Gevangeniswezen te Den Haag. )
1.3.1.2. Het bestuur Zoals vermeld in het tweede hoofdstuk werden bij schrijven van de minister van
binnenlandse zaken van 29 juni 1811 de leden van de Commissies van Weldadigheid
in Friesland benoemd. En evenals dat in Leeuwarden het geval was werd in
Heerenveen op verzoek van de bestuursleden hun datum van indiensttreding
verschoven naar de eerste oktober van dat jaar.
Over de verdere geschiedenis van het heerenveense bestuur is nauwelijks iets
bekend. De eerst-aangewezen bron, het bestuursarchief, is nagenoeg verloren
gegaan terwijl in dit geval de archieven van de hogere organen geen relevante
gegevens bevatten. Daar komt nog bij dat het ene notulenboek waarover wij
beschikken grote hiaten vertoont. Eén ding komt uit die schaars bewaard gebleven
aantekeningen overigens wel naar voren: de sfeer was in Heerenveen een stuk
gemoedelijker dan in Leeuwarden. Het College van Regenten oefende geen
regelmatige contrôle uit op de gang van zaken binnen de gevangenissen. Blijkens
een reglement uit 1853 ( Reglement Heerenveen, blz. 10 en 11.) was er zelfs geen
maandkommissaris die geregeld zijn ronde deed. Het toezicht over de
gevangenissen was gelegd in handen van een "Commissie van Policie", benoemd uit
het College van Regenten. Als er moeilijkheden waren moest de cipier met deze
commissie kontakt opnemen.
Toen de gevangenissen werden gesloten werd het College van Regenten ontbonden.
Het Koninklijk Besluit dat de opheffing yan de gevangenissen dekreteerde kan
worden beschouwd als de ontslagbrief voor de bestuursleden. ( Volgens
vriendelijke mededeling van het Centraal Wervings- en Opleidingsinstituut.)
1.3.2. Sneek 1.3.2.1. De Gestichten
In 1746 werd te Sneek een Spinhuis gebouwd. Het heeft niet lang dienst gedaan en
werd, na geruime tijd te hebben leeggestaan, tot exersitieplaats voor de
stedelijke schutterij bestemd. ( Tegenwoordige Staat van Friesland, blz.
263-264.) En zo had Sneek, evenmin als Heerenveen, in 1798 een gevangenis.
In die toestand kwam verandering in 1811, toen de prefekt besloot dat de Kleine
Kerk tot Huis van Arrest verbouwd moest worden. ( B.R.F. Voorlopig
inventarisnummer 13 13. ) Dit gesticht heeft dienst gedaan tot 1842. In dat jaar
werd een nieuwe gevangenis gebouwd aan de Kleine Kerkstraat. ( Verslag van de
provinciale goeverneur, blz. 53. ) In 1891 brandde de gevangenis gedeeltelijk
uit, nadat een gedetineerde zijn strozak in brand had gestoken. De gevangenen
wier cellen door het vuur getroffen waren werden gedurende de tijd van de
herbouw in Leeuwarden ondergebracht. Tussen 1811 en 1887 waren in Sneek
gevestigd:
- een Huis van Arrest; - een Huis van Bewaring "oude stijl";
- een Huis van Korrektie.
Evenals bij Heerenveen kon ook hier het bestaan van een Huis van Korrektie
slechts worden afgeleid uit de inhoud van sommige registers van inschrijving. En
ook hier, om dezelfde redenen als in het geval Heerenveen, kan uit de archieven
van de aldaar genoemde hogere organen niet met zekerheid worden opgemaakt
wanneer het Huis van Bewaring en het Huis van Korrektie van de grond zijn
gekomen. Het Huis van Arrest werd in 1877 gesloten en vervangen door een
"cellulaire gevangenis". ( Koninklijk Besluit van 19 september 1877, nr. 24.
Algemeen Rijksarchief, archief van het Kabinet des Konings, 1840-1897.
Inventarisnummer 2239. ) Dat wil zeggen, dat vanaf toen in Sneek de
gedetineerden hun straf in een cel moesten ondergaan. Deze vorm van
strafuitoefening was wettelijk mogelijk sedert 1851. ( Wet van 29 juni 1851. De
Jongh, deel 2, blz. 175-176. ) Overigens liep men in het geval Sneek enigszins
op de gebeurtenissen vooruit, omdat het celstelsel eerst in 1886 integraal werd
ingevoerd. ( Vriendelijke mededeling van het Centraal Wervings- en
Opleidingsinstituut van het Gevangeniswezen te Den Haag. )
Na de invoering van de wet van 1886 waren in Sneek nog gevestigd:
- een Huis van Bewaring "nieuwe stijl"; - een Gewone Strafgevangenis, die in feite dus reeds sedert 1877 bestond.
De gevangenissen in Sneek werden met ingang van l juli 1922 opgeheven. (
Koninklijk Besluit van 25 maart 1922, nr. 74. Een afschrift van dit besluit werd
mij ter hand gesteld door het Centraal Wervings- en Opleidingsinstituut van het
Gevangeniswezen te Den Haag.)
1.3.2.2. Het Bestuur
Evenals in Leeuwarden en in Heerenveen kreeg het per 1 september 1811 in Sneek
benoemde gevangenisbestuur respijt van de prefekt tot de eerste oktober van dat
jaar. Uit de bewaard gebleven resolutieboeken rijst een beeld op van
bestuursleden die in gemoedelijkh.eid wel ongeveer konden wedijveren met de
kollega's uit Heerenveen. Het gevangenispersoneel werd vriendelijk bejegend;
verzoeken van gedetineerden werden vaak zonder veel plichtplegingen ingewilligd.
Blijkens een reglement uit 1887 kende Sneek evenmin als Heerenveen een
maandkommissaris. De gang van zaken werd namens het College in het oog gehouden
door een weekkommissaris. ( Reglement Sneek, blz. 4.)
Het Koninklijk Besluit dat de opheffing van de gevangenissen beval was ook hier
de ontslagbrief voor de Regenten. ( Vergelijk noot 42.) Opvallend is wel, dat het College op zijn laatste vergadering besloot om zijn
eigen opheffing niet zonder festiviteiten voorbij te laten gaan!
1.4. Hoofdstuk iv de archieven en de inventaris
1.4.1. Leeuwarden 1.4.1.1. Het bestuursarchief Toen het archief van het College van Regenten c.q. de Commissie van
Administratie over de gevangenissen te Leeuwarden in de Rijksarchiefbewaarplaats
aldaar werd opgenomen was er geen door de administratie vervaardigde inventaris
of zelfs magazijnlijst voorhanden. Bijgevolg ontbrak iedere vorm van overzicht.
Wel waren, al voor ik met de inventarisatie begon, de ingekomen stukken en de
resolutieboeken door enige van mijn kollega's chronologisch in de stellingen
geplaatst. De kern van het bestuursarchief wordt gevormd door de
resolutieboeken, lopende van 1812-1940. Door de grote greep die het bestuur had
op letterlijk alles wat zich in de gevangenis afspeelde vormen de
resolutieboeken een eersterangs bron van informatie voor de geschiedenis van het
gevangeniswezen in de Friese hoofdstad. De resolutieboeken zijn niet nader
toegankelijk gemaakt, ook niet door middel van trefwoorden in de marge. Wel
toegankelijk gemaakt zijn de ingekomen stukken, die veelal per kwartaal en
incidenteel per halfjaar zijn ingebonden.
De onderzoeker kan beschikken over de volgende ingangen:
1. Agenda's, waarin de brieven bij binnenkomst werden ingeschreven.
2. Indexen, die naderhand door de administratie werden vervaardigd.
Voorts werden alle ingekomen stukken op de bestuursvergaderingen voorgelezen en
vervolgens besproken, met als gevolg dat de afzenders mitsgaders de inhoud van
de stukken behoudens enige uitzonderingen vrij uitvoerig in de resolutieboeken
genoteerd staan. Bestudeert men dus een bepaalde zaak dan kan men in de
resolutieboeken de vermelding vinden van de stukken die daarbij werden
overgelegd.
Het antwoord op een ingekomen brief werd veelal tijdens de bestuursvergaderingen
vastgesteld. Men vindt dan termen als ".... wordt besloten te antwoorden, "....
wordt besloten te rescriberen", etc. Op die manier heeft men toch min of meer
een ingang op de minuten van uitgaande stukken, die tot 1886 per jaar zijn
ingebonden en die daarna in registers van uitgaande brieven werden afgeschreven,
zonder verder toegankelijk te zijn gemaakt.
Het gevangenisbestuur regelde de gehele personeelsadministratie van de aan zijn
beheer toevertrouwde instellingen. Aan het personeelsbeleid werden geheime
vergaderingen gewijd, terwijl ook de korrespondentie over dit dienstvak een
geheim karakter droeg. Hiermee zijn de in de inventaris voorkomende termen
"notulenboeken van geheime vergaderingen" en "registers van geheime uitgaande
stukken" verklaard. Gezien hun inhoud konden deze stukken dus niet in de
afdeling "stukken van algemene aard" worden geplaatst. Ieder personeelslid
behoorde te worden ingeschreven in een personeelsstamboek. Deze registers zijn
maar voor een deel bewaard gebleven en nogal onvolledig ingevuld. Ze zijn
hiërarchisch ingedeeld: als eerste vindt men de leden van de direktie,
vervolgens het administratieve personeel, gevolgd door de hoofdbewaarders, de
bewaarders en tenslotte de lagere beambten. De thesaurier heeft een eigen
archief gevormd, bestaande uit een aantal registers van uitgaande stukken die
niet nader toegankelijk zijn gemaakt, en uit een contrôleregister op de
uitgaanskassen van de gevangenen. Zijn zelfstandige positie binnen het bestuur
blijkt voorts uit zijn aanspreektitel: "Thesaurier en lid van het College". Van
de uit het College benoemde commissies is alleen een deel van het archief van de
Bouwcommissie bewaard gebleven.
1.4.1.2. De gevangenisarchieven
Toen eenmaal duidelijk was geworden om de archieven van welke gevangenissen het
ging leek het mij verstandig om de archieven in volgorde van "zwaarte" in de
inventaris op te nemen. Men kan zo de gang van een gedetineerde door de diverse
gestichten volgen. Deze procedure heb ik zowel met betrekking tot de toestand
van voor als van na de invoering van de wet van 1886 gevolgd.
Voor de invoering van die wet waren in Leeuwarden het Huis van Arrest, het Huis
van Justitie en het Provoosthuis verenigd in het Huis van Burgerlijke en
Militaire Verzekering. Deze samenvoeging had geen enkele administratieve
betekenis en men vindt in de inventaris dan ook de afzonderlijke archieven van
het Huis van Arrest, het Huis van Justitie en van het Provoosthuis beschreven.
De wet van 1886 had geen enkele invloed op de administratie van het Huis van
Opsluiting en Tuchtiging, dat slechts een naamsverandering onderging en nu
Bijzondere Strafgevangenis voor mannen ging heten. Bijgevolg heb ik in het
betreffende archief in 1887 geen cesuur aangebracht. Men vindt in dit archief
onder het hoofdstuk "stukken van algemene aard" opgenomen de zogeheten
"registers van bijzondere voorvallen". Deze stukken dragen namelijk een
"algemeen" karakter. Het zijn dagboeken waarin de voornaamste gebeurtenissen in
de gevangenissen staan opgetekend. De registers van inschrijving van het
gevangeniswezen in Leeuwarden nemen in deze inventaris een aanvang in 1805.
De registers van inschrijving vanaf 1797-1803 bevinden zich
in de archieven van de lands- en gewestelijke besturen in Friesland van de jaren
1795-1813 (Toegang 8).
Wanneer een gevangene in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging c.q. de
Bijzondere Strafgevangenis werd ingeschreven moest een extract uit zijn vonnis
worden overgelegd. Deze extracten zijn gealfabetiseerd, zodat de onderzoeker, na
in het register van inschrijving de naam van een gedetineerde te hebben
gevonden, zonder veel moeite het extract uit zijn vonnis kan opvragen.
De archieven van de kampen voor politieke delinquenten tenslotte werden, gezien
hun bijzondere karakter - ze stonden immers los van het eigenlijke
gevangeniswezen - als laatste in de afdeling Leeuwarden geplaatst.
1.4.2. Heerenveen en Sneek In Heerenveen is het bestuursarchief vrijwel geheel, in Sneek voor een deel
verloren gegaan. De stukken die in beide archieven zijn beschreven behoeven, na
de verklaringen ten aanzien van Leeuwarden, geen verdere kommentaar. Met
betrekking tot de indeling van de gevangenisarchieven kan worden opgemerkt dat
daarbij dezelfde systematiek werd gevolgd als bij Leeuwarden.
1.5. Bewaarplaats, vernietiging, omvang en
toegankelijkheid Het archief van het College van Regenten / de Commissie van Administratie over
de gevangenen te Leeuwarden werd in 1966 vanuit het Huis Aan Bewaring
overgebracht naar het Rijksarchief in Friesland. De hoofdmoot van de
gevangenisarchieven volgde in 1968. Het restant van de gevangenisarchieven
benevens het grootste deel van het archief van het College van Regenten over de
gevangenissen te Sneek volgde in de jaren 1969-1977.
Bij vernietiging uit de hier beschreven archieven werd strikt de hand gehouden
aan de voorschriften die zijn neergelegd in de "Lijst van voor vernietiging in
aanmerking komende stukken vastgesteld bij gemeenschappelijke beschikking van de
Ministers van Justitie en van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen d.d. 8
september 1956, afd. A.Z. / P. & A., nr. 336/056, en 6 oktober 1956, afd. O.K.N.,
nr. 2936l; gewijzigd bij gemeenschappelijke beschikkingen van de ministers van
Justitie en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk d.d. 4 juni 1965,
afd. A.Z. / P. & A., nr. 347/065, en 29 juni 1965, afd. O.K.N., nr. 116989,
respectievelijk d.d. 31 augustus 1967, afd. A.Z. / P. & A. nr. 519/067, en 29
september 1967, directie O.K.N., afd. O., nr. 139418." De archieven hebben een
gezamenlijke omvang van 53 m. Ze zijn openbaar op voorwaarde echter dat de
archiefbescheiden betreffende nog levende personen, anders van voor
wetenschappelijk onderzoek, niet toegankelijk zijn.
1.6. Dankbetuiging Ik wil deze inleiding niet afsluiten dan nadat ik enige personen en instellingen
mijn dank heb betuigd voor de medewerking die ze mij gedurende de
inventarisatiearbeid hebben geboden. In de eerste plaats moet hier genoemd
worden het Centraal Wervings- en Opleidingsinstituut van het Gevangeniswezen in
Den Haag dat mij veel waardevolle gegevens verstrekte en dat met een vlotheid
waarvoor men slechts bewondering kan hebben. In de tweede plaats een woord van
hartelijke dank aan het adres van de heer J. van der Oord, voormalig directeur
van de Strafgevangenis te Leeuwarden, die mij twee keer een langdurig onderhoud
toestond en mij op die manier een schat aan achtergrondinformatie verschafte.
Daarnaast moet worden genoemd de heer B. Droogsma, oud-administrateur aan de
Bijzondere Strafgevangenis te Leeuwarden die mij met name waardevolle gegevens
in handen speelde over de geschiedenis van het archief.
Tenslotte betuig ik mijn erkentelijkheid aan de heer Bom, direkteur van het Huis
van Bewaring te Leeuwarden, die mij persoonlijk een middag heeft rondgeleid door
de gebouwen van twee van de instellingen waarvan de archieven in de navolgende
inventaris beschreven staan.
Leeuwarden, juli 1978; S.de Haan.
1.7. Literatuur en gedrukte bronnen E.J. Besier: Leeuwarden, strikt en duidelijk. "Balans", maandblad voor
gevangeniswezen en T.B.R.-stelling, no. 5 (mei 1977) blz. 1-5. J. de Bosch
Kemper: Wetboek van Strafvordering met een bijvoegsel bevattende formulieren en
voorbeelden. Deel 3. Amsterdam, zonder jaar. Cd. Busken Huet: Het Land van Rembrand. Amsterdam 18862.
W. Eekhoff: Geschiedkundige beschijving van Leeuwarden. Facsimile-herdruk van de
uitgave van 1846. Leeuwarden, 1967. J.W. Eggink: De geschiedenis van het Nederlandse gevangeniswezen. Assen (1958).
S. de Haan: Inwoners der stad, bekend door hunne menschlievendheid; het bestuur
over de Leeuwarder gevangenissen in de eerste helft van de negentiende eeuw. "It
Beaken", nrs. 516 (1977) blz. 218-228. A. Hallema: Geschiedenis van het Gevangeniswezen, hoofdzakelijk in Nederland.
's-Gravenhage, 1958. A. Jansen: De Bijzondere Strafgevangenis te Leeuwarden. Leeuwarden (1949).
J.J. de Jong: Verzameling van wetten betrekkelijk het gevangeniswezen in de
Nederlanden, sedert de invoering der Fransche Wetgeving tot en met den jare
1844. Leeuwarden, 1846. J.J. de Jongh: Verzameling van wetten betrekking het gevangeniswezen in de
Nederlanden, tweede deel, aanvangende met den jare 1846. Leeuwarden (1854).
Ph. Kooperberg: Geneeskundige plaatsbeschrijving van Leeuwarden. 's-Gravenhage,
1888. E.A.M. Lamers: De Commissies van Toezicht bij de Strafgestichten onder de
Beginselenwet Gevangeniswezen. 's-Gravenhage, 19622. Ramon de la Sagra: Reis door Nederland en België, met toepassing op de
gevangenissen in die beide landen. Eerste deel, Nederland. Groningen, 1839.
J. Simon van der Aa: De arbeid als element in de vrijheidsstraf. Groningen,
1906. J.S. Theissen: Het Blokhuis in de zestiende eeuw. "De Vrije Fries", (1913), blz.
1-43. H. Wever: De Bijzondere Strafgevangenis te Leeuwarden, een medisch-hygiënisch
onderzoek. Assen, (1940). Tegenwoordige Staat van Friesland. Deel III. Amsterdam, Leiden, Dord., 1788.
Verslag van de toestand der provincie over het verslagjaar 1841/1842,
uitgebracht door de Goeverneur aan de Provinciale Staten. Reglement voor het Huis van Arrest te Heerenveen. Heerenveen, 1853.
Huishoudelijk reglement voor de Strafgevangenis te Sneek. 's-Gravenhage, 1887.
Verzameling van wetten betreffende het gevangeniswezen in 1886. Den Haag (1887).
Kort overzicht van de geschiedenis der gebouwen bij het Departement van Justitie
in gebruik. (Den Haag), 1912. Verzameling van wetten betreffende het gevangeniswezen. Bijzondere aflevering.
's-Gravenhage, 1933.
1.8. Ongedrukte bronnen 1.8.1. Algemeen Rijksarchief, Den Haag
Archief van de Algemene Secretarie van het Kabinet des Konings, 1813-1840.
Archief van het Kabinet des Konings, 1840-1897. Archief van het Ministerie van Justitie, 1813-1876.
Archief van de afdeling Gevangenissen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
1823-1842.
1.8.2. Rijksarchief in Fiesland, Leeuwarden De archieven van de Staten van Friesland en de daarmede verbonden Colleges,
1580-1795. De archieven van de Lands- en Gewestelijke Besturen in Friesland van de jaren
1795-1813. (Te citeren als: B.R.F.). De archieven van het Provinciaal Bestuur van Friesland, 1813-1918.
De archieven van de instellingen van het gevangeniswezen in Leeuwarden,
Heerenveen en Sneek, 1812-1953.
1.9. Bijlage lijst van
instellingen die geen archief hebben gevormd Bijage lijst van instellingen die geen archief hebben gevormd of waarvan het
archief geheel of over een bepaalde periode verloren is gegaan
1.9.1. Leeuwarden a. De navolgende commissies uit het College van Regenten / de Commissie van
Administratie hebben geen archief gevormd: - de commissie over de arbeid;
- de commissie voor de levensmiddelen; - de commissie voor de kleding- en liggingsstukken;
- de commissie voor af- en ontslag.
b. Van de navolgende gestichten is over de aangegeven periode het archief
verloren gegaan: - het Huis van Justitie, 1812-1826; - het Huis van Bewaring "oude stijl", 1824-1839;
- het Huis van Korrektie, 1812-1824; - het Provoosthuis tot 1839;
- het kamp "Ericadorp", 1945-1947.
1.9.2. Heerenveen Van de navolgende instellingen is over de aangegeven periode het archief
verloren gegaan: - het College van Regenten tot 1875; - het Huis van Arrest, 1812-1841;
- het Huis van Bewaring "oude stijl" tot 1846; - het Huis van Korrektie tot 1842.
1.9.3. Sneek Van de navolgende instellingen is het archief over de aangegeven periode
verloren gegaan: - het College van Regenten tot 1859; - het Huis van Arrest, 1812-1837;
- het Huis van Bewaring "oude stijl" tot 1844; - het Huis van Korrektie tot 1844.
2. Inventaris eerste afdeling, Leeuwarden
2.01. Archieven van het kollege van regenten/ de commissie
van administratie over de gevangenissen te leeuwarden, 1812-1953 2.01.1. Hoofdarchief
2.01.1.1. Stukken van algemene aard Resolutieboeken 1812-1940
Ingekomen stukken 1814-1953 Ingekomen stukken, afschriften 1814-1824
Minuten van uitgaande stukken 1823-1886, juni Registers van uitgaande stukken 1886, juli-1953
Agenda's van ingekomen stukken 1853-1953 Indexen op de ingekomen stukken 1825-1947
1940-1947 N.B.Nummer 643 is door brand vrij zwaar beschadigd Jaarverslagen betreffende het Huis van Opsluiting en Tuchtiging/ de Bijzondere
Strafgevangenis 1858-1880 en 1901-1953 Bijlagen bij de jaarverslagen betreffende het Huis van Opsluiting en Tuchtiging/
de Bijzondere Strafgevangenis 1864-1915 Jaarverslagen betreffende het Huis van Bewaring 1864-1941
Bijlagen bij de jaarverslagen betreffende het Huis van Bewaring 1865-1918
2.01.1.2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen
2.01.1.2.1. Stukken betreffende regIementering Reglement van orde voor de vergaderingen van de Commissie van Administratie 1824
Reglement op het onderbrengen der gevangenen in het Huis van Opsluiting en
Tuchtinging in verschillende strafklassen 1848 Reglement op de kerkdiensten in de gevangenissen te Leeuwarden 1853
Instructie voor de assistent-chirurgijn 1864 Reglement voor de leesbib1iotheek der gevangenen 1879
2.01.1.2.2. Stukken betreffende het personeel
Notulenboeken van geheime vergaderingen 1865-1908 Registers van geheime uitgaande stukken 1832-1925
Agenda van geheime stukken 1866-1885 Registers van beambten, met aantekening van ontslag of overlijden 1867-1900
Stamboek betreffende het administratief personeel circa 1929-1957
Stamboeken administratief personeel 1915-1955 Stamboek betreffende het hulppersoneel 1946-1957
Stamboek betreffende het bewakingspersoneel circa 1872-1957 Stamboeken bewakingspersoneel 1858-1957
2.01.1.2.3. Stukken betreffende de gevangenen
Contrôleregisters 1825-1922 NB Met gegevens betreffende de contrôle op militairen over de periode 1887-1906
Aanvullende contrôleregisters 1836-1878 Contrôleregisters betreffende gestrafte militairen 1889-1921
NB Aantekeningen betreffende de kontrôle op gestrafte militairen over de periode
1887-1906 staan genoteerd achterin inventarisnummer 696
2.01.1.2.4. Stukken betreffende de gevangenissen in de
meidagen van 1940 Verslag van de gebeurtenissen in de Leeuwarder gevangenissen gedurende de
meidagen van 1940, opgemaakt in 1940
2.01.2. Archief van de thesaurier
2.01.2.1. Stukken van algemene aard Registers van uitgaande stukken 1828-1894
2.01.2.2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen
2.01.2.2.1. Stukken betreffende de uitgaanskassen der gevangenen
Contrôleregister op de uitgaanskassen van de gevangenen 1839-1943
2.01.3. Archief van de bouwcommissie
Rapport, ingekomen van de adjunkt-kommandant van het Huis van Opsluiting en
Tuchtiging betreffende de verlichting van dat gesticht door middel van gas 1853
Akten, waarbij de Bouwcommissie namens de Commissie van Administratie een nieuwe
celienvleugel van het Huis van Opsluiting en Tuchtiging overneemt van de
ingenieur van de waterstaat 1861 Stukken betreffende te verrichten
onderhoudswerkzaamheden aan het Huis van Burgerlijke en Militaire Verzekering
1862-1870 Stukken betreffende te verrichten onderhoudswerkzaamheden aan het Huis van
Opsluiting en Tuchtiging 1856-1870 Bestek en voorwaarden voor het maken van een vrouwenkwartier en het inrichten
van een Pistôle in het Huis van Burgerlijke en Militaire Verzekering 1865 Stukken betreffende verbouwingswerkzaamheden aan het Huis van Opsluiting en
Tuchtiging 1870-1875 Bestek en voorwaarden voor de bouw van een Huis van Bewaring 1889
Tekening en plattegronden, gemaakt in verband met de bouw van het Huis van
Bewaring 1889 NB Zie kaartenverz. nrs. 13.087-13.090 Bestek en voorwaarden voor de bouw van een nieuwe cellenvleugel aan de
Bijzondere Strafgevangenis 1892 Tekening en plattegronden, gemaakt in verband met de bouw van de nieuwe
cellenvleugel aan de Bijzondere Strafgevangenis 1892 NB Zie kaartenverz. nrs. 13.091-13.096
2.01.4. Aanhangsel Verhandeling over de toestand in de gevangenissen door L.G. Bouricius, lid van
de Commissie van Administratie 1837
2.02. Archief van het huis van arrest, 1812-1886
Registers van inschrijving (mannen en vrouwen) 1812-1813 en 1822-1839
Registers van inschrijving (mannen) 1839-1886 Registers van inschrijving (vrouwen) 1839-1886
2.03. Archief van het huis van justitie, 1826-1886
Registers van inschrijving (mannen en vrouwen) 1826-1839 Registers van inschrijving (mannen) 1839-1886
Registers van inschrijving (vrouwen) 1839-1886
2.04. Archief van het provoosthuis, 1839-1886
Registers van inschrijving 1839-1886 Registers betreffende tot gevangenisstraf veroordeelde militairen 1819- 1860
2.05. Archief van het huis van bewaring, 1839-1887 ("oude
stijl") Registers van inschrijving (vrouwen) 1839-1887
2.06. Archief van het tuchthuis, 1805-1824
Registers van inschrijving 1805-1828 NB In inventarisnummer 822 werden de zwaar gestraften ingeschreven. Tot 1824
werden dezen ondergebracht in het Tuchthuis, daarna in het Huis van Opsluiting
en Tuchtiging. De administratie van dat gesticht gebruikte tot 1828 het door het
Tuchthuis aangelegde register van inschrijving
2.07. Archief van het huis van korrektie, 1824-1887 Registers van inschrijving (mannen en vrouwen) 1824-1839 Registers van inschrijving (mannen) 1839-1887
Registers van inschrijving (vrouwen) 1839-1887
2.08. Archief van het-huis van bewaring, 1888-1945
("nieuwe stijl") 2.08.1. Stukken van algemene aard Register van bijzondere voorvallen 1917-1945
2.08.2. Stukken hetreffende bijzondere onderwerpen
2.08.2.1. Stukken betreffende de inschrijving van de gevangenen
Registers van inschrijving van voorlopig aangehoudenen 1888-1940
Registers van inschrijving van tot hechtenis veroordeelden 1886-1938
Register van kinderen, met de moeders opgenomen 1888- 1968
2.09. Archief van de hulpstrafgevangenis, 1888-1938
Registers van inschrijving 1888-1938
2.10. Archief van het huis van opsluiting en tuchtiging /
de bijzondere strafgevangenis, 1828-1953 N.B. Stukken jonger dan 75 jaar zijn niet openbaar!
2.10.1. Hoofdarchief 2.10.1.1. Stukken van algemene aard
Registers van stukken, ingekomen via de Commissie van Administratie 1863-1878
Registers van stukken, ingekomen van het departement van justitie en van
gerechtelijke organen 1878-1924 Registers van uitgaande stukken 1841-1923
Minuten van uitgaande stukken 1944 Registers van bijzondere voorvallen. 1888-1948
2.10.1.2. Stukken betreffende bijzondere onderwerpen
2.10.1.2.1. Stukken betreffende gebouwen en brandpreventie
Stukken betreffende het aanbrengen van verbeteringen in en aan de gebouwen van
het gevangeniskompleks 1947 Stukken betreffende het verbeteren van de brandpreventie 1947
2.10.1.2.2. Stukken betreffende het personeel
instruktie voor de portier in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging 1866
Brieven, ingekomen van sollicitanten naar de funktie van bewaarder in het Huis
van Opsluiting en Tuchtiging 1851, 1865, 1871 Stukken betreffende het respekteren van de duitse bezettende macht door het
gevangenispersoneel 1941 Stukken inzake het ontslag van Samuel Mendels, Joods gevangenisleraar te
Leeuwarden 1942, 1943
2.10.1.2.3. Stukken betreffende de gevangenen
Registers van inschrijving 1828-1955 NB De eerste inschrijvingen van het Huis van Opsluiting en Tuchtiging staan
genoteerd in het register van inschrijving van het Tuchthuis. Dit betreft de periode 1824-1828. Zie inventarisnummer 822 en de aantekening
aldaar Register van inschrijving van militairen 1872-1908 Register van inschrijving van smokkelaars 1918-1919
Index op de registers van inschrijving 1888-1945 Extrakt-vonnissen 1830-1935
Extract-vonnissen van gearresteerde militairen 1840-1922 Bijlagen bij de extract-vonnissen van gearresteerde militairen 1840-1922
Extractvonnissen van smokkelaars 1917-1918 Register van overleden gedetineerden 1888-1964
Registers van uitgaande stukken betreffende door de gevangenen te verrichten
arbeid en de daarvoor benodigde materialen 1887-1895 indexen op de registers van uitgaande stukken betreffende door de gevangenen te
verrichten arbeid en de daarvoor benodigde materialen 1889-1899 Register houdende opmerkingen over de bewakingsdienst in het Huis van Opsluiting
en Tuchtiging 1865 Brieven, ingekomen van familieleden van gedetineerden 1848-1872 en ongedateerd
Stukken betreffende de behandeling van Joodse gevangenen 1942 Stukken betreffende de behandeling van politieke delinkwenten 1945- 1947
Rapport, ingekomen van de aan de gevangenis verbonden Sociale Dienst 1950
2.10.2. Archief van de dienstencommissie
Beschikking van de minister van justitie, regelende de instelling en de
werkwijze van de dienstencommissies voor ambtenaren bij het gevangeniswezen, rijkstucht- en opvoedingswezen 1931, gewijzigd vastgesteld in
1939 Notulen 1928-1953 Ingekomen stukken 1929-1939
2.10.3. Archief van de vergadering van hogere
gestichtsambtenaren Notulenboeken 1915-1937
2.10.4. Archief van de gestichtsraad Notulen 1930-1946
2.11. Archieven van de kampen voor politieke delinquenten
te Leeuwarden, 1945-1947 2.11.1. Archief van het kamp "Arendstuin" voor mannelijke en vrouwelijke
politieke gevangenen, 1945-1947 Dagboeken van de commandant van het kamp Arendstuin, later tevens belast met het
commando over het kamp op de vliegbasis 1945- 1947 Register van inschrijving 1945 april-augustus
2.11.2. Archief van het mannenkamp voor politieke
gevangenen op de vliegbasis te Leeuwarden, 1945-1947 Registers van inschrijving 1945-1947
3. Tweede afdeling, Heerenveen 3.1. Archief van het college van regenten over de gevangenissen te Heerenveen
1875-1907 Notulenboek 1875-1907 Kopieboek van uitgaande stukken 1884-1889
3.2. Archief van het huis van arrest, 1842-1887 1096-1102.
Registers van inschrijving, 1842-1887. 7 delen 3.3. Archief van het huis van bewaring, 1846-1887 ("oude stijl")
Registers van inschrijving 1846-1887
3.4. Archief van het huis van korrektie, 1842-1887
1126-1143. Registers van inschrijving, 1842-1887. 18 delen 3.5. Archief van het huis van bewaring, 1888-1923 ("nieuwe stijl")
Registers van inschrijving van voorlopig aangehoudenen 1888-1923
Registers van inschrijving van tot hechtenis veroordeelden 1888-1923
3.6. Archief van de strafgevangenis, 1888-1923
Registers van inschrijving 1888-1923
4. Derde afdeling, Sneek
4.1. Archief van het College van Regenten over de
gevangenissen te Sneek, 1813, 1859-1922 Notulenboeken 1892-1922 index op de notulen 1877-1919
Ingekomen stukken 1813, 1906-1907 Register van uitgaande stukken 1910-1922
Registers van jaarrekeningen 1859-1922
4.2. Archief van het huis van arrest, 1838-1877
Registers van inschrijving 1838-1877
4.3. Archief van het huis van bewaring, 1844-1887 ("oude
stijl") Registers van inschrijving 1844-1887
4.4. Archief van het huis van korrektie, 1844-1887
Registers van inschrijving 1844-1887
4.5. Archief van het huis van bewaring, 1888-1922 ("nieuwe
stijl") Registers van inschrijving 1888-1922
4.6. Archief van de strafgevangenis, 1888-1922
Registers van inschrijving 1888-1922 Bron en meer informatie op:
Tresoar
Bibliotheek |