|
Buitenmens Bennie
en de viswedstrijd der gevangenen
Omdat Bennie nu eenmaal de goedgelovigste man was die je maar bedenken kon, was
hij voor het begin van dit verhaal tegen wil en dank bewoner geworden van cel
tweehonderd-en-acht op de bovenste verdieping van de A-vleugel in de Bijzondere
Strafgevangenis te Leeuwarden. “Ja, maar gelooft u mij veldwachter…” en “ècht de
verkeerde!,” probeerde Bennie nog in een oprecht bedoelde poging te redden waar
er niets meer te redden viel.
Voordat hij die drie jaar moest gaan doorbrengen binnen de gevangenismuren van
die Grootbajes, was Bennie juist van assistent-brugwachter tot hoofdbrugwachter
bevorderd op de brug ter hoogte van het punt waar de Pingjumervaart overgaat in
de Arumervaart.
Een ongelukkige speling van het lot had er voor gezorgd dat de
trekschuitschippers en ook de praamvaarders hun in de loop der jaren opgebouwde
antipathie ten opzichte van de vorige hoofdbrugwachter min of meer ongewild
botvierden op Bennie in plaats van op die bullebak die de brug decennia lang met
wrede hand had bediend. Een groter contrast tussen die beul van een brugwachter
en de goedgelovige Bennie kon men zich in die tijd dan ook niet voorstellen.
Toch kreeg de jonge Bennie uiteindelijk de schuld in de schoenen geschoven van
een onwelriekende aaneenschakeling van gebeurtenissen die samen een voor
binnenvaartbegrippen smerig zaakje hadden gevormd, waarover we in dit
gevangenisverhaal verder beter niet op in zullen gaan.
Buiten de muren was Bennie dus vijf jaar daarvoor bruggen gaan bedienen. Hij was
een waarlijk buitenmens geweest voor die tijd. Hij was dan ook blij dat hij er
door de tot op het bot gecorrumpeerde brugwachter af en toe met de fiets op
uitgestuurd werd om dan aan- en doorvarende schippers een verbale– dan wel
materiële boodschap te brengen.
Voordat er ook maar één haan kraaide in de omgeving, was Bennie ’s ochtends in
de velden of op het water te vinden. Altijd was daar het onafscheidelijk
kwispelende en naar hem opkijkende stabij-teefke Brûnsje in zijn gezelschap.
De dageraad, meestal eerder aanwezig dan mens en dier, leek dagelijks te worden
wakker gemaakt door deze goedgelovige buitenman in plaats van andersom.
Buitenmens Bennie, nu achter de Leeuwarder tralies, had het geluk dat zijn
celraam uitkeek over het oostelijke invalskanaal van de Friese hoofdstad. Door
het ietwat uitsteken van zijn gedeelte van het cellenblok zag hij rechtuit, in
de richting van waar de zon opkomt, het gehele Emmakanaal af. In de kijkrichting
links en rechts de statige panden en pakhuizen van de Emmakade noordzijde en
zuidzijde.
En tja, de werktijden en handelingen van zijn stadse collega brugwachter maakte
hij zich al snel eigen. Hij kon gewoon blijven zitten waar hij zat zodanig dat
de visuele dagresultaten met zijn detentie uiteindelijk niet veel waren
veranderd. Hier liet men over de hele dag genomen 8½ boten per uur door, op zijn
eigen brug waren dat er 7¾.
Zelfs presteerde Bennie het om zich strikt aan zijn middagse pauze-appeltje te
houden, om aan zijn brugrapportage te voldoen – het noteren van doorkomsttijden
en bootnamen – en zelfs hield hij nauwkeurig in de gaten wat getalsmatig de
verkeersstroom, mechanisch en motorisch, betekende voor het zo effectief
mogelijk ophalen van de brug in het dalmoment van de niet-varende bruggebruikers.
Zelfs de actie en reactie van de kibbelende meeuwen, gezeten op de dukdalven,
waren identiek aan wat hij dagelijks gewend was geweest toen hij nog als vrij
man het eerbiedwaardige brugwachtervak ingekleurd had.
Bennie verveelde zich overdag, in tegenstelling tot vele anderen, geen moment op
cel. Op de ring circuleerden er al een paar bijnamen die nu eens zinspeelden op
zijn – laten we zeggen- simpele karakter, dan weer recht deden aan zijn op de
buitenwereld gerichte detentiestijl.
Ook zag men zijn extreme goedgelovigheid wel af aan hun schaarse contacten met
hem. Zo werd er al na een paar maanden door andere boeven gesproken over ‘de
brugwachter van twee nul acht’. Eerst was het: “die slome botenteller,” toen:
“die denkt dattie overgeplaatst is naar de Tweede Kanaalsbrug”, en uiteindelijk
ging het van: “gaan wij hem even het gevoel geven dattie hier ècht wel vast zit
zoals de officier en de rechter dat heeft behaagd.”
Twee altijd smeuïge medegedetineerden, beide uit Mokum, met name uit de Jordaan,
besloten om Bennie eens fijntjes te laten weten dat hij wat meer bij de
justitiabele gemeenschap zijn best moest gaan doen om met hen mee te draaien.
Zo kwam het dat Bennie op pinksterochtend in het jaar dat Duitsland de
Frans-Duitse oorlog won - mede door de inzet van een noviteit (de machinale
mitrailleur) daarmee de potsierlijk in Napoleontische rode uniformen gestoken
Franse infanteristen en cavaleristen als schietschijf gebruikend, maar goed –
dat onze Bennie dus, nog voor het krieken van de dag op cel zat, helemaal gereed
om mee te doen aan een heuse viswedstrijd voor gevangenen. En dat terwijl Bennie
-niet zo’n beetje ook- van vissen hield.
Een hengeltje uitgooien was immers zijn tweede natuur. Een jongeman van de
velden was hij, van het platte Friese land. Hij kende alle geheimen van de
hengel. Zijn voorvaderen hadden, nadat de half Friesland bedekkende Middelsee
was bedwongen en buitendijks gemaakt, op brasems, op bleitjes, op voorntjes en
op baarzen, op palingen en snoeken gejaagd met de hengel boven het water. Vissen,
dat wás wat in die tijd!
De adrenaline van het ‘slaan’, het geduld opbrengen en het zenuwen bedwingen als
een slimme vis er mee ging ‘lopen’ en de roes die je had als je naar moeder de
vrouw of gewoon naar moeder de moeder een maaltje mee naar huis bracht. Nee,
deze extreme sport heeft alles te maken met de jagers die wij ooit waren.
De twee Mokumers hadden hun lokaas wat dat betreft ten opzichte van brêgewipper
Bennie – randstedelingen pikken niet zelden een mondje Frysk op als ze hier
zitten – zeer goed gekozen en zo werd hij de uitblinkende hoofdrolspeler van hun
mooie bak in deze bak.
- “Rijksvischconcours voor penitentiairen” had hoofdbewaarder Ytze het spel
meegespeeld toen Bennie zich hoogstpersoonlijk bij hem aan kwam melden. - “Ieder
jaar op pinksterochtend in de ’s lands bijzondere en reguliere
strafgevangenissen.”, zei hij met een bepaald gezag tot Bennie. - “Behalve als
het op een zaterdag valt; maar ja, die schrikkeljaren hè…”, probeerde hij nog
Bennie een kans gevend om zich te herstellen.
Maar Bennie ging er met open ogen in. Wel sputterde hij nog iets over het hoe
van deze wedstrijd, waarop hoofdbewaarder Ytze hem geruststelde met “je kent de
luchtkooi voor probleemklanten, toch? Nou, daar weer achter zit een poortje in
de buitenmuur dat ze het kolenpoortje noemen.
De beurtschipper die onze kolen aanlevert, stort door een half open betralied
luik zijn voorraad eens per maand. Nou, daar houden we het vischconcours elk
jaar. Het is niet breed, maar over de hele dag genomen krijgt iedere
gedetineerde een kwartiertje lang de kans om de grootste vis van de dag te
vangen.
Wie landelijk gezien de grootste vangt, krijgt een oorkonde en mag bovendien –
dit is de èchte hoofdprijs – wekelijks een dagdeel zijn hengel uitgooien om
cipiers en directeur te voorzien van een vismaaltje. En tja…, als de echtgenote
van de directeur iets behaagt, is het een vismaaltje met bijpassend fris wit
wijntje.
En als JIJ nu eens het concours wint en de directeur komt thuis met JOUW
gevangenisvis, dan is zij blij, hij blij en dan zullen we allemaal blij zijn.
Dus jongen, je weet wat je aanstaande pinksterdag te doen staat.”
Zwaar onder de indruk van de kans die hem zomaar gegeven zou gaan worden, zat
Bennie die ochtend met de jas al aan paraat op cel tweehonderd-en-acht. Een stuk
oud brood voor aan de haak en een zelfgemaakte dobber van hout en restafval in
de aanslag. 06:15 uur had er op de nepaankondiging gestaan.
Hij was als tweede visser aan de beurt. In heel het land zouden nu de eerste
gedetineerden met hun hengels door de tralies gestoken zitten te wachten op een
vissig iemand die niemand van hen eerder had ontmoet. De grote onbekende
supervis die ieder van hen zou verheffen tot vriend van de vrouw van de
directeur en van die van de hoofdbewaarder.
De Jordanezen hadden het weer voor elkaar. De brugwachter had zijn bijnaam voor
de komende jaren te pakken. Goedgelovige Bennie leerde die pinksterdag dat je in
de bajes vooral veel moet lachen en helemaal niemand moet geloven.
Voor bewaarder Westra, Blokhuispoort 1976-2006 © P. Gallego
|