|
DE FRIEZEN IN HUN AARD, KARAKTER, OPVOEDING, KLEEDING, TAAL,
LEVENSWIJZE, ZEDEN, ENZ. IN DEN AANVANG DER NEGENTIENDE EEUW.
BEANTWOORDING VAN EENIGE VRAGEN, TEN BEHOEVEN VAN HET MINISTERIE VAN
BINNELANDSCHE ZAKEN DES FRANSCHEN KEIZERRIJKS, DOOR J. G. BARON
VERSTOLK, PREFEKT VAN HET DEPARTEMENT FRIESLAND 1813.
Transcriptie en layout gemaakt door W. D. Palstra
2002
Inhoudsopgave
I. Welke is de Ligchamelijke gesteldheid der
inwoners?
a. Ligchamelijke gesteldheid
b. Gezondheid, hooge leeftijd
c. De natuurlijke toestand van den grond werkt daartoe mede
d. Geringe sterfte, bewezen door de staten van 1811
e. De friezen zijn minder geneigd tot het huwelijk
f. Onechte geboorten
g. Algemeene opmerkingen.
II. Op welke wijze voedt men in Friesland de
kinderen op?
a. Wijze van opvoeding der kinderen ten platten lande
III. Waarmede voeden zich de bewoners der steden
en van het land?
a. Voedsel der inwoners
IV. Welke zijn de kleeding en het hoofdtooisel van
mannen en vrouwen, zoo in de steden als op het land?
a. Algemeene opmerkingen.
b. Kapsel van de stadsdames
c. Kapsel der landbewoonsters
d. Kapsel en kleeding der vrouwen van Hindeloopen
e. Kleeding der mannen
V. Welke zijn de zeden, gewoonten, gebruiken en
uitspanningen van de inwoners, zoo in de steden als ten platten lande.
a. Karaker en zeden van de Friezen
b. Hunne eerlijkheid
c. Wijze, waarop de boer en daglooner hun dag verdeelen
d. De Zondag op het land
e. Harddraverijen
f. Markten
g. Dienstbaren, die van dienst veranderen
h. Huwelijken, bruiloften
i. Kraambezoek
k. Begrafenissen
l. Uitspanningen
m. Hardzeilpartijen
n. Markten of kermissen
o. Amusementen der hoogere standen
p. De taal der landbewoners
r. De stad Hindeloopen
s. Molkwerum
VI. Welke zijn de meest gewone ziekten bij de
Friezen, hare oorzaken en de daar tegen aangewende middelen?
a. Ziekten ontstaan gewoonlijk uit eene belette uitwaseming
b. Geneesmiddelen
c. Galachtige ongesteldheden in den herfst
d. Hare oorzaken.
e. Gebrek aan drinkbaar water
f. Middelen om daaraan tegemoet te komen
Het bestuur van het Friesch Genootschap heeft gemeend, dat dit
belangrijk rapport reeds nu als een historisch kan worden beschouwd. Het
oorspronkelijk bevindt zich nog in het archief van den heer Commissaris
des Konings in Friesland. De heer van Burmania Baron Rengers, twee malen
waarnemend Gouverneur, vervaardigde daarvan een afschrift, hetwelk hij
ons vereerde en waarvan een der leden des Bestuurs eene getrouwe
vertaling vervaardigde.
nadat de beoordelingen van Friesland en de Friezen uit de pen van
doortrekkende vreemdelingen – als von Uffenbach, Niebuhr en Bowring –
vroeger gedrukt zijn, mag men zeker meer waarde hechten aan het oordeel
van een man, die, na veel gereisd en gezien te hebben, reeds twee jaren
aan het hoofd had gestaan van het burgerlijk bestuur van het volk, welks
zeden hij in dit stuk beschrijft, en die in de gelegenheid was, om over
vele bijzondere onderwerpen van deskundigen de naauwkeurigste opgaven in
te winnen.
Omtrent hetgeen de Baron Verstolk in dien bangen tijd voor dit gewest is
geweest en welk een gezegende gedachtenis hij hier heeft achtergelaten,
zie men het geschrift: Friesland in 1813, in het 10e deel van het
tijdschrift des Genootschaps, de Vrije Fries, 1863, blz. 219, 245, 270,
318
De Prefect van het Departement Friesland aan Z. E. den Minister van
Binnenlandsche Zaken des Keizerrijks. 1 Augustus 1813
Uwe Excellentie heeft aan in den brief, dien zij mij de eer deed aan mij
te adresseeren den 11 Junij l.l., zes vragen gesteld, betrekkelijk de
inwoners van dit departement. Na de inlichtingen te hebben ingewonnen,
die ik noodig had omtrent de bedoelde onderwerpen, wil ik haar
beantwoorden, en daarbij dezelfde orde volgen, waarin zij zijn
voorgedragen.
I. Welke is de Ligchamelijke
gesteldheid der inwoners?
a. Ligchamelijke gesteldheid. De inwoners
van Friesland zijn in den regel welgemaakt, groot, krachtig en sterk
gespierd, en, zoo als reeds de oude schrijvers ons hunne voorzaten
afbeeldden, beantwoorden zij aan de woorden van Horatius: Fortes,
creantur fortibus.
b. Gezondheid, hooge leeftijd. Voor het
meerendeel zijn de Friezen en Friezinnen blond. Hun uiterlijk en hunne
gelaatskleur hebben alle kenmerken van eene bloeijende gezondheid. Ook
hebben zij een natuurlijken en gelukkigen aanleg voor een hoogen
ouderdom en om daarvan genot te hebben. Hunne spieren, niet al te vast
en niet te los, bezitten den juisten graad van opgewektheid en
gevoeligheid, om de noodige werkzaamheid te verzekeren aan de voeding
van het bloed en de verdere vochten.
Verschillende aanleidende oorzaken, die ziekten voorafgaan en eene
menigte van kwalen ten gevolge hebben, worden bij hen niet aangetroffen.
De Friezen zijn dien ten gevolge daaraan minder onderhevig en worden er
minder sterk door aangetast dan andere volken. Evenzoo zijn in de
omliggende departementen de ontstekingaardige (inflammatoire) ziekten
menigvuldiger en heviger dan in Friesland; terwijl men alhier – ten
minste ten platte lande, volgens de uitspraak der mannen van de
faculteit – minder nerveuse en chronische ongesteldheden aantreft dan
elders. Deze gelukkige organisatie van zenuwen en spieren, die in den
regel de Friezen minder onderhevig doet zijn aan ziekten, kan, om meer
dan eene reden, aangemerkt worden als een voorregt, dat zij genieten van
hunne geboorte af aan, en dat zij overgeërfd hebben van hunne ouders en
voorouders.
c. De natuurlijke toestand van den grond
werkt daartoe mede. Echter moet men tegelijkertijd toestemmen, dat de
grond, dien zij bewonen, de gesteldheid, de ligging en het klimaat,
alsmede hunne leefwijze, veel tot instandhouding daarvan bijdragen.
Reeds in 1788 toonde de Hoogleeraar A. Ypeij de gunstige toestand
daaromtrent aan in eene akademische voordragt, te Franeker gehouden, de
Frisiae salubritate nativa optimaque eandem conservandi augendique
ratione.
d. Geringe sterfte, bewezen door de staten
van 1811. Uit de organisatie van het Friesche volk en uit de natuurlijke
gesteldheid van Friesland, alles evenzeer bevorderlijk voor de
gezondheid, volgt, dat de sterfte er minder groot is dan elders; eene
omstandigheid, die men reeds sedert lang onderstelde, doch die, bij
gebrek aan sterftetafels en naauwkeurig onderzoek, niet kon worden
bewezen dan door de staten der bevolking en hare beweging, opgemaakt in
1811. Deze kunnen beschouwd worden als de middenterm van de
becijferingen omtrent de gezondheid en de sterfte der Friezen.
Volgens deze tafels of staten zijn gestorven op eene bevolking van
36,529 zielen in het arrondissement Heerenveen 708 personen of 1/51; in
het arrondissement Sneek, op eene bevolking van 45,445, 1,020 personen
of 1/44, en in het arrondissement Leeuwarden, op 94,729 zielen, 2,626
personen of 1/36, hetgeen geeft voor het geheele departement 4,350
sterfgevallen, of 1/40 op eene bevolking van 176, 703 zielen; terwijl
Suszmilch in zijn werk, de Goddelijke orde in de verandering van het
menschelijk geslacht, Amst. 1770, het gemiddeld sterftecijfer van een
volk stelt op 1/36, met terzijdestelling van het verschil tusschen de
steden en het platteland (11).
De Hoogleeraar Ypeij merkt op, dat men bij de Friezen een talrijker en
hooger graad van ouderdom aantreft dan bij andere volken. Deze opmerking
wordt bevestigd door de staten van het vorige jaar, die een groot getal
personen aanwijzen, die op hoogen leeftijd zijn overleden, als: 190 van
75 – 80 jaren. 150 ,, 80 – 85 ,, 73 ,, 85 – 90 ,, 16 ,, 90 -- 95 ,, 4 ,,
95 – 100 ,,
e. De friezen zijn minder geneigd tot het
huwelijk. De bovenbedoelde staten geven nog eene andere op merkelijke
uitkomst, namelijk, dat de Friezen minder opgewektheid en neiging dan
andere volken voor het huwelijk bezitten. Te dezen opzigte merk ik in de
eerste plaats op, dat in 1811 op eene bevolking van 176,703 zielen er
niet meer dan 1,399 huwelijken zijn gesloten, hetgeen maakt één huwelijk
op 126 personen. Volgens Suszmilch is er geen volk, waar dit getal zoo
gering is. De Heer Struijck verzekert zelfs, dat in sommige dorpen van
Holland er gewoonlijk huwt één paar op 64 personen, bijgevolg het dubbel
van het cijfer, dat Friesland aanwijst. Bovendien heeft de telling van
1811 slechts aangewezen 29,956 gehuwde vrouwen, terwijl, volgens de
verhouding door de heer Struijck aangegeven naar sommige Hollandsche
dorpen, dit had moeten bedragen 24,322 (2).
Daarentegen is de duur der huwelijken in Friesland langer. Men kan deze
door elkander stellen op 21 jaren, in plaats van de 12 2/3, zoo als de
heer Struijck aangeeft, zoodat het overlijden van den man of de vrouw
niet zou hebben ontbonden 2,416 huwelijken, zoo als die schrijver
aangeeft, maar slechts 1,338 huwelijken per jaar. Ook zijn er in het
laatste jaar niet meer gestorven dan 1,361 gehuwde mannen en vrouwen;
een nieuw en sterk bewijs voor de gezondheid en den langen levensduur
der Friezen
f. Onechte geboorten. De bovengemaakte
opmerking schijnt in de tweede plaats bevestigd te worden door het getal
der onechte kinderen, geboren in 1811, hetgeen tot dat der echte
kinderen staat als 148 tot 5271, dat is 1 op 36. Voor andere landen
stelt Suszmilch deze verhouding als op 1 op de 18 – 22.
In sommige hoofdsteden, als Berlijn en Cassel, is deze verhouding nog
ongunstiger. Echter kan men niet aannemen, dat het Friesche volk minder
vruchtbaar is dan andere volken. want, voor maatstaf aannemende het
getal huwelijken en geboorten van het laatste jaar, zijn er geboren uit
1399 jaarlijks voltrokken huwelijken 5271 kinderen of 38 op 10
huwelijken, hetgeen nagenoeg overeenstemt met het cijfer door Suszmilch
voor verschillende landen aangewezen.
Het is waar, dat uit 29,956 huwelijken, die ik onderstel, dat in
Friesland in 1811 bestonden, slechts 5,271 kinderen zijn geboren,
hetgeen slechts 4 geeft op 22 huwelijken, terwijl Struijck 5 kinderen
stelt op dat getal huwelijken in sommige Hollandsche dorpen; maar ik heb
daaromtrent reeds aangemerkt en als aannemelijk gesteld, dat de Friezen
een hoogeren leeftijd bereiken dan andere volken, waaruit volgt, dat
onder de
1 Sedert het hier voor 1811 opgegeven cijfer van 176,703 zielen in
Friesland (dat in 1795 op 150,000 geschat werd) is de bevolking dezer
provincie dermate toegenomen, dat zij bij de telling van 1818 bedroeg:
183,000, in 1840 227,000, in 1860 274,000 en op 1 Jan. 1875 ruim 307,000
zielen. Met het hierachter aangehaalde werk van Struijck is
waarschijnlijk bedoeld diens Inleiding tot de algemene Geographie, Amst.
1753. Redactie.
2 Zou het geringer getal huwelijken in 1811 geen tijdelijk verschijnsel
en een gevolg zijn geweest van de ongunstige omstandigheden des tijds,
terwijl ook zeer vele huwbare mannen waren opgeroepen om in de legers
van Napoleon te dienen en anderen in vrees verkeerden voor hetzelfde
lot, en weinig aanmoediging vonden om zich bij den algemeenen druk in ’t
huwelijk te begeven? Redactie.
7bestaande huwelijken er een grooter getal moet voorkomen, waarbij de
leeftijd de echtgenooten ongeschikt maakt voor de voortplanting.
Deze beschouwing bevestigt dus mijne opmerking. Men zal in de tweede
plaats opmerken, dat het verschil tusschen de bevolking in Friesland en
de geboorten grooter is dan in andere landen, daar die toch staat in
1811 als 176,703 tot 5,419 of als 31 1/2 tot 1; eene verhouding, die
volgens Suszmilch zou zijn in 35 Hollandsche dorpen van 24 tot 1 en in
15 Fransche dorpen van 22 1/6 tot 1, zoodat men op hetzelfde getal
personen in Friesland een veel kleiner getal kinderen moet stellen. Maar
dit bewijst slechts, dat men meermalen, bij gebreke van voldoende
gegevens, ten onregte de bevolking heeft berekend naar de geboorten,
maar niet, dat de Friezen minder vruchtbaar zouden zijn dan andere
volken.
g. Algemeene opmerkingen. Ik leid hieruit
af, dat Friesland te dezen opzigte eene nieuwe bijdrage levert tot de
bewonderingswaardige orde, die op te merken is in het algemeene
zamenstel van het heelal. Inderdaad, indien men aanneemt, dat de Friezen
door hunne physische organisatie en door de gesteldheid van het land,
dat zij bewonen, minder dan andere volken onderhevig zijn aan ziekten,
even vruchtbaar waren, terwijl zij bovendien een hoogeren leeftijd
bereiken, die orde weldra verstoord zou worden en aanleiding zou geven
tot een wanverhouding, indien de hartstogt der liefde hen met dezelfde
levendigheid bezielde.
Ik vlei mij, dat deze opmerkingen voldoende zullen zijn om te doen
kennen de natuurlijke gesteldheid der inwoners van Friesland. later zal
men deze beter kunnen leeren kennen, wanneer de vergelijking van de
beweging der bevolking van volgende jaren met die van 1811 veroorlooven
zal, om zekerder maatstaf aan te nemen dan die men nu vinden kan in de
opgaven en uitkomsten van een eerste jaar.
II. Op welke wijze voedt men in Friesland de
kinderen op?
a. Wijze van opvoeding der kinderen ten
platten lande. Voedsel. De wijze van voeding der kinderen is in den
regel zeer eenvoudig en gelijkvormig onder de bewoners van het platte
land. Gedurende het eerste jaar, en zelfs nog langer, is de moedermelk
het voornaamste, zoo niet het eenige voedsel der kinderen. Dikwijls
treft men moeders aan, die hare kinderen aan de borst houden tot aan het
tweede en zelfs tot aan het derde jaar, wanneer zij reeds tevens van het
voedsel hunner ouders mede gebruiken en alleen loopen.
In den regel echter worden zij gespeend op één of anderhalfjarigen
leeftijd. De moeders, die door zwakte of andere omstandigheden buiten
staat zijn hare kinderen te zogen, voeden hen met een pap van melk en
beschuit, of met meel van boekweit, waarvan men met melk een dunne pap
maakt, of die men laat kooken met gort en karnemelk.
Kleeding
De kleeding der kinderen is doorgaans warm en van eene vrij dikke stof,
ten minste wanneer de omstandigheden der ouders niet al te bekrompen
zijn. Tot 5, 6 of 7 jaren, naarmate ze meer of minder ontwikkeld zijn,
blijven de kinderen thuis onder het opzigt der moeder, die, indien zij
op het veld werkt, hen dikwijls met zich neemt, ten einde hen niet uit
het oog te verliezen, wanneer zij zich bezig houdt met wieden of anderen
veldarbeid.
Onderwijs van de jongens
Het kind, den bovenbedoelden leeftijd bereikt hebbende, wordt gewoonlijk
ter schole gezonden, waar men het leert lezen en schrijven, somtijds ook
rekenen en psalmzingen, alsmede om vragen en antwoorden van buiten te
leeren, bevattende de beginselen der christelijke godsdienst; echter op
eene wijze, die weinig geëigend is aan de min ontwikkelde vermogens. De
tijd voor het onderwijs bestemd, hangt veel af van de omstandigheden der
ouders en verschilt van één tot vier jaren.
De zoon van den daglooner, zoodra hij een paard kan besturen, wordt
gedurende het zomerseisoen bij een landbouwer dienstbaar; andere
jongens, waarvan de vader zelf tot den landbouwenden stand behoort,
zonder evenwel in ruime omstandigheden te verkeeren, moeten op den
zelfden leeftijd beginnen te arbeiden en het werk te doen, waartoe zij
in staat zijn, bijv. zij leiden de paarden voor de kar, de eg of den
ploeg. De veldarbeid geëindigd zijnde, gaan de jongens gedurende den
winter weder naar de school.
Een jongen, die drie of vier zomerhalfjaren, naar gelang der
ontwikkeling zijner krachten, bij den boer verkeerd heeft, treedt bij
een landbouwer voor het gansche jaar in dienst. Van dat oogenblik af
wordt hij beschouwd als in zijne eigene behoeften te kunnen voorzien, en
zelden zijn de ouders in de noodzakelijkheid hem nog bijstand te bieden.
Ongevoelig geraakt hij te huis in de kennis van den landbouw, door de
wetenschap van zijn meester, die deze hem mededeelt; zijn loon klimt
allengs op en bereikt somtijds op twintigjarigen leeftijd de som van fr.
210. De zoons van landbouwers, die in het ouderlijk huis blijven, en die
den arbeid verrigten, welke anders aan de dienstbaren wordt opgedragen,
worden op dezelfde wijze opgevoed.
Zoodra hunne krachten het toelaten, wordt hun aangeleerd wat zij nodig
hebben van den landbouw te weten, terwijl hunne ouders, indien zij in de
ruimte leven, voor hen op zekeren leeftijd eene boerderij koopen (of
huren), waarvan de opbrengst in staat is om in hunne behoeften te
voorzien. Van de dochters. De opvoeding van de meisjes verschilt weinig
van die van de jongens.
Zij gaan slechts ter school, wanneer hare ouders behoeftig zijn, tot aan
het oogenblik, dat zij in staat zijn iets te verdienen; en de
gelegenheid daartoe biedt zich spoedig aan in die streken, waar de
landbouw vele handen noodig heeft en die dan ook het meest bevolkt zijn.
daartoe behooren het aardappelen bijeen te brengen, die uitgedold zijn,
en andere soortgelijke bezigheden te verrigten, die men haar kan
toevertrouwen.
De meisjes gaan minder lang ter school dan de jongens, omdat zij in de
korten tijd genoeg gevorderd zijn om hare moeders in de huishouding bij
te staan. Bovendien duurt het niet lang of zij kunnen spinnen, hetgeen
eene kleine aanwinst geeft voor de middelen van bestaan van het gezin.
Men onderrigt haar weinig in vrouwelijke handwerken, b.v. in het naaijen
of breiden, en er is slechts een klein getal, dat zich toelegt op het
maken van mans- en vrouwenkleederen en daarmede den kost verdiend.
Op den leeftijd van 12, 13 of 14 jaren worden zij in dienst gezonden bij
een landbouwer, en verdienen zij weldra genoeg om te voorzien in haar
onderhoud en in de eischen van haren landelijken opschik.
De dochters van landbouwers, die weinig bemiddeld zijn, vervullen bij
hare ouders de taak van dienstmaagden. Zij leeren de koeijen melken en
boter maken. Men acht hare opvoeding voltooid, wanneer zij aan het hoofd
eener boerenhuishouding kunnen staan. In sommige streken wordt de
zondagavond gewijd aan lessen, die in de school worden gegeven, door
middel van welke deze jeugdige personen de gelegenheid vinden, om de
weinige kennis, die zij in hare kindschheid en eerste jeugd opdeden,
eenigzins meer uit te breiden.
De ouders, die verlangen, dat hunne kinderen belijdenis des geloofs van
de hervormde godsdienst afleggen, zende hen op den leeftijd van 14 à 15
jaren bij den predikant der gemeente, waar zij een zeker getal vragen en
antwoorden over de geloofsleer van buiten leeren; maar in het algemeen
kan men zeggen, dat voor de zedelijke opleiding der kinderen ten platte
lande weinig zorg wordt gedragen.
In de steden
Ik heb geene bijzondere opmerkingen te maken betrekkelijk de wijze van
opvoeding der kinderen in de steden van Friesland. Het is op de lagere
scholen, dat zij in het algemeen hunne eerste opvoeding ontvangen, en
ongevoelig leidt men hen op voor het vak, dat men voor hen heeft
gekozen.
Opleiding bij de hoogere standen. De hoogere standen zenden gewoonlijk
de jongens op de latijnsche scholen. De Latijnsche taal, en somtijds ook
de beginselen van het Grieksch, nemen daar de eerste jaren in, terwijl
de Fransche taal, de geschiedenis en de aardrijkskunde dikwijls het
onderwerp zijn van meer particulier onderwijs, hetwelk meesters, bij het
uur genomen, hun in het ouderlijk huis verstekken. Het gebeurt ook,
ofschoon meer zeldzaam, dat familiën, vooral wanneer het aantal kinderen
aanzienlijk is, hen voor een zekeren tijd toevertrouwen aan een
afzonderlijken leeraar.
De jongeling, den ouderdom van 16 à 17 jaren bereikt hebbende, gaat
vervolgens de akademische lessen bijwonen te Groningen, eenigen ook te
Leiden of te Utrecht, tot dusver ook dikwijls te Franeker. Maar de
kundigheden, die zij aan de hoogeschool opdoen, beantwoorden niet altijd
aan de goede gelegenheid, die deze bronnen van wetenschap hun aanbieden;
ten minste wanneer hun stand en fortuin hen boven de noodzakelijke
plaatsen van zich toe te leggen en hen niet verpligten tot de
uitoefening van het vak der medicijnen, van de theologie of van het regt.
In het algemeen zou het gewaagd zijn te zeggen , dat er in dit opzigt
veel wedijver bestaat bij de aanzienlijke jeugd van Friesland. het is
nog zeer zeldzaam, dat zij zich tracht te vormen door reizen. De
ingezetenen van dit gewest stellen zich weinig in aanraking met hunne
naburen; hun karakter, hun smaak, hunne zeden, hunne gebruiken en
gewoonten hielden en houden hen nog terug van naar elders te gaan. Hunne
wijze van zien en van de zaken beoordeelen brengt hen steeds naar hunne
haardsteden terug, en een der sterkste karaktertrekken van den Fries is
zonder twijfel zijne gewoonte, om zich af te zonderen, te isoleeren;
eene gewoonte, waartoe de gesteldheid van het departement in zeker
opzigt aanleiding schijnt te geven.
Opleiding van de meisjes. De jonge dames erlangen gewoonlijk hare eerste
opleiding in het ouderlijk huis, hetzij dat men ze toevertrouwt aan de
zorgen eener gouvernante of dat men haar verschillende meesters geeft.
Op den leeftijd van 15 of 16 jaren worden zij voor het meerendeel naar
de kostschool gezonden, waaronder die te Groningen voor het oogenblik de
meest gezochte schijnt te zijn. Somtijds ook kiest men er een in een
ander der naburige departementen. men kan hier bijvoegen, dat de muziek,
het dansen en het teekene bijna altijd onder de opvoeding begrepen zijn.
III. Waarmede voeden zich de bewoners der steden
en van het land?
a. Voedsel der inwoners. De bewoners van het land voeden zich over het
algemeen met zwaar en degelijk voedsel, als: graauwe, groene en witte
erwten en paardenboonen, waarvan evenwel het gebruik zeer is afgenomen;
aardappelen, boekweitgort en anders gort- en boekweitenmeel, maar zelden
tarwemeel.
Van het eerste bakt men koeken, alsmede eene spijs, welke bekend is
onder den naam van Potstroo, dat is te zeggen: een pap van meel en melk,
die men zoo lang roert, dat ze een meer vaste massa wordt. Deze alzoo
geprepareerde pap wordt gegeten met eene saus van melk en boter, of met
eene andere soort van vet, gemengd met stroop, indien de omstandigheden
dit toelaten. In den zomer gebruikt men veel groote of roomsche bonen.
Wortelen, knollen en kool worden ook gegeten, doch in mindere
hoeveelheid.
Het gewone brood is het roggebrood; ook maakt men gebruik van
tarwebrood, gebakken met zemelen en bekend onder den naam van
grofweienbolle. Dijkwijl wordt het brood in sneden verdeeld, dan in
kokende melk geweekt en daarna gegeten met de bovenbedoelde saus er
over. Dit vindt men des zondags bij vele landbouwers.
De landbewoners, van wat minder ruimere omstandigheden, eten ook
tarwebrood, waarin soms krenten worden gebakken; men vindt dit echter op
hunne tafels als eene meer uitgezochte, maar geene dagelijksche spijs.
Het gewone verbruik is verder rundvleesch en spek, schaapvleesch veel
minder. In het voorjaar gebruikt men de kalveren, die men niet wil
opfokken, soms gedurende eenige dagen gevoed met karnemelk, soms
dadelijk na de geboorte. Men maakt weinig gebruik van versch rund- en
varkensvleesch.
In den herfst slagt de landbouwer eene zoodanige hoeveelheid vee, als
gedurende een gansch jaar voor zijne huishouding noodig is. een gedeelte
van het vleesch en spek wordt gezouten en in den pekel gezet, het andere
wordt sterk gezouten gedurende eenige dagen en vervolgens in den
schoorsteen gehangen om gerookt te worden.
Het eerste wordt ’s winters, het andere in den zomer gegeten. Behalve de
andere spijzen eet men gewoonlijk twee malen per dag eene pap of brij
grutten en karnemelk. Op hunne feesten geven de boeren, die in goeden
doen zijn, wijn, pruimen, zoete appelen, gebraden kalfvleesch en
schapenvleesch, en meestal een dikken koek van tarwemeel met krenten,
bekend onder den naam van boffert.
De daglooner, die met een talrijk gezin van zijn dagelijksche verdienste
moet leven, heeft geen ander voedsel dan roggenbrood en aardappelen. het
brood wordt gegeten met een weinig boter of met een stuk kaas; de
aardappelen met zout en mosterd, zelden met vet.
De gewone drank bestaat uit koffie en thee, vrij slap gebruikt. De thee,
die men bij meer gegoede landbouwers vindt, is van bijzondere goede
kwaliteit, zoo als men die aantreft bij de burgerklasse in de steden.
De koffij is meestal aangemengd met cichorei; terwijl de tegenwoordige
hooge prijs der koffie zelfs aanleiding heeft gegeven om daarvoor eene
zekere kunstmatige koffij in de plaats te stellen, zamengesteld uit
gebrande rogge en weit, vermeng met cichorei. Van deze twee dranken
gebruikt men daags twee, drie of meermalen aanzienlijke hoeveelheden.
Bier wordt niet dan in bijzondere omstandigheden gedronken: in de
bouwstreken als men het koolzaad dorscht en in de streken, die rijk zijn
aan weilanden, in den hooitijd. Buiten thee en koffij is de gewone drank
karnemelk. Bij zwaar werk deelt de landbouwer somtijds jenever uit aan
zijne arbeiders; wijn wordt zelden gebruikt, zelfs bij de meer gegoede
klasse.
De tafel van de eerste standen der maatschappij verschilt weinig van die
in de andere Hollandsche departementen. De spijzen, die men er aantreft
en de wijze waarop zij worden toebereid, houden het midden 10 tusschen
de Fransche en de Engelsche keuken. Met uitzondering van de meer
feestelijke maaltijden, is het getal schotels veelal weinig talrijk.
IV. Welke zijn de kleeding en
het hoofdtooisel van mannen en vrouwen, zoo in de steden als op het
land?
a. Algemeene opmerkingen. De kleeding der
Friezinnen, wanneer men die beschrijft en ontleedt, schijnt èn gelaat èn
vorm weinig voordeelig te doen uitkomen. Men draagt hier ook keurslijven
en die kleedjes, welke de uiterlijke vormen afteekenen en de omtrekken
doen uitkomen, en waarvan de smaakvolle plooijen aan de houding eene
nieuwe bekoorlijkheid bijzetten, of het gebrekkige daarvan aan het oog
onttrekken; terwijl het kapsel, het haar veroordeelende om onzigtbaar te
blijven, haar verpligt, om zich een sieraad te ontzeggen, waarvan men
elders met zoo veel bekoorlijkheid weet partij te trekken.
Evenwel, wanneer eene Friezin, eenigzins gunstig door de natuur bedeeld,
haar kostuum draagt, gebeurt het ligt, dat men vergeet het in
bijzonderheden na te gaan; het geheel bevalt, zonder dat men eigenlijk
weet te zeggen wáárom; en men heeft opgemerkt, dat de Friesche
kleederdragt bijna altijd de personen, die men gewoon was anders gekleed
te zien, gunstig doet uitkomen, terwijl integendeel de personen, die het
Friesche kostuum dragen, bij den ruil verliezen.
Dit kapsel schijnt vooral voordeelig aan de blonde, frissche sekse van
Friesland kenmerken, ja men kan aannemen, dat het, op een portret, verre
van misstaat. Het wèl uitgevoerde werk over de verschillende
kleederdragten in de Hollandsche departementen, dat te Amsterdam is
uitgekomen bij den heer Maaskamp, geeft van de Friesche kleeding,
alsmede van die van der inwoners van Hindeloopen, een duidelijker
denkbeeld dan het mogelijk is te geven, zonder zijne toevlucht te nemen
tot afbeeldingen. Ik zal echter trachten er eene schets van te leveren.
b. Kapsel van de stadsdames. Eene Friesche
stadsdame draagt achter om haar hoofd, op eene muts van zwarte zijde,
een bedeksel van goud (oorijzer), waarvan het gewigt zich regelt naar de
gegoedheid. Aan de breede bladen van dit sieraad zijn aan weerseinden
knopen gehecht. Daarover zet men een muts van kant, sluitende om het
voorhoofd, maar van achteren in breede plooijen over den hals en de
schouders nederhangende. Zij is omgeven met breede kanten, wier
kostbaarheid eveneens afhangt van het vermogen.
Aan weerskanten van het hoofd schitteren twee spelden (juweelen veeren)
van ongeveer een halven vinger lengte, waar beneden twee kleinere
gevonden worden bij de knoppen van het oorijzer, welke spelden slechts
één steen hebben. Aanzienlijker vrouwen voegen daaraan toe een speld of
plaat (boot of naald) van edelgesteenten, gehecht aan den linkerkant der
muts en afdalende tot aan de helft van het voorhoofd.
Bij minder rijke personen zijn de spelden en andere ornamenten alleen
van goud. Om den hals draagt men strengen bloedkoralen, een gouden
ketting of andere sieraden, en aan de vingers ringen van goud of met
diamanten. Het manteltje van de Friezinnen hangt neder tot op de helft
van den arm. Onder deze pelerine, die soms van zeer fijn bont is, of wel
van de zelfde stof als de japon, draagt men eene gewone jurk van
gekleurde of witte zijde, een doekte van mousseline en kanten. men voet
hieraan toe een voorschoot van zwarte zijde of gaas, of van mousseline,
steeds omzoomd met kanten, en eindelijk een enorme hoed van stroo,
genaamd zonhoed, neêrgebogen ter zijde en van achteren, maar van voren
in den vorm van een halven cirkel, waarvan de middellijn kan gerekend
worden op driekwart el of een el.
Een breed zijden lint van ongeveer twee ellen is daaraan vastgehecht. De
vrouwen weten die hoeden met veel behendigheid te dragen en de beweging
er van te besturen, en bezitten eene verwonderlijke handigheid om
daarvan partij te trekken, hetzij tegen den wind, het stof of de zon,
hetzij om dit omvangrijk artikel te doen dienen om hare aanbidders aan
te moedigen of ze voor het lapje te houden.
De kleederdragt van een vrouw, op deze wijze gekleed, kan gesteld worden
op eene waarde van 1700 à 2500 franken.
c. Kapsel der landbewoonsters. De
boerinnen en vrouwen van het land dragen insgelijks het oorijzer, de
spelden en de muts, maar kleiner en van een eenigzins verschillenden
vorm. Den hals versieren zij met groote roode koralen, waartusschen een
kroontje van goud hangt, en de vingers met zwarte gouden ringen. het
manteltje of de pelerine is minder smaakvol en nieuwmodisch en van
minder kostbaar bont; de rok is van effen of blaauw gestreepte wollen
stof; tot de voorschoot kiest men ook gewoonlijk de blaauwe of grijze
kleur.
De lagere klassen houden zich minder aan deze kleederdragt. Men ziet
veel vrouwen, die een klein stroohoedje dragen, dat doet denken aan een
omgekeerde mand. Bij de meeste familiën van den eersten stand vindt men
het Friesche kostuum niet meer, tenzij als eene aardigheid en om zich
bij gelegenheid te verkleeden. De dames hebben de modes aangenomen, die
overal in Europa aan de orde zijn. Nog merk ik op, dat ook de Friesche
kleederdragt onderworpen is aan de wisseling van de mode. (3)
d. Kapsel en kleeding der vrouwen van
Hindeloopen. Dit laatste is niet het geval met het kostuum van de
Hindelooper vrouwen, dat nimmer verandering ondergaat, en dat
uitgevonden schijnt te zijn, om te doen zien tot welke hoogte men de
natuur kan misvormen. Het verschilt te eenemale van het hier boven
beschrevene. De schoone sekte te Hindeloopen draagt een kap, waarvan
vorm en breedte verschillen naar gelang van den staat der persoon, als
gehuwde vrouw, als weduwe of als jong meisje. De kap bestaat uit eene
donker gekleurde doek, en is zoodanig aangebragt, dat men ter
wederzijden van het hoofd twee slippen, als vleugels, ziet nederhangen.
Onder dezen doek draagt men een of twee mutsen, die het haar geheel
bedekken. De bruiden hebben het voorregt een bijzonderen kap te dragen,
rijker dan de anderen. Het haar wordt nimmer geknipt; slechts eens om de
acht of veertien dagen maakt men het los, en slaat men het als vlechten
rondom het hoofd.
Het keurslijf reikt tot aan den hals, waarvan het gevolg is, dat de
boezem geheel bedekt is. De wijze, waarop de rokken worden vastgemaakt
en over elkander gedragen, geven aan al die vrouwen het aanzien van
verscheidene maanden zwager te zijn. Men verwondert zich er over, deze
bijzonderheid reeds bij de kinderen te zien. Over het keurslijf draagt
men een soort van kamisool, dat met gekleurde linten wordt vastgehecht
en waarvan eene zwarte wollen of lakensche voorschoot afdaalt. Over dat
alles fladdert een kleed van Indische stof, op de wijze als de japanse
vrouwen. Ingeval van zwaren rouw slaan de Hindeloopsters een zwarte rok
om haar hoofd. In één woord, de kleeding te dezer plaatse, zoowel van de
vrouwen als van de mannen, kenmerkt zich even als de gansche stad door
eene donkere en sombere tint.
e. Kleeding der mannen. Omtrent de
kleeding der mannen valt weinig op te merken. De Friezen onderscheiden
zich in dit opzigt niet van hunne naburen dan door wijzingen, die
moeijelijk kunnen worden beschreven. De hoogste klassen volgen de
gewoone modes van het beschaafde Europa.
De boeren en landbewoners dragen nagenoeg de zelfde kleeding als in de
andere Hollandsche departementen. Zij hebben, even als elders, hunne
groote gespen en hunne groote zilveren knoopen, alsmede hun korte buis;
zij dragen zelden pruiken. In de steden komt dit meer voor, en men heeft
veel op met het genot van een kamerjapon.
Te Hindeloopen is de kleederdragt der mannen wat de kleur betreft
overeenstemmende met die der vrouwen, hoewel zij zich vooral
onderscheiden door het baaitje of vest, dat, boven aan den hals
toegeknoopt, versierd is met eene rij zilveren knoopjes, kort op elkaar
naar beneden afdalende.
3 Eene uitvoerige en zeer bevallige beschrijving van de toenmalige
Friesche kleederdragt in de aanzienlijke standen gaf Prof. J. Bosscha in
het leven van Willem den tweede, die den 5 Maart 1814 als kroon prins
Leeuwarden bezocht, bl. 242, overgenomen in Friesland in 1813, bl. 105.
Red. 4
Dit onderwerp is later uitvoerig beschreven in het werkje:
Merkwaardigheden van Hindeloopen; bevattende historische bijzonderheden
omtrent de woningen, kleeding en taal der Hindeloopers, benevens
taalproeven in rijm en onrijm; door S. O. Roosjen en N. D. Kroese te
Hindeloopen, en W. Eekhoff te Leeuwarden. 1855. Red. 12
V. Welke zijn de zeden, gewoonten, gebruiken en
uitspanningen van de inwoners, zoo in de steden als ten platten lande.
a. Karaker en zeden van
de Friezen. De gewoonten en zeden van de landbewoners, vooral wanneer
hunne woningen verwijderd zijn van de steden en grooteren plaatsen, zijn
in den regel grof en weinig beschaafd. Men heeft gemeend op te merken,
dat zij, die de vruchtbaarste streken bewonen, het minst voorkomend en
gedienstig zijn, en minder gemanierd dan zij, die op meer dorre gronden
gevestigd zijn.
In dit opzigt wijst men op de ingezetenen van het Bildt, een zeer
vruchtbare streek in het noordelijkst gedeelte van dit arrondissement
Leeuwarden, uitmakende de gemeenten St. Anna-, St. Jacobi- en L.
Vrouwe-parochie. De reden hiervan laat zich gemakkelijk verklaren. Een
vruchtbare bodem toch verzekert aan den bebouwer rijker opkomsten dan
een minder vruchtbare; die rijkdom geeft spoedig een gevoel van
onafhankelijkheid en doet veelal bij den minder ontwikkelden mensch eene
te hooge gedachte van zich zelven ontstaan. Wie zich onafhankelijk
gevoelt, is minder geneigd tot gedienstigheid jegens anderen.
De Friezen hebben weinig op met vreemdelingen en beschouwen bijna als
zoodanig de bewoners der overige naburige departementen. Zij hebben
geene groote gebreken. Weliswaar wordt er misbruik gemaakt van sterken
drank, maar dit geschiedt doorgaans niet anders dan wanneer zij
feestdagen, of wel ter gelegenheid van de kermis. Van nature zijn ze
goedaardig en weinig prikkelbaar, maar eens in toorn ontstoken, is het
moeijelijk hen weder tot bedaardheid te brengen; zelfs de meet
overtuigende redeneering vermag daarbij niet veel. Bij hunne twisten
waren zij vroeger gewoon hunne tegenpartij aan te vallen met het mes,
zich er vooral op toeleggende, om in het aangezigt verwondingen aan te
brengen.
In verschillende plaatsen zag men toen een opgehangen mes, en die het
aanraakte, was verpligt te snijden met den eigenaar; eene wijze van
vechten, die hare beminnaars en beoefenaars had, en die, hoewel steeds
met bloedingen afloop, dikwijls plaats had, zonder dat men daarbij te
denken had aan een voorafgeganen twist. Men zou dit ongeveer op ééne
lijn kunne stellen met het Engelsche boxen; maar dit gebruik is allengs
vervallen, en men vindt het tegenwoordig alleen nog bij de zeelieden.
Men heeft den Friezen dikwijls een onbuigzamen kop toegeschreven, en in
zekeren zin kan dit waar zijn; maar aan den anderen kant is het niet te
ontkennen, dat zij zich onderscheiden door bijzondere zachtheid en
gehoorzaamheid aan de wet. Alleen vorderen zij, dat men hen die verklare
en dat men er hen gemeenzaam mede make. Zij eischen bovendien van de
zijde hunner bestuurders veel voorkomendheid en populariteit, en dat men
zich verplaatse in den toestand van den persoon: want de minste
tekortkoming, de minste partijdigheid of achteloosheid hunner
magistraten zal niet nalaten levendige klagten op te wekken, die door
den meest waardigen ambtenaar met moeite tot zwijgen kunnen worden
gebragt.
Bovendien maakt men bij hen weinig indruk door uitwendige praal en
schijn, die hunne gevoeligheid slechts zouden kwetsen. zachtheid en
overreding alleen moeten alles doen; maar dit middel eischt eene groote
gemeenzaamheid met hunne gewoonten, met hunne huiselijke betrekkingen,
met hunne wijze van redeneeren en hunne taal.
Zij bemoeijen zich weinig met hetgeen niet dadelijk tot hun beroep
behoort; zij spannen dáárvoor duurzaam al hunne krachten in, en zij zijn
tevreden, als zij maar door niets in hunne dagelijksche bezigheden
worden gestoord. Sedert de beroeringen, die in de laatste jaren in dit
departement zijn voorgekomen, heeft men onder hen opgemerkt veel
onverschilligheid en veel onkunde ten opzigte van hetgeen er in de
wereld voorvalt.
Te allen tijden stonden zij bekend als dapper en geschikt voor den
oorlog; eene hoedanigheid, die den naam van Fries met glans doet prijken
niet alleen in de geschiedenis van het nieuwere Europa, maar ook reeds
tijdens de Romeinsche heerschappij en gedurende den loop der
middeleeuwen.
b. Hunne eerlijkheid. Daar er weinig zorg
wordt gedragen voor hunne zedelijke opleiding, kan men zeggen, dat,
indien zij braaf zijn – zoo als wij hier boven reeds hebben vermeld – de
voorname drijfveer daartoe bestaat in de gewoonte, het gebruik en de
overweging, dat zij, ander handelende, de achting zouden verliezen, die
men hun toedraagt. De goede trouw en eerlijkheid moet men rangschikken
onder hunne voornaamste deugden.
De wijze, waarop de handel gedreven wordt in veen, in granen, in boter,
kaas en andere producten, levert daarvan een afdoend getuigenis: want de
verkooper geeft bijna nooit aan den kooper een bewijs dat hij den prijs
van het verkochte voorwerp heeft ontvangen, en de voorbeelden, dat men
voor de tweede maal betaling heeft gevorderd, zijn zóó zeldzaam, dat men
ze kan aanmerken als niet bestaande.
Eveneens is het zeldzaam, dat een jonge man de geliefde verlaat, aan wie
hij trouwbeloften heeft gegeven, en dat hij zijn woord schendt, vooral
wanneer er zich gevolgen vertoonen van hunnen omgang. Onder de bewoners
van het land wordt de huwelijkstrouw bijzonder in acht genomen, en bij,
die verdacht wordt ze te schenden, staat bloot aan minachtende
bejegening.
In de voornaamste steden zijn de zeden minder zuiver. Zelfs heeft de
ongebondenheid daar merkbare vorderingen gemaakt, hetgeen men,
gedeeltelijk althans, moet toeschrijven aan de aanwezigheid van
militairen.
c. Wijze, waarop de boer en daglooner hun
dag verdeelen. De landbouwer staat met zijn gezin op te 3 ure à half
vier. Alsdan gaat men de koeijen melken, de boter karnen en kaas maken.
De knechten, die hij gewoonlijk in zijn dienst heeft, beginnen te 5 ure
hun werk. Dit is de tijd, die bestemd is om een aanvang te maken met het
bewerken van het land, het te eggen, of wel ander landwerk te verrigten.
Te 8 ure komt het gezin bijeen, als het eerste schoft of dagwerk is
volbragt. Sommigen houden dan het middagmaal en gunnen zich dan rust tot
10 ure; anderen eten een boterham, gebruiken thee en hervatten den
arbeid te 9 ure. Zij, die te 8 ure middagmalen gaan te 10 ure weder aan
het werk, arbeiden tot 2 uur en rusten dan een uur, waarin zij een stuk
roggenbrood met boter en kaas en thee gebruiken. De overigen middagmalen
om 12 uur en nemen dan rust tot 2 uur.
Te 6 uur is de werkdag geëindigd; het gezin komt weder bijeen, en men
nuttigt dan den avondmaaltijd; - vervolgens wordt er nog koffij of thee
gebruikt. De boer, die met zijn gezin geen deel neemt aan het landwerk,
gebruikt zijn koffij des morgens om 10 of 11 uur, terwijl zij, die te 12
ure middagmalen, de thee gebruiken te 3 uur. Des avonds te 8 à 9 ure
begeeft men zich ter ruste. Des zondags gebruikt men het middagmaal te
11 ure, in plaats van te 8 ure; des winters daarentegen is het uur van
het middageten gesteld op 12 uur. De daglooner, die den boer behulpzaam
is in het dorschen van het graan, begint zijn dag ten 2 à 3 uur des
morgens, en eindigt dien des namiddags op het zelfde uur.
Op vele plaatse bestaat het gebruik, dat de boer een feest geeft aan
zijn werkvolk bij het einde van den oogst, als de laatste schoof in de
schuur is gebragt. Hij noodigt daarbij niet alleen de knechten en
meiden, die hij in vast dienst heeft, maar ook de daglooners en de
dagloonsters, die bij den oogst hebben medegewerkt. Dit feest wordt
gewoonlijk gegeven op een zaturdag. Aan de gasten worden voorgezet
rozijnen, gebraden schaapvleesch, zoete appelen of pruimen, na den
maaltijd koffij, jenever en brandewijn, terwijl de feestvreugde
voortduurt tot in den nacht.
d. De Zondag op het land. De Zondag wordt
gevierd als een dag van rust en van genoegen. Zelden wordt hij bestemd
voor den arbeid, tenzij in het midden van den hooitijd, of op het
tijdstip, dat het koolzaad moet worden gedorscht. De meeste bewoners
gaan een of teemaal ter kerk, en bezoeken vervolgens hunne
bloedverwanten en kennissen. De ongehuwden vereenigen zich gewoonlijk in
de herbergen en vermaken zich met het spelen met den bal (kaatsen) of
met den stik.
Dit laatste spel, dat men katknuppelen noemt, bestaat in het op zekeren
afstand werpen van een stok tegen een hangende ton, waarin men een kat
heeft opgesloten. Hij, wiens stok de ton zoodanig verbreekt, dat de kat
uit hare gevangenis kan ontspannen, wordt als overwinnaar beschouwd. Ook
werpt men soms met den stok naar een koek, vastgehecht aan een paal.
Hij, die deze paal omsmijt, heeft de koek gewonnen. Des winters worden
deze spelen vervangen door kaarten. Bij deze zamenkomsten maakt men veel
gebruik van tabak en jenever, hetwelk somwijlen, wat dit laatste
betreft, tot onmatigheid overslaat.
Des zondags of des zaturdags gaan de jongelingen na den avondmaaltijd de
koffij gebruiken bij de jongedochters in de buurt. Zij vinden daar
gewoonlijk de familie vereenigd, en brengen dikwijls den ganschen nacht
door met hunne geliefde, nadat de ouders en het verdere gezin zich ter
ruste hebben begeven. Men kan het als een bewijs van ingetogenheid
aanmerken, dat deze vrije omgang slechts zelden gevolgen heeft, die in
strijd zijn met de goede zeden.
De markten of kermissen, die in de meer aanzienlijke plaatsen gewoonlijk
eenmaal in het jaar worden gehouden, trekken een aanzienlijken toevloed
tot zich uit de plaatsen van den omtrek. De viool, die zich dan doet
hooren in de herbergen, noodigt de jongelieden van beider kunne tot den
dans.
e. Harddraverijen. Wanneer er eene
harddraverij gehouden, vereenigt zich de menigte in de daar naast
gelegen weiden of in het veld. De prijs, behaald door den beste draver -
want de paarden gaan nimmer in galop - bestaat in een vergulden (gouden
of zilveren) rijk versierde zweep, of wel in een paar sporen en somtijds
in een bal of in eenige zilveren lepels. Als de harddraverij geëindigd
is, gaat men naar het dorp terug, om daar door zijne vrienden onthaald
te worden, die alsdan thee aanbieden, darna boterhammen en vervolgens
koffij, jenever en brandewijn met suiker. Anderen gaan naar de
herbergen, waar de jongelingen met hunne vrijsters zich niet laten
wachten. Zij brengen dan den nacht door, om met dansen, zingen en
drinken zich over te geven aan luidruchtige pret. Zij, wier beurs dit
toelaat, laten zich rooden of witten wijn geven, en mengen dezen
somtijds dooreen.
f. Markten. Bijna alle landbouwers
bezoeken eenmaal ter week de markten der nabijgelegen stad of vlek, om
er hunne produkten te verkoopen. De eerste Leeuwarder marktdag, volgende
op den 12den Mei, wordt bezocht door alle bewoners van den omtrek.
g. Dienstbaren, die van dienst veranderen. De dienstbaren, die van
meester veranderen, verlaten hun dienst den 12 of 13 Mei, en brengen
alsdan eenige dagen in vrijheid door, vóór ze eene nieuwe betrekking
aanvaarden. Zij maken daarvan gebruik om in grooten getale zich naar de
hoofdplaats van het departement te begeven, waar zij zich vermaken,
hetzij in de stad zelve, hetzij in de voorsteden. Een gedeelte van den
nacht wordt aan de pret gewijd, en men hoort in de herbergen zoowel de
viool als de luidruchtige dansen der jeugd.
h. Huwelijken, bruiloften. Men kan hierbij
nog melding maken van de huwelijken, van de bezoeken, die men maakt bij
kraamvrouwen en van begrafenissen, waarvan, vooral de laatsten, zeer in
trek en gezocht zijn.
De wijze van bruiloftvieren is veelal zeer eenvoudig. Men noodigt
daarbij de naaste familieleden en betrekkingen, benevens de vrienden der
jongelieden. Het feest regelt zich naar de omstandigheid van den
bruidegom en bruid. Men vermaakt zich met zingen, dansen en drinken, en
ieder der genoodigden voorziet de huishouding der jonggehuwden met een
of ander stuk huisraad.
i. Kraambezoek. Eene vrouw, die bevallen
is, zelfs van den geringsten stand, noodigt dadelijk na den negenden dag
harer kraam de vrouwen en meisjes van hare kennis bij zich. Zij ontvangt
deze overeenkomstig hare middelen, doch altijd met thee, koffij,
tarwenbrood, soms krentebrood, beschuit, boter, kaas en brandewijn met
suiker en rozijnen. Deze kraamvisites bestaan dikwijls uit eene
bijeenkomst van 15 á 20 vrouwen, en niet zelden worden ze zoo
luidruchtig, dat zij een ongunstigen invloed uitoefenen op de
herstelling der kraamvrouw. Iedere de gasten brengt een geschenk mede in
zuiker, koffij, koek of dergelijke.
k. Begrafenissen. De begrafenissen gaan
vergezeld van buitengewonen omslag. Dikwijls worden daarbij gevraagd
honderd personen en zelfs nog meer, die beiderlij kunne, die allen het
lijk volgen. De predikant van het dorp heeft den voorgang bij de mannen,
zijne echtgenoote dien bij de vrouwen. Na deze volgen de naaste
betrekkingen van den overledene, gewoonlijk in het zwart gekleed, of,
wanneer het voorname landbouwers zijn, gehuld in een klein
rouwmanteltje.
De vrouwen dragen bij deze gelegenheid om het hoofd een grooten zwarten
sluijer tegen de regen, welke dan ook regenkleed genoemd. Wanneer het
sterfhuis ver van de begraafplaats is verwijderd, wordt het lijk op een
boerenwagen geplaatst en dan volgen de naaste betrekkingen ook in
rijtuigen. In het dorp aangekomen, wordt de lijkkist afgeladen, om
daarna ter begraafplaats te worden gedragen. Zelfs dan, wanneer de
groeve zeer nabij is, gaat de geheele stoet eenmaal rond de kerk.
Vroeger had men zelfs de gewoonte, dit tot driemalen toe te herhalen,
maar dit is meer en meer in onbruik geraakt.
Zoodra de kist in het graf is nedergelaten en met aarde gedekt, keert de
lijkstoet terug naar het sterfhuis, waar men in dien tusschentijd
gezorgd heeft dat in verschillende vertrekken verscheidene tafels zijn
gedekt en voorzien met ham, spek, krentebrood, beschuit, boter en kaas.
De predikant en zijne vrouw erlangen de eerste plaats bij de naaste
betrekkingen; de verdere gasten plaatsen zich naar verkiezing aan de
overige tafels. De predikant spreekt vóór den maaltijd een gebed uit, en
eindigt dien daarna met eene dankzegging, waar tusschen hij gewoonlijk
eene lijkrede, ter ere van den afgestorvene, invlecht. Gedurende den
maaltijd wordt er bier geschonken, vervolgens thee, die weder gevolgd
wordt door jenever en brandewijn.
Aan de naastbestaanden, die van verre gekomen zijn, zorgt men dat
dadelijk koffij, jenever en brandewijn worden voorgezet. Als de maaltijd
geeindigd is, worden alle tafels voorzien van pijpen en tabak. Dit
gebruik is op het land zoo algemeen, onder alle klassen, dat zelfs arme
lieden, die moeite hebben om zich behoorlijk te kleeden, daar niet
buiten kunnen.
l. Uitspanningen.
In de uitspanningen der
Friezen bestaat weinig afwisseling. De mannen, die gehuwd of op zekeren
leeftijd gekomen zijn, kennen er geene andere dan elkander wederkeerig
bezoeken te brengen, of zich in de herberg te vereenigen om er hun pijp
te rooken, jenever te drinken en over den landbouw te spreken. Ook
bezoeken zij de paarden- en veemarkten, hetzij uit liefhebberij, hetzij
om te koopen of te verkoopen. Ook de harddraverijen trekken hen tot
zich. Onder de uitspanningen der jongelieden kan men tellen het kaatsen,
het katknuppelen (reeds boven gemeld), het kolven en 's winters het
schaatsrijden.
De Friezen zijn bekend als groote schaatsrijders. Zij beoefenen die
kunst niet enkel uit smaak, maar evenzeer uit behoefte. En inderdaad, de
natuurlijke gesteldheid van het departement, die in de vette kleistreken
de verbetering van de wegen te eenemale in den weg staat, laat des
winters aan de inwoners geen ander middel van gemeenschap over dan langs
de kanalen. Wanneer deze met ijs zijn overdekt, worden ze veel gebruikt
door middel van sleden of schaatsen. Hieruit volgt, dat de Friezen,
regtuit op het doel afgaande, zich minder onderscheiden door
sierlijkheid in de kunst van schaatsrijden, dan wel in groote snelheid
van vaart. Van die snelheid haalt men voorbeelden aan, die aan 't
wonderbare grenzen, zooals dat van een burgemeester van Bolsward, die,
de Zuiderzee overstekende, in één dag op schaatsen van den Haag naar
Bolsward reed.
Terwijl men in de Departementen van de Zuiderzee en van de monden der
Maas er van houdt om heen en weder te rijden, om kunstige figuren op het
ijs te maken en te balanceeren met één been in de lucht, wordt de
Friesche schaatsrijder gerekend een en 1/4 mijl per uur af te leggen.
Het behoort te worden opgemerkt, dat de schaatsen, waarvan men zich in
Friesland bedient, op eene andere wijze zijn ingerigt, zijnde
horisontaal en plat, terwijl zij elders aan de zijden eenigzins scheef
zijn, zoodat men ze niet, zonder onderscheid, aan de beide voeten zou
kunnen gebruiken. Verder zijn de schaatsen der Friezen zeer kort en
zonder versiersel, en men vindt er niet die halve boog aan vóór den
voet, welke dikwijls aanleiding geeft tot ongelukken. De vrouwen nemen
evenzeer druk deel aan deze oefening, en men heeft zelfs wedstrijden
gezien tusschen schaatsrijdster, waarbij de prijs werd toegekend aan
haar, die het eerst een bepaald punt had bereikt.
m. Hardzeilpartijen. Op het Sneekermeer en
ook elders heeft men evenzoo hardzeilpartijen, waarbij de overwinnaar
doorgaans als prijs eene vlag ontvangt. Wanneer dit volksfeest door weêr
en wind wordt begunstigd, is het zeer de moeite een bezoek waardig.
n. Markten of kermissen. De hoogere
standen nemen ook in meerdere of minderen mate deel aan deze genoegens,
eveneens ook aan die der kermissen, welke in Friesland veel
overeenkomsten hebben met die in andere departementen, en aangemerkt
kunnen worden als hun carneval: want men ziet daarbij gansche rijen
kramen met koopwaar van allerlei soort, en spellen van springers,
koordendansers, goochelaars, kwakzalvers en alles wat de menigte maar
tot zich kan trekken. In iedere stad en ik elk dorp heeft men jaarlijks
eenmaal kermis. Ze worden veelal druk bezocht, vooral die van de
hoofdplaats van het departement, welke zeer belangrijk is. Dan ziet men
dikwijls de eerste familiën voor eenige dagen hare buitens verlaten, om
aan de woelige kermisvermakelijkheden deel te nemen. Bij die gelegenheid
heerscht er wat meer vrijheid van zeden, die bij de minder beschaafde
klassen niet zelden tot ongebondenheid overslaat.
o. Amusementen der hoogere standen. De
gewone spelen op de societeit zijn het whist-, het hombre-, het
quadrille- en het piketspel, het jassen en het reverti. De Friezen
houden veel van danspartijen en concerten, waaronder die van de
hoofdstad zich onderscheiden. Men kent hen veel aanleg toe voor de
mimiek en het tooneel; maar dewijl het departement geen stad bezit van
den eersten rang, brengen de acteurs, die trouwens geene Friezen zijn,
het hoogstens tot die middelmatigheid, welke men niet anders van
tooneelisten uit de provincie kan verwachten.
Men kent er echter liefhebberijtooneelen, die het somtijds tot eene
aanmerkelijke hoogte brengen. (5) Diners en soupers zijn er niet zeer
algemeen. Buiten leven de familiën zeer afgezonderd, en in de stad zijn
de gezelschappen der dames dikwijls afgescheiden van die der heeren,
zoodat deze laatsten in de koffijhuizen gaan of op de plaatsen hunner
bijeenkomsten, om eene partij kaart of billard te spelen; terwijl de
dames den avond te huis doorbrengen aan de thee tafel, om de nieuwtjes
van den dag te behandelen. 's Avonds tien uur gaat ieder naar huis, om
in den familiekring het avondeten te gebruiken. De soupers, waartoe men
wordt uitgenoodigd, duren tot laat in den nacht en zijn aangeregt.
p. De taal der landbewoners. De taal,
welke men in het departement spreekt, zou het onderwerp kunnen uitmaken
van vele opmerkingen en nasporingen. Inderdaad spreken de bewoners van
het land eene taal of landtaal (boerefriesch), die ter naauwernood voor
de stedelingen verstaanbaar is. Zij, die haar spreken, schrijven haar
evenwel niet, en het zijn slechts geleerden die geschreven hebben in
deze taal, welke vooral geëigend is voor het eenvoudige en gemeenzame.
Daar op de scholen in het Hollandsch onderwezen wordt, bestendigt deze
landtaal zich alleen door het gebruik. Bovendien heeft bijna ieder
kanton eene verschillende uitspraak. Het tegenwoordige taalgebruik
schijnt thans eene verbastering van de oude landtaal te zijn. Er bestaat
daarvan eene spraakkunst, in de 17de eeuw geschreven door Gysbert
Jacobs. Zij, die hem verstaan, roemen bij dezen schrijver bijzonder de
zeggingskracht in zijne verzen en de zuiverheid van stijl in zijn proza.
Er bestaan ook verzen van zekeren Althuizen, zaamgesteld in de zelfde
taal gedurende de laatste eeuw. Professor Wassenbergh van Franeker staat
bekend als daarin op de hoogte.
r. De stad Hindeloopen. Alvorens te
eindigen met de opmerkingen betrekkelijk de gebruiken der Friezen en de
bijzonderheden, welke hen kenmerken, moet ik nog melding maken van de
stad Hindeloopen, die het vreemde verschijnsel levert van eene weinig
aanzienlijke bevolking, wier zeden, gewoonten en kleeding te eenemale
verschillen van die der overige gedeelten van Friesland en van de meest
nabijgelegen plaatsen.
Dat een geheele landstreek, welke de natuur zelve door de meeren of
bergen van de omliggende streken heeft afgescheiden, haar primitief
karakter heeft behouden, zoo als het land van Wales en de Hooglanden van
Schotland, dat laat zich uit den natuurlijken toestand van het land en
de geschiedenis van zijne bewoners voldoende verklaren. Dit is evenzeer
het geval met de kolonie Amak, gelegen in de nabijheid van Kopenhagen.
Maar dat eene bevolking van 1439 zielen, gevestigd op een afstand van
niet meer dan een mijl van de steden Workum en Staveren en aan de andere
zijde omgeven door een aanzienlijk getal dorpen, hare oude gebruiken van
geslacht tot geslacht op de nakomelingenschap overplant, zonder dat er
eenige natuurlijke afsluiting aanwezig is, en dat zij de scheidsmuur,
die hare voorzaten hebben opgetrokken tusschen haar en de omgelegen
bevolking, handhaaft, zonder de minste toenadering te gedoogen, -
ziedaar een feit, dat in de geschiedenis van de zeden der volken eene
bijzondere aandacht schijnt waardig te zijn. De kleine stad Hindeloopen
is onregelmatig gebouwd.
Het meerendeel van hare bruggen en straten is alleen bruikbaar voor
voetgangers, en het is moeijelijk haar met een wagen door te rijden. De
bouworde, 5 Onder het Fransche bestuur, dat tooneelvertooningen en
concerten bijzonder begunstigde, was hier eene Tooneel-Societeit
opgerigt, die elf jaren lang bloeide en van wier werkende leden de namen
bekend zijn van de Heeren E. Roorda, J. van Leeuwen, J. W. J.
Steenbergen van Goor, Frederik de Haan, S. G. Cats, Mr. G. L. Teijens,
Mr. S. J. Overveld, J. C. F. Esau, L. Metz, H. Dijkman en Mr. A. van
Halmael jr., die dadelijk bij zijne komst te Leeuwarden daarvan lid werd
en in 1817 zijn blijspel: de Hekelaar aan zijne medeleden opdroeg. Red.
maar vooral de inwendige inrigting der huizen, is allervreemdst, en de
wansmaak zou zich niet op eene meer bizarre en kleingeestige wijze
kunnen in het licht stellen. Hetgeen vooral de aandacht trekt, dat zijn
de vensterblinden of luiken, geverfd met een zwarte of zeer donkere
kleur, die men gewoonlijk in deze stad aantreft, en op eene wijze om
marmer na te bootsen, zoodat men het zou kunnen gelijkstellen met
slechte arabesken.
De kasten of keeften van eiken hout, overladen met ornamenten en
snijwerk, getuigen van de kunst of ten minste van het geduld van den
vakman. Rijk zijn de lijsten der spiegels, de draperiën der
schoorsteenen, de uitgelezen verzamelingen van Japansch porselein, dat
vroeger zeer kostbaar was, doch waarvan, wegens de verandering van den
smaak, de waarde thans zeer is verminderd.
De woningen zijn niet breed en maar van ééne verdieping. De verdeeling
der vertrekken is geheel in overeenstemming met de meubelen. In het
midden vindt men het vertrek, dat de Hindelooper kamer wordt genoemd,
waarin de gansche familie des winters den geheelen dag doorbrengt en er
in slaapt. Aan de eene zijde is de groote schoorsteen, aan de andere
zijde de slaapsteden in de muur, als een soort van kast of nis, door een
schot met planten omgeven (bedsteden).
Deze slaapplaatsen vindt men zeer algemeen in alle Hollandsche
departement; zij onderscheiden zich in Friesland dikwijls door hunne
verhevenheid, zoodat hij, die er op wil slapen, gebruik dient te maken
van een stoel of van een trapje, om tot zijn doel te komen. Er zijn meer
bijzonderheden aan de Hindelooper kamer verbonden.
Eene daarvan is nog zonderlinger. Het is de bijzondere breedte van deze
bedsteden, die zich in den muur bevinden en soms belendende zijn aan
twee vertrekken, waarvan het een, een meer verhevene plaats hebbende,
toelaat, dat men er op zijn gemak ingaat, terwijl men, het bed aan de
andere zijde willende verlaten, zich op eene gevaarlijke hoogte bevindt.
Men verzekert, dat soms het gansche gezin van eene en de zelfde bedstee
gebruik maakt, zoodat men, op het uur van opstaan, ten gevolge der
breedte dezer bedsteden, soms achtereenvolgens een aanzienlijk getal
personen uit een en het zelfde bed te voorschijn ziet komen. Men
verhaalt nog, dat een vriend of vriendin des huizes, daar den nacht
doorbrengende, almede van die bedstee gebruik maakt en dat de man
tusschen die persoon en zijne vrouw ligt, als het een man is, terwijl,
indien de persoon tot de vrouwelijke sekse behoort, de vrouw ligt
tusschen die persoon en haar echtgenoot.
Het is wel aan te nemen, dat deze vreemde gebruiken er toe geleid hebben
om aan de ingezetenen van Hindeloopen iets belagchelijks te vinden, dat
ze eigenlijk niet verdienen. Ook is dikwijls moeijelijk om precies te
weten hoe de juiste toedragt is, maar hetgeen niet twijfelachtig
schijnt, is dit, dat de jongelieden, het hof makende aan hun meisje,
vrijheid hebben haar te bezoeken op bed, terwijl de beide gelieven
alleen gescheiden worden door den deken. Volgens een ander gebruik zendt
de minnaar, die zijne geliefde wenscht te bezoeken, haar eenige
eetwaren, of geld om die te koopen; als zij dit aanneemt, heeft de
minnaar vrijheid om den nacht bij haar door te brengen, zonder zich
evenwel de regten te mogen veroorloven, waarop de huwelijksband alleen
hem aanspraak vermag te geven.
Op het einde van den winter verlaat men het groote vertrek, waarvan hier
boven gesproken is, om gewoonlijk een klein vertrek te bewonen, dat door
een grootere of kleinere binnenplaats van het huis afgescheiden is, soms
ook door een kleinen gang, als het gezin tot de mingegoeden behoort. Dit
klein vertrek, lytshuus genoemd (little houses), schijnt te moeten
worden aangemerkt als tuin- of buitenverblijf; maar, daar het
meestentijds noch door boomen, noch door grond omgeven is en zij
gewoonlijk hunne woonverblijven verbergen en deze dus zelden een vrij
uitzigt opleveren, kan men dit verblijf beschouwen als een dwaas
bijvoegsel aan den zonderlingen bouwtrant daar ter stede. Een boom is
eene zeer vreemde zaak te Hindeloopen. Deze omstandigheid, gepaard aan
de naaktheid van geheel de omliggende landstreek, vergroot het
zonderlinge van de plaats.
Gedurende den loop van den dag ziet men de inwoners uit, om de lucht te
genieten. Zelden komen zij elders. De gehechtheid aan hunne gebruiken is
van dien aard, dat onlangs eene moeder, op haar doodsbed, hare dochter
liet beloven, om nimmer het Hindelooper kostuum te zullen afleggen. Voor
het overige is de stad, die vroeger bestond van de scheepsvaart, sedert
de laatste jaren in verval geraakt. Hare rijkste ingezetenen waren
scheepskapiteins van de groote vaart, die haar uitkozen om zich er stil
terug te trekken; maar hunnen fortuinen, voor het meerendeel in publieke
fondsen geplaatst, hebben gevoelig geleden. In het inwendige van hunne
woningen laten zich in vroegere gebruiken van het zeemansleven niet
miskennen en dikwijls doet het denken aan de kajuit van een schip.
s. Molkwerum. Het naburige dorp Molkwerum
is de enige plaats, die de Hindelooper gebruiken volgt. Het heeft eenige
vermaardheid verkregen wegens de wanorde, welke men er opmerkt in de
wijze, waarop de huizen zijn gelegen. Inderdaad is daarin geen orde of
eenige rigting te bespeuren. De huizen schijnen er hier en daar in alle
rigtingen neêrgeworpen te zijn, al naar het toeval het meêbragt.
Dewijl ze bijna alle van elkander afgescheiden staan, is het gevolg
hiervan, dat te Molkwerum geen weg of straat noch iets van dien aard
bestaat Alleen kleine paadjes dienen om van het eene huis in het andere
te komen, en die zijn alleen bruikbaar voor voetgangers. Deze
omstandigheid heeft aan het dorp den naam doen geven van Friesche
doolhof, daar het gelijkt op een damspel, waarbij men eene onregelmatige
en van de gewone wijze afwijkende methode volgt.
VI. Welke zijn de meest gewone
ziekten bij de Friezen, hare oorzaken en de daar tegen aangewende
middelen?
Zonder twijfel heeft men niet op het oog gehad de
mededeeling van alle ziekten, die in Friesland, even als elders,
voorkomen, hare oorzaken en de daar tegen aangewende middelen, maar
eeniglijk die ziekten, welke men kan aannemen als het noodzakelijk
gevolg zijnde van den natuurlijken toestand van het departement en zijn
bewoners.
a. Ziekten ontstaan gewoonlijk uit eene
belette uitwaseming. Vermits de luchtgesteldheid in Friesland dagelijks
verandering ondergaat en dikwijls meer dan eens op den zelfden dag, zoo
volgt daaruit, dat de transpiratie der ingezetenen ieder oogenblik
gevaar loopt van te worden verhinderd. Men kan alzoo zeggen, dat de
meest gewone ziekten in Friesland het gevolg zijn van de belemmering der
uitwaseming, als bijv. Aandoening der slijmvliezen (catareés),
tusschenpoozende of doorloopende koortsen, kolijk, buikloop, cholera,
galziekte, pleuris en rhumatisma, om niet de verder benamingen op te
geven, welke deze ziektesoorten erlangen, naarmate der lichaamsdeelen,
die er door zijn aangetast, of der bijzondere verschijnselen welke haar
vergezellen.
Deze ziekten zijn echter niet altijd, en zelfs zelden, van eenvoudigen
en zuiveren aard, maar meestentijds zaamgesteld, zoodat zij 's winters
en in het voorjaar van ontstekingachtigen en in den zomer en herfst van
galachtigen aard zijn, als wanneer de lever vooral wordt aangetast en de
gal niet naar behoren afscheidt, zoowel wat hoeveelheid als hoedanigheid
betreft.
b. Geneesmiddelen. Wat nu de geneeswijze
en de middelen betreft, zal ik hier niet herhalen, wat door zoo vele
schrijvers is uiteengezet, en zal ik mij bepalen tot de volgende
opmerkingen, die het resultaat zijn der ondervinding van de geneesheer,
die zich zeer onderscheiden heeft en gedurende meer dan 25 jaren de
praktijk in de geheele uitgestrektheid van het departement heeft
uitgeoefend.
1. De ziekten van ontstekingachtigen aard,
die hier zelden hevig zijn, vereischen geene - en gedoogen ook geene -
sterke aderlatingen: want bijna al die ziekten veranderen spoedig hunne
stenische (ontstekingachtige) natuur in een asthenisch (slepend)
karakter; derwijze echter, dat de blinde navolgers van het Browniaansch
systeem, die gelukkig in Friesland niet gevonden worden, even weinig
zouden slagen in de behandeling dier ziekten, als anderen, die, zonder
de noodige theoretische kennis te bezitten, in een hospitaal slechts
recepten en aderlatingen hadden zien voorschrijven, bijna zoolang als de
patient pijn voelt.
2. De behandeling van galachtige
ongesteldheden vereischt hier veel oplettendheid, en het is even
gevaarlijk, te trachten om de lijder van de gal en verkeerde vochten te
ontlasten door te dikwijls toegepaste evacuaties, en dit middel te
herhalen totdat de tong van den patient zuiver is, - indien de
behandelende gedurende de kuur niet bezweken is - als dat het voegzaam
zoude zijn dat zuiveringssysteem geheel te verontachtzamen.
3. Daar bijna alle ziekten hier haar
oorsprong hebben in een onderdrukte transpiratie, moet de kunst, om
kranken te behandelen voornamelijk bestaan in het voorzigtig bevorderen
van de uitwaseming, en in het toedienen van de chinine op het juiste
oogenblik en in de gepaste hoeveelheid: want zonder dit heilzame middel
zouden alle pogingen van den geneesheer onvruchtbaar zijn.
c. Galachtige ongesteldheden in den
herfst. Onder de ziekten in Friesland zijn er geene, die zoo algemeen
zijn en wier uitwerking zoo noodlottig is voor de bewoners van het
gewest, als de galachtige ongesteldheden gedurende den herfst, die daar
heerschende zijn, even als in de andere Hollandsche departementen, in de
maanden Augustus, September en October, doch die in Friesland
toegeschreven moeten worden aan andere oorzaken dan elders. Men heeft
echter de hoop niet opgegeven, om, door de oorzaken weg te nemen of te
verminderen, er eenmaal in te slagen, om dien geesel te overwinnen.
d. Hare oorzaken. Hare oorzaak is weinig
twijfelachtig, wanneer men de plaatsen in aanmerking neemt, waar zij
zich het meest voordoen. De ondervinding heeft doen zien, dat het zijn
de hooge kleigronden, gedeeltelijk gelegen in het arrondissement Sneek,
maar voor het meerendeel in dat van Leeuwarden; terwijl het
arrondissement Heerenveen gewoonlijk geheel verschoond blijft van deze
zieken.
Een gevolg daarvan is het zeer verschillende sterftecijfer van de drie
arrondissementen, hetgeen nog is opgemerkt in den loop van het laatste
jaar. Gedurende de maanden Augustus, September en October hebben deze
ziekten niet méér geheerscht dan gewoonlijk, en toch, wanneer men de
sterftelijsten van deze maanden raadpleegt en de verhouding van sterfte
en bevolking, dan verkrijgt men de volgende uitkomsten: In het
arrondissement Heerenveen bedroeg gedurende het bedoelde
driemaandelijksch tijdvak de sterfte 187 op de 36,529 inwoners, of 1 op
195, en in dat van Sneek 275 op 45,445, of 1 op 165 en in dat van
Leeuwarden 759 op 94,729, of 1 op 125.
Dit reeds groot verschil laat zich ook nog opmaken uit de sterftelijsten
van de kantons van het laatste arrondissement gedurende dat zelfde
trimester. Want in het kanton Bergum had men 51 sterfgevallen op 10,515
inwoners of 1 op 206; in het kanton Buitenpost 41 op 9,236 of 1 op 225;
in het kanton Dronrijp 48 op 7,694 of 1 op 160; in het plattelands
gedeelte van het kanton Leeuwarden, no. 2, 36 op 5141 of 1 op 151; in de
stad Leeuwarden en zijne uitbuurten 134 op 16,230 of 1 op 121; in het
kanton Holwerd 72 op 7,824 of 1 op 108; in het kanton Hallum 100 op
10,428 of 1 op 104; in het kanton Franeker 100 op 10,414 of 1 op 104; in
het kanton Harlingen 96 op 9,264 of 1 op 99; in het kanton Dokkum 93 op
7,983 of 1 op 86.
De verschillende gemeenten van het arrondissement Leeuwarden vertoonen
in dit opzigt een even in het oogloopend verschil. Indien dan de
herfstkoortsen in het laatste en de daaraan voorafgaande jaren
voornamelijk geheerscht en het grootste aantal personen weggenomen
hebben in die gedeelten van het departement, waar zich de hooge vette
gronden bevinden, zoo volgt daaruit, dat men als oorzaken van die ziekte
niet kan aannemen de uitdampingen van de lage gronden, de moerassen en
de stilstaande wateren, waaraan men ze elders dikwijls heeft
toegeschreven.
Immers juist het district, dat het laagst en meest moerassig is en waar
men de meeste plassen en stilstaand water aantreft, had daarvan het
minste te vrezen, zoo als het arrondissement Heerenveen, een gedeelte
van dat van Sneek, alsmede de kantons Bergum en Buitenpost,
hoofdzakelijk gelegen in het midden van meeren, veenachtige moerassen en
uitgravingen lage veenderijen, die zich van verre als slechts één groote
plas van stilstaand water vertoonen.
De uitdampingen van het zeeslik kunnen evenmin aangemerkt worden de
bovenbedoelde ziekten voort te brengen: want in nabijheid van Harlingen
behoudt de zee eene aanmerkelijke diepte tot aan het paalwerk, bestemd
om haar te bedwingen, zoodat bij ebbe aldaar geene groote
uitgestrektheid slik blootvalt, zoo als dit plaats heeft in andere
departementen en bij het Noorderleeg. En toch openbaren de ziekten,
waarvan ik hier boven sprak, zich het meest in de kantons Harlingen en
Franeker, terwijl men ze daarentegen in het verloopen jaar en ook in de
daaraan voorafgaande jaren niet heeft opgemerkt in de nabijheid van het
Noorderleeg.
Noodwendig moeten er dus andere omstandigheden zijn, eigen aan de hooge
vette gronden van Friesland, die jaarlijks oorzak zijn van deze ziekten,
die men elders niet in het departement aantreft.
De aandacht dan vestigende op den natuurlijken toestand van het gewest,
om die oorzaak te ontdekken, komt men spoedig tot de opmerking, dat, met
uitzondering van de hooge veenen, het boezemwater over de geheele
uitgestrektheid van het departement een en het zelfde peil heeft, zonder
dat men het middel bezit, om het hooger te houden in de hoogere, of wel
lager in de meer lagere streken. Om deze laatsten in het voorjaar van
water te ontlasten en ze boven water te houden, is men alras genoodzaakt
belangrijk meer water af te voeren, dan noodig en doelmatig is voor de
hoogere terreinen.
Aangezien de uitdampingen en andere omstandigheden al spoedig gedurende
den zomer het water op nog lager peil te brengen, vallen vele kanalen en
vaarten in de hoogere streken bijna droog, en zijn niet bevaarbaar,
zonder den grond als het ware om te woelen, waardoor in die kanalen eene
groote hoeveelheid hydrogeen zwavelzuur-gas wordt ontwikkeld, dat zoo
schadelijk is voor de gezondheid.
Hier komt bij, dat planten, insekten en dierlijke overblijfsels, welke
het water, al wegvloeijende, op de drooge boorden heeft nagelaten,
overgaan tot een staat van bederf en ontbinding, die de lucht
bezwangeren met onreine en schadelijke uitwasemingen. Deze zouden minder
snel en minder hevig ontwikkelen, indien het water van die kanalen en
vaarten in bij alle hoogere streken doorgaans niet min of meer brak was,
ten gevolge van het invloeijende zeewater door de zeesluizen, welke men
genoodzaakt is dagelijks ettelijke malen te openen tot het doorlaten van
schepen.
Inderdaad heeft de vermaarde Pringle en hebben anderen na hem op
overtuigende gronden aangetoond, dat, hoewel het zeezout anders een
uitmuntend tegengift is tegen bederf en ontbinding, niets daarentegen
het bederf van plantaardige stoffen zoo zeer bevordert als het water,
wanneer het vermengd is met eene groote hoeveelheid zeezout van een
gering en onvoldoend gehalte.
Dat de lucht, aldus vervuld met onreine uitdampingen en uitwasemingen,
veroorzaakt door het des zomers uitdroogen van vaarten en kanalen, de
ziekten, waarvan hier sprake is, kunnen voortbrengen, - ziedaar een
feit, steunende op natuurlijke gronden, bewezen door de ondervinding, en
hetgeen door niemand meer in twijfel zal worden getrokken.
e. Gebrek aan drinkbaar water. Maar
behalve deze oorzaak, die van invloed is op de hoogere districten, en
die er de herfstkoortsen ten gevolge heeft, is er nog eene andere in
verscheidene plaatsen dier streken, - voor een gedeelte evenzeer het
gevolg van het lage peil van het binnenwater, waaraan men een groot
getal dier ziekten in de hoogere streken kan toeschrijven, en die op
zich zelve voldoende zou zijn om ze in het leven te roepen en om gevaar
er van te vergrooten, - het is het gebrek aan de noodzakelijke en
voldoende hoeveelheid van drinkwater van goede kwaliteit in dié zomers,
welke zich onderscheiden door groote warmte.
Daaromtrent merk ik op, dat, wanneer de voorraad regenwater verbruikt
is, de bevolking zich genoodzaakt ziet - omdat het water in de kanalen
min of meer brak is - het in de nabijheid der woningen te halen uit
geïsoleerde, half drooge slooten, zonder er acht op te geven of deze
onrein en morsig zijn geworden, door omroering of door eene menigte van
nog levende of in staat van ontbinding verkeerende insekten, of wel door
bedorven plantaardige bestanddeelen.
f. Middelen om daaraan tegemoet te komen.
Deze zijn zonder twijfel de omstandigheden die op den
gezondheidstoestand van eenige gedeelten van Friesland een ongunstigen
invloed uitoefenen. Ook heeft men niet nagelaten te onderzoeken, of het
niet mogelijk zou zijn, deze invloeden te voorkomen en de ingezetenen te
vrijwaren tegen hare verderfelijke uitwerking.
Een brief van den Hollandschen Minister van binnenlandsche zaken
noodigde in 1809 de geneeskundige commissie van het departement uit, om
hare ernstige aandacht op dit onderwerp te vestigen. Ook verzocht de
heer professor A. Ypeij te Leiden een der leden van die commissie,
volkomen ingewijd in alles wat den natuurlijken toestand van Friesland
betreft, om, als het mogelijk was, een voorstel in te dienen, om dien
toestand van den waterstaat te verbeteren. Het rapport van dezen
geleerde verdient bijzonder de aandacht; doch, daar deze brief niet
bestemd is, om in de onderdeelen - waartoe het onderwerp aanleiding zou
kunnen geven - af te dwalen, komt het mij voldoende voor, om het
gewigtige er van te doen gevoelen.
Ook zal ik hier niet onderzoeken, of het doel zou worden bereikt, zonder
tot al te groote uitgaven te leiden en in welke mate een verlicht en
werkzaam toezigt verbetering belooft van den natuurlijken toestand van
de hoogere gronden van Friesland in betrekking tot den
gezondheidstoestand. Ik eindig dit rapport met op te merken, dat de
dysenterie (roode loop), eene ziekte, die zich in de andere Hollandsche
departementen bij jaarlijks voordoet, en dáár eigenlijk onder de gewone
ziekten moet worden gerangschikt, in Friesland uiterst zeldzaam
voorkomt, zoodat, volgens getuigenis van oude geneesheeren, deze ziekte
hier vóór 1779 nooit epidemisch heerschte.
Bovendien verklaarde D. J. Vitringa Coulon, een kundig geneesheer, die
gedurende 25 jaren een uitgebreide practijk heeft uitgeoefend, dat hij
deze ziekte nimmer had behandeld dan alleen in den laatsten zomer in het
dorp Nes, waar zij vele slagtoffers maakte, zonder zich echter over het
departement uit te breiden. (6) Ik heb de eer enz. Enz. ------- 6 De
hier genoemde Dr. J. Vitringa Coulon, waarschijnlijk de zelfde als op de
vorige bladzijde met een der leden van de geneeskundige commissie werd
bedoeld, heeft welligt de vorenstaande denkbeelden over den
gezondheidstoestand aan den Prefekt medegedeeld, doch later een
uitgebreid geschrift daarover uitgegeven, getiteld: Statistiek en
geneeskundig berigt wegen de geborenen en gestorvenen in Vriesland, in
1815-1828, 1831 als rapport aan den Gouverneur ingediend en door vele
tabellen toegelicht. Opmerkelijk is het, dat hij daarin bl. 11 env.
Omtrent de hier gemelde oorzaken der ziekten tot geheel andere
denkbeelden was gekomen. Red
Bibliotheek
|