Gedemolieerde
Blokhuis
Het gedemolieerde BLOKHUIS staat aan den zuidkant,
binnen de Stad, aan de Vesting of Bolwerk. De aanvang
der stichtinge is begonnen den tweeλntwinigsten van
Sprokkelmaand des jaars 1499, door Wilboort van
Schomburg, Stadhouder des Hertogs van Saxen. Dit huis is
by zyne eerste bouwing en voltoojing van veel grooter
omtrek en sterkte geweest dan tegenwoordig: want men
vindt by Gabbema1, dat destyds om hetzelve een gracht is
gegraaven van 280 roeden in den omtrek.
Vervolgens is dit gebouw, in den jaare 1571, door den
Onder-Stadhouder, Caspar de Robles, Heer van Billy, nog
aanmerkelyk Versterkt2; ook was hetzelve destyds de
verblyfplaats des Stadhouders, en altyd met genoegzaam
krygs volk voorzien.
Men vondt in den ouden wester gevel, aan de
rechterhand, een hardsteenen wapen, verbeeldende een
dubbelen Arend, met een schild voor denzelven, en daarop,
zo het schynt, twee hanen met oude Duitsche letteren
rondom het wapen doch geheel onleesbaar.
Aan de linkerhand vondt men insgelyks een wapen als
hangende aan een lint of strik, zynde het geheele schild
schoon, met een dwarsbalk door hetzelve, op welks beide
einden, op een afzonderlyk ornament, eenige Duitsche
letters gehouwen waren, doch ook geheel onleesbaar.
Voorts was in deezen gevel nog geplaatst het jaargetal
van 1515, welk waarschynlyk betekend zal hebben de
overdragt van Friesland aan Hertog Karel van Bourgondie;
ten minden vindt men by Gabbema3, dat Floris van Egmond,
Jonkheer tot Ysselstein, als Stadhouder van gemelden
Hertog, in den jaare 1515, den Saxischen Raad uit Eed en
dienst ontsloeg, en een nieuwen Raad uit ingebooren
Friezen aanstelde, welken nieuw aangeleiden Raad, hy
Stadhouder, by zich op dit Blokhuis ontbood, om den Eed
in zyne handen af te leggen.
Dit Blokhuis is in den jaare 1580, tusschen den
laatsten van Louw- en den eerden van Sprokkelmaand, door
een behendige krygslist van de Stads Schuttery en drie
kompagnien Staatsche Soldaaten, na dat het tachtig
jaaren gedaan had, gedemolieerd, de grachten gevuld en
de wal geslegt. Thans wordt dit huis gebruikt tot een
Provinciaal gevangenhuis, en is aldus gesteld: voor
hetzelve, aan den westkant, gelyk ook aan den noordkant,
is een ruim plein. Het laatste, dat met fraaye
lindeboomen beplant is, en den naam draagt van
Tournoibaan, levert van den west- en noordkant een
alleraangenaamst gezigt op.
Tusschen deeze twee pleinen is een pad, geheel met
steenen gevloerd, en aan weerskanten met blaauwe
arduinsteenen paalen en yzeren leuningen, mitsgaders een
sierlyke allee van boomen, voorzien, loopende tot byna
aan den kapitaalen ingang van dit huis, welke aan den
noordkant is, zynde een fraaye hardsteenen poort, naar
de Toscaansche orde gebouwd; boven dezelve ziet men de
Gerechtigheid verbeeld, sierlyk in hardsteen gehouwen;
aan weerskanten, bezyden de poort, is een zeer zwaare
muur, van boven met zwaare yzeren proppen en klaauwen
voorzien, zynde aan de rechterhand, op het einde van
deezen muur, een toren met een opgaande trap naar boven,
waarby de ter dood veroordeelde gevangenen, na hunne
Sententien op de Kansellary te hebben gehoord, op het
schavot worden geleid.
Binnen de poort ontmoet men eene ruime plaats, aan
welker linkerhand de gyzeling of civile gevangenis is,
bestaande dezelve in een ruime kamer met een vuurhaard
en de daarin vereischte legersteeden; voorts eene plaats,
overdekt met roosterwerk en rib, en afgescheiden door
een' muur en paalwerk van de groote plaats; op deeze
overdekte plaats hebben de aldaar zittende gevangenen
vryheid om te mogen wandelen.
Naast deeze gyzeling, aan de rechterhand, zyn twee
vertrekken voor den Cipier, tusschen welke vertrekken
een trap is, opgaande naar de groote zaal of
examinatie-kamer; zynde voorsz. vertrekken behangen, net
betimmerd, en met schuifraamen, op de groote plaats
uitziende, voorzien: aan de rechterhand van de poort
gaat men, over de groote plaats onder een verwulf, naar
het zogenaamde kleine gat, gemerkt met No. l, van welk
gat de muuren ontzaglyk dik zyn, en van binnen geheel
met hardsteen opgezet, kunnende alhier maar ιιn gevangen
teffens worden geplaatst.
Over gemelde gat is een zomervertrek voor den Cipier,
zynde eerst behangen kamer, die een alleraangenaamst
uitzigt heeft op de zogenaamde tournoibaan.
Nog is onder dit verwulf een gevangens gat, gemerkt
met No. 2, zynde dit het zogenaamde groot gat, onder het
schavot, geheel opgezet met hardsteen, en de muuren van
een ontzaglyke zwaarte; voor dit gat is een hardsteenen
poort, ter dikte van vier voet, en twee eiken deuren,
ieder van vier duim dikte, en alles met genoegzaam
yzerwerk voorzien, kunnende in dit gat twaalf gevangenen
teffens worden geplaatst. Van deeze gevangenhokken gaat
men te rug, onder voorengemelde verwulf, naar de keuken,
welke zeer ruim en met alle de vereischten naar behooren
is voorzien: by of omtrent deeze keuken is een
provisiekelder met een verwulf, zynde deeze kelder door
de noodige afschutzels, tot berging der onderscheiden
eetbaare waaren, genoegzaam afgescheiden.
1 Verhaal van Leeuwarden. bl. 237. 2 Gabbema verhaal van Leeuwarden, bl. 535. 3 Bl. 307 en 308. 4 Schot. Kron. van Friesl. bl. 842.
Voorts vindt men by deeze keuken een portaal, dat van
de plaats afkomt, en daarin een breede en zeer gemaklyke
trap, opgaande naar boven, alwaar een portaal is, Op
welks linkerhand men de groote zaal of examinatie-kamer
der gevangenen heeft, zynde dit ook het vertrek alwaar
de Sententien, geen doodvonnis behelzende, aan de
gevangenen worden voorgeleezen. Dit vertrek is zeer ruim,
en groot, en wordt verlicht door drie vensters van een
oude bouworde, uitzigt hebbende op de groote plaats; in
deeze zaal vindt men eene met groen laken overdekte
tafel, in welks midden het wapen van Friesland
geborduurd is; boven aan het einde deezer tafel, als ook
aan de twee kanten, heeft men vyf met groen laken
bekleede stoelen, en aan het beneden einde een houten
bank of zitplaats voor de gevangenen; nog zyn op deeze
zaal twaalf stoelen, insgelyks met groen laken bekleed.
Op deeze kamer is in den jaare 1784 geplaatst de
pynbank, waartoe voortyds een afzonderlyk vertrek werd
gebruikt, zynde zo geschikt en beknopt gemaakt, dat de
geheele pynbank met derzelver instrumenten, geen meer
plaats in de breedte dan twee en een tweede voet, en in
de lengte maar tien voeten ruimte wegneemt.
Naast deeze kamer, aan de linkerhand, is de ingang tot
het zogenaamde groot gat met No 3, zynde een korte gang,
waarin is eene lichtschepping, vervolgens eene deur van
rib, en tusschen beiden een portaal, waar na de ingang
volgt tot het gemelde gat zelf, dat zeer hecht gemaakt,
en by uitstek zuiver en luchtscheppend is; hier vandaan
gaat men, westwaarts, langs een gang, naar de zogenaamde
Studentekamer: deeze kamer is met een ledikant en
haardstede, als ook met een venster of lichtschepping,
voorzien; van dezelve gaat men by een trap op naar een
kamertje, dat aan den Cipier behoort, en aan den oost-,
zuid- en westkant der Vesting of Bolwerk, een
alleraangenaamst uitzigt heeft.
Hieruit met een trap naar de, in den jaare 1783, nieuw
gemaakte gevangenisvertrekken gaande, ontmoet men eerst
een portaal, en aldaar recht uit het vertrek, getekend
met No. 8, zynde zeer hecht gemetzeld, en tot
verzekering met genoegzaam yzerwerk voorzien; echter
zeer fris en lichtscheppend. Van daar het portaal
noordwaarts gaande, heeft men het vertrek met No. 9. in
alles gelyk aan dat van No. 8; vervolgens een gang
westwaarts, waarin, aan de rechterhand, de ingang is tot
drie gelyksoortige vertrekken, getekend met No. 10, n en
14.
Den gang weder te rug gaande, zyn aan de linkerhand
twee dergelyke vertrekken, met No. 13 en 12.
Uit het voorengemelde portaal, by de zogenaamde
Studente-kamer, gaat men de rechterhand om door een'
gang, in welken aan de rechterhand een hok is tot
berging van goederen, en aan de linkerhand het vertrek
voor de gevangen zynde vrouwspersoonen, gemerkt met No.
7; zynde dit een ruim vertrek, dat geen gebrek heeft aan
frissche lucht, en voorzien is met de noodige
legersteden. Uit voorschreeven gang gaat men mede op de
turf en houtzolders, en by een trap op naar den
stroozolder. By het voorengemelde vertrek der
vrouwspersoonen is een trap, neergaande naar de
geesselzaal, of de plaats alwaar de gevangenen worden
ontkleed: op deeze zaal is een gevangenisvertrek mee No.
4, als mede de deur van de trap onder by den toren
opgaande. Van deeze zaal gaat men westwaarts, door een
gang, naar het schavot, in welken aan de rechterhand
twee gevangenisvertrekken, getekend met No. 5 en 6;
zynde dit laatste een vertrek, alwaar de te water en
brood veroordeelde gevangenen geplaatst worden.
Ten einde van deezen gang is een ruim vertrek,
verlicht door twee schuifraamen, en uitzigt hebbende op
het schavot; in dit vertrek zich men een Justitiepaal,
waaraan de in het geheim gestraft wordende gevangenen
worden gegeesseld.
Ook vindt men hier het kruis, waarop gerabraakt wordt;
nog hangt hier een Crocodil, voor veele jaaren aan onze
Friesche Zeekust gevangen, en eertyds op het Kollegie
der Edele Mogende Heeren Gedeputeerde Staaten geplaatst,
doch, by de verbouwing van dat Collegie, alhier
opgehangen.
Uit dit vertrek komt men, door eene deur, op het
publiek Schavot, zyn uitzigt naar 't Westen hebbende, en
rondsom met yzeren leuningen voorzien: in den
Zuidwesthoek van hetzelve, staat een blaauw
arduinsteenen Justitie paal, en boven op den zelven een
Leeuw, houdende het Provinciaale wapen voor zyn borst.
Deeze Westergevel is in den jaare 1783 geheel
vernieuwd, en pronkt van boven met een hardsteenen
frontispice, naar de Toscaansche orde gebouwd in het
midden op de frontispice is geplaatst het Provinciaale
wapen, dat van boven met een kroon versierd is, en aan
weerskanten dooreen liggenden Leeuw wordt vastgehouden,
zynde alles van hardsteen gemaakt.
Van meergemelde Schavot weder naar binnen gaande, door
het laatstgemelde vertrek, gang en geesselzaal, komt
men, door een tweeden gang, by de Droefkamer, in welke
de ter dood verweezen gevangenen, na dat hun de
bereiding daar toe is bekend gemaakt, hun laatsten
leeftyd doorbrengen, en alwaar niet alleen de
Predikanten, maar ook wel andere godvruchtige menschen,
deeze gevangenen tot den laatsten oogenblik bezoeken. In
deeze kamer heeft men een bedsteed, vuurhaard en eenige
zitbanken.
Van deeze kamer gaat men, langs dezelfde trap waar by
men opgekomen is, naar beneden op de groote plaats by
den ingang of poort.
Dit huis is van boven met blaauwe pannen en leyen
gedekt, en met drie Windwyzers voorzien. Aardrijkskundig woordenboek van der Aa, vanaf 1839. CAMMINGHABURG of Cambuur, ook wel onder den naam van het
Oud-Blokhuis bekend, voormaals een adell. slot, prov.
Friesland, kw. Oostergoo, 5 min. beoosten en onder het
behoor van de stad Leeuwarden.
Deze zeer oude stins was geheel uit eene diepe en breede
gracht, die haar omringde, opgetrokken, door hovingen en
singels omgeven en nog door eene tweede gracht en
afzonderlijke voorpoort van den algemeenen weg
afgescheiden. het huis, reeds zeer vroeg door het
adellijk geslacht Cammingha gebouwd, werd in het jaar
1306 door den Potestaat Regnerus Cammingha bewoond, en
had in 1398, toen het bewoond werd door Gerrit Cammingha,
die met Hertog Albrecht van Beijeren heulde en
Hollandsche bezetting ingenomen had, een hevigen aanval
van de Friezen te verduren, die het slot innamen en de
bezetting ombragten of verdreven.
Het werd achtervolgens door verschillende leden van de
geslachten Cammingha, Juckema, Eminga, Burmania en
Rengers bewoond; doch toen het, in het midden der vorige
eeuw, ledig gelaten werd, is het, na den brand van het
Lands Tuchthuis te Leeuwarden, een tijdlang gebruikt
geworden tot eene bewaarplaats van gevangenen, en later
van lands ammunitie. In 1810 is het slot met de kapel,
voorpoort en nevenstaande boerenwoning afgebroken, en de
hooge standplaats van het slot zelf beplant met
populieren, die nog lang, zelfs op eenigen afstand, de
geheugenis aan het vroeger zoo beroemde gebouw levendig
hielden.
Doch ook deze herinnering is in 1838 verdwenen en die
plek sedert geslecht, de diepe grachten grootendeels
gedempt, en verder alle sporen van vroegere bewoning en
beplanting uitgewischt.
▲
geschiedenis |
|