|
BIJZONDERE STRAFGEVANGENIS EN HUIS VAN BEWARING
1875-1970 [Tekst]
IJje Wijkstra Het digitale dossier ►IJje
Wijkstra IJe IJes Wijkstra (ook: IJje) (Doezum, 4 juli 1895 – Eindhoven, 6 juni 1941)
werd bekend door een viervoudige moord die hij pleegde in 1929 in Doezum.
Boek "teken van het beest" ►Te
Koop
Brief van IJje aan Pieter Veenstra ►Brief
van IJje uit HvB Groningen IJje Wijkstra
werd geboren als de jongste van vijf kinderen van IJe Hendriks Wijkstra
en Sjouktje Derks van Bolhuis. Zijn vader was los-arbeider. Dat hield in
dat hij geen vast werk had en derhalve ook geen vast inkomen. Naar het
schijnt konden beide ouders slecht met elkaar over weg, hadden ze ruzies
over het geloof, en vielen er regelmatig klappen. Na de lagere school
ging IJe leren als metselaarsleerling. Daarnaast zou hij samen met zijn
vader gestroopt hebben; vast staat in ieder geval dat IJe goed met een
geweer wist om te gaan. IJe kan als ervaren voeger redelijk in zijn
eigen onderhoud voorzien. Hij blijft bij zijn moeder wonen en zou
anarchist geweest zijn. Hij moet niets hebben van het gezag. Overigens
meende IJe zelf dat hij leed aan een zenuwziekte.
In 1928 krijgt hij een verhouding met Aaltje Wobbes, de vrouw van zijn
vriend Hendrik Wobbes. Deze vriend zit dan vast wegens diefstal. Volgens
de overlevering heeft Aaltje een grote invloed op IJe.
Hij blijft veertien dagen bij haar. Enige tijd later trekt Aaltje bij
IJe in en laat haar zes kinderen in de steek. Moeder Wijkstra wil dat
niet meemaken en vertrekt. Wegens het in de steek laten van haar
kinderen wil Justitie in Groningen Aaltje horen. De burgemeester van
Grootegast krijgt opdracht Aaltje aan te houden en naar Groningen te
laten brengen. Klaarblijkelijk voorziet de burgemeester problemen, want
hij laat maar liefst vier veldwachters de opdracht uitvoeren, twee
gemeentelijke en twee rijksveldwachters.
Op 18 januari 1929 wacht Wijkstra de veldwachters op met een karabijn.
Volgens de overlevering zou het zo'n 18 graden gevroren hebben die dag.
IJe weet alle vier veldwachters neer te schieten, bij drie snijdt hij
later ook nog de keel door. Zelf raakt hij lichtgewond. Hij brengt
Aaltje onder bij een neef en vlucht naar Groningen. Op weg naar het
ziekenhuis wordt hij aangehouden.
In april 1929 wordt hij door de rechtbank in Groningen tot levenslang
veroordeeld. In hoger beroep maakt het Gerechtshof te Leeuwarden daar 20
jaar van.
In 1941 wordt Wijkstra van de strafgevangenis in Leeuwarden
overgeplaatst naar het Rijkskrankzinnigengesticht te Woensel
(Eindhoven). Daar sterft hij enige weken later op 45-jarige leeftijd aan
de gevolgen van TBC. Hij wordt op 10 juni 1941 te Eindhoven begraven.
Het drama in Doezum baart zeer veel opzien. De begrafenis van de vier
agenten wordt een nationale gebeurtenis en in het gemeentehuis te
Grootegast wordt een plaquette aangebracht, ter herinnering aan de vier
veldwachters. Het leven van Wijkstra is vastgelegd in meerdere boeken,
onder andere door Rink van der Velde. Het werd in 1980 verfilmd door
Pieter Verhoeff, onder de titel Het teken van het beest.
IJe IJes Wijkstra, geboren op 04-07-1895 te Doezum, overleden op
06-06-1941 te Eindhoven op 45-jarige leeftijd, begraven te Eindhoven. In
de barre winter van 1929 voltrok zich in het Fries-Groningse grensgebied
een gruwelijk drama, waarvan het nieuws een schok door ons land deed
gaan. In de tijd van enkele ogenblikken werden daar vier politiemannen
bij het uitoefenen van hun plicht om het leven gebracht door de
mysterieuze vrijbuiter Eije Wijkstra, een man, die velen vreesden, maar
die voor deze slachting toch nauwelijks met de justitie in aanraking was
geweest.
Eije Wijkstra...een naam, die eens over miljoenen lippen ging, een naam,
die sommige ouderen nu nog doet huiveren. Wie was hij, wat deed hij, hoe
kwam hij tot het plegen van het meest geruchtmakende misdrijf in de
laatste honderd jaar?
Als de jongste in een gezin met vijf kinderen werd Lutje Eije, zoals men
hem altijd bleef noemen, danig verwend. Overigens was armoede troef in
huize Wijkstra: als los arbeider kon de oude Wijkstra amper de kost
verdienen. Onenigheden tussen de (Hervormde) vader en de (Gereformeerde)
moeder waren aan de orde van de dag; niet zelden werden de argumenten
door handtastelijkheden kracht bijgezet.
Op school was Eije een middelmatige leerling; toen hij twaalf was zei
hij de school vaarwel om zelf wat te verdienen als metselaarsleerling;
ook mocht hij wel met vader het veld in om te jagen. Senior was een
voortreffelijke schutter, Junior wilde niet z'n mindere zijn.
Zeventien jaar oud zag Eije voor de eerste maal een herberg aan de
binnenkant; met veel oudere mannen proefde hij z'n eerste alcohol, hij
begon te drinken, hij werd snel een drinker. Daarbij rookte hij veel:
bij de markante kop met de scheve pet en de knalrode halsdoek hoorde een
stoere pijp. Eije krijgt een verhouding met Aaltje Wobbes-Van der Tuin,
wiens echtgenoot elders verblijft.
Zij heeft hem volkomen in de macht - veertien dagen en nachten blijft
Eije bij haar; dan keert de man naar z'n huisje en zijn oude moeder
terug: er volgt een scheldpartij, zodra het oude mens hoort, dat hij al
die tijd bij een getrouwde vrouw en moeder van zes kinderen is geweest.
Eije's moeder verlaat dan het huis; vrouw Wobbes laat haar kinderen
(leeftijd een tot veertien jaar) in de steek en trekt bij Eije in.
De 17e januari 1929 verzocht de substituut-officier bij de Rechtbank te
Groningen de burgemeester van Grootegast om Aaltje Wobbes te doen
voorgeleiden. Omdat ze wel op moeilijkheden rekent, stuurt de politie in
het vroege morgenuur van de bitterkoude dag daarna vier politiemensen op
pad om Aaltje bij Eije vandaan te halen. Het zijn Mient van der Molen,
chef-gemeenteveldwachter te Grootegast, Aldert Meijer,
gemeente-veldwachter te Opende, Herman Hendrik Hoving, rijksveldwachter
te Opende en Jan Werkman, rijksveldwachter te Sebaldeburen, die het
huisje van Eije Wijkstra omsingelen.
Eije pakt een karabijn en een geladen pistool en stopt vlug nog wat
patronen in de broekzak. Een moment later verscheuren enkele schoten de
stilte van de wintermorgen: getroffen in hoofd en buik zakt
chef-veldwachter Van der Molen in elkaar. Zodra Eije daarna Hoving en
Werkman in het vizier krijgt, laat hij zich op een knie zakken, drukt de
karabijn op de schouder en met een aantal schoten uit het automatische
wapen worden de beide politiemannen geveld. Dan komen er enkele schoten
terug van Meijer, waardoor Wijkstra wel wordt geraakt, maar toch niet
ernstig wordt gewond.
Wanneer Eije ziet, dat Meijer dekking zoekt in een sloot, maakt de
moordenaar een omtrekkende beweging, laadt onder het lopen z'n wapen
opnieuw, knielt dan weer, richt z'n karabijn en schiet ook Meijer in
borst en buik.
Al z'n vijanden heeft hij nu geveld, maar zekerheidshalve rent Eije
Wijkstra nu naar z'n huisje terug, haalt een vlijmscherp mes en snijdt
z'n slachtoffers de keel uit. Dan pakt hij de petroleumkan, gooit de
inhoud leeg over z'n schamele huisraad en steekt de brand er in.
Drie maanden na de tragedie, op 22 april 1929, verscheen Eije Wijkstra
voor de rechtbank in Groningen. Twee weken later, bij de uitspraak,
bleek de rechtbank hem schuldig te achten aan doodslag, driemaal
gepleegd (op Hoving, Van der Molen en Werkman) en aan moord, eenmaal
gepleegd (op Meijer) en veroordeelde hem conform de eis van de Officier
van Justitie tot levenslange gevangenisstraf. Wijkstra tekende beroep
aan en op 20 juni 1929 kwam de zaak opnieuw in behandeling, nu voor het
Gerechtshof in Leeuwarden.
Uiteindelijk deed het Hof op 26 mei uitspraak: het achtte Eije Wijkstra
schuldig aan doodslag, vier maal gepleegd en veroordeelde hem tot een
gevangenisstraf voor de tijd van twintig jaar.
Aangetast door tuberculose en helemaal uitgeteerd werd Eije Wijkstra in
1941 van de stafgevangenis te Leeuwarden overgebracht naar een
krankzinnigengesticht te Eindhoven. Slechts twee weken daarna kwam hij
nog eens, en nu voor het laatst, in het nieuws: de moordenaar van
Grootegast had voorgoed z'n ogen gesloten.
(Bron: Rare Snaken door Fenno L. Schouwstra, Leeuwarden 1975).
Levens geschiedenis IJje Wijkstra
Op verzoek van de reclassering ambtenaar schreef IJje Wijkstra in April
1929 in de gevangenis zijn levens geschiedenis, De inhoud van deze brief
leest u hier onder.
Ik vind het niet gemakkelijk om aan Uw verzoek te voldoen wat betreft
een beschrijving te geven van mijn leven. Ik kan mij natuurlijk lang
niet alles meer herinneren, zodoende zal ik wel vele dingen voorbij
moeten laten gaan, die misschien wel hele gevolgen voor mij hadden
gehad.
Want ons leven is een aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen, waaruit
onze daden, hetzij groot of klein, goed of kwaad, noodwendig moeten
voortvloeien, welke dan meteen weer een reeks oorzaken met zich
meebrengen.Het leven van een mens is zo vreemd en ingewikkeld en wordt
mijns inziens door zulke geheimzinnige motieven geleid, zodat men ten
slotte genoodzaakt wordt in zichzelven het grootste raadsel te zien. Wat
mijn eigen mening aangaat, zou ik hierover heel wat te vertellen hebben,
maar het zegt voor een ander niets en daarbij, ik kan ook overal niet
bij stilstaan, daarvoor is de tijd die mij gesteld is te kort.
Ik moet dus proberen in zo weinig mogelijk woorden het voornaamste uit
mijn verleden zo duidelijk mogelijk voor te stellen waaruit men een
gevolgtrekking kan opmaken en ten slotte een beeld voor ogen krijgt, hoe
of het mogelijk is, dat zo een vreeselijk drama, welke ik begaan heb en
die zo tegen de menselijke natuur indruist en zoals ieder wel begrijpt,
de armzalige toestand, waarin ik mij thans bevindt er het noodlottig
gevolg van moest worden, toch mogelijk geweest is, hoewel ik de eerste
tijd na het plegen der feiten slechts vaag en objectief leefde want mijn
gevoel was tijdelijk verdoofd vanwege de vele emoties, kwam in de
eenzaamheid van mijn cel vooral 's nachts, langzamerhand de reactie,
waardoor een berg van wroeging en berouw voor mij oprees en ik mijn
eigen toestand duidelijk bewust werd, zodoende werd ik gedwongen om diep
tot in het oneindige over alles te denken, wat mij vreeselijk inspanning
veroorzaakte en veel moeite heeft gekost, zo zelfs dat het mij duizelde
en ik soms dacht plotseling geheel krankzinnig te worden.
Ik prakkiseer hier altijd want ik kan nergens met mijn gedachten heen.
Bovendien heb ik zulk geestdodend werk met papiervouwen zodat de
gedachten steeds doorwoekeren. Toch ben ik onder dit alles nog staande
gebleven, tenminste als ik het zo mag noemen want mijn inwendige
subjectieve zielstoestand is meer dan verschrikkelijk.
Ik kom hier straks nog nader op terug. Maar objectief ben ik geheel
normaal. Ik geloof zelfs meer dan normaal en zodoende is het mij
mogelijk geweest en heb ik naar mijn mening de juiste draad gevonden
langs welke het mogelijk is van mijn vroegste jeugd af tot aan mijn
hedendaagse toestand het raadsel van mijn wezen en van mijn gedrag op te
lossen. Ofschoon de geest zeer veel heeft te lijden van deze
gevoelkwestie. Hoewel ik nog maar slechts 33 jaar oud ben, ik word de 4
juli 34 jaar, toch heb ik al reeds een veelbewogen leven achter mij vol
smart en bittere ondervinding, welke mij tot heden als demonen
achtervolgd hebben.
Ik ben nooit gelukkig geweest, behalve dan die weinig onschuldige
kinderjaren, hoewel dit voor mij ook van zeer korte duur is geweest. Wij
waren met ons vijven van broers en zusters. Er zijn zeven geweest, maar
twee zijn op jeugdige leeftijd gestorven. Nu was Dirk de oudste, dan
volgde Hendrik dan Roelfke en dan Aaltje en eindelijk ik. Ik was de
jongste zoals gezegd en daarbij naar mijn vader genoemd, zodoende kon ik
het dan ook niet bederven.
Ik kreeg in alles mijn zin. Toch heb ik lang geen weelde gekend want wij
leefden in armoedige omstandigheden, hoewel het ergste toen al voorbij
was. Het is zo jammer dat de tijd mij dringt anders zou ik veel
uitvoeriger alles beschrijven. Ik had een zachte gevoelige natuur en was
buitengewoon verstandig. Moeder heeft mij later vaak verteld dat zij
reeds enige dagen na mijn geboorte vreemde dingen in mij bespeurd had,
geheel verschillend met mijn andere broers en zusters, maar zij wist
niet hoe of wat en zij kon er geen naam voor vinden.
Helaas dit zou later op mijn menig droevige manier bewaarheid worden,
moeder werkte in die tijd veel op het land, bij ons zelf maar ook veel
voor een ander, bijvoorbeeld schoffelen en wieden en hooien. Ik was dan
als kleine jongen van 4 a 5 jaar altijd bij haar.
O hoe vermaakte ik mij op een eigen manier. Ik verveelde mij nooit en ik
merkte toen reeds vele dingen op wat betreft het leven en de kleuren van
vogels en bloemen en insecten. Andere kinderen van mijn leeftijd zouden
daar nooit aan denken. Ik kan mij nog veel uit deze jaren herinneren.
Ook stelde ik mijn ouders toen al menige vraag naar het hoe en waarom
van de dingen om ons heen.
Moeder vertelde mij dat het allemaal Gods werk was en als ik later groot
was zou ik alles veel beter begrijpen, maar als ik dan maar steeds
verder vroeg, want ik was niet zo gauw bevredigd, dan ging moeder even
bij mij zitten en dan vertelde zij mij van de goede God en de Engelen
met vleugelen, waarbij ik dan een en al gehoor was. Moeder riep ik dan
wanneer gaan wij eens naar de hemel. Want ik wil alles zien, ook hoe die
engelen vliegen net zoals onze duiven. In die tijd kan een kind zulke
wonderlijke vragen doen.
Stil nu kind zei mijn moeder dan, ik moet weer aan het werk want je
scheit nooit uit met vragen. Ik zal je er later wel meer van vertellen
en wij gaan ook eens naar de Hemel toe, daar zullen we dan altijd wonen.
Wat was ik dan gelukkig met die onschuldige kinderdromen, en nu terwijl
ik dit alles neerschrijf en aan mijn moeder terugdenk, ligt mijn zakdoek
naast mij, want tranen verduisteren mijn ogen. Ik stik bijna van
ontroering want ach, hoe wreed zou dit alles later verscheurd worden.
Als men soms alles vooraf wist, zou men wensen nooit geboren te zijn,
tenminste ik....
Toen brak mijn schooltijd aan en de eerste schaduw viel op mijn jonge
leven. 0, wat staat mij alles nog voor de geest, die eerste morgen, toen
ik met mijn zuster Aaltje voor het eerst naar school moest. Moeder
bracht ons halfweg de Rottelaan. Zij had mij het hele eind gedragen en
toen zij mij neerzette, toen volgde er een hartroerend afscheid. Ik
snikte het uit en was niet in staat mijn weg in tegenovergestelde
richting te vervolgen.
Het is jammer dat ik niet alles tot in kleinigheden kan vermelden. Dat
laat mij de gestelde tijd niet toe. Het schoolgaan beviel mij niet heel
best. Ik had een vreeselijk heimwee naar huis. De dagen vielen mij wel
een week lang en ik gevoelde mij op de schoolbank precies zoals ik mij
nu voel. Ik ben altijd in het vrije veld opgegroeid en heb altijd op
dezelfde plaats gewoond. En als ik dan 's avonds de school uit kwam, dan
was ik de eerste de weg uit, met de klompen in de hand holde ik voort of
het nat of droog was, daar stoorde ik mij niet aan.
Ik wilde zo hard ik kon naar huis. Aaltje bleef drie avonds in de week
op de breischool. Moeder stond mij dan op te wachten en o welk een
weerzien na slechts een dag scheiden. Ach wie zou toen hebben gedacht,
dat ik voor mijn lieve moeder zulk een bron van leed zou worden en toch
is.het zo dat straks wel zal blijken. Ik was bij de school meest alleen
want ik voelde mij niet veel tot de andere kinderen aangetrokken. Ik
vond ze ruw en wreed en het lijkt nu wel vreemd, maar vaak heb ik een
stekelvarken of een kikvors of meikever voor hun ruwe natuur in
veiligheid gebracht want het is eigenaardig, maar ik vond dat je een
insekt of zoiets niet mocht doden. Ik had zoals gezegd, een wonderlijk
gemoed.
Ik was meer medelijdend dan de anderen. Mijn liefde voor iets ging veel
dieper, maar als mij drift ontstak over het een of ander dan was dat
gevoel ook veel sterker dan bij de anderen bij mij aanwezig. Deze
gevoelens zouden mij later parten spelen en wel op een zonderlinge
manier. Het medelijden met Aaltje (de vrouw van Wobbes) is een
belangrijke factor geweest. Ik ben zes jaar naar school geweest en ben
tot de vijfde klas gekomen. Ik ben veel thuis gebleven uit mijzelf, maar
ook vanwegen het weer want wij moesten drie kwartier lopen. Ook ben ik
vaak onder weg gebleven, wel alleen maar ook met de gebroeders Van Dijk,
waarvan de een nu als getuige in mijn zaak zal worden gehoord.
Wie had dat toen kunnen denken? Mijn rekenen en schrijven ging niet
bijzonder best in school, maar mijn lezen ging zoveel beter. Dat kwam
omdat dat beter in mijn smaak viel. En als het vrijdagmiddag was, dan
vertelde meester Tamsma ons een sprookje. Ja, ik hield het toen voor
waarheid, daar hield ik reusachtig van en die oude meester kon het zo
mooi vertellen van Klein Duimpje, Roodkapje en Dik Trom en meer van die
verhalen. 0, het was toch zo'n goede man die meester Tamsma. Hij is nu
gepensioneerd en woont hier in Groningen. Ik wens hem nog veel gelukkige
jaren toe. De verhouding tussen mijn ouders was verre van gelukkig.
Vader was hervormd en moeder gereformeerd en hierover ontstond de
onenigheid welke vaak zohoog opliep, dat het vaak tot handtastelijkheden
kwam want vader was een onverstandig man. Maar moeder was de liefheid en
goedheid zelve. Later, toen ik groter werd, heb ik haar vaak voor de
ruwe behandeling van vader bewaard. Ik vind sommige dingen opmerkelijk,
vader dreigde haar op een morgen te zullen doden en diezelfde dag
verlamde zijn arm door een ongeval. Ik ben in de hervormde kerk gedoopt,
maar ik ging nooit naar de kerk toe behalve op kerstdag of op een
oudejaarsavond. Moeder wilde mij zondags mee naar de kerk hebben, maar
vader wilde het niet, tenminste niet naar de kerk van de finen zoals hij
zei. Laat de jongen dat zelf maar uitmaken zei hij. Wij bidden en lazen
ook wel eens bij het eten, maar dat ging niet geregeld want ook dat ging
vader zoveel mogelijk tegen.
Ik heb ook nog een tijdje op de zondagschool gezeten, vreemd al hoe goed
vader ook tegen mij was, ging mijn sympathie geheel over moeders kant.
Als het soms gebeurde dat ik alleen met moeder thuis was, dan had zij
geen rust of duur, want dan moest zij mij vertellen, zo lang drong ik
aan. En dan vertelde moeder over van Genoveva.
Dat lieve sprookje heeft zij mij wel honderd maal verteld en dan leerde
zij mij een morgen- en een avondgebedje, waarbij zij mij dan vermaande,
dat altijd op te zeggen, ook als er een tijd kwam dat zij er niet meer
was. Helaas, hoe is door verschrikkelijke invloeden van twijfel in mijn
hart gekomen en heeft mijn eenvoudig kinderlijk geloof vernietigd.
Wie zou toen hebben gedacht dat ik vijfentwintig jaar later als
hulpeloze gevangene, in een hoek mijner cel in vertwijfeling zou
neerknielen roepende tot God, welke ik in mijn leeftijd van achttien tot
dertig jaar zo vervloekt heb en bespot. Het lezen van allerlei duistere
lectuur heeft hoofdzakelijk mijn geloof ondermijnd, en nu smeek ik
dezelfde God om behoudenis en vraag ik ootmoedig om teruggave van mijn
kinderlijk geloof, hetwel mijn moeder mij geleerd heeft. 0 hoe moeilijk
valt het mij dit te schrijven. Het brengt mijn gehele gemoed in
opschudding, maar ik moet voortmaken, want ik ben nog maar aan het begin
en er is nog zoveel.
Ik ging in die jaren met vader naar de Marumer markt en naar
Surhuisterveen en dat waren voor grote feestdagen. Ik zag dan allerlei
vreemde dingen, welke ik niet kon verklaren en dat had juist de meeste
aantrekkingskracht voor mij want hoe vreemd, het mystieke en
geheimzinnige heeft mij altijd onweerstaanbaar aangetrokken. Als ik met
vader winteravonden te avondpraten gingen, wat nogal vaak gebeurde, dan
ging ik het liefst naar oude mensen.
En als wij dan om het haardvuur zaten, dan had ik het liefst dat ze hele
avond over spoken praten. Ik werd hierdoor verbazend bang, vooral in het
donker en dat is mij altijd bij gebleven en is zelfs na het lezen van
die vreeselijke boeken van Flammarion nog veel erger geworden. Ik
geloofde onvoorwaardelijk in spoken en bovenaardse dingen. Al die soort
dingen werkten ontzettend op mijn gemoed.
Toen ik van school kwam heb ik het voegen en metselen geleerd. Eerst bij
mijn broers want vader was toen al haast 70 jaar en ging niet veel meer
uit. Wat ik leren wou, had ik al heel gauw onder het verstand. Het
voegen en metselen is mij altijd goed bevallen, hoewel ik ook wel eens
iets anders heb geprobeerd.
Dit kwam ook omdat er altijd lang geen metsel en voegwerk was. Toen mijn
broers eens aan een nieuw huis bouwden aan de Friese dijk - dat was het
tweede huis dat ik voegde - toen gebeurde het eens op een nacht. Ik en
Dirk sliepen in dat nieuwe huis op zolder in een hoop stro, want er
woonde toen nog niemand in. Ik had toen nog geen fiets en daarom bleven
ik en Dirk daar met ons beiden. Ik heb toen verschijnselen waargenomen,
welke ik tot op deze dagnog steeds voor onnatuurlijk houd. Ik maakte
Dirk wakker en die heeft het toen ook gehoord. Dit zal mijn broer Dirk
nog wel weten. Wij hoorden toen duidelijk verschillende geluiden in dat
huis en het kan niet anders of het moeten spoken zijn geweest. Toen ik
een jaar of zestien/zeventien was, zette ik het voegen en metselen
helemaal zelfstandig door.
Ik kwam toen bij H. Scheffer te Doezum. Daar heb ik veel huizen voor
gevoegd. Tot zover was ook altijd mijn kinderlijk gevoel voor onschuld
gebleven. Ook geloofde ik toen nog grondig vast zoals moeder, maar nu
zou helaas spoedig de afbraak beginen. Er werd onder timmerlieden in die
tijd veel sterke drank gedronken, vooral bij Scheffer. Deze man is
hierdoor ook failliet gegaan. Het was anders een goeie kerel. Het
spreekt vanzelf dat ik ook mijn part er aan deed, want ze zeiden zoiets
eerst een man uitmaakte. En ieder wil in die jaren graag groot wezen. En
op dat gebied was ik net als ieder ander. Bovendien bracht het mij in
enige tijd in verrukkelijke geestvervoering en dit was mij dubbel
aangenaam omdat ik van jongsafaan altijd in een pessemistische stemming
had verkeerd.
In die tijd ben ik eens voor dronkenschap opgebracht. Het is vreemd,
maar ook onder de invloed van alcohol was ik steeds zachtaardig van
aard. Ik heb dan voor dit droeve geval nooit in een vechtpartij of
zoiets gezeten. Helaas hoe treurig werkt de alcohol. Het werkt op onze
hersenen en ruggemerg. Ik zou dat spoedig genoeg ondervinden. Ik rookte
in die tijd veel en las vele boeken, meest romans maar langzamerhand
begon ik met zwaardere lectuur.
Ik bevond mij nu voor goed op het hellende vlak. En het kwaad dat ik mij
op verschillende manier zelf toebracht, kwam op onverbiddelijke manier
op mijzelf terugvallen. Dit is een vaste wet, maar dat wist ik toen nog
niet. Onbewust bracht ik mijzelf in die vreeselijke toestand die
eigenlijk niet te beschrijven is, namelijk zenuwziekte. Ik had daar toen
nog geen idee van wat dat eigenlijk zeggen wilde. Helaas thans weet ik
het maar al te goed. In die tijd begonnen er verschillende siemptonen
bij mij voor te doen. Ik werd bij de dag ongelukkiger.
Ik kon niet meer slapen en als ik soms even insluimerde dan werd ik met
een schrik wakker want ik werd onmiddellijk gekweld door akelige dromen.
Ik werd duizelig en leed aan hevige hoofdpijnen. Ik zag hol en angstig
uit mijn ogen en ik kreeg hartkloppingen. Ik was helemaal opgejaagd en
ontstak spoedig in een hevige drift. Ik had het erg in de rug en de
benen. Ik kreeg vrees voor de mensen. Ik was neerslachtig en moedeloos.
Daarbij kwam nog een vrees voor het ongeziene. Ik meende namelijk nooit
alleen te zijn. Ik meende altijd dat er iets was dat naar mij zag, en
dat ik niet kon zien. Dit denkbeeld vervolgde mij zodat ik het soms wel
wilde uitschreeuwen.
Een ieder begrijpt dat ik in deze toestand niet meer in staat was om
mijn werk te verrichtten. Dat mijn moeder onder dit alles leed laat zich
begrijpen want in mijn prikkelbare toestand kon ik haar geen goed
antwoord geven. Maar voor de buitenwereld hield ik alles zoveel mogelijk
geheim.Mijn moeder en ik woonden toen al lang tezamen. Vader was in 1916
overleden. Mijn broer Hendrik was getrouwd. Dirk ging bij vreemden in de
kost. Roelfke was ook getrouwd en Aaltje diende bij de boer.
Op zeker dag in de herfst van 1918 ging ik eens naar Groningen om in
mijn toestand te voorzien. Waar ik heen wilde wist ik toen nog niet,
maar toen ik toevallig door de Oosterstraat liep, trof mij aan
uithangbord met het opschrift: Dr. Jager, arts, speciaal voor zenuwen en
zielsziekten. Ik ging naar binnen en besloot de dokter te raadplegen. Dr
Jager leeft nog en kan dus mijn bewering staven.
Alles in dit schrijven kan men immers onderzoeken als men ten minste
twijfelt aan de waarheid. Hij ondervroeg en onderzocht mij en ik lag hem
alles uit. Ik heb ongeveer een half jaar met hem gemeesterd. Hij gaf mij
medicijnen en de raad hoe ik mijn leven moest inrichten.
Ik werd na enige tijd werkelijk iets beter, maar ik ben het nooit te
boven gekomen, integendeel er heeft zich langzamerhand in mijn gemoed,
of laat mij liever zeggen in mijn onderbewustzijn een proces afgespeeld,
zo vreemd en zo verschrikkelijk, zodat het haast niet te geloven is. Er
heerst namelijk tweespalt in mijn persoonlijkheid. Ik zal dit straks nog
nader verklaren.
Ik moest naar een inrichting geweest zijn, had ik mij bijtijds de kennis
gehad welke ik nu heb, dan had ik deze kloof kunnen keren. Ik heb dat
alles meer dan smartelijk bij mij zelve ondervonden. Zoals gezegd, werd
mijn toestand wel iets beter. Ik gebruikte helemaal geen alcohol meer.
Dat is wel eigenaardig, dat kon ik heel goed laten. Dat komt omdat dit
kwaad nog door de wil bepaald en beheerst werd, met andere woorden mijn
zelfbeheersing woog nog op tegen dit kwaad.
Ik was er nog niet bang voor, zodoende was ik in staat het te
onderdrukken want als wij bang voor het kwaad worden dan trekt het ons
juist met magische kracht aan en wat meer als wij er ons tegen verzetten
en met alle geweld trachten het goede te doen.
Met even zoveel kracht zal het kwade uit tegenovergestelde richting op
ons inwerken, zo erg zelfs, dat wij in plaats van het goede te doen wat
wij willen, juist het kwaad moet uitvoeren, wat wij niet willen. Dat is
net zoals Paulus zegt en wat die heeft gezegd dat is waar. Zo kan de
mens tenslotte aan al zijn pogingen twijfelen en een volslagen beeld der
wanhoop worden. Deze ongelukkige toestand is mij aanwezig en wordt door
vrees teweeg gebracht. Dit is geen objektieve maar een zuivere
subjektieve toestand, wat natuurlijk wil zeggen een zuivere
gevoelstoestand. Dit kan gepaard gaan, wat ook mij zelf het geval is,
met een zeer scherp verstand.
Ik zal trachten dit met een paar voorbeelden toe te lichten. Als iemand
bijvoorbeeld vrees bij zich heeft voor het vallen bij het beklimmen van
een hoogte, dan zijn er tien kansen tegen een dat deze persoon juist
zijn handen los laat, zodoende wordt datgene wat hij beslist niet wilde,
juist zijn deel. Of b.v. als een student voor zijn examen staat dan mag
hij zijn onderwerp nog zo goed meester zijn, als er een vrees voor
mislukking uit zijn subjectieve gebied komt opdagen, hetwelk sterker is
dan zijn wil, dan word dit zeer zeker de oorzaak van zijn mislukking.
Dit zijn twee onverzoenlijke vijanden in ons wezen waarvan vroeg of laat
een van de beiden de baas word. Helaas bij mij heeft de vrees de
overhand gekregen. Toen ik door ernstige studie over deze onderwerpen en
pijnlijke ervaring tot de conclusie kwam, toen had het monster reeds
grote afmetingen in mijn ziel aangenomen.
Deze vrees bewerkte steeds mijn eigen ongeluk. Nu kan de mensch vrees
hebben voor sommige dingen zodat daarvan al het bittere zijn doel word,
maar anderzijds kunnen dingen aanwezig zijn waarover hij zijn macht
gevoelt. Op sommige gebied kan de wil nog baas zijn zodat hij hierover
naar willekeur kan handelen. Zoo is het ook met mij het geval. Mijn wil
is zwak maar niet verlamd en oprichting met de noodige hulpmiddelen was
misschien zeer goed moogelijk geweest.
Dit zie ik nu beter in alsdat ik tot dusver gedaan heb. Er is nog zoveel
waar ik geen woorden voor kan vinden en ik heb ook geen tijd, maar het
is nu te laat, want waar ik nu ben is alles juist moordend voor mijn
teergevoelig gestel. Ik ben dan ook al in deze tijd van voorarrest en
bange onzekerheid veel minder geworden en ik vrees het ergste van alles,
en toch tracht ik mijn lot zoo moogelijk te dragen en klem ik mij met de
moed der wanhoop vast aan mijn gebed tot God, denkende aan mijn lieve
moeder die mij bijna nooit uit de gedachten is.
Misschien kan dit mij staande houden. Ach hoe had alles anders kunnen
zijn, want ondanks mijn zenuwlijden en al het andere wat ik van mijzelf
heb vermeld, behoefde ik hier niet te zitten, want niemand had ooit last
van mij, noch de politie, noch iemand anders. Ik kon met iedereen goed
overweg en ik heb meenig onbewuste jongen voor dwaasheden gewaarschuwd,
alsook voor de zonden waarvoor ik zelf zo zwaar heb moeten boeten, en
dit was allemaal zoo gebleven en ik was hier nimmer afgekoomen als God
mij niet in de arm had gevoerd der vreemde vrouw zooals Salomo zegt,
waarmede men zijn ondergang tegemoet gaat. Had Aaltje mijn pad niet
gekruist, dan was het heel anders gegaan, want deze duivelin heeft mijn
leven vernietigd. Maar ik ben mijzelve met mijn schrijven vooruit
gelopen en ik zal dus de draad waar ik ben vooruitlopen, weder opvatten.
Ik hoop hier straks nader op terug te komen.
Toen ik dan in 1918 door dr. Jager weer wat was opgeknapt, toen kon ik
mijn werk al was het met moeite, weer verrichten. Ik leefde zo goed
moogelijk naar zijn raad. Ik wist toen nog zoo goed als niets van het
zieleleven van een mensch en dus was ik niet in staat om dit geweldigde
en nog zoo weinig bekende terrein naar waarheid te beoordelen. Ik leesde
nog veel en het eerste boek over deze onderwerpen was getiteld: Het
sexuele vraagstuk van een jongeman voor zijn huwelijk, door dr.
Kropveld, arts te Amsterdam. Op de omslag van dit boek stond nog een
volgende boek van een Franse dokter getiteld: De invloed van de wil. Ik
besloot ook dit boek terstond aan te schaffen. Toen ik deze boeken
gelezen had, besloot ik mijn verkeerde neiging tegen te gaan.
0, wat heb ik vreeselijk wat ondervonden, met zelfmoordplannen heb ik
rond gelopen. Ach hoe weinig bevatten deze regels nog van hetgeen er in
mijn binnenste is voorgevallen. Hoe kan een mensch dit alles verdragen
zonder geheel vernietigd te worden, maar wat zal de toekomst mij nog
brengen. Ik heb ontzaggelijk veel boeken gelezen van Flammarion. Die
boeken waren getiteld: Voor den dood, In het stervensuur en Na den dood.
En het lezen van die boeken is voor mij altijd veel te inspannend
geweest.
Mijn vrees bij nacht werd er door vermeerderd en vooral nu wat er
voorgevallen is. Ook heb ik boeken over vrijmetselaarij en vrijdenkerij
gelezen. Hoewel ik het in veel opzicht met die dingen niet eens was,
heeft het toch mijn grootste aandacht getrokken, daar het de meer
zichtbare wereld betrof en ik van kindsaf steeds het ongeziene en
geheimzinnige wilde beleeven en nader ik toen reeds zulke vreemde dingen
had beleefd, zoodoende heb ik op dat punt nooit veel vuur gevat. Ik ben
dan ook nooit lid geweest van eenige partij en ik ben tweemaal op een
meeting geweest.
Eenmaal in Drachten en eenmaal in Groningen. Dat was op 1 mei-dag.
Tenslotte liet ik deze zaak heelemaal rusten. Het vrijdenken trok echter
meer mijn belangstelling. Dit heb ik eenige tijd aangehangen en juist
daarmee heb ik mijn lieven moeder onnoemelijk veel leed berokkend.
Toch heb ik ook dat weer verworpen. De veele partijen in de weereld
brachten mij helemaal van streek. Ik ging mij ten slotte nergens meer
aan storen. Het is geen wonder dat mijn zenuwen helemaal verwoest zijn.
Ik heb er te veel van gevergd totdat ik hier onder de drukking van mijn
tegenwoordige toestand weer in de bijbel begonnen ben te lezen. Ik vind
mijzelf goed uitgebeeld in de spreuken van Salomo en op veel meer
plaatsen in de bijbel.
Hoewel veele dingen mij vreemd toeschijnen, toch hoop ik dat ik mijn
kinderlijk geloof er weer in terug mag vinden. Van jongsafaan heb ik
altijd vuurwapens gehad. Dit kwam door mijn vader, die was altijd jager
geweest en die kon daar zoo van vertellen zoodat ook bij mij die
hartstocht werd opgewekt.
Ach was mijn opvoeding maar anders geweest, dan was ik er misschien
nooit mee in aanraking gekomen. Moeder was er erg op tegen. Zij zeide
dat er nog eens groote ongelukken uit zouden voortkomen. Ik geloofde dat
zij bedoelde dat ik er zelf nog eens ongelukken mee zou krijgen, maar
misschien heeft zij er ook wel een voorgevoel van gehad. 0, had ik maar
naar haar geluisterd. Thans walgt mij alles wat niet met haar inzichten
strookte, want dat is mij juist allemaal noodlottig geworden.
Ongeveer drie jaar geleden liep ik eens op een zondagmorgen met een buks
bij de slooten langs om op snoeken te schieten, die men zoo in het water
ziet staan. Dat deed ik heel veel, want dat kan heel best. Ik trof toen
toevallig Wobbes die met mij begon te praten. Hij vroeg mij of ik eens
bij hem kwam praten.
Hij had ook een spreekmachine gekocht en ik hield van muziek, zoodoende
beloofde ik hem dat. Ik ben er toen geweest en het waren heel aardige
menschen en ik moest gouw weer komen. Ik ging er toen elke week een
avond heen. Ik had een cromatische harmonika waar ik ook wel eens
publiek met speelde. Ik kon de verschillende liedjes goed op de
harmonika speelen. En ik speelde bij voorkeur liedjes met droevige
melodien.
Dit had soms een machtige invloed op mij, dat mij de tranen in de oogen
sprongen.En als ik hier nu zondagsmorgens het orgel hoor dan gaat het
mij door alles heen. Ik heb zelf ook een orgel gehad en daar ongeveer
een half jaar op les gehad bij de Christelijke onderwijzer Danhof te
Oldekerk.
Mijn kennismaking met Wobbes is zoo gebleven totdat ik op een morgen
hoorde dat Wobbes was opgepakt. Toen bleef ik weg, want van een
verhouding met de vrouw van Wobbes was toen nog geen sprake. Wobbes was
zoo wat drie weken weg toen ik eens bij haar thuis langs kwam. Ik zou
doorrijden maar zij klopte aan 't glas.
Toen stapte ik van de fiets af. Zij kwam naar buiten en zij wilde mij
mee in huis hebben om te koffiedrinken, nu dat deed ik toen. Zij zeide,
waarom kom je niet meer praten. Ik zeide, dat ik dat niet wilde omdat
haar man vort was en dan hebben de menschen zooveel te praten. Stoor jij
je aan de menschen? vroeg zij mij. Ik zeide neen dat is ook zoo. Ik kan
daarom nog wel eens komen.
Ik ging er echter niet heen en toen kwam zij na eenige dagen bij ons. Ik
was in het hok aan het klompenmaken, maar moeder was in de kamer. Toen
vroeg zij moeder of ik thuis was. Ja zei moeder hij zal achter wezen.
Toen kwam zij bij mij en zei: je bent er niet geweest. Ik zei, neen, dat
is ook zoo. Wanneer kom je nu, vroeg ze. Wij moesten het maar stellen
want anders gaat het toch weer over en al is mijn man vort, wij draaien
de grammofoon even zo goed.
Wij hebben het toen gesteld en ik ging ook naar haar toe. Er is toen
echter niets voorgevallen. Het viel mij wel op dat het haar heelemaal
niet speet dat haar man weg was. Zij heeft die avond genoeg aanleiding
gegeven, dat kan ik nu wel nagaan. Maar toen merkte ik dat niet zoo
goed. Toen ik later weer bij haar kwam speelde zij met allerlei praatjes
op toenadering, maar ik ging er niet op in, want ik deed nooit aan
vrouwen. Ik heb er ook nooit aan gedaan. Toen ik op een avond weer bij
haar was en later op de avond naar huis wilde, bracht zij mij aan de
deur toe en toen ik haar wilde begroeten, sloeg zij plotseling de armen
om mijn hals en vroeg ze mij of ik bij haar
wilde slapen. Ik ben toen bij haar gebleven en wij sliepen bij elkaar in
de bedstede. Ik ben toen ongeveer veertien dagen en nacht bij haar
gebleven en wat er toen allemaal gebeurd is, wil ik maar niet schrijven.
Toen ben ik naar huis gegaan en ik nam mij voor er niet weer heen te
gaan. Na Benige dagen kwam zij weer bij ons. Ik was toen weer in het hok
aan het klompenmaken. Toen kwam zij bij mij in het hok en ging zij naast
mij op het klomphok zitten. plotseling sloeg zij mij de armen om de hals
en begon met mij te vrijen. Thans walgt het mij nu ik deze zaak moet
neerschrijven.
Mijn zwakke natuur kon aan de verleiding geen weerstand bieden en toen
hebben wij samen in het hok in het hooi gelegen. Ik kan natuurlijk niet
alle dingen en bijzonderheden opschrijven, maar het zij genoeg, zij
heeft mij verleid. Ik mocht haar ook wel lijden,. hoewel ik wist dat ik
mij in een zaak wikkelde welke nooit goed zou komen, met het oog op haar
man en kinderen. Het stuitte mij soms zoo tegen de borst, dat ik
wanhopige pogingen deed om het net weer te verscheuren zodat ik het
zelfs nog tweemaal uit maakte. Maar dan begon Aaltje te schreien en
dreigde zij zich te zullen verdrinken. Dan kreeg mijn gevoel weer de
overhand en liet ik mij weer door haar meeslepen. Moeder had nooit een
goed oog op haar en zij heeft mij vaak gewaarschuwd, maar dan werd ik
kwaad.
Ik zeide dat Aaltje de goedheid zelve was en moeder moest haar maar
beter kennen. Ach, hoe heeft mijn lieve moeder gelijk gehad. Ik vermoede
nu dat Aaltje in die tijd dat ik bij haar kwam ook nog verbintenis had
met andere mannen. Daar heb ik wel eens op gezinspeeld als ik bij haar
was maar zij ontkende het en was de onschuld zelve. Het zal ongeveer
midden december 1928 zijn geweest, toen ik op zekeren nacht om ongeveer
twee uur thuis kwam, dat moeder nog wakker lag en tegen mij zeide, je
gelooft altijd aan voortekens, maar nu heeft hier vannacht om zoowat 1
uur een hond verschrikkelijk liggen janken.
Ik geloof dat hij bij de voordeur lag. 0, wat schoot mij toen de schrik
aan. Ik zeide tegen moeder, dat betekent ongeluk, misschien wel een
sterfgeval in de familie. Moeder zeide, dan zal ik het wel wezen want ik
ben al oud. Er is een hond bij ons in de buurt die altijd als er een
sterfgeval komt eenigen tijd tevoren voor dat huis zit te janken. Ik zei
tegen moeder, ik wou .dat u het mij nooit verteld had. Ik kon die nacht
niet slapen zoo bang was ik. Moeder was nooit bang. Zij had een vast
vertrouwen op God. Als het waarheid is wat de bijbel zegt en ik hoop het
weer te geloven, ach hoe hoop ik dan dat zij de weg naar de Hemel heeft
gevonden.
Moeder was de laatste tijd veel ziek. Zij kon het werk niet meer doen en
toen werd besloten, dat zij naar mijn broer Hendrik zou gaan. Zij is
daar ook gekomen, helaas slechts enkele weken, toen heeft zij het
tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Ik heb haar hart gebroken, is het
niet vreeselijk. Toen moeder weg was is Aaltje bij mij gekomen en bij
mij gebleven. De diepe val die ik gemaakt heb is veroorzaakt door de
verleiding van de vrouw, want zij is de oorzaak geweest van de
omstandigheden waardoor de ramp is ontstaan. Maar de diepe oorzaak ligt
bij mij zelf, want ik had deze vrouw moeten weerstaan, en dat kon ik
juist niet door mijn zwakte en liederlijkheid. Zoodoende ben ik een
speelbal geworden van haar ijdelheid.
Zij moest volgens recht evengoed veroordeeld worden als ik want zij
staat nauwer met de zaak in verband dan men vermoed, maar nu geeft zij
mij van alle oorzaken de schuld. Dat vernam ik toen ik op de
rechtzitting haar verklaring hoorde voorlezen, want dat was het
tegenovergestelde van de waarheid. Zooals reeds gezegd, mijn gevoel is
op alle gebied zeer oppermachtig en toen zij op den morgen van de 18e
januari in groote angst zat omdat de politie haar wilde ophalen, toen
kreeg ik groot medelijden met haar, ofschoon ik nu geloof dat er veel
komedie bij was. Zooals ik reeds schreef heb ik door bovenmenschelijke
inspanning van mijn denkvermogens de oorzaken, invloeden en motieven
nagegaan, welke tot die verschrikkelijkheden van die noodlottige morgen
van 18 januari hebben geleid. Het is zo moeilijk het onder woorden te
brengen wat de daad zelve betreft. Men denke niet aan misleiding, want
ik vraag een onderzoek van deskundigen naar mijn organen waaruit dit
alles voortvloeit en verklaard kan worden. Alles in dit schrijven
vermeld betreft mijn zieleleven. Er is veel voorgevallen voordat het met
de pliesi tot een botsing kwam.
Als de pliesi komt om Aaltje bij mij weg te halen, welt er een geweldige
drift en woede in mij op, tegen de mannen die de vrouw, waarop ik meende
recht te hebben van mij wilden afnemen. Dit was het kritieke moment, de
wil die nog wanhopige poging doet om het overwicht te houden onder
leiding van het verstand, maar moedeloos geworden door de jarenlange
tegenstand op allerlei gebied, moet het tegen de tegenpartij, door de
jarenlange overwinning moedig geworden, afleggen. Ook nu haalt die
tegenpartij de overwinning en overschrijd den bewustzijnsdrempel en dan
voltooit zich het treurspel. Het verstand en de wil worden nu zelfs
gedwongen den vijand te hulp te komen. De booze demon in ons wezen is nu
oppermachtig geworden, grijpt naar de wapenen en voltooit met groote
zekerheid haar luguber werk.
Na het voltooien van dat misdadig werk keert deze kwade macht naar haar
duister gebied terug en herstelt zich de goede zijde van ons wezen en
ziet nu de smartelijke nederlaag en de radeloze chaos, en beseft dan
tegelijkertijd dat dit niet weer ongedaan kan worden gemaakt.
Ach, zoo is het met mij gegaan, welk een vreeselijk toestand bevind ik
mij nu in. Wie geen kennis heeft van psychologie, die zal zich moeilijk
mijn toestand kunnen voorstellen. Mijn verbazende kennis en geleerdheid
zal hun allicht in de war brengen. Dit zegt echter niets want kennis is
geen macht maar moet macht worden en juist deze kloof heb ik niet
intijds kunnen overbruggen.
Hoe ging het den grooten Duitschen denker en schrijver Nietsche. Hij
schreef nog zijn diepe ideeen en theorien toen hij reeds lang waanzinnig
bleek te zijn. Dit is hetzelfde als theorie en praktijk en daar ligt een
diepe kloof tussen, want kennis en geleerdheid is slechts een product
van den objectieven geest en ons objectief bewustzijn is slechts een
schaduw van ons subjectief bewustzijn. Het verstand word daarbij
overvleugeld door de gevoelens en als de wil dan niet sterk genoeg is om
dit gebied te beheerschen, wat bij mij helaas het geval is, dan worden
ten slotte onze zenuwen vernietigd. Men moet dit niet verwarren met
krankzinnigheid, al kan dit er misschien door ontstaan, want
krankzinnigheid is een objectieve kwestie die in de groote hersenen
zetelt.
De wilszwakte daarentegen is de kern van zenuwlijden en zetelt in de
kleine hersenen en in het ruggemerg. Mijn kennis en geleerdheid maakt
mij het leven ondragelijk, vooral hier in de cel. Ach, hoe gaarne zou ik
eens bekwame zenuwartsen willen raadplegen want ik ben van meening, dat
als deze organen bij mij eens microsopisch onderzocht werden, dat zich
hierin door de jarenlange spanningen kolosale storingen en afwijkingen
bevinden. Op aanraden van mr. Levie, mijn verdediger, heb ik een
verzoekschrift ingediend bij de rechtercommissaris, betreffende het
onderzoek naar mijn geestelijke vermogens, maar hij vond er geen termen
voor aanwezig en heeft het dus geweigerd. Ik schrijf deze weigering aan
een persoonlijk vooroordeel toe, dat is mij ook in het verhoor van mijn
zaak wel opgevallen. Ach, hoe weinig weet zijn edelachtbare van deze
zaken af.
In de afwijzing van het verzoekschrift staat o.a. gebrek aan
ontwikkeling, maar dat is niet op zijn plaats. Het moest eerder zijn, te
veel en verkeerde ontwikkeling, maar dit heeft er ook niet veel mee te
maken. Er valt nog zoo veel te schrijven, maar ik kan er niet langer mee
voortgaan, want mijn tijd is om. Ik meen een juiste beschrijving te
hebben gegeven en ik hoop dat ieder weldenkend mensch die dit schrijven
onder oogen komt, zich een juist oordeel zal vormen.Je schrijft D dat je
mij wel wat lectuur wou zenden maar dat wordt niet toegestaan, bovendien
zelfs het lesen is mij hier een kwelling want wij weten ook daartoe is
noodig de onbezorgde gezellige huiskamer nu … het verheugd mij dat
jullie nog steeds vorderingen maken in de muziek hou vol en dan word je
van zelf een kunstenaar in die schoonste kunst ook dit is voor mij
verwoest, jullie zijt werelden boven mij verheven die sta …toe dat hij
niet valle daar ligt alle in opgesloten de verzoeking der vrouw is de
oorzaak van alle kwaad een veld met rosen onder….. bladerende monsters
der hel.
Meer over dit hoofdstuk:
Archief gevangenis,
Bestemming,
Gebroeders Hogerhuis,
Dienstkleding,
Macht van het lijden,
Gevangene 1113,
Post uit Friesland,
Sporttournooi 1956,
Archieven gevangenissen,
Inventaris,
IJje Wijkstra,
Oud directeur H.S.Born,
Ontsnapte boeven,
Bestemming,
Wolter van der Berg,
Langs de Nederlandse
strafgestichten,
Hogerhuiszaak,
Kneppelfreed,
Geheim register,
Huishoudelijk
reglement,
De overval 8 december 1944,
Plichtsverzuim,
Bijzondere strafgevangenis Leeuwarden,
Verbouwing,
Jaarverslag 1969/1970,
11000 jaar gevangenisstraf,
Brief IJje Wijkstra
|