|
IJe Wijkstra
IJe IJes Wijkstra (ook: IJje) (Doezum, 4 juli 1895 – Eindhoven, 6 juni 1941)
werd bekend door een viervoudige moord die hij pleegde in 1929 in Doezum.
http://www.wijkstra.tk
Wijkstra werd geboren als de jongste van vijf kinderen van IJe Hendriks Wijkstra
en Sjouktje Derks van Bolhuis. Zijn vader was los-arbeider. Dat hield in dat hij
geen vast werk had en derhalve ook geen vast inkomen. Naar het schijnt konden
beide ouders slecht met elkaar over weg, hadden ze ruzies over het geloof, en
vielen er regelmatig klappen.
Na de lagere school ging IJe leren als metselaarsleerling. Daarnaast zou hij
samen met zijn vader gestroopt hebben; vast staat in ieder geval dat IJe goed
met een geweer wist om te gaan.
IJe kan als ervaren voeger redelijk in zijn eigen onderhoud voorzien. Hij blijft
bij zijn moeder wonen en zou anarchist geweest zijn. Hij moet niets hebben van
het gezag. Overigens meende IJe zelf dat hij leed aan een zenuwziekte.
In 1928 krijgt hij een verhouding met Aaltje Wobbes, de vrouw van zijn vriend
Hendrik Wobbes. Deze vriend zit dan vast wegens diefstal. Volgens de
overlevering heeft Aaltje een grote invloed op IJe. Hij blijft veertien dagen
bij haar. Enige tijd later trekt Aaltje bij IJe in en laat haar zes kinderen in
de steek. Moeder Wijkstra wil dat niet meemaken en vertrekt.
Wegens het in de steek laten van haar kinderen wil Justitie in Groningen Aaltje
horen. De burgemeester van Grootegast krijgt opdracht Aaltje aan te houden en
naar Groningen te laten brengen. Klaarblijkelijk voorziet de burgemeester
problemen, want hij laat maar liefst vier veldwachters de opdracht uitvoeren,
twee gemeentelijke en twee rijksveldwachters.
Op 18 januari 1929 wacht Wijkstra de veldwachters op met een karabijn. Volgens
de overlevering zou het zo'n 18 graden gevroren hebben die dag. IJe weet alle
vier veldwachters neer te schieten, bij drie snijdt hij later ook nog de keel
door. Zelf raakt hij lichtgewond. Hij brengt Aaltje onder bij een neef en vlucht
naar Groningen. Op weg naar het ziekenhuis wordt hij aangehouden.
In april 1929 wordt hij door de rechtbank in Groningen tot levenslang
veroordeeld. In hoger beroep maakt het Gerechtshof te Leeuwarden daar 20 jaar
van.
In 1941 wordt Wijkstra van de strafgevangenis in Leeuwarden overgeplaatst naar
het Rijkskrankzinnigengesticht te Woensel (Eindhoven). Daar sterft hij enige
weken later op 45-jarige leeftijd aan de gevolgen van TBC. Hij wordt op 10 juni
1941 te Eindhoven begraven.
Het drama in Doezum baart zeer veel opzien. De begrafenis van de vier agenten
wordt een nationale gebeurtenis en in het gemeentehuis te Grootegast wordt een
plaquette aangebracht, ter herinnering aan de vier veldwachters. Het leven van
Wijkstra is vastgelegd in meerdere boeken, onder andere door Rink van der Velde.
Het werd in 1980 verfilmd door Pieter Verhoeff, onder de titel Het teken van het
beest.
IJe IJes Wijkstra, geboren op 04-07-1895 te Doezum, overleden op 06-06-1941 te
Eindhoven op 45-jarige leeftijd, begraven te Eindhoven. In de barre winter van
1929 voltrok zich in het Fries-Groningse grensgebied een gruwelijk drama,
waarvan het nieuws een schok door ons land deed gaan. In de tijd van enkele
ogenblikken werden daar vier politiemannen bij het uitoefenen van hun plicht om
het leven gebracht door de mysterieuze vrijbuiter Eije Wijkstra, een man, die
velen vreesden, maar die voor deze slachting toch nauwelijks met de justitie in
aanraking was geweest.
Eije Wijkstra...een naam, die eens over miljoenen lippen ging, een naam, die
sommige ouderen nu nog doet huiveren. Wie was hij, wat deed hij, hoe kwam hij
tot het plegen van het meest geruchtmakende misdrijf in de laatste honderd jaar?
Als de jongste in een gezin met vijf kinderen werd Lutje Eije, zoals men hem
altijd bleef noemen, danig verwend. Overigens was armoede troef in huize
Wijkstra: als los arbeider kon de oude Wijkstra amper de kost verdienen.
Onenigheden tussen de (Hervormde) vader en de (Gereformeerde) moeder waren aan
de orde van de dag; niet zelden werden de argumenten door handtastelijkheden
kracht bijgezet. Op school was Eije een middelmatige leerling; toen hij twaalf was zei hij de
school vaarwel om zelf wat te verdienen als metselaarsleerling; ook mocht hij
wel met vader het veld in om te jagen. Senior was een voortreffelijke schutter,
Junior wilde niet z'n mindere zijn.
Zeventien jaar oud zag Eije voor de eerste maal een herberg aan de binnenkant;
met veel oudere mannen proefde hij z'n eerste alcohol, hij begon te drinken, hij
werd snel een drinker. Daarbij rookte hij veel: bij de markante kop met de
scheve pet en de knalrode halsdoek hoorde een stoere pijp. Eije krijgt een verhouding met Aaltje Wobbes-Van der Tuin, wiens echtgenoot
elders verblijft.
Zij heeft hem volkomen in de macht - veertien dagen en nachten blijft Eije bij
haar; dan keert de man naar z'n huisje en zijn oude moeder terug: er volgt een
scheldpartij, zodra het oude mens hoort, dat hij al die tijd bij een getrouwde
vrouw en moeder van zes kinderen is geweest. Eije's moeder verlaat dan het huis;
vrouw Wobbes laat haar kinderen (leeftijd een tot veertien jaar) in de steek en
trekt bij Eije in.
De 17e januari 1929 verzocht de substituut-officier bij de Rechtbank te
Groningen de burgemeester van Grootegast om Aaltje Wobbes te doen voorgeleiden.
Omdat ze wel op moeilijkheden rekent, stuurt de politie in het vroege morgenuur
van de bitterkoude dag daarna vier politiemensen op pad om Aaltje bij Eije
vandaan te halen. Het zijn Mient van der Molen, chef-gemeenteveldwachter te
Grootegast, Aldert Meijer, gemeente-veldwachter te Opende, Herman Hendrik Hoving,
rijksveldwachter te Opende en Jan Werkman, rijksveldwachter te Sebaldeburen, die
het huisje van Eije Wijkstra omsingelen.
Eije pakt een karabijn en een geladen pistool en stopt vlug nog wat patronen in
de broekzak. Een moment later verscheuren enkele schoten de stilte van de
wintermorgen: getroffen in hoofd en buik zakt chef-veldwachter Van der Molen in
elkaar. Zodra Eije daarna Hoving en Werkman in het vizier krijgt, laat hij zich
op een knie zakken, drukt de karabijn op de schouder en met een aantal schoten
uit het automatische wapen worden de beide politiemannen geveld. Dan komen er
enkele schoten terug van Meijer, waardoor Wijkstra wel wordt geraakt, maar toch
niet ernstig wordt gewond.
Wanneer Eije ziet, dat Meijer dekking zoekt in een sloot, maakt de moordenaar
een omtrekkende beweging, laadt onder het lopen z'n wapen opnieuw, knielt dan
weer, richt z'n karabijn en schiet ook Meijer in borst en buik. Al z'n vijanden heeft hij nu geveld, maar zekerheidshalve rent Eije Wijkstra nu
naar z'n huisje terug, haalt een vlijmscherp mes en snijdt z'n slachtoffers de
keel uit. Dan pakt hij de petroleumkan, gooit de inhoud leeg over z'n schamele
huisraad en steekt de brand er in.
Drie maanden na de tragedie, op 22 april 1929, verscheen Eije Wijkstra voor de
rechtbank in Groningen. Twee weken later, bij de uitspraak, bleek de rechtbank
hem schuldig te achten aan doodslag, driemaal gepleegd (op Hoving, Van der Molen
en Werkman) en aan moord, eenmaal gepleegd (op Meijer) en veroordeelde hem
conform de eis van de Officier van Justitie tot levenslange gevangenisstraf.
Wijkstra tekende beroep aan en op 20 juni 1929 kwam de zaak opnieuw in
behandeling, nu voor het Gerechtshof in Leeuwarden.
Uiteindelijk deed het Hof op 26 mei uitspraak: het achtte Eije Wijkstra schuldig
aan doodslag, vier maal gepleegd en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf
voor de tijd van twintig jaar.
Aangetast door tuberculose en helemaal uitgeteerd werd Eije Wijkstra in 1941 van
de stafgevangenis te Leeuwarden overgebracht naar een krankzinnigengesticht te
Eindhoven. Slechts twee weken daarna kwam hij nog eens, en nu voor het laatst,
in het nieuws: de moordenaar van Grootegast had voorgoed z'n ogen gesloten. (Bron: Rare Snaken door Fenno L. Schouwstra, Leeuwarden 1975).
Op verzoek van de reclassering ambtenaar schreef IJje Wijkstra in April 1929 in
de gevangenis zijn levens geschiedenis, De inhoud van deze brief leest u hier
onder.
Ik vind het niet gemakkelijk om aan Uw verzoek te voldoen wat betreft een
beschrijving te geven van mijn leven. Ik kan mij natuurlijk lang niet alles meer
herinneren, zodoende zal ik wel vele dingen voorbij moeten laten gaan, die
misschien wel hele gevolgen voor mij hadden gehad.
Want ons leven is een aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen, waaruit onze
daden, hetzij groot of klein, goed of kwaad, noodwendig moeten voortvloeien,
welke dan meteen weer een reeks oorzaken met zich meebrengen.Het leven van een
mens is zo vreemd en ingewikkeld en wordt mijns inziens door zulke geheimzinnige
motieven geleid, zodat men ten slotte genoodzaakt wordt in zichzelven het
grootste raadsel te zien. Wat mijn eigen mening aangaat, zou ik hierover heel
wat te vertellen hebben, maar het zegt voor een ander niets en daarbij, ik kan
ook overal niet bij stilstaan, daarvoor is de tijd die mij gesteld is te kort.
Ik moet dus proberen in zo weinig mogelijk woorden het voornaamste uit mijn
verleden zo duidelijk mogelijk voor te stellen waaruit men een gevolgtrekking
kan opmaken en ten slotte een beeld voor ogen krijgt, hoe of het mogelijk is,
dat zo een vreeselijk drama, welke ik begaan heb en die zo tegen de menselijke
natuur indruist en zoals ieder wel begrijpt, de armzalige toestand, waarin ik
mij thans bevindt er het noodlottig gevolg van moest worden, toch mogelijk
geweest is, hoewel ik de eerste tijd na het plegen der feiten slechts vaag en
objectief leefde want mijn gevoel was tijdelijk verdoofd vanwege de vele emoties,
kwam in de eenzaamheid van mijn cel vooral 's nachts, langzamerhand de reactie,
waardoor een berg van wroeging en berouw voor mij oprees en ik mijn eigen
toestand duidelijk bewust werd, zodoende werd ik gedwongen om diep tot in het
oneindige over alles te denken, wat mij vreeselijk inspanning veroorzaakte en
veel moeite heeft gekost, zo zelfs dat het mij duizelde en ik soms dacht
plotseling geheel krankzinnig te worden.
Ik prakkiseer hier altijd want ik kan nergens met mijn gedachten heen. Bovendien
heb ik zulk geestdodend werk met papiervouwen zodat de gedachten steeds
doorwoekeren. Toch ben ik onder dit alles nog staande gebleven, tenminste als ik
het zo mag noemen want mijn inwendige subjectieve zielstoestand is meer dan
verschrikkelijk.
Ik kom hier straks nog nader op terug. Maar objectief ben ik geheel normaal. Ik
geloof zelfs meer dan normaal en zodoende is het mij mogelijk geweest en heb ik
naar mijn mening de juiste draad gevonden langs welke het mogelijk is van mijn
vroegste jeugd af tot aan mijn hedendaagse toestand het raadsel van mijn wezen
en van mijn gedrag op te lossen. Ofschoon de geest zeer veel heeft te lijden van
deze gevoelkwestie. Hoewel ik nog maar slechts 33 jaar oud ben, ik word de 4
juli 34 jaar, toch heb ik al reeds een veelbewogen leven achter mij vol smart en
bittere ondervinding, welke mij tot heden als demonen achtervolgd hebben.
Ik ben nooit gelukkig geweest, behalve dan die weinig onschuldige kinderjaren,
hoewel dit voor mij ook van zeer korte duur is geweest. Wij waren met ons vijven
van broers en zusters. Er zijn zeven geweest, maar twee zijn op jeugdige
leeftijd gestorven. Nu was Dirk de oudste, dan volgde Hendrik dan Roelfke en dan
Aaltje en eindelijk ik. Ik was de jongste zoals gezegd en daarbij naar mijn
vader genoemd, zodoende kon ik het dan ook niet bederven.
Ik kreeg in alles mijn zin. Toch heb ik lang geen weelde gekend want wij leefden
in armoedige omstandigheden, hoewel het ergste toen al voorbij was. Het is zo
jammer dat de tijd mij dringt anders zou ik veel uitvoeriger alles beschrijven.
Ik had een zachte gevoelige natuur en was buitengewoon verstandig. Moeder heeft
mij later vaak verteld dat zij reeds enige dagen na mijn geboorte vreemde dingen
in mij bespeurd had, geheel verschillend met mijn andere broers en zusters, maar
zij wist niet hoe of wat en zij kon er geen naam voor vinden.
Helaas dit zou later op mijn menig droevige manier bewaarheid worden, moeder
werkte in die tijd veel op het land, bij ons zelf maar ook veel voor een ander,
bijvoorbeeld schoffelen en wieden en hooien. Ik was dan als kleine jongen van 4
a 5 jaar altijd bij haar.
O hoe vermaakte ik mij op een eigen manier. Ik verveelde mij nooit en ik merkte
toen reeds vele dingen op wat betreft het leven en de kleuren van vogels en
bloemen en insecten. Andere kinderen van mijn leeftijd zouden daar nooit aan
denken. Ik kan mij nog veel uit deze jaren herinneren. Ook stelde ik mijn ouders
toen al menige vraag naar het hoe en waarom van de dingen om ons heen.
Moeder vertelde mij dat het allemaal Gods werk was en als ik later groot was zou
ik alles veel beter begrijpen, maar als ik dan maar steeds verder vroeg, want ik
was niet zo gauw bevredigd, dan ging moeder even bij mij zitten en dan vertelde
zij mij van de goede God en de Engelen met vleugelen, waarbij ik dan een en al
gehoor was. Moeder riep ik dan wanneer gaan wij eens naar de hemel. Want ik wil
alles zien, ook hoe die engelen vliegen net zoals onze duiven. In die tijd kan
een kind zulke wonderlijke vragen doen.
Stil nu kind zei mijn moeder dan, ik moet weer aan het werk want je scheit nooit
uit met vragen. Ik zal je er later wel meer van vertellen en wij gaan ook eens
naar de Hemel toe, daar zullen we dan altijd wonen. Wat was ik dan gelukkig met
die onschuldige kinderdromen, en nu terwijl ik dit alles neerschrijf en aan mijn
moeder terugdenk, ligt mijn zakdoek naast mij, want tranen verduisteren mijn
ogen. Ik stik bijna van ontroering want ach, hoe wreed zou dit alles later
verscheurd worden. Als men soms alles vooraf wist, zou men wensen nooit geboren
te zijn, tenminste ik....
Toen brak mijn schooltijd aan en de eerste schaduw viel op mijn jonge leven. 0,
wat staat mij alles nog voor de geest, die eerste morgen, toen ik met mijn
zuster Aaltje voor het eerst naar school moest. Moeder bracht ons halfweg de
Rottelaan. Zij had mij het hele eind gedragen en toen zij mij neerzette, toen
volgde er een hartroerend afscheid. Ik snikte het uit en was niet in staat mijn
weg in tegenovergestelde richting te vervolgen.
Het is jammer dat ik niet alles tot in kleinigheden kan vermelden. Dat laat mij
de gestelde tijd niet toe. Het schoolgaan beviel mij niet heel best. Ik had een
vreeselijk heimwee naar huis. De dagen vielen mij wel een week lang en ik
gevoelde mij op de schoolbank precies zoals ik mij nu voel. Ik ben altijd in het
vrije veld opgegroeid en heb altijd op dezelfde plaats gewoond. En als ik dan 's
avonds de school uit kwam, dan was ik de eerste de weg uit, met de klompen in de
hand holde ik voort of het nat of droog was, daar stoorde ik mij niet aan.
Ik wilde zo hard ik kon naar huis. Aaltje bleef drie avonds in de week op de
breischool. Moeder stond mij dan op te wachten en o welk een weerzien na slechts
een dag scheiden. Ach wie zou toen hebben gedacht, dat ik voor mijn lieve moeder
zulk een bron van leed zou worden en toch is.het zo dat straks wel zal blijken.
Ik was bij de school meest alleen want ik voelde mij niet veel tot de andere
kinderen aangetrokken. Ik vond ze ruw en wreed en het lijkt nu wel vreemd, maar
vaak heb ik een stekelvarken of een kikvors of meikever voor hun ruwe natuur in
veiligheid gebracht want het is eigenaardig, maar ik vond dat je een insekt of
zoiets niet mocht doden. Ik had zoals gezegd, een wonderlijk gemoed.
Ik was meer medelijdend dan de anderen. Mijn liefde voor iets ging veel dieper,
maar als mij drift ontstak over het een of ander dan was dat gevoel ook veel
sterker dan bij de anderen bij mij aanwezig. Deze gevoelens zouden mij later
parten spelen en wel op een zonderlinge manier. Het medelijden met Aaltje (de
vrouw van Wobbes) is een belangrijke factor geweest. Ik ben zes jaar naar school
geweest en ben tot de vijfde klas gekomen. Ik ben veel thuis gebleven uit
mijzelf, maar ook vanwegen het weer want wij moesten drie kwartier lopen. Ook
ben ik vaak onder weg gebleven, wel alleen maar ook met de gebroeders Van Dijk,
waarvan de een nu als getuige in mijn zaak zal worden gehoord.
Wie had dat toen kunnen denken? Mijn rekenen en schrijven ging niet bijzonder
best in school, maar mijn lezen ging zoveel beter. Dat kwam omdat dat beter in
mijn smaak viel. En als het vrijdagmiddag was, dan vertelde meester Tamsma ons
een sprookje. Ja, ik hield het toen voor waarheid, daar hield ik reusachtig van
en die oude meester kon het zo mooi vertellen van Klein Duimpje, Roodkapje en
Dik Trom en meer van die verhalen. 0, het was toch zo'n goede man die meester
Tamsma. Hij is nu gepensioneerd en woont hier in Groningen. Ik wens hem nog veel
gelukkige jaren toe. De verhouding tussen mijn ouders was verre van gelukkig.
Vader was hervormd en moeder gereformeerd en hierover ontstond de onenigheid
welke vaak zohoog opliep, dat het vaak tot handtastelijkheden kwam want vader
was een onverstandig man. Maar moeder was de liefheid en goedheid zelve. Later,
toen ik groter werd, heb ik haar vaak voor de ruwe behandeling van vader bewaard.
Ik vind sommige dingen opmerkelijk, vader dreigde haar op een morgen te zullen
doden en diezelfde dag verlamde zijn arm door een ongeval. Ik ben in de
hervormde kerk gedoopt, maar ik ging nooit naar de kerk toe behalve op kerstdag
of op een oudejaarsavond. Moeder wilde mij zondags mee naar de kerk hebben, maar
vader wilde het niet, tenminste niet naar de kerk van de finen zoals hij zei.
Laat de jongen dat zelf maar uitmaken zei hij. Wij bidden en lazen ook wel eens
bij het eten, maar dat ging niet geregeld want ook dat ging vader zoveel
mogelijk tegen.
Ik heb ook nog een tijdje op de zondagschool gezeten, vreemd al hoe goed vader
ook tegen mij was, ging mijn sympathie geheel over moeders kant. Als het soms
gebeurde dat ik alleen met moeder thuis was, dan had zij geen rust of duur, want
dan moest zij mij vertellen, zo lang drong ik aan. En dan vertelde moeder over
van Genoveva.
Dat lieve sprookje heeft zij mij wel honderd maal verteld en dan leerde zij mij
een morgen- en een avondgebedje, waarbij zij mij dan vermaande, dat altijd op te
zeggen, ook als er een tijd kwam dat zij er niet meer was. Helaas, hoe is door
verschrikkelijke invloeden van twijfel in mijn hart gekomen en heeft mijn
eenvoudig kinderlijk geloof vernietigd.
Wie zou toen hebben gedacht dat ik vijfentwintig jaar later als hulpeloze
gevangene, in een hoek mijner cel in vertwijfeling zou neerknielen roepende tot
God, welke ik in mijn leeftijd van achttien tot dertig jaar zo vervloekt heb en
bespot. Het lezen van allerlei duistere lectuur heeft hoofdzakelijk mijn geloof
ondermijnd, en nu smeek ik dezelfde God om behoudenis en vraag ik ootmoedig om
teruggave van mijn kinderlijk geloof, hetwel mijn moeder mij geleerd heeft. 0
hoe moeilijk valt het mij dit te schrijven. Het brengt mijn gehele gemoed in
opschudding, maar ik moet voortmaken, want ik ben nog maar aan het begin en er
is nog zoveel.
Ik ging in die jaren met vader naar de Marumer markt en naar Surhuisterveen en
dat waren voor grote feestdagen. Ik zag dan allerlei vreemde dingen, welke ik
niet kon verklaren en dat had juist de meeste aantrekkingskracht voor mij want
hoe vreemd, het mystieke en geheimzinnige heeft mij altijd onweerstaanbaar
aangetrokken. Als ik met vader winteravonden te avondpraten gingen, wat nogal
vaak gebeurde, dan ging ik het liefst naar oude mensen.
En als wij dan om het haardvuur zaten, dan had ik het liefst dat ze hele avond
over spoken praten. Ik werd hierdoor verbazend bang, vooral in het donker en dat
is mij altijd bij gebleven en is zelfs na het lezen van die vreeselijke boeken
van Flammarion nog veel erger geworden. Ik geloofde onvoorwaardelijk in spoken
en bovenaardse dingen. Al die soort dingen werkten ontzettend op mijn gemoed.
Toen ik van school kwam heb ik het voegen en metselen geleerd. Eerst bij mijn
broers want vader was toen al haast 70 jaar en ging niet veel meer uit. Wat ik
leren wou, had ik al heel gauw onder het verstand. Het voegen en metselen is mij
altijd goed bevallen, hoewel ik ook wel eens iets anders heb geprobeerd.
Dit kwam ook omdat er altijd lang geen metsel en voegwerk was. Toen mijn broers
eens aan een nieuw huis bouwden aan de Friese dijk - dat was het tweede huis dat
ik voegde - toen gebeurde het eens op een nacht. Ik en Dirk sliepen in dat
nieuwe huis op zolder in een hoop stro, want er woonde toen nog niemand in. Ik
had toen nog geen fiets en daarom bleven ik en Dirk daar met ons beiden. Ik heb
toen verschijnselen waargenomen, welke ik tot op deze dagnog steeds voor
onnatuurlijk houd. Ik maakte Dirk wakker en die heeft het toen ook gehoord. Dit
zal mijn broer Dirk nog wel weten. Wij hoorden toen duidelijk verschillende
geluiden in dat huis en het kan niet anders of het moeten spoken zijn geweest.
Toen ik een jaar of zestien/zeventien was, zette ik het voegen en metselen
helemaal zelfstandig door.
Ik kwam toen bij H. Scheffer te Doezum. Daar heb ik veel huizen voor gevoegd.
Tot zover was ook altijd mijn kinderlijk gevoel voor onschuld gebleven. Ook
geloofde ik toen nog grondig vast zoals moeder, maar nu zou helaas spoedig de
afbraak beginen. Er werd onder timmerlieden in die tijd veel sterke drank
gedronken, vooral bij Scheffer. Deze man is hierdoor ook failliet gegaan. Het
was anders een goeie kerel. Het spreekt vanzelf dat ik ook mijn part er aan
deed, want ze zeiden zoiets eerst een man uitmaakte. En ieder wil in die jaren
graag groot wezen. En op dat gebied was ik net als ieder ander. Bovendien bracht
het mij in enige tijd in verrukkelijke geestvervoering en dit was mij dubbel
aangenaam omdat ik van jongsafaan altijd in een pessemistische stemming had
verkeerd.
In die tijd ben ik eens voor dronkenschap opgebracht. Het is vreemd, maar ook
onder de invloed van alcohol was ik steeds zachtaardig van aard. Ik heb dan voor
dit droeve geval nooit in een vechtpartij of zoiets gezeten. Helaas hoe treurig
werkt de alcohol. Het werkt op onze hersenen en ruggemerg. Ik zou dat spoedig
genoeg ondervinden. Ik rookte in die tijd veel en las vele boeken, meest romans
maar langzamerhand begon ik met zwaardere lectuur.
Ik bevond mij nu voor goed op het hellende vlak. En het kwaad dat ik mij op
verschillende manier zelf toebracht, kwam op onverbiddelijke manier op mijzelf
terugvallen. Dit is een vaste wet, maar dat wist ik toen nog niet. Onbewust
bracht ik mijzelf in die vreeselijke toestand die eigenlijk niet te beschrijven
is, namelijk zenuwziekte. Ik had daar toen nog geen idee van wat dat eigenlijk
zeggen wilde. Helaas thans weet ik het maar al te goed. In die tijd begonnen er
verschillende siemptonen bij mij voor te doen. Ik werd bij de dag ongelukkiger.
Ik kon niet meer slapen en als ik soms even insluimerde dan werd ik met een
schrik wakker want ik werd onmiddellijk gekweld door akelige dromen. Ik werd
duizelig en leed aan hevige hoofdpijnen. Ik zag hol en angstig uit mijn ogen en
ik kreeg hartkloppingen. Ik was helemaal opgejaagd en ontstak spoedig in een
hevige drift. Ik had het erg in de rug en de benen. Ik kreeg vrees voor de
mensen. Ik was neerslachtig en moedeloos. Daarbij kwam nog een vrees voor het
ongeziene. Ik meende namelijk nooit alleen te zijn. Ik meende altijd dat er iets
was dat naar mij zag, en dat ik niet kon zien. Dit denkbeeld vervolgde mij zodat
ik het soms wel wilde uitschreeuwen.
Een ieder begrijpt dat ik in deze toestand niet meer in staat was om mijn werk
te verrichtten. Dat mijn moeder onder dit alles leed laat zich begrijpen want in
mijn prikkelbare toestand kon ik haar geen goed antwoord geven. Maar voor de
buitenwereld hield ik alles zoveel mogelijk geheim.Mijn moeder en ik woonden
toen al lang tezamen. Vader was in 1916 overleden. Mijn broer Hendrik was
getrouwd. Dirk ging bij vreemden in de kost. Roelfke was ook getrouwd en Aaltje
diende bij de boer.
Op zeker dag in de herfst van 1918 ging ik eens naar Groningen om in mijn
toestand te voorzien. Waar ik heen wilde wist ik toen nog niet, maar toen ik
toevallig door de Oosterstraat liep, trof mij aan uithangbord met het opschrift:
Dr. Jager, arts, speciaal voor zenuwen en zielsziekten. Ik ging naar binnen en
besloot de dokter te raadplegen. Dr Jager leeft nog en kan dus mijn bewering
staven.
Alles in dit schrijven kan men immers onderzoeken als men ten minste twijfelt
aan de waarheid. Hij ondervroeg en onderzocht mij en ik lag hem alles uit. Ik
heb ongeveer een half jaar met hem gemeesterd. Hij gaf mij medicijnen en de raad
hoe ik mijn leven moest inrichten.
Ik werd na enige tijd werkelijk iets beter, maar ik ben het nooit te boven
gekomen, integendeel er heeft zich langzamerhand in mijn gemoed, of laat mij
liever zeggen in mijn onderbewustzijn een proces afgespeeld, zo vreemd en zo
verschrikkelijk, zodat het haast niet te geloven is. Er heerst namelijk
tweespalt in mijn persoonlijkheid. Ik zal dit straks nog nader verklaren.
Ik moest naar een inrichting geweest zijn, had ik mij bijtijds de kennis gehad
welke ik nu heb, dan had ik deze kloof kunnen keren. Ik heb dat alles meer dan
smartelijk bij mij zelve ondervonden. Zoals gezegd, werd mijn toestand wel iets
beter. Ik gebruikte helemaal geen alcohol meer. Dat is wel eigenaardig, dat kon
ik heel goed laten. Dat komt omdat dit kwaad nog door de wil bepaald en beheerst
werd, met andere woorden mijn zelfbeheersing woog nog op tegen dit kwaad.
Ik was er nog niet bang voor, zodoende was ik in staat het te onderdrukken want
als wij bang voor het kwaad worden dan trekt het ons juist met magische kracht
aan en wat meer als wij er ons tegen verzetten en met alle geweld trachten het
goede te doen.
Met even zoveel kracht zal het kwade uit tegenovergestelde richting op ons
inwerken, zo erg zelfs, dat wij in plaats van het goede te doen wat wij willen,
juist het kwaad moet uitvoeren, wat wij niet willen. Dat is net zoals Paulus
zegt en wat die heeft gezegd dat is waar. Zo kan de mens tenslotte aan al zijn
pogingen twijfelen en een volslagen beeld der wanhoop worden. Deze ongelukkige
toestand is mij aanwezig en wordt door vrees teweeg gebracht. Dit is geen
objektieve maar een zuivere subjektieve toestand, wat natuurlijk wil zeggen een
zuivere gevoelstoestand. Dit kan gepaard gaan, wat ook mij zelf het geval is,
met een zeer scherp verstand.
Ik zal trachten dit met een paar voorbeelden toe te lichten. Als iemand
bijvoorbeeld vrees bij zich heeft voor het vallen bij het beklimmen van een
hoogte, dan zijn er tien kansen tegen een dat deze persoon juist zijn handen los
laat, zodoende wordt datgene wat hij beslist niet wilde, juist zijn deel. Of
b.v. als een student voor zijn examen staat dan mag hij zijn onderwerp nog zo
goed meester zijn, als er een vrees voor mislukking uit zijn subjectieve gebied
komt opdagen, hetwelk sterker is dan zijn wil, dan word dit zeer zeker de
oorzaak van zijn mislukking.
Dit zijn twee onverzoenlijke vijanden in ons wezen waarvan vroeg of laat een van
de beiden de baas word. Helaas bij mij heeft de vrees de overhand gekregen. Toen
ik door ernstige studie over deze onderwerpen en pijnlijke ervaring tot de
conclusie kwam, toen had het monster reeds grote afmetingen in mijn ziel
aangenomen.
Deze vrees bewerkte steeds mijn eigen ongeluk. Nu kan de mensch vrees hebben
voor sommige dingen zodat daarvan al het bittere zijn doel word, maar anderzijds
kunnen dingen aanwezig zijn waarover hij zijn macht gevoelt. Op sommige gebied
kan de wil nog baas zijn zodat hij hierover naar willekeur kan handelen. Zoo is
het ook met mij het geval. Mijn wil is zwak maar niet verlamd en oprichting met
de noodige hulpmiddelen was misschien zeer goed moogelijk geweest.
Dit zie ik nu beter in alsdat ik tot dusver gedaan heb. Er is nog zoveel waar ik
geen woorden voor kan vinden en ik heb ook geen tijd, maar het is nu te laat,
want waar ik nu ben is alles juist moordend voor mijn teergevoelig gestel. Ik
ben dan ook al in deze tijd van voorarrest en bange onzekerheid veel minder
geworden en ik vrees het ergste van alles, en toch tracht ik mijn lot zoo
moogelijk te dragen en klem ik mij met de moed der wanhoop vast aan mijn gebed
tot God, denkende aan mijn lieve moeder die mij bijna nooit uit de gedachten is.
Misschien kan dit mij staande houden. Ach hoe had alles anders kunnen zijn, want
ondanks mijn zenuwlijden en al het andere wat ik van mijzelf heb vermeld,
behoefde ik hier niet te zitten, want niemand had ooit last van mij, noch de
politie, noch iemand anders. Ik kon met iedereen goed overweg en ik heb meenig
onbewuste jongen voor dwaasheden gewaarschuwd, alsook voor de zonden waarvoor ik
zelf zo zwaar heb moeten boeten, en dit was allemaal zoo gebleven en ik was hier
nimmer afgekoomen als God mij niet in de arm had gevoerd der vreemde vrouw
zooals Salomo zegt, waarmede men zijn ondergang tegemoet gaat. Had Aaltje mijn
pad niet gekruist, dan was het heel anders gegaan, want deze duivelin heeft mijn
leven vernietigd. Maar ik ben mijzelve met mijn schrijven vooruit gelopen en ik
zal dus de draad waar ik ben vooruitlopen, weder opvatten. Ik hoop hier straks
nader op terug te komen.
Toen ik dan in 1918 door dr. Jager weer wat was opgeknapt, toen kon ik mijn werk
al was het met moeite, weer verrichten. Ik leefde zo goed moogelijk naar zijn
raad. Ik wist toen nog zoo goed als niets van het zieleleven van een mensch en
dus was ik niet in staat om dit geweldigde en nog zoo weinig bekende terrein
naar waarheid te beoordelen. Ik leesde nog veel en het eerste boek over deze
onderwerpen was getiteld: Het sexuele vraagstuk van een jongeman voor zijn
huwelijk, door dr. Kropveld, arts te Amsterdam. Op de omslag van dit boek stond
nog een volgende boek van een Franse dokter getiteld: De invloed van de wil. Ik
besloot ook dit boek terstond aan te schaffen. Toen ik deze boeken gelezen had,
besloot ik mijn verkeerde neiging tegen te gaan.
0, wat heb ik vreeselijk wat ondervonden, met zelfmoordplannen heb ik rond
gelopen. Ach hoe weinig bevatten deze regels nog van hetgeen er in mijn
binnenste is voorgevallen. Hoe kan een mensch dit alles verdragen zonder geheel
vernietigd te worden, maar wat zal de toekomst mij nog brengen. Ik heb
ontzaggelijk veel boeken gelezen van Flammarion. Die boeken waren getiteld: Voor
den dood, In het stervensuur en Na den dood. En het lezen van die boeken is voor
mij altijd veel te inspannend geweest.
Mijn vrees bij nacht werd er door vermeerderd en vooral nu wat er voorgevallen
is. Ook heb ik boeken over vrijmetselaarij en vrijdenkerij gelezen. Hoewel ik
het in veel opzicht met die dingen niet eens was, heeft het toch mijn grootste
aandacht getrokken, daar het de meer zichtbare wereld betrof en ik van kindsaf
steeds het ongeziene en geheimzinnige wilde beleeven en nader ik toen reeds
zulke vreemde dingen had beleefd, zoodoende heb ik op dat punt nooit veel vuur
gevat. Ik ben dan ook nooit lid geweest van eenige partij en ik ben tweemaal op
een meeting geweest.
Eenmaal in Drachten en eenmaal in Groningen. Dat was op 1 mei-dag. Tenslotte
liet ik deze zaak heelemaal rusten. Het vrijdenken trok echter meer mijn
belangstelling. Dit heb ik eenige tijd aangehangen en juist daarmee heb ik mijn
lieven moeder onnoemelijk veel leed berokkend.
Toch heb ik ook dat weer verworpen. De veele partijen in de weereld brachten mij
helemaal van streek. Ik ging mij ten slotte nergens meer aan storen. Het is geen
wonder dat mijn zenuwen helemaal verwoest zijn. Ik heb er te veel van gevergd
totdat ik hier onder de drukking van mijn tegenwoordige toestand weer in de
bijbel begonnen ben te lezen. Ik vind mijzelf goed uitgebeeld in de spreuken van
Salomo en op veel meer plaatsen in de bijbel.
Hoewel veele dingen mij vreemd toeschijnen, toch hoop ik dat ik mijn kinderlijk
geloof er weer in terug mag vinden. Van jongsafaan heb ik altijd vuurwapens
gehad. Dit kwam door mijn vader, die was altijd jager geweest en die kon daar
zoo van vertellen zoodat ook bij mij die hartstocht werd opgewekt.
Ach was mijn opvoeding maar anders geweest, dan was ik er misschien nooit mee in
aanraking gekomen. Moeder was er erg op tegen. Zij zeide dat er nog eens groote
ongelukken uit zouden voortkomen. Ik geloofde dat zij bedoelde dat ik er zelf
nog eens ongelukken mee zou krijgen, maar misschien heeft zij er ook wel een
voorgevoel van gehad. 0, had ik maar naar haar geluisterd. Thans walgt mij alles
wat niet met haar inzichten strookte, want dat is mij juist allemaal noodlottig
geworden.
Ongeveer drie jaar geleden liep ik eens op een zondagmorgen met een buks bij de
slooten langs om op snoeken te schieten, die men zoo in het water ziet staan.
Dat deed ik heel veel, want dat kan heel best. Ik trof toen toevallig Wobbes die
met mij begon te praten. Hij vroeg mij of ik eens bij hem kwam praten.
Hij had ook een spreekmachine gekocht en ik hield van muziek, zoodoende beloofde
ik hem dat. Ik ben er toen geweest en het waren heel aardige menschen en ik
moest gouw weer komen. Ik ging er toen elke week een avond heen. Ik had een
cromatische harmonika waar ik ook wel eens publiek met speelde. Ik kon de
verschillende liedjes goed op de harmonika speelen. En ik speelde bij voorkeur
liedjes met droevige melodien.
Dit had soms een machtige invloed op mij, dat mij de tranen in de oogen
sprongen.En als ik hier nu zondagsmorgens het orgel hoor dan gaat het mij door
alles heen. Ik heb zelf ook een orgel gehad en daar ongeveer een half jaar op
les gehad bij de Christelijke onderwijzer Danhof te Oldekerk.
Mijn kennismaking met Wobbes is zoo gebleven totdat ik op een morgen hoorde dat
Wobbes was opgepakt. Toen bleef ik weg, want van een verhouding met de vrouw van
Wobbes was toen nog geen sprake. Wobbes was zoo wat drie weken weg toen ik eens
bij haar thuis langs kwam. Ik zou doorrijden maar zij klopte aan 't glas.
Toen stapte ik van de fiets af. Zij kwam naar buiten en zij wilde mij mee in
huis hebben om te koffiedrinken, nu dat deed ik toen. Zij zeide, waarom kom je
niet meer praten. Ik zeide, dat ik dat niet wilde omdat haar man vort was en dan
hebben de menschen zooveel te praten. Stoor jij je aan de menschen? vroeg zij
mij. Ik zeide neen dat is ook zoo. Ik kan daarom nog wel eens komen.
Ik ging er echter niet heen en toen kwam zij na eenige dagen bij ons. Ik was in
het hok aan het klompenmaken, maar moeder was in de kamer. Toen vroeg zij moeder
of ik thuis was. Ja zei moeder hij zal achter wezen. Toen kwam zij bij mij en
zei: je bent er niet geweest. Ik zei, neen, dat is ook zoo. Wanneer kom je nu,
vroeg ze. Wij moesten het maar stellen want anders gaat het toch weer over en al
is mijn man vort, wij draaien de grammofoon even zo goed.
Wij hebben het toen gesteld en ik ging ook naar haar toe. Er is toen echter
niets voorgevallen. Het viel mij wel op dat het haar heelemaal niet speet dat
haar man weg was. Zij heeft die avond genoeg aanleiding gegeven, dat kan ik nu
wel nagaan. Maar toen merkte ik dat niet zoo goed. Toen ik later weer bij haar
kwam speelde zij met allerlei praatjes op toenadering, maar ik ging er niet op
in, want ik deed nooit aan vrouwen. Ik heb er ook nooit aan gedaan. Toen ik op
een avond weer bij haar was en later op de avond naar huis wilde, bracht zij mij
aan de deur toe en toen ik haar wilde begroeten, sloeg zij plotseling de armen
om mijn hals en vroeg ze mij of ik bij haar
wilde slapen. Ik ben toen bij haar gebleven en wij sliepen bij elkaar in de
bedstede. Ik ben toen ongeveer veertien dagen en nacht bij haar gebleven en wat
er toen allemaal gebeurd is, wil ik maar niet schrijven. Toen ben ik naar huis
gegaan en ik nam mij voor er niet weer heen te gaan. Na Benige dagen kwam zij
weer bij ons. Ik was toen weer in het hok aan het klompenmaken. Toen kwam zij
bij mij in het hok en ging zij naast mij op het klomphok zitten. plotseling
sloeg zij mij de armen om de hals en begon met mij te vrijen. Thans walgt het
mij nu ik deze zaak moet neerschrijven.
Mijn zwakke natuur kon aan de verleiding geen weerstand bieden en toen hebben
wij samen in het hok in het hooi gelegen. Ik kan natuurlijk niet alle dingen en
bijzonderheden opschrijven, maar het zij genoeg, zij heeft mij verleid. Ik mocht
haar ook wel lijden,. hoewel ik wist dat ik mij in een zaak wikkelde welke nooit
goed zou komen, met het oog op haar man en kinderen. Het stuitte mij soms zoo
tegen de borst, dat ik wanhopige pogingen deed om het net weer te verscheuren
zodat ik het zelfs nog tweemaal uit maakte. Maar dan begon Aaltje te schreien en
dreigde zij zich te zullen verdrinken. Dan kreeg mijn gevoel weer de overhand en
liet ik mij weer door haar meeslepen. Moeder had nooit een goed oog op haar en
zij heeft mij vaak gewaarschuwd, maar dan werd ik kwaad.
Ik zeide dat Aaltje de goedheid zelve was en moeder moest haar maar beter
kennen. Ach, hoe heeft mijn lieve moeder gelijk gehad. Ik vermoede nu dat Aaltje
in die tijd dat ik bij haar kwam ook nog verbintenis had met andere mannen. Daar
heb ik wel eens op gezinspeeld als ik bij haar was maar zij ontkende het en was
de onschuld zelve. Het zal ongeveer midden december 1928 zijn geweest, toen ik
op zekeren nacht om ongeveer twee uur thuis kwam, dat moeder nog wakker lag en
tegen mij zeide, je gelooft altijd aan voortekens, maar nu heeft hier vannacht
om zoowat 1 uur een hond verschrikkelijk liggen janken.
Ik geloof dat hij bij de voordeur lag. 0, wat schoot mij toen de schrik aan. Ik
zeide tegen moeder, dat betekent ongeluk, misschien wel een sterfgeval in de
familie. Moeder zeide, dan zal ik het wel wezen want ik ben al oud. Er is een
hond bij ons in de buurt die altijd als er een sterfgeval komt eenigen tijd
tevoren voor dat huis zit te janken. Ik zei tegen moeder, ik wou .dat u het mij
nooit verteld had. Ik kon die nacht niet slapen zoo bang was ik. Moeder was
nooit bang. Zij had een vast vertrouwen op God. Als het waarheid is wat de
bijbel zegt en ik hoop het weer te geloven, ach hoe hoop ik dan dat zij de weg
naar de Hemel heeft gevonden.
Moeder was de laatste tijd veel ziek. Zij kon het werk niet meer doen en toen
werd besloten, dat zij naar mijn broer Hendrik zou gaan. Zij is daar ook
gekomen, helaas slechts enkele weken, toen heeft zij het tijdelijke met het
eeuwige verwisseld. Ik heb haar hart gebroken, is het niet vreeselijk. Toen
moeder weg was is Aaltje bij mij gekomen en bij mij gebleven. De diepe val die
ik gemaakt heb is veroorzaakt door de verleiding van de vrouw, want zij is de
oorzaak geweest van de omstandigheden waardoor de ramp is ontstaan. Maar de
diepe oorzaak ligt bij mij zelf, want ik had deze vrouw moeten weerstaan, en dat
kon ik juist niet door mijn zwakte en liederlijkheid. Zoodoende ben ik een
speelbal geworden van haar ijdelheid.
Zij moest volgens recht evengoed veroordeeld worden als ik want zij staat nauwer
met de zaak in verband dan men vermoed, maar nu geeft zij mij van alle oorzaken
de schuld. Dat vernam ik toen ik op de rechtzitting haar verklaring hoorde
voorlezen, want dat was het tegenovergestelde van de waarheid. Zooals reeds
gezegd, mijn gevoel is op alle gebied zeer oppermachtig en toen zij op den
morgen van de 18e januari in groote angst zat omdat de politie haar wilde
ophalen, toen kreeg ik groot medelijden met haar, ofschoon ik nu geloof dat er
veel komedie bij was. Zooals ik reeds schreef heb ik door bovenmenschelijke
inspanning van mijn denkvermogens de oorzaken, invloeden en motieven nagegaan,
welke tot die verschrikkelijkheden van die noodlottige morgen van 18 januari
hebben geleid. Het is zo moeilijk het onder woorden te brengen wat de daad zelve
betreft. Men denke niet aan misleiding, want ik vraag een onderzoek van
deskundigen naar mijn organen waaruit dit alles voortvloeit en verklaard kan
worden. Alles in dit schrijven vermeld betreft mijn zieleleven. Er is veel
voorgevallen voordat het met de pliesi tot een botsing kwam.
Als de pliesi komt om Aaltje bij mij weg te halen, welt er een geweldige drift
en woede in mij op, tegen de mannen die de vrouw, waarop ik meende recht te
hebben van mij wilden afnemen. Dit was het kritieke moment, de wil die nog
wanhopige poging doet om het overwicht te houden onder leiding van het verstand,
maar moedeloos geworden door de jarenlange tegenstand op allerlei gebied, moet
het tegen de tegenpartij, door de jarenlange overwinning moedig geworden,
afleggen. Ook nu haalt die tegenpartij de overwinning en overschrijd den
bewustzijnsdrempel en dan voltooit zich het treurspel. Het verstand en de wil
worden nu zelfs gedwongen den vijand te hulp te komen. De booze demon in ons
wezen is nu oppermachtig geworden, grijpt naar de wapenen en voltooit met groote
zekerheid haar luguber werk.
Na het voltooien van dat misdadig werk keert deze kwade macht naar haar duister
gebied terug en herstelt zich de goede zijde van ons wezen en ziet nu de
smartelijke nederlaag en de radeloze chaos, en beseft dan tegelijkertijd dat dit
niet weer ongedaan kan worden gemaakt.
Ach, zoo is het met mij gegaan, welk een vreeselijk toestand bevind ik mij nu
in. Wie geen kennis heeft van psychologie, die zal zich moeilijk mijn toestand
kunnen voorstellen. Mijn verbazende kennis en geleerdheid zal hun allicht in de
war brengen. Dit zegt echter niets want kennis is geen macht maar moet macht
worden en juist deze kloof heb ik niet intijds kunnen overbruggen.
Hoe ging het den grooten Duitschen denker en schrijver Nietsche. Hij schreef nog
zijn diepe ideeen en theorien toen hij reeds lang waanzinnig bleek te zijn. Dit
is hetzelfde als theorie en praktijk en daar ligt een diepe kloof tussen, want
kennis en geleerdheid is slechts een product van den objectieven geest en ons
objectief bewustzijn is slechts een schaduw van ons subjectief bewustzijn. Het
verstand word daarbij overvleugeld door de gevoelens en als de wil dan niet
sterk genoeg is om dit gebied te beheerschen, wat bij mij helaas het geval is,
dan worden ten slotte onze zenuwen vernietigd. Men moet dit niet verwarren met
krankzinnigheid, al kan dit er misschien door ontstaan, want krankzinnigheid is
een objectieve kwestie die in de groote hersenen zetelt.
De wilszwakte daarentegen is de kern van zenuwlijden en zetelt in de kleine
hersenen en in het ruggemerg. Mijn kennis en geleerdheid maakt mij het leven
ondragelijk, vooral hier in de cel. Ach, hoe gaarne zou ik eens bekwame
zenuwartsen willen raadplegen want ik ben van meening, dat als deze organen bij
mij eens microsopisch onderzocht werden, dat zich hierin door de jarenlange
spanningen kolosale storingen en afwijkingen bevinden. Op aanraden van mr.
Levie, mijn verdediger, heb ik een verzoekschrift ingediend bij de
rechtercommissaris, betreffende het onderzoek naar mijn geestelijke vermogens,
maar hij vond er geen termen voor aanwezig en heeft het dus geweigerd. Ik
schrijf deze weigering aan een persoonlijk vooroordeel toe, dat is mij ook in
het verhoor van mijn zaak wel opgevallen. Ach, hoe weinig weet zijn edelachtbare
van deze zaken af.
In de afwijzing van het verzoekschrift staat o.a. gebrek aan ontwikkeling, maar
dat is niet op zijn plaats. Het moest eerder zijn, te veel en verkeerde
ontwikkeling, maar dit heeft er ook niet veel mee te maken. Er valt nog zoo veel
te schrijven, maar ik kan er niet langer mee voortgaan, want mijn tijd is om. Ik
meen een juiste beschrijving te hebben gegeven en ik hoop dat ieder weldenkend
mensch die dit schrijven onder oogen komt, zich een juist oordeel zal vormen.
April 1929 IJje Wijkstra
|