|
Inventaris DE
LEEUWARDER GEVANGENISSEN De Fransen troffen bij hun komst in Leeuwarden een vrij
goed georganiseerd gevangeniswezen aan, welks oorsprong
lag in het einde van de zestiende eeuw. Een kort
overzicht van de voornaamste gebeurtenissen tot 1810 is
hier daarom zeker op zijn plaats.
A. DE GESTICHTEN
1. De toestand tot 1810
In 1598 werd te Leeuwarden het voormalige klooster van
de Grauwe Begijnen tot Stadstuchthuis ingericht.
Gedurende de daarop volgende jaren werd in de Staten van
Friesland regelmatig gepleit voor de oprichting van een
Landschapstuchthuis. Na herhaalde aandrang openden
tenslotte Gedeputeerde Staten onderhandelingen met het
stadsbestuur van Leeuwarden. Het uiteindelijke resultaat
was dat in 1609 het stedelijke gevangenhuis overging
naar het gewest Friesland.
Reeds in 1615 echter werd de gevangenis weer gesloten en
kon het personeel vertrekken. Bijna veertig jaar moest
Friesland het nu zonder gevangenis stellen, maar die
toestand was toch verre van bevredigend. In 1654 achtten
de Staten de bouw van een nieuwe gevangenis noodzakelijk:
„De Staten van Vriesland, door de clagte van
verscheydene quartieren bevindende dat d' ingeseténen
deser landen door vagebonden, ledige ende loye bedelaers
seer jammerlijck worden geplaecht ende geëxactioneert",
kwamen tot het besluit „dat binnen de stadt Leeuwarden
mede een Tucht- en Werckhuys wederom sal worden
opgerecht op een goet ende welgeformeert reglement en de
instructie".
In 1661 was de nieuwe gevangenis, gebouwd achter het
oude Blokhuis, dat ook wel als strafgesticht dienst
deed, voltooid.
Veel plezier beleefde men er niet van. In de loop der
jaren vonden meermalen ongeregeldheden plaats:
ontvluchtingen, afbreken van tussenmuren en in 1667
brandstichting, die tijdig werd ontdekt.
In 1754 echter vatte het gebouw vlam, zonder dat de
autoriteiten daar iets tegen konden uitrichten. Het
brandde tot de grond toe af.
Vrijwel onmiddellijk daarop besloten de Staten dat het
Tuchthuis, „zoo hoog nodig (-) om gecondemneerde
gevangenen en boosdoeners te confmeeren" herbouwd moest
worden.
In 1756 was het nieuwe gesticht klaar voor gebruik.
In 1782 werd het nog uitgebreid met een kamer voor
zieken en krankzinnigen.
Zo was de toestand bij de komst van de Fransen in
Leeuwarden.
In het bestuursarchief uit de tijd van de Bataafse
Republiek bevindt zich een rapport uit 1798, waarin de
toestand van het gevangeniswezen in Friesland beschreven
staat. Daaruit blijkt dat naast het Tuchthuis ook het
oude Blokhuis dienst deed als gevangenis en wel in het
bijzonder voor hen die in voorarrest zaten en voor
degenen die „wegens het fraudeeren van 's Lands gemeene
middelen" gearresteerd waren.
Volgens hetzelfde rapport bezat Leeuwarden tevens een
Provoost, ook wel „Geweldig Logement" geheten. Het was
de bewaarplaats voor alle militaire gevangenen en
ressorteerde volledig onder de bevelen van de
garnizoenskommandant.
2. De periode van 1810-1821 In Leeuwarden werd na 1810 het gevangeniswezen
behoorlijk ingericht naar de voorschriften van het
Arrêté sur 1' organisation des prisons. Dat ging zeker
niet zonder strubbelingen. Uit de resoluties van het
gevangenisbestuur wordt duidelijk dat men in die eerste
jaren voor wat betreft de benaming van de diverse
gestichten nog wel eens aan begripsverwarring ten prooi
was. Gaan wij aan de moeilijkheden die de omschakeling
met zich sleepte voorbij dan ontstaat het volgende beeld:
Het Blokhuis werd ingericht tot Maison d' Arrêt et de
Justice en behield dus in feite de funktie zoals
omschreven in het rapport van 1798. Voorts blijkt uit
deze benaming, dat in Leeuwarden de gestichten voor de
voorlopig aangehoudenen meteen in hetzelfde gebouw
werden samengevoegd. Ook het Tuchthuis behield zijn oude
funktie en kan, als wij de terminologie van het Arrêté
in gedachten nemen, als Maison de Détention worden
aangemerkt.
Een deel van het Tuchthuis werd voorts ingericht tot
Maison de Correction. Uit de resoluties van het
gevangenisbestuur blijkt dat er zeer veel korrektionele
gevangenen waren in die tijd. Hun aantal was in 1812
zelfs dermate groot dat enige tientallen naar de
Provoost werden overgebracht waar zij verblijf hielden
totdat zij enige nieuw-gebouwde lokalen konden betrekken.
De gestichtsbeheerder heette in die tijd nog niet
direkteur of kommandant maar konciërge, later ook wel
cipier. Ook het begrip bewaarder was onbekend. De
konciërge werd terzijde gestaan door een aantal knechten.
Het toezicht over de vrouwelijke gevangenen was
opgedragen aan een „binnenmoeder". Het regiem ademde een
zekere gemoedelijkheid. Verzoeken van gevangenen werden
vaak zonder veel bedenkingen ingewilligd. Het uitdelen
van disciplinaire straffen geschiedde volgens gematigde
normen. Alleen in het Tuchthuis werd strenger opgetreden.
Af en toe werd daar zelfs de bullepees gehanteerd.
3. De periode van 1821-1886
Het voor de reorganisatie van het Nederlandse
gevangeniswezen zo belangrijke Koninklijke Besluit van 4
november 1821 werd in Leeuwarden eerst in 1825 in zijn
volle omvang van kracht.
Dat is een meevaller van belang omdat uit de periode
tussen november 1822 en januari 1825 vrij veel
archivalia ontbreken. Er zijn geen resoluties van het
gevangenisbestuur, terwijl de serie minuten van
uitgaande stukken eerst een aanvang neemt in 1823.
Met betrekking tot deze periode boden ook het archief
van het Kabinet des Konings, de archieven van de
ministeries van Binnenlandse Zaken en van Justitie en
die van het Provinciaal Bestuur van Friesland geen
soelaas. Dat is een spijtige zaak omdat wij nu
belangrijke informatie moeten ontberen. Eén voorbeeld
wil ik noemen: Tijdens de bestuursvergadering van 26
augustus 1822 kwam een brief ter tafel van de Centrale
Raad van Administratie over de Gevangenissen waarin het
bestuur werd verzocht „eene beschrijving van het gansche
beheer in het Tuchthuis" naar Den Haag te willen sturen.
Men besloot aan dat verzoek te voldoen en maakte in het.
resolutieboek een verwijzing naar de, in het archief
niet meer aanwezige, minuten van uitgaande stukken.
Vanaf januari 1825 zijn er weer resolutieboeken en
meteen op de derde januari kwam de aanstaande vereniging
van het Huis van Arrest en Justitie met het Provoosthuis
ter sprake. De naam van het aldus te vormen gesticht zou,
enigszins in afwijking van de wettelijke terminologie „Huis
van Burgerlijke en Militaire Verzekering" luiden.
De nieuwe organisatie begon nu vlot vorm te krijgen en
bij besluit van de provinciale goeverneur van 18 januari
1825 werd W. Roos aangesteld tot konciërge van het Huis
van Burgerlijke en Militaire Verzekering.
In april 1825 werd de nieuwe gevangenis in gebruik
genomen. De militaire kommandant van Leeuwárden
spartelde nog even tegen maar in juni werden ook de
gearresteerde militairen overgebracht naar het nieuwe
gesticht. Met het Huis van Burgerlijke en Militaire
Verzekering waren voorts verenigd het Huis van Korrektie
en het Huis van Bewaring. Ze ressorteerden onder de
bevelen van één konciërge, later direkteur geheten.
Tussen de verschillende afdelingen kwamen deugdelijke
afscheidingen terwijl ze ook hun eigen administratie
bleven voeren. In het vorenstaande is enige malen de
term „nieuw gesticht" gevallen maar die is enigszins
misleidend. Het Huis van Burgerlijke en Militaire
Verzekering was een nieuwe instelling die werd
gehuisvest in een allesbehalve nieuw gebouw: de uit 1571
daterende Kanselarij, eens de zetel van het Hof van
Friesland. Het Tuchthuis werd bij K.B. van 10 november
1837, nr. 85, aangewezen als gevangenis voor krimineel
veroordeelde mannen. Bestuderen wij de registers van
inschrijving dan blijkt dat dit K.B. slechts de
bevestiging was van een reeds bestaande situatie.
De naam van het Tuchthuis werd gewijzigd in Huis van
Opsluiting en Tuchtiging, waar een kommandant het bevel
voerde.
In de loop der jaren werd het gesticht belangrijk
uitgebreid, waarbij in 1870 het oude Blokhuis definitief
werd opgeruimd en plaats maakte voor een nieuwe
cellenvleugel.
4. De periode 1886-1953 Onder de wet van 1886 moest het Huis van Burgerlijke en
Militaire Verzekering plaatsmaken voor een Huis van
Bewaring „nieuwe stijl". De oude Kanselarij, die als
gevangenis volmaakt ongeschikt was, werd verlaten en in
1889 verrees op het terrein van de Strafgevangenis een
nieuw Huis van Bewaring.
Omdat daarin ook de kort gestraften waren ondergebracht
werd een deel van het gebouw ingericht tot
Hulpstrafgevangenis, waarin geen preventief gehechten
werden opgesloten. Voorlopig aangehoudenen en reeds
veroordeelden konden zo van elkaar gescheiden blijven.
Tevens voorkwam men daarmee dat in Leeuwarden
veroordeelde gevangenen naar elders getransporteerd
moesten worden, omdat in de Bijzondere Strafgevangenis
van de friese hoofdstad geen „lichte gevallen" konden
worden opgenomen.
Het Huis van Opsluiting en Tuchtiging werd nu namelijk
omgevormd tot een Bijzondere Strafgevangenis voor mannen.
Het begrip „bijzonder" had voor Leeuwarden dezelfde
betekenis. men werd in Leeuwarden geplaatst als men tot
een gevangenisstraf van vijf jaren of meer veroordeeld
was. De eerste vijf jaren werden cellulair, de overige
in de gemeenschap doorgebracht. Ook kwam het
herhaaldelijk voor dat langdurig gestraften de eerste
vijf jaar van hun detentie elders uitzaten om vervolgens
in Leeuwarden te worden ondergebracht.
Leeuwarden kreeg nu nog slechts de „zware gevallen"
binnen zijn muren en werd daarmee „niet de belangrijkste
maar wel de meest spektakulaire gevangenis van
Nederland".
De Bijzondere Strafgevangenis en het Huis van Bewaring
anneks Hulpstrafgevangenis hadden aanvankelijk ieder hun
eigen direkteur. Met ingang van 1924 kwam de leiding van
beide instellingen in handen van één en dezelfde persoon,
die als titel voerde „Direkteur van de Bijzondere
Strafgevangenis, tevens belast met de direktie van het
Huis van Bewaring".
De direkteur voerde aanvankelijk alleen het beheer.
Vanaf cirka 1915 werd hij terzijde gestaan door de
volgende kommissies:
1a. De Vergadering van Hogere Gestichtsambtenaren
Hierin hadden, naast de direkteur, zitting de aan de
gevangenis verbonden artsen en geestelijke verzorgers.
Men stelde zich ten doel de belangen van de
gedetineerden waar mogelijk te behartigen. In de
vergaderingen kwamen onderwerpen als gratieverlening,
het toekennen van bijzondere voorrechten en het verlenen
van medische, geestelijke en sociale hulp ter sprake.
2a. De Gestichtsraad
Hierin hadden, naast de onder 1 genoemde ambtenaren, ook
vertegenwoordigers van het lagere gevangenispersoneel
zitting. De vergaderingen werden onder andere bijgewoond
door een hoofdbewaarder en een werkmeester die,
uiteraard, de gevangenen op een heel andere manier
leerden kennen dan de dominee of de dokter.
Ook deze kommissie kwam op voor de belangen van de
gedetineerden en besprak, mutatis mutandis, dezelfde
onderwerpen als de Vergadering van Hogere
Gestichtsambtenaren.
3. De Dienstenkommissie Deze stond geheel los van de twee hierboven beschreven
kommissies. Hij bestond uit vertegenwoordigers van het
hogere en het lagere gevangenispersoneel, aangevuld met
vertegenwoordigers van verschillende
ambtenarenvakorganisaties. Tijdens de vergaderingen van
deze kommissie kwamen alleen belangen van het personeel
aan de orde.
Toen in 1953 de Beginselenwet Gevangeniswezen werd
ingevoerd werd de Bijzondere Strafgevangenis omgezet in
een Gewone Gevangenis. De „zware gevallen" werden
geleidelijk aan overgebracht naar de Koepelgevangenis in
Breda.. Leeuwarden werd een recidivistengevangenis.
Omdat er tenslotte nog maar 23 gevangenen in de
Leeuwarder gevangenis verbleven werd het gesticht per 1
januari 1970 opgeheven. Het Huis van Bewaring bleef
bestaan.
Zes , jaar later echter werd de cellenvleugel van het
complex weer in gebruik genomen en wel voor
veroordeelden die een zogenaamd „lopend vonnis" hadden
gekregen doch zich voor de tenuitvoerlegging van dit
vonnis niet hadden gemeld na hun oproep. De capaciteit
van de nieuwe „B-vleugel" is 80 plaatsen (naast die in
het eigenlijke Huis van Bewaring van ongeveer 65)
5. Kampen voor politieke delinkwenten
Direkt na de bevrijding van Leeuwarden op 15 april 1945
werd aan de gelijknamige straat het kamp „Arendstuin"
ingericht voor de opvang van politieke gevangenen en
zwarthandelaren.
De leiding berustte bij de Nederlandse Binnenlandse
Strijdkrachten die het kommando met ingang van 15 mei
1945 overdroegen aan het Militaire Gezag. Het kamp
bestond uit drie gebouwen: de mannelijke gevangenen
waren ondergebracht in het gymnasium, de vrouwelijke in
de gemeentelijke lagere school. Het bewakingspersoneel
was gehuisvest in de tussen deze gebouwen gelegen
marechausseekazeme.
Het kamp droeg een tijdelijk karakter. Al direkt na de
bevrijding was men begonnen met de bouw van een
barakkenkamp op de vliegbasis van Leeuwarden. Op 20
augustus 1945 werd „Arendstuin" verlaten. De mannelijke
bewoners werden overgebracht naar de vliegbasis; de
vrouwelijke verhuisden naar „Ericadorp", een
barakkenkamp aan de Troelstraweg.
De kampen waren bestemd voor verdachten die in
voorarrest zaten. Na hun veroordeling werden ze
verspreid over Nederlandse gevangenissen. Sommigen
kwamen dan toch weer in Leeuwarden terecht.
De kampen stonden buiten de organisatie van het
gevangeniswezen in de friese hoofdstad en hadden hun
eigen kommandant.
bron Inventaris van de archieven van de instellingen
VAN HET GEVANGENISWEZEN IN LEEUWARDEN, HEERENVEEN EN
SNEEK 1812 - 1953
▲
geschiedenis |