HomeBLOKHUISPOORT.NL

 

Engelstalige BlokhuispoortHyves Blokhuispoort  FacebookTwitterLinkedin

MUSEUM AGENDA EXPOSITIE RONDLEIDING CONTACT ZOEK VVV
berucht bibliotheek educatie beeld geschiedenis ontsnappingen bunker winkel

Inventaris

DE LEEUWARDER GEVANGENISSEN
De Fransen troffen bij hun komst in Leeuwarden een vrij goed georganiseerd gevangeniswezen aan, welks oorsprong lag in het einde van de zestiende eeuw. Een kort overzicht van de voornaamste gebeurtenissen tot 1810 is hier daarom zeker op zijn plaats.

A. DE GESTICHTEN

1. De toestand tot 1810
In 1598 werd te Leeuwarden het voormalige klooster van de Grauwe Begijnen tot Stadstuchthuis ingericht.

Gedurende de daarop volgende jaren werd in de Staten van Friesland regelmatig gepleit voor de oprichting van een Landschapstuchthuis. Na herhaalde aandrang openden tenslotte Gedeputeerde Staten onderhandelingen met het stadsbestuur van Leeuwarden. Het uiteindelijke resultaat was dat in 1609 het stedelijke gevangenhuis overging naar het gewest Friesland.

Reeds in 1615 echter werd de gevangenis weer gesloten en kon het personeel vertrekken. Bijna veertig jaar moest Friesland het nu zonder gevangenis stellen, maar die toestand was toch verre van bevredigend. In 1654 achtten de Staten de bouw van een nieuwe gevangenis noodzakelijk:

„De Staten van Vriesland, door de clagte van verscheydene quartieren bevindende dat d' ingeseténen deser landen door vagebonden, ledige ende loye bedelaers seer jammerlijck worden geplaecht ende geëxactioneert", kwamen tot het besluit „dat binnen de stadt Leeuwarden mede een Tucht- en Werckhuys wederom sal worden opgerecht op een goet ende welgeformeert reglement en de instructie".

In 1661 was de nieuwe gevangenis, gebouwd achter het oude Blokhuis, dat ook wel als strafgesticht dienst deed, voltooid.

Veel plezier beleefde men er niet van. In de loop der jaren vonden meermalen ongeregeldheden plaats: ontvluchtingen, afbreken van tussenmuren en in 1667 brandstichting, die tijdig werd ontdekt.

In 1754 echter vatte het gebouw vlam, zonder dat de autoriteiten daar iets tegen konden uitrichten. Het brandde tot de grond toe af.

Vrijwel onmiddellijk daarop besloten de Staten dat het Tuchthuis, „zoo hoog nodig (-) om gecondemneerde gevangenen en boosdoeners te confmeeren" herbouwd moest worden.

In 1756 was het nieuwe gesticht klaar voor gebruik.

In 1782 werd het nog uitgebreid met een kamer voor zieken en krankzinnigen.

Zo was de toestand bij de komst van de Fransen in Leeuwarden.

In het bestuursarchief uit de tijd van de Bataafse Republiek bevindt zich een rapport uit 1798, waarin de toestand van het gevangeniswezen in Friesland beschreven staat. Daaruit blijkt dat naast het Tuchthuis ook het oude Blokhuis dienst deed als gevangenis en wel in het bijzonder voor hen die in voorarrest zaten en voor degenen die „wegens het fraudeeren van 's Lands gemeene middelen" gearresteerd waren.

Volgens hetzelfde rapport bezat Leeuwarden tevens een Provoost, ook wel „Geweldig Logement" geheten. Het was de bewaarplaats voor alle militaire gevangenen en ressorteerde volledig onder de bevelen van de garnizoenskommandant.

2. De periode van 1810-1821
In Leeuwarden werd na 1810 het gevangeniswezen behoorlijk ingericht naar de voorschriften van het Arrêté sur 1' organisation des prisons. Dat ging zeker niet zonder strubbelingen. Uit de resoluties van het gevangenisbestuur wordt duidelijk dat men in die eerste jaren voor wat betreft de benaming van de diverse gestichten nog wel eens aan begripsverwarring ten prooi was. Gaan wij aan de moeilijkheden die de omschakeling met zich sleepte voorbij dan ontstaat het volgende beeld:

Het Blokhuis werd ingericht tot Maison d' Arrêt et de Justice en behield dus in feite de funktie zoals omschreven in het rapport van 1798. Voorts blijkt uit deze benaming, dat in Leeuwarden de gestichten voor de voorlopig aangehoudenen meteen in hetzelfde gebouw werden samengevoegd. Ook het Tuchthuis behield zijn oude funktie en kan, als wij de terminologie van het Arrêté in gedachten nemen, als Maison de Détention worden aangemerkt.

Een deel van het Tuchthuis werd voorts ingericht tot Maison de Correction. Uit de resoluties van het gevangenisbestuur blijkt dat er zeer veel korrektionele gevangenen waren in die tijd. Hun aantal was in 1812 zelfs dermate groot dat enige tientallen naar de Provoost werden overgebracht waar zij verblijf hielden totdat zij enige nieuw-gebouwde lokalen konden betrekken.

De gestichtsbeheerder heette in die tijd nog niet direkteur of kommandant maar konciërge, later ook wel cipier. Ook het begrip bewaarder was onbekend. De konciërge werd terzijde gestaan door een aantal knechten. Het toezicht over de vrouwelijke gevangenen was opgedragen aan een „binnenmoeder". Het regiem ademde een zekere gemoedelijkheid. Verzoeken van gevangenen werden vaak zonder veel bedenkingen ingewilligd. Het uitdelen van disciplinaire straffen geschiedde volgens gematigde normen. Alleen in het Tuchthuis werd strenger opgetreden. Af en toe werd daar zelfs de bullepees gehanteerd.

3. De periode van 1821-1886
Het voor de reorganisatie van het Nederlandse gevangeniswezen zo belangrijke Koninklijke Besluit van 4 november 1821 werd in Leeuwarden eerst in 1825 in zijn volle omvang van kracht.

Dat is een meevaller van belang omdat uit de periode tussen november 1822 en januari 1825 vrij veel archivalia ontbreken. Er zijn geen resoluties van het gevangenisbestuur, terwijl de serie minuten van uitgaande stukken eerst een aanvang neemt in 1823.

Met betrekking tot deze periode boden ook het archief van het Kabinet des Konings, de archieven van de ministeries van Binnenlandse Zaken en van Justitie en die van het Provinciaal Bestuur van Friesland geen soelaas. Dat is een spijtige zaak omdat wij nu belangrijke informatie moeten ontberen. Eén voorbeeld wil ik noemen: Tijdens de bestuursvergadering van 26 augustus 1822 kwam een brief ter tafel van de Centrale Raad van Administratie over de Gevangenissen waarin het bestuur werd verzocht „eene beschrijving van het gansche beheer in het Tuchthuis" naar Den Haag te willen sturen. Men besloot aan dat verzoek te voldoen en maakte in het. resolutieboek een verwijzing naar de, in het archief niet meer aanwezige, minuten van uitgaande stukken. Vanaf januari 1825 zijn er weer resolutieboeken en meteen op de derde januari kwam de aanstaande vereniging van het Huis van Arrest en Justitie met het Provoosthuis ter sprake. De naam van het aldus te vormen gesticht zou, enigszins in afwijking van de wettelijke terminologie „Huis van Burgerlijke en Militaire Verzekering" luiden.

De nieuwe organisatie begon nu vlot vorm te krijgen en bij besluit van de provinciale goeverneur van 18 januari 1825 werd W. Roos aangesteld tot konciërge van het Huis van Burgerlijke en Militaire Verzekering.

In april 1825 werd de nieuwe gevangenis in gebruik genomen. De militaire kommandant van Leeuwárden spartelde nog even tegen maar in juni werden ook de gearresteerde militairen overgebracht naar het nieuwe gesticht. Met het Huis van Burgerlijke en Militaire Verzekering waren voorts verenigd het Huis van Korrektie en het Huis van Bewaring. Ze ressorteerden onder de bevelen van één konciërge, later direkteur geheten.

Tussen de verschillende afdelingen kwamen deugdelijke afscheidingen terwijl ze ook hun eigen administratie bleven voeren. In het vorenstaande is enige malen de term „nieuw gesticht" gevallen maar die is enigszins misleidend. Het Huis van Burgerlijke en Militaire Verzekering was een nieuwe instelling die werd gehuisvest in een allesbehalve nieuw gebouw: de uit 1571 daterende Kanselarij, eens de zetel van het Hof van Friesland. Het Tuchthuis werd bij K.B. van 10 november 1837, nr. 85, aangewezen als gevangenis voor krimineel veroordeelde mannen. Bestuderen wij de registers van inschrijving dan blijkt dat dit K.B. slechts de bevestiging was van een reeds bestaande situatie.

De naam van het Tuchthuis werd gewijzigd in Huis van Opsluiting en Tuchtiging, waar een kommandant het bevel voerde.

In de loop der jaren werd het gesticht belangrijk uitgebreid, waarbij in 1870 het oude Blokhuis definitief werd opgeruimd en plaats maakte voor een nieuwe cellenvleugel.

4. De periode 1886-1953
Onder de wet van 1886 moest het Huis van Burgerlijke en Militaire Verzekering plaatsmaken voor een Huis van Bewaring „nieuwe stijl". De oude Kanselarij, die als gevangenis volmaakt ongeschikt was, werd verlaten en in 1889 verrees op het terrein van de Strafgevangenis een nieuw Huis van Bewaring.

Omdat daarin ook de kort gestraften waren ondergebracht werd een deel van het gebouw ingericht tot Hulpstrafgevangenis, waarin geen preventief gehechten werden opgesloten. Voorlopig aangehoudenen en reeds veroordeelden konden zo van elkaar gescheiden blijven. Tevens voorkwam men daarmee dat in Leeuwarden veroordeelde gevangenen naar elders getransporteerd moesten worden, omdat in de Bijzondere Strafgevangenis van de friese hoofdstad geen „lichte gevallen" konden worden opgenomen.

Het Huis van Opsluiting en Tuchtiging werd nu namelijk omgevormd tot een Bijzondere Strafgevangenis voor mannen.

Het begrip „bijzonder" had voor Leeuwarden dezelfde betekenis. men werd in Leeuwarden geplaatst als men tot een gevangenisstraf van vijf jaren of meer veroordeeld was. De eerste vijf jaren werden cellulair, de overige in de gemeenschap doorgebracht. Ook kwam het herhaaldelijk voor dat langdurig gestraften de eerste vijf jaar van hun detentie elders uitzaten om vervolgens in Leeuwarden te worden ondergebracht.

Leeuwarden kreeg nu nog slechts de „zware gevallen" binnen zijn muren en werd daarmee „niet de belangrijkste maar wel de meest spektakulaire gevangenis van Nederland".

De Bijzondere Strafgevangenis en het Huis van Bewaring anneks Hulpstrafgevangenis hadden aanvankelijk ieder hun eigen direkteur. Met ingang van 1924 kwam de leiding van beide instellingen in handen van één en dezelfde persoon, die als titel voerde „Direkteur van de Bijzondere Strafgevangenis, tevens belast met de direktie van het Huis van Bewaring".

De direkteur voerde aanvankelijk alleen het beheer. Vanaf cirka 1915 werd hij terzijde gestaan door de volgende kommissies:


1a. De Vergadering van Hogere Gestichtsambtenaren
Hierin hadden, naast de direkteur, zitting de aan de gevangenis verbonden artsen en geestelijke verzorgers. Men stelde zich ten doel de belangen van de gedetineerden waar mogelijk te behartigen. In de vergaderingen kwamen onderwerpen als gratieverlening, het toekennen van bijzondere voorrechten en het verlenen van medische, geestelijke en sociale hulp ter sprake.

2a. De Gestichtsraad
Hierin hadden, naast de onder 1 genoemde ambtenaren, ook vertegenwoordigers van het lagere gevangenispersoneel zitting. De vergaderingen werden onder andere bijgewoond door een hoofdbewaarder en een werkmeester die, uiteraard, de gevangenen op een heel andere manier leerden kennen dan de dominee of de dokter.

Ook deze kommissie kwam op voor de belangen van de gedetineerden en besprak, mutatis mutandis, dezelfde onderwerpen als de Vergadering van Hogere Gestichtsambtenaren.

3. De Dienstenkommissie
Deze stond geheel los van de twee hierboven beschreven kommissies. Hij bestond uit vertegenwoordigers van het hogere en het lagere gevangenispersoneel, aangevuld met vertegenwoordigers van verschillende ambtenarenvakorganisaties. Tijdens de vergaderingen van deze kommissie kwamen alleen belangen van het personeel aan de orde.

Toen in 1953 de Beginselenwet Gevangeniswezen werd ingevoerd werd de Bijzondere Strafgevangenis omgezet in een Gewone Gevangenis. De „zware gevallen" werden geleidelijk aan overgebracht naar de Koepelgevangenis in Breda.. Leeuwarden werd een recidivistengevangenis.

Omdat er tenslotte nog maar 23 gevangenen in de Leeuwarder gevangenis verbleven werd het gesticht per 1 januari 1970 opgeheven. Het Huis van Bewaring bleef bestaan.

Zes , jaar later echter werd de cellenvleugel van het complex weer in gebruik genomen en wel voor veroordeelden die een zogenaamd „lopend vonnis" hadden gekregen doch zich voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis niet hadden gemeld na hun oproep. De capaciteit van de nieuwe „B-vleugel" is 80 plaatsen (naast die in het eigenlijke Huis van Bewaring van ongeveer 65)

5. Kampen voor politieke delinkwenten
Direkt na de bevrijding van Leeuwarden op 15 april 1945 werd aan de gelijknamige straat het kamp „Arendstuin" ingericht voor de opvang van politieke gevangenen en zwarthandelaren.

De leiding berustte bij de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten die het kommando met ingang van 15 mei 1945 overdroegen aan het Militaire Gezag. Het kamp bestond uit drie gebouwen: de mannelijke gevangenen waren ondergebracht in het gymnasium, de vrouwelijke in de gemeentelijke lagere school. Het bewakingspersoneel was gehuisvest in de tussen deze gebouwen gelegen marechausseekazeme.

Het kamp droeg een tijdelijk karakter. Al direkt na de bevrijding was men begonnen met de bouw van een barakkenkamp op de vliegbasis van Leeuwarden. Op 20 augustus 1945 werd „Arendstuin" verlaten. De mannelijke bewoners werden overgebracht naar de vliegbasis; de vrouwelijke verhuisden naar „Ericadorp", een barakkenkamp aan de Troelstraweg.

De kampen waren bestemd voor verdachten die in voorarrest zaten. Na hun veroordeling werden ze verspreid over Nederlandse gevangenissen. Sommigen kwamen dan toch weer in Leeuwarden terecht.

De kampen stonden buiten de organisatie van het gevangeniswezen in de friese hoofdstad en hadden hun eigen kommandant.

bron Inventaris van de archieven van de instellingen
VAN HET GEVANGENISWEZEN IN LEEUWARDEN, HEERENVEEN EN SNEEK 1812 - 1953

geschiedenis

 


Museum Blokhuispoort Leeuwarden Verzetsmuseum Leeuwarden  Fries museum  Gevangenismuseum Veenhuizen  Museumfederatie Friesland  Tresoar  HCL Historisch Centrum Leeuwarden Gemeente Leeuwarden

29-01-2012

vanPlan BeleefFriesland  VVV Leeuwarden  Dagjeweg  Museuminfo Omroepfryslan  Leeuwardercourant  Wikipedia Blokhuispoort  KvK Leeuwarden Openmonumentdag  Rijksoverheid    Statistieken

© 2003-2012 Stichting Blokhuispoort  Colofoon  Gastenboek Informatie links Nieuwsbrief