|
Lammert Feijes, geboren in Ureterp, kwam eind 1722 vrij uit het tuchthuis, na
zijn straf van vijf jaar te hebben uitgezeten. Zijn broer Jan Feijes en zijn oom
Jan Hendriks Bosscha hadden gehoopt dat die straf een opvoedende werking zou
hebben gehad. Maar Lammert had niet al te veel geleerd in Leeuwarden, hij ging
opnieuw in de fout, nu op een gluiperige manier.
Op 14 juli 1724 werd Lammert overgezonden naar Leeuwarden, vergezeld van de
papieren, die zijn nieuwe misdaad onthulden. Uit deze informaties blijkt dat
Lammert dienstknecht was bij Jan Minnerts in Bakkeveen. Hij had een diefstal
gepleegd, de buit was zeer gering, maar de manier waarop was "zeer kwaadaardig".
De volgende getuigenverklaringen waren intussen afgelegd:
1. Fokje Jans, circa 30 jaar oud, huisvrouw van Jan Girbes in Bakkeveen
verklaarde dat op maandag 3 juli 1724 een dochtertje van Jan Tjables, wonende in
Bakkeveen, te Duurswoude zou worden begraven. Fokje liep mee in de
begrafenisstoet, de mannen voorop, de vrouwen achteraan. Fokje zag dat Lammert
de stoet verliet bij het huis van zijn broodheer Jan Minnerts. Ze zag dat
Lammert wat "ompielde" bij de vensters van het huis. Ze vertrouwde het zaakje
niet en haalde Antje Jans, de vrouw van Foppe Hinkes, erbij om Lammert in de
gaten te houden.
Ze zag Lammert op de knieën zitten voor het kelderraam van het huis van Jan
Minnerts. Daarna zag ze Lammert naar de voorkant van het huis lopen, een raam
omhoog schuiven en naar binnen klimmen. Fokje en Antje zaten in een roggeveld en
konden alles goed zien, zonder zelf gezien te worden. Toen Lammert naar binnen
was geklommen door het raam ging Fokje naar het huis van Jan Minnerts en riep of
daar ook iemand was, ze kreeg geen reactie.
2. Antje Jans, de vrouw van Foppe Hinkes verklaarde dat ze door Fokje Jans uit
haar huis was geroepen om te zien wat Lammert aan het doen was. De beide dames
zaten aan de oostkant van de vaart in de rogge, tegenover het huis van Jan
Minnerts. Verder is haar verhaal ongeveer gelijk aan dat van Antje Jans. Ze
bleef echter in de rogge zitten toen Fokje naar het huis van Jan Minnerts liep.
Verder zag ze dat Lammert via de voordeur dat huis verliet, toen Fokje, samen
met Pieter Jans, de vrouw van Jan Minnerts aan het ophalen was.
3. Pieter Jans, 21 jaar oud, verklaarde naar het huis van Jan Minnerts te zijn
gegaan om een plank op te halen, die bij de begrafenis moest worden gebruikt.
Hij hoorde wel tumult, maar besteedde er verder geen aandacht aan. Toen hij
wegliep met de plank onder de arm werd hij door Fokje Jans aangesproken. Samen,
hij en Fokje, hadden ze geroepen of er ook iemand in huis was. Ze kregen geen
antwoord en daarna was Pieter met de plank naar het huis van Jan Tjables gelopen.
4. Jan Minnerts, 62 jaar oud, de werkgever van Lammert, verklaarde dat hij op
die derde juli 1724 na de begrafenis thuis was gekomen. Hij vond Lammert Feijes,
die in het schapenhok zat. Jan vroeg waarom Lammert niet aan de burenplicht had
voldaan, en wat hij in het huis had gedaan tijdens de begrafenis. Lammert had
geantwoord dat hij zijn kleren had gezocht. Toen had Jan zijn vrouw Antje Gaukes
erbij gehaald. Antje had daarop de kleren aan Lammert gegeven en ook nog twee
schellingen reisgeld. Lammert Feijes kreeg dus ontslag.
5. Antje Gaukes, 60 jaar oud, doopsgezind, huisvrouw van Jan Minnerts verklaarde
dat zij en haar man aan Lammert hadden verplicht om mee te gaan naar de
begrafenis. Bij hun vertrek van huis hadden ze de deuren en ramen afgesloten. In
het sterfhuis kwamen Fokje Jans en Pieter Jans bij haar, waarop ze naar huis was
gegaan. Daar vond ze dat het slot van een "kevyhuis" was opengemaakt en er was
ook een "Hollands kistje" opengebroken. Uit dit kistje miste ze een caroligulden
en negen stuivers.
Dat geld was bedoeld voor de "diaconie wese" in Beetsterzwaag. Lammert had tegen
haar gezegd dat hij zijn kleren wilde hebben. Antje had geantwoord: "Neen feint,
't is dy om 't geld te doen, dou suiste 't geseit hebben, ik soude dy dyn cleren
wel hebben gegeven". Bovendien lagen Lammerts kleren in een kast in een andere
kamer. Lammert zou toen hebben toegegeven de kist en het kevyhuis te hebben
opengebroken.
Later werd Antje Gaukes nog eens gehoord door het Gerecht in Leeuwarden. Ze
verklaarde dat er eerst wel 40 caroliguldens in de kevy zat, maar dat geld was
intussen aan reëel-belasting uitgegeven. Haar man had "enige wol" verkocht en
dat wist Lammert Feijes ook. Daarmee zei Antje eigenlijk dat Lammert Feijes de
bedoeling zou hebben gehad veel geld te stelen. Nu miste ze alleen de ene
caroligulden en negen stuivers, bestemd voor haar diaconiekind.
Zoals gebruikelijk werd daarna Lammert Feijes in Leeuwarden nog eens verhoord.
Lammert verklaarde niet "ter sluiks" de statie te hebben verlaten, maar om
kalveren weg te jagen van een kamp land van Jan Meijnes (= Jan Minnerts ?). Hij
had geen vensters opengebroken, maar was gewoon door de voordeur naar binnen en
naar buiten gegaan. Ook had hij geen sloten opengebroken, hij had alleen zijn
kleren uit een oude kast, die al openstond, meegenomen.
Het Hof geloofde Lammert Feijes niet, de bewijzen van diefstal waren voldoende,
hij werd op 23 september 1724 opnieuw veroordeeld, nu tot een strenge geseling
en drie jaar Tuchthuis.
Nog eenmaal komen we Lammert Feijes tegen in de archieven van het Hof van
Friesland. Eind september 1725 was Lammert betrokken bij een poging tot uitbraak
uit het Tuchthuis. Lammert was opgesloten in de afdeling "Groenland" van het
Tuchthuis. Door wijlen Han Hietkamp is deze zaak gepubliceerd in "De kerfstokjes
van onze voorouders", deel 2. Hoofdschuldige hierbij was Harmen Hendriks.
Bibliotheek |