Leeuwarden 700
waar het Blokhuis een belangrijke plaats in had. Een beknopte economische geschiedenis van Leeuwarden;
Hugo Kingmans etc. [verantwoording!])
Zo loop je in het jaar 1602 op Leeuwarden af. Uit het
zuiden, over de Schans, waar nog geen huizen staan. Je
kunt dus al op grote afstand enkele torens herkennen. De
stompe toren links is natuurlijk de Oldehove. Die hoort
er nog altijd bij. Maar welke toren staat midden op de
prent? Misschien denk je even aan de Bonifatiustoren.
Maar die zou meer naar rechts moeten staan. En hij is
pas in 1884 afgebouwd en kan dus nog niet op dit
stadsgezicht te zien zijn. Nee, het is de Nieuwe Toren.
Je kunt hem in die jaren vinden op de hoek van de Grote
Hoogstraat en de Klokstraat. In 1884 is hij afgebroken.
Precies in het jaar, waarin de Bonifatiustoren erbij
komt. De twee torentjes even links van de Nieuwe Toren
zijn er óók niet meer. Die gehoren bij de Wirdumerpoort,
waardoor je straks de stad binnengaat. Van die poort
zijn vorig jaar nog resten gevonden. Maar na het
archeologisch-dat is oudheidkundig-onderzoek zijn ze
weer weggestopt. Je komt de poort op de hoek van de
Wirdumerdijk nu niet meer tegen.
Want zo gaat het in een stad; er wordt gebouwd en er
wordt afgebroken en er komt iets nieuws op de oude
plaats. Een stad lééft. En bij het leven horen geboorte
en dood, afbraak en nieuwbouw.
Mooi, zo’n stadsgezicht van bijna vierhonderd jaar
geleden. Maar het maakt ook nieuwsgierig. Je kijkt
alleen maar tegen Leeuwarden aan. Hoe ziet de stad er
achter de grachten en wallen uit?
Gelukkig hebben we uit die tijd niet alleen een gezicht
op de stad, maar ook een kaart van Leeuwarden. Het is
een vogelvluchtkaart. Je ziet de stad onder je liggen
alsof je er als een vogel overheen scheert. Tegenwoordig
laten we een luchtfoto nemen. Maar aan het begin van de
zeventiende eeuw moet landmeter Johan Sems eerst de hele
stad opmeten. Hij heeft heel precies werk geleverd. Met
zijn gegevens maakt Pieter Bast in 1603 de
vogelvluchtkaart, zoals hij een jaar eerder ook het
gezicht op Leeuwarden tekent. En op die manier weten wij
hoe Leeuwarden er in 1603 uitziet; een stad in vrijheid,
die zich met gepaste trots de hoofdstad van Friesland
mag noemen.
Je kunt met deze plattegrond in de hand nog altijd door
de Leeuwarder binnenstad lopen. Wandel maar eens van de
Vrouwepoortsbrug (bij de vroegere Onze Lieve Vrouwepoort)
naar het gebouw van de Leeuwarder Courant (bij de
vroegere Hoeksterpoort): langs de Nieuwestad, door het
naauw, over de Kelders en langs de Voorstreek. Langs die
route heeft Leeuwarden gelukkig al zijn grachten bewaard
en je vindt die wandelroute dan ook gemakkelijk op de
kaart van 1603 terug.
Vóór dat jaar zijn er ook al enkele stadsplattegronden
van Leeuwarden gemaakt. Die zijn minder betrouwbaar. Hoe
de buiten-en de binnengrachten lopen is precies getekend.
De grotere gebouwen staan er ook wel op. De gewone
straten en huizen zijn voor die tekenaars niet zo
belangrijk. Daarom vertellen die kaarten veel minder
over de stad dan de plattegrond van landmeter Sems en
graveur Pieter Bast. Maar ze laten toch iets zien. En
tot ongeveer 1560 heeft Leeuwarden het zonder
stadsplattegrond moeten stellen. Dat is jammer. Ook van
het oudere Leeuwarden zouden we méér willen zien.
Want vóór 1560 is er immers al een stad Leeuwarden. Die
is al zeven eeuwen oud, want we vieren dit jaar het
700-jarig bestaan van Leeuwarden. Wat weten we van die
vroeere stad? Hoe begint haar geschiedenis? Bij het
zoeken naar een antwoord kunnen kaarten ons niet verder
helpen. We moeten het op een andere manier te weten
komen. Uit documenten bijvoorbeeld. Daarvan zijn er
enkele bewaard, vooral uit archeologisch onderzoek.
Daarom is het goed, dat er de laatste jaren zoveel in de
binnenstad is gegraven, al staat de halve stad dan op
haar kop. Dat is ook vervelend, maar dat vergeten we wel
weer. Als de spa zo diep in grond wordt gestoken, vindt
men vaak iets wat meer vertelt over het verleden van de
stad. Dat archeologisch onderzoek brengt bij stukjes en
beetjes de vroege geschiedenis van Leeuwarden boven de
grond. Het is en blijft puzzelen. Een stukje hier. Tien
stukjes daar. En we zullen wel nooit de héle Leeuwarder
geschiedenis in elkaar kunnen passen
Rond het jaar 1000 Laten we eens het zevenmijlslaarzen door die vroege
geschiedenis geen. De naam Leeuwarden is er nog niet.
Van een stad is geen sprake. Wel wordt in een document
uit de achtste eeuw een ‘villa Lintwarde’ genoemd. Met
het woord villa bedoelt men een vederzetting, een dorp.
Er is dus iets...
De nederzetting ligt aan de Middelzee, op de plaats,
waar drie waterlopen in zee uitmonden. De Ee uit het
noordoosten, het Vliet uit het oosten en de Potmarge uit
het zuiden. Al het vervoer gaat over water. Een dorp op
de rand van zee en land en met af- en aanvoerroutes,
ligt gunstig. Maar het ligt in kwelderland, droog bij eb,
onder water bij vlied. Om huizen en voeten droog te
houden moeten terpen worden opgeworpenj. Bij ons ligt
de oudste terp tussen wat nu de Eewal en Voorstreek/Kelders
heten: een eilandje tussen de kreken. Dat woongebied
wordt te klein. Ten noorden van de Eewal werpt men een
tweede terp op.
Er is ook een derde terp, meer naar het oosten. Daar is
al vroeg een kerk(je) gebouwd. Oldehove heet deze derde
terp. En de twee terpen ter weerszijden van de Eewal
vormen samen Nijehove. Als je droog wilt overkomen van
Nijehove naar Oldehove loop je vermoedelijk over wat nu
de Grote Kerkstraat heet. Die ligt inderdaad hoog.
Misschien een oude dijk?
Nijehove, Oldehove en dan nog een nederzetting. In het
oosten groeit de buurtschap Hoek, waarschijnlijk op een
natuurlijke hoogte. Daar vind je geen terp. Maar die
drie Leeuwarder terpen kun je nog terug vinden. Je kunt
ze als je door de oude stad loopt of fietst zelfs voelen...
Munten uit Liuvert
Zo begint Leeuwarden dus,als drie dorpjes, die elkaars
naaste buren zijn. Het stelt ook meer voor dan wij nu
zouden denken. Anders zouden er geen munten zijn
geslagen. En dat gebeurt na 1040. In die tijd heeft de
Duitse keizer het hier voor het zeggen. Maar Friesland
ligt voor hem zó ver weg, dat hij het gebied beleent aan
de graven van Brunswijk. We hebben er drie leren kennen,
Bruno III van 1038 tot 1057 (en naar hem worden deze
Brunswijkse graven ook wel Brunonen genoemd), Egbert I
van 1057 tot 1068 en Egbert II tot 1090. Maar we weten
heel weinig van die graven. Hoeveel gezag hebben ze hier?
Oefenen ze wel echt bestuur uit? Met de handel bemoeien
ze zich in elk geval wel. Daarvoor is geld nodig. En
daarom laten ze in Friesland munten slaan in plaatsen,
die van enig belang zijn. In Dokkum, in Stavoren, in
Bolsward.
En er komen munten uit Leeuwarden. Aan de keerzijde
staat niet gemakkelijk te lezen, het opschrift Brun.
Liuvert Het zijn maar kleine munten, ongeveer zo groot
als ons kwartje. Maar wel dikker en van zilver. Ze
hebben ook een naam: denariën. Het bijzondere is, dat de
munten uit Friesland en ook uit Leeuwarden later bij
tientallen zijn teruggevonden in verre landen, in noord-
en in oost-Europe, vooral in Finland en in Rusland. Bij
muntvondsten in Rusland komen ruim 4000 van zulke Friese
munten aan het licht. Daarvan dragen 195 de naam Liuvert.
In Finland zijn het er 46 van de 300.
Zulke cijfers zeggen natuurlijk wel iets over de
betekenis van de Friese handel. De Friezen gaan ver van
huis. En ze hebben ook Leeuwarder geld op zak. Of
verbeelden we ons dat maar? Zou dat geld niet door de
Vikingen, de Noormannen, in Friesland zijn geroofd en
naar het noorden zijn gebracht? Dat kan haast niet. Want
na het jaar 1000 staken de Noormannen hun rooftochten.
De Friezen blijven de zeeën bevaren.
In de elfde eeuw is er dus voor het eerst wat je zou
kunnen noemen Leeuwarder geld. Het zijn denariën. Dat
klinkt niet erg fries. Het woord komt dan ook uit het
Latijn In ons land hebben we het geld leren kennen van
de Romeinen, die al veel eerder dan wij zijn overgestapt
van ruilhandel naar geldhandel. Toch kun je ook bij de
Romeinen terugvinden, dat er eerst bezit is en daarna
geld. Soms lees je het woord ’pecunia’. Dat is het
Romeinse woord voor geld. Het is afgeleid van het
Latijnse ’pecus’, dat kudde betekent. Met geld kun je
een kudde kopen en voor een kudde kun je geld krijgen.
Ons woord salaris komt ook al uit het Latijn. Daar in zit
het Latijnse ’sal’. Dat betekent zout. Heel vroeger
kregen Romeinse soldaten hun soldij uitbetaald in zout.
Dat was toen kostbaar. Zout kan tegen allerlei dingen
worden geruild en het is ook niet zo moeilijk te bewaren.
Geld en goed hebben dus alles met elkaar te maken. In
Friesland hebben we daarvan ook een oud voorbeeld.
Eerder dan de Brunonen, die onder andere geld laten
slaan in Leeuwarden, was er-al Fries geld geweest. Die
muntstukken worden sceatta’s genoemd. In dat vreemde
woord herken je misschien ’skat’. En voor de Friezen was
hun skat het vee, de veestapel, die ook nu nog één van
de schatten van Friesland is.
Wanneer een stad?
Terug naar de terpjes aan de rand van de Middelzee. Het
is natuurlijk mooi, wanneer we precies weten, wanneer
die nederzettingen een stad zijn geworden. Dat lukt niet.
Er is geen duidelijk jaartal en er is helemaal geen
datum, waarop we een verjaardag van Leeuwarder
stadsrechten kunnen vieren. We moeten ons redden met een
paar aanwijzingen.
In 1245 bijvoorbeeld wordt in Nijehove een kloosterkapel
ingewijd. Op zichzelf is dat niet zo bijzonder, want we
zijn al eerder kloosters in Friesland. Die vind je op
het platteland en de kloosterlingen houden zich
natuurlijk bezig met het gebed en ook met werk op het
land, met ontginningen en met dijkaanleg. Maar in
Nijehove vestigen zich de Dominicanen, die ook wel
Hacobijnen heten. Die richten zich niet op landwerk,
maar op de zielszorg in de stad. Je komt ze altijd in de
steden tegen. Als ze dus ook in Nijehove gaan werken mag
je wel bedenken, dat in de dertiende eeuw Mijehove al
meer een stedelijk samenleving is dan een dorpse
gemeenschap. Het klooster en de kerk van de Dominicanen
laten hun sporen in Leeuwarden na. De kerk is
uitgegroeid tot de Grote Kerk, die we ook wel
Jacobijnerkerk noemen. Van hun klooster is weinig
overgebleven, maar in de kosterij van de Grote Kerk kom
je nog een gedeelte van de kloostergang tegen.
In 1285 komen we weer een stapje verder. In dat jaar,
tussen 29 september en 31 oktober, vaardigt Wismar, een
handelsstad in het noorden van Duitsland, een oorkonde
uit. Daarin worden steden vermeld die met elkaar door de
Hanze – dat is een verbond van handelssteden – zijn
verbonden. Groningen, Stavoren, Kampen, Deventer,
Zutphen, Harderwijk en Muiden worden genoemd. En ook
‘Lewart’ staat in de rij. De oorkonde is nu zevenhonderd
jaar oud. Om die reden viert Leeuwarden dit jaar zijn
700-jarig bestaan. De stad kan trouwens best een beetje
ouder zijn. Dit jaartal geeft tenminste enig houvast.
In die jaren gebeurt er ook iets heel anders. Leeuwarden
raakt zijn zee kwijt. De Middelzee slibt dicht. Grote
stukken land worden bedijkt en er komt dus nieuw land
(en naar dat nieuwe land is de stadswijk Nijlân genoemd;
die is gebouwd op het toen gewonnen land).Op het laatst
ligt Leeuwarden helemaal midden in de weilanden Het moet
de zeehandel maar vergeten.
Maar ook als landstadje kan Leeuwarden zich verder
redden. Het heeft ook zijn trots, zoals je kunt opmaken
uit het feit, dat de stad zelf geld gaat maken. Men moet
zich tot dat ogenblik behelpen met Groninger munten, die
overal in het noorden gangbaar zijn. De Friese steden
willen liever de muntslag in eigen hand hebben.
Leeuwarden loopt daarbij voorop, rond 1420. Er worden
vliegers (dat zijn stuivers) en jagers (dubbele stuivers)
geslagen. Op zo’n stuiver moet je je niet verkijken. Het
is nù het kleinste stukje wisselgeld. Maar die oude
stuiver is een grote munt van zilver. Zulke munten
worden niet alleen in Leeuwarden, maar ook in Bolsward,
Sneek, Franeker en tenslotte in Workum geslagen.
Drie in één
In 1935 viert Leeuwarden feest . De stad bestaat
vijfhonderd jaar. Nu, vijftig jaar later , komen we
opeens op 700 jaar. Smokkelen we er anderhalve eeuw bij?
Nee, dat niet .Het verschil tussen 1935 en 1985 ligt in
het uitgangspunt. Nu baseert Leeuwarden zich op een
oorkonde die in 1285 de stad Leeuwarden noemt in een rij
van andere Nederlandse steden. Vijftig jaar geleden, in
1935, kent men die oorkonde nog niet. Toen is gekozen
voor het jaar 1435 en zelfs voor een heel preciese
datum, namelijk voor de feestdag van de heilige Agnes en
dat is 21 januari . Op die dag worden namelijk – na veel
heen en weer gepraat en het nodige geharrewar, want zo
eenvoudig liggen de zaken niet –‘de stad van Leeuwarden
en Oldehove met wat er toe behoort’ met elkaar verenigd.
En dat wordt op 21 januari op papier gezet. Het
belangrijke document, in het Latijn, toen nog steeds de
officiële taal van dergelijke stukken, wordt van
plechtige zegels voorzien. Het wordt bewaard in het
gemeentearchief. Het is het geboortebewijs van Groot-Leeuwarden.
(hoe klein dat Leeuwarden in onze ogen dan ook mag zijn
geweest).
De oorkonde spreekt van twee nederzettingen, die
samengevoegd worden. Allereerst wordt Leeuwarden genoemd.
Dat is het Nijehove van weleer. Het is gaandeweg de
belangrijkste kern geworden. Je kunt zeggen, dat
Nijehove de stad Leeuwarden is en dat Oldehove en Hoek
zoiets als voorsteden zijn. In het document wordt
Oldehove als tweede genoemd en daar moet men wel even
slikken vóór het zich met de naaste en belangrijker buur
verenigt . Nu missen we Hoek nog. Maar ook Hoek voegt
zich op die 21-ste januari 1435 bij Leeuwarden. Dat
document is eveneens in het gemeente archief. Drie
gemeenschappen, twee oorkonden en één stad. En sinds
1435 hebben Nijehove, Oldehove en Hoek als dat ene
Leeuwarden lief en leed gedeeld.
Onder vreemd bestuur Lief en leed. Fries en vrij. De Friese vrijheid heeft
echter tot veel leed geleid. De Friezen gaan er prat op,
dat ze vrij zijn van vreemde landsheren. Baas in eigen
huis. Op die vrijheid moet je dan wel zuinig zijn. Maar
Friesland is er onverschillig mee omgesprongen. Vrijheid
ontaardt in allerlei twisten tussen Schieringers en
Vetkopers. Het ene klooster staat tegenover het andere.
De ene stad tegenover de andere stad. De ene stins
tegenover de andere stins. Friesland verscheurt zichzelf
in vrijheid en ziet alleen nog uitkomst door een beroep
te doen op vreemde heren, die dan maar een handje moeten
komen helpen. Die buitenstaanders willen wel. Friesland
is de moeite waard. Groningen heeft er belang bij. En de
graaf van Oost-Friesland. En niet te vergeten een
machtig heer als Albrecht van Saksen, die toch wat te
goed heeft, want hij had aan keizer Maximiliaan en aan
Filips de Schone allerlei nuttige diensten verleend en
bovendien veel geld voorgeschoten. Bij die Albrecht
kloppen de Schieringers aan om hulp. Hij komt en trekt
aan het langste eind; de keizer geeft hem Friesland in
pand. En daarmee raakt Friesland in 1498 z’n vrijheid
kwijt.
Leeuwarden zit nu als zetel van de Vetkopers wel erg
moeilijk. Al zou het hulp van elders krijgen dan nòg is
de overmacht van de Saksers te groot. Dat blijkt als ze
samen met de Schieringers op 5 juli voor de stad staan.
De schrik slaat de bergers om het hart. Twee dagen later
geeft Leeuwarden zich al gewonnen. Maar de stad
stribbelt nog wel tegen. Graaf Von Schaumburg, die door
Albrecht als stadhouder is aangesteld, krijgt er
nauwelijks een voet aan de grond, En hij kan ook geen
maatregelen nemen. Want er is beloofd, dat de bezetting
van Leeuwarden uit hoogstens zestien ongewapende mannen
zal bestaan. Volgens belofte mogen er bovendien geen
wapens in de stad worden gebracht. Wat kun je dan nog
beginnen?
Von Schaumburg bedenkt daarom een list. Hij laat een
wagen met kruit en wapens naar Leeuwarden komen. De
kruitvaten zijn met boter besmeerd. En op de wagen ligt
een hoop riet, waarin de wapens zijn weggestopt.
Gelukkig zijn er nieuwsgierige jongens. Ze bekijken het
vrachtje, Vaten met boter. Waarom niet? En verder riet?
Ja, maar dat ziet er vreemd uit met die uitsteeksels,
dat beslist géén riet is. De jongens slaan alarm: ’de
Saksers smokkelen wapens binnen!’ De Leeuwarders
reageren meteen. Ze overvallen de bezetting van de
Saksers, die te zwak is om zich lang te verdedigen.
Leeuwarden wint déze slag. Met de Saksersvalt nu
helemaal niet meer te praten. Von Schaumburg rukt op en
belegert voor de tweede maal de stad. Negen weken houdt
Leeuwarden het vol. De stad hoopt op hulp van elders.
Maar die komt niet. En dan legt Leeuwarden het hoofd in
de schoot.
Een jaar later, in de zomer van 1499, trekt Albrecht van
Saksen met het nodige vertoon Leeuwarden binnen. De
leden van de vroedschap, die het meest de Salsers hebben
dwars gezeten, moeten eerst eerbiedig om vergiffenis
komen vragen. De volgende dag wordt de hertog
ingehuldigd in de Sint Vituskerk bij de Oldehove, die
kerk, waarvan op de kaart van 1603 alleen nog wat lage
muren overeind staan.
Leeuwarden hoofdstad Is Leeuwarden nu te vertrouwen? De Saksers blijven in
elk geval op hun hoede. Voorlopig blijft hun bestuur nog
in Franeker. En om die roerige Leeuwarders in toom te
houden krijgt de stad een blokhuis. Die vesting in de
zuidoosthoek van Leeuwarden is haast een stad op
zichzelf. Ze wordt door grachten ingesloten. Je komt er
niet zo maar in en niet zo maar uit. En de militairen
hebben Leeuwarden ook niet nodig. Ze kunnen zichzelf
redden. Het blokhuis krijgt een eigen windmolen om graan
te malen, een eigen bakkerij, een brouwerij, een
smederij en vóór alles een stevige bezetting. Leeuwarden
wordt in bedwang gehouden.
Zo gaat het altijd als er een stad of een land wordt
bezet: eerst worden militaire maatregelen genomen, Dan
volgt de rest. Want er moet heel wat worden geregeld.
Het bestuur bijvoorbeeld. Het gaat bestaan uit zes
personen. Twee Saksers, twee Friese edellieden en twee
rechtsgeleerden, van wie één de kanselier is (en die
wordt dè vertegenwoordiger van de Saksische regering).
Ook de rechtspraak wordt geregeld. Een hof, gevormd door
vier Friese edelen en twee rechtsgeleerden, moet de
zware misdrijven behandelen.
In 1504 staan het bestuur en het Hof op poten. Beide
zullen hun zetel krijgen in Leeuwarden. In één gebouw,
de Kanselarij. Met die beslissing is Leeuwarden ook de
hóófdstad van Friesland geworden.
Met de Kanselarij is het een heel getob geweest. Wij
denken nu meteen aan het trotse gebouw aan de Turfmarkt.
Maar zover waren ze in 1504 nog lang niet. De kanselarij
moet eerst onderdak vinden in bestaande gebouwen. Er is
bijvoorbeeld vergaderd in het Blokhuis (daar is het te
lawaaierig) en in een klooster (en daar is onvoldoende
ruimte om de vele papieren goed op te bergen ). Ondanks
allerlei gemopper heeft het tot 1571 geduurd voor de
echte Kanselarij, waar de kanselier zetelt en het Hof
recht spreekt, plechtig kan worden ingewijd. De Saksers
hebben het niet eens meegemaakt.
In de kersverse Saksische hoofdstad moeten natuurlijk
eigen Saksische munten worden geslagen. Ook dat wordt in
1504 geregeld. Van al het geld, dat dan in omloop is,
wordt de waarde vastgesteld. In het vervolg is alleen
het geld van de hertog het officiële betaalmiddel. Het
andere geld ‘ende zal niet gelden’ (en als geld niet
geldt is het niets meer waard). De Friese steden moeten
hun eigen muntslag maar gauw vergeten.
De Saksers pakken de geldzaken degelijk aan. Er wordt
een muntmeester benoemd, die leiding moet geven aan het
slaan van de munten. Er komt ook een ‘waardijn’. Die
moet ervoor zorgen, dat de voorschriften worden
nageleefd. Hij controleert ook de muntmeester en het is
zijn taak toe te zien, dat de hertog een deel van de
winst krijgt. De regels zijn streng. Als er een hele dag
geld is gemaakt, moet de ‘waardijn’ van al die munten
een handjevol na-wegen. Klopt het gewicht niet dan kan
hij het geld van die dag laten omsmelten.
Je kunt niet anders zeggen dan dat de Saksers hun zaken
in orde hebben. Veel plezier beleven ze er niet aan.
Friesland blijft woelig. Het wil vrij zijn. Van Saksers
is die vrijheid niet te verwachten. Misschien wel van
een ander? En anderen proberen ook vaste voet in
Friesland te krijgen. Daartegen moeten de Saksers dan
weer optreden. Op die manier kost de bezetting van
Friesland hun veel geld. Ze zijn het liever kwijt dan
rijk. Voor de prijs van honderdduizend gulden verkopen
ze het aan Karel van Oostenrijk. Die kennen we vooral
als Karel V, de koning van Spanje. Karel heeft in 1515
zijn handen te vol om zich druk te maken over Friesland.
Pas in 1524 gaat hij zich ermee bemoeien. Maar wat er
dan ook verandert. Friesland blijft zijn vrijheid missen.
Onder Spaans bestuur
Vrij of niet vrij, Leeuwarden is van dat Friesland de
hoofdstad. Het leger is ondergebracht in het Blokhuis.
Regering en Hof hebben er hun zetel. Rond de stad liggen
grachten en nieuwe, stevige wallen. En binnen die wallen
voltrekt zich het leven van elke dag. In de werkplaatsen
van de ambachtslieden. Op allerlei markten met drukke
handel en nering, vooral in en om de Waag. In 1486 wordt
de Waag van Leeuwarden al genoemd. Een eeuw later is het
gebouw veel te klein en dan wordt in 1594 een nieuwe
Waag gebouwd, die we nog kennen en die een centrum is in
een levendige stad.
Aan Leeuwarden ontbreekt nu nog wel een gote kerk.
Kerken zijn er op zichzelf benomen genoeg. Vier
kloosterkerken, maar die behoren natuurlijk bij de
kloosters. Voor de Leeuwarder burgers zijn er drie
kerken, nog van vroeger, van het oude Nijehove, van
Oldehove en van Hoek. Als je hoofdstad bent en erop moet
rekenen dat er belangrijke vergaderingen gehouden worden
en dat er landsheren en stadhouders ontvangen moeten
worden, dan zal er een grote kerk moeten zijn.
Met een toren, die bij een hoofdstad past. Eerst moet
die toren er komen als het visitekaartje van de stad. De
kerk betaalt. Maar ook de stad, die met een toren
duidelijk wil laten zien, dat Leeuwarden hoofdstad is.
En de burgers betalen ook. Als ze iets verkeerds doen
krijgen ze een ‘steenboete’. Dan moeten ze in plaats van
geld betalen met stenen of kalk of ander bouwmateriaal.
Met die toren gaat het niet goed. Dat kunnen we elke dag
nog zien. Want de Oldehove wordt nooit wat men ervan
verwacht. Hij moet mooi en hoog worden. In 1529 blijkt
de toren, die gebouwd wordt door bouwmeester Jacob van
Aken, al te verzakken, als hij nog maar tien meter hoog
is. Men gaat toch verder en bouwt op het scheve
onderstuk zo recht mogelijk door. Er komt dan een knik
in de toren. Hij is scheef en krom bovendien. Hij is
mislukt. En als Jacob van Aken in 1532 sterft en
opgevolgd wordt door Cornelis Frederiks is het met de
bouwlust al bijna gedaan. De toren blijft verzakken. Bij
de tweede trans stopt men in 1533 met de bouw. De hoge
spits is er nooit gekomen. En een nieuwe kerk bij de
Oldehove is ook niet gebouwd. Leeuwarden heeft aan het
avontuur een stompe, onvoltooide toren overgehouden.
Maar die zouden we niet willen missen.
Als er iets bij Leeuwarden hoort, is het die Oldehove...
Een gunstige tijd om nog eens een hoge toren en een
forse kerk te bouwen is het trouwens niet meer. De
architecten hebben het moeilijk met de Oldehove. Met het
geld loopt het óók niet op rolletjes. Lang niet iedereen
is het eens met de gang van zaken in de kerk. Die moet
worden veranderd. Moet worden hervormd. Men gaat anders
over de kerk en over het geloof denken. Je weet van de
kerkhervorming in Duitsland, van Maarten Luther. En
later van Calvijn. Ook in Friesland zijn er steeds meer
mensen, die hun geloof anders willen beleven dan altijd
door de rooms-katholieke kerk is voorgeschreven. Die
kerk wil van een nieuw geloof niets weten. Karel V
evenmin. Er worden maatregelen genomen tegen de ‘ketters’.
De Hervorming laat zich niet meer keren. Alle plakkaten
tegen de ketters kunnen niet verhinderen, dat steeds
meer mensen aanhangers worden van de ‘nieuwe leer’.
Eerst in het geheim. Later veel meer in het openbaar. En
in 1566 is het wel heel openbaar. Dan worden de
Leeuwarder kerken in bezit genomen door de hervormingen.
Alle herinneringen aan de rooms-katholieke eredienst
worden verwijderd. Dat gebeurt niet altijd even
zachtzinnig: een beetje beeldenstorm is het op die
vrijdag zes september wel geweest.
Nog is het te vroeg. Regering en rooms-katholieke kerk
proberen de oude toestand te herstellen. Leeuwarden
krijgt in 1570 zelfs zijn eerste en enige bisschop,
Cunerus Petri. Die zal orde op zaken stellen en
Friesland onder het oude kerkelijke gezag terugbrengen.
Het lukt hem niet meer, hoe ijverig hij ook aan het werk
gaat. Hem worden ook niet veel jaren gegund. In 1578 is
Cunerus Petri weggewerkt.
En twee jaar later raakt Leeuwarden bovendien zijn
Spaanse bezetting kwijt. De stad is – voor het eerst
sinds 1498, toen de Saksers de baas werden - weer vrij...
Leeuwarden weer vrij In 1580 wordt namelijk het gehate Blokhuis bestormd en
bezet. De Leeuwarder burgemeester Adje Lamberstz speelt
daarbij een belangrijke rol. Het verhaal is zo: in
Leeuwarden wordt alarm geslagen, want opeens beginnen de
klokken te kleppen. Natuurlijk stromen de burgers samen.
Aan hen wordt kort en goed verteld, dat de bezetting van
het Blokhuis met nieuwe vendels (soldaten) is versterkt
en dat het de bedoeling is Leeuwarden te plunderen. Dat
nemen de Leeuwarders niet. Ze zijn maar al te graag
bereid hun stad te verdedigen, wat dat dan ook moge
kosten. En onder leiding van Adje Lambertsz, die is
aangesteld tot kapitein van de stedelijke strijdmacht,
trekken ze op het Blokhuis af. Het kasteel wordt
opgeëist. Daarvan trekken de Spaanse soldaten zich
overigens niets aan. Er zal meer moeten gebeuren.
Het beleg begint. Het Blokhuis wordt omsingeld. Bomen
worden gekapt om de gracht rond het Blokhuis te dempen.
Tegenover de burcht worden verschansingen opgeworpen om
van daaruit het kasteel te beschieten. Een hele groep
jongens gaat naar het stedelijke wapenhuis om geschut te
halen. Ze komen zó vlug terug , dat het wel lijkt alsof
de kanonnen door paarden worden getrokken. Aan goede wil
ontbreekt het dus niet. Maar, hoe moet die Spaanse
bezetting overmeesterd worden? Met geweld? En hoeveel
slachtoffers zal dat eisen? Of met een list?
Adje Lambertsz probeert het met een list. Uit de
kloosters laat hij monniken en nonnen halen. Ook
burgers, van wie ieder weet dat ze Rome en de Spaanse
regering trouw zijn, worden naar het Blokhuis gebracht.
En men haalt vrouwen en kinderen van de soldaten, die in
het Leeuwarder kasteel zijn gelegerd, uit hun woningen
in de stad. Het bonte gezelschap wordt opgesteld aan de
gracht tegenover het Blokhuis. Als er uit het kasteel
wordt geschoten zullen zij de eerste slachtoffers zijn.
Tegen zoveel druk is de bezetting niet bestand. Ze geeft
zich over. Bevelhebber en soldaten mogen vrij wegtrekken.
De stad en de Friese Staten kunnen het Blokhuis in bezit
nemen. Er is géén bloed vergoten. Maar men heeft wel de
vrijheid geproefd. Daarvan wil Friesland meer genieten.
En de verovering van de twee andere blokhuizen in
Friesland, in Harlingen en Stavoren, laat niet lang op
zich wachten.
Als je kijkt naar de kaart van 1603 kun je die hele
geschiedenis tussen 1498 en 1580 – bijna een eeuw in
onvrijheid – van de plattegrond aflezen. Rechtsonder de
resten van het Blokhuis. Daarvan is de naam
Blokhuisplein bewaard gebleven en op het oude terrein
wordt in 1871 de gevangenis gebouwd. Meer naar het
noorden de Kanselarij uit 1571. Het Hof van Friesland is
er gebleven tot in de Franse tijd. Daarna beleeft het
van alles en nog wat. Het is militair hospitaal en
kazerne en huis van bewaring. Na de restauratie in 1897
wordt het betrokken door het Rijksarchief en de
Provinciale Bibliotheek. Die hebben nu eigen gebouwen,
tegenover de Oldehove. En boven in de Kanselarij kwam
het Verzetsmusuem. Toch wel bijzonder: in een gebouw uit
de Spaanse tijd, dat in de Franse tijd een andere
bestemming kreeg kun je nu veel leren over de Duitse
tijd...
Zelfs over Leeuwarden als bisschopsstad kun je op de
kaart iets ontdekken. De kerk van de bisschop bij de
Oldehove is in 1603 al bijna helemaal afgebroken. Een
bisschop heeft ook een paleis. Het is terug te vinden,
‘ingepakt’ in het Provinciehuis aan de Tweebaksmarkt.
Daar is sinds 1580 de zetel van het college van
Gedeputeerde Staten.
Schaars kleingeld We moeten nòg een gebouw opzoeken, de Saksische Munt.
Maar de plaats van het munthuis is niet bekend. Het
heeft slechts kort gewerkt. In 1515 doen de Saksers
Friesland immers alweer over aan Karel V. Die wil
Leeuwarden ook wel een munthuis gunnen. Hij benoemt
zelfs een waardijn. Maar de muntslag komt niet van de
grond. Dat is lastig, want het kleingeld raakt op. En
hoe moet je je redden zonder wisselgeld? De Staten
vragen de koning dan ook of er nog iets van de muntslag
zou kunnen komen. Ditmaal maakt Karel V zich er niet af.
Maar ze moeten in Leeuwarden wel begrijpen, dat een Munt
geen kleinigheid is" er moet in het gebouw ruimte zijn
voor de muntmeester, de ‘officieren’, de munters, een
waardijn en voor een ‘essayere’, een belangrijk man, die
moet toetsen of het edele metaal wel de goede
samenstelleng heeft.
En over Fries geld moeten ze in Leeuwarden ook niet
denken. Friesland is immers niet zelfstandig. De munten
van de ‘Mayesteit’ komen hier ook in omloop. De Munt van
Leeuwarden krijgt de stempels van elders: één rijk, één
munt. Alleen aan een klein tekentje is te zien, dat het
geld in Leeuwarden is geslagen.
Veel stelt deze muntslag niet voor. Na drie jaar is er
al geen sprake meer van. En dan begint ook weer het
gemopper. Want opnieuw wordt het kleingeld schaars. Je
kunt haast geen penning bemachtigen. Voor een penning
koop je bijvoorbeeld een wadkaars. Zo’n kaars moet
worden gebrand bij een begrafenis. Hoe moet je nu iemand
begraven als je geen kaars kunt branden omdat je geen
penning hebt? Het is een heel probleem. En zulk soort
problemen zijn er natuurlijk veel meer geweest. Daarom
wordt er aan de koning gevraagd of hij niet een goudsmid
kan aanstellen om tenminste kleingeld aan te munten. Van
een antwoord op die vraag is niets bekend. We weten dus
ook niet hoe Leeuwarden zijn kleingeld-probleem heeft
opgelost.
Weer een eigen munt Toch is een eigen Munt wel van belang. Als een stad wil
meetellen moet ze eigenlijk ook wel haar eigen munten
slaan. Dat blijkt in 1580 meteen weer. Friesland is nu
immers vrij. De Friese steden herinneren zich maar al te
goed, dat ze vroeger hun eigen geld maakten. Ze willen
dat weer gaan doen. Friesland is nu één gewest. Het is
logisch, dat het ook een Friese munt heeft. Maar waar
moet die dan worden geslagen? De steden proberen dan ook
aan te tonen, dat zij oude rechten op muntslag hebben.
Natuurlijk kan Leeuwarden niet achterblijven.
Burgemeester Adje Lambertsz bemoeit zich met de zaak.
Hij weet zich te herinneren, dat er vroeger in
Leeuwarden munten zijn geslagen. Dat is nog niet eens zo
lang geleden. Hoe ging dat nu precies? Misschien zijn er
oudere burgers van Leeuwarden, die hem er meer over
kunnen vertellen. De burgemeester laat dan ook in de
stad zoeken naar een paar ouden van dagen, die de
muntslag van vroeger nog hebben meegemaakt. En ja, drie
oude mannen kunnen het Adje Lambertsz vertellen. Toen
zij jong waren – zo luidt hun verhaal – en nog naar
school gingen, hadden ze geld zien maken. In een huis op
de hoek van de Eewal en de Slotmakerstraat. Daar zaten
achter tralies zo’n zes of zeven mannen te werken. Ze
hadden trouwens ook wel eens gezien, dat het geld werd
overgebracht naar de woning van Gercke Jorritszoon op de
Vismarkt. Dat kon kloppen. Die Gercke had in het
stadsbestuur gezeten. Maar wanneer was dat? Even
terugrekenen: omstreeks 1538, zo’n veertig jaar geleden
dus. De drie oude mannen hebben het goed uitgerekend. In
dat jaar laat Karel V immers munten in Leeuwarden slaan.
Adje Lambertsz heeft het mooi laten uitzoeken.
Leeuwarden krijgt over de muntslag helemaal niets te
vertellen. De Staten ven Friesland vinden, dat niet de
steden, maar de Staten het recht op muntslag hebben. Er
komt één Munt in Friesland. In de hoofdstad Leeuwarden.
Ene Lodewijk Alewijn wordt de muntmeester. Hij huurt ‘de
olde cancelarie’ aan de Tweebaksmarkt. Dat is het gebouw,
waarin de kanselarij haar zetel heeft vóór in 1571 de
echte Kanselarij is voltooid. Meteen begint de
muntmeester met het laten slaan van halve, hele en
dubbele stuivers, alle van zilver. Leeuwarden krijgt
trouwens ook een wisselbank. Want vreemd geld is
verboden, maar het moet natuurlijk wel ingewisseld
kunnen worden tegen Fries geld.
Welk geld is er in Leeuwarden geslagen?heel veel soorten.
In goud, zilver en koper. In koper heb je bijvoorbeeld
een ‘oort’ en een ‘duit’. Het was kleingeld, maar je
moest er zuinig mee omspringen. Want het is niet zo
best, als je je laatste oortje hebt versnoept. Een duit
is nog kleiner. Die is een half oortje waard. Maar als
je een duit in het zakje doet, spreek je toch nog een
woordje mee...
Wanneer je al die soorten Fries geld eens zelf wilt zien
moet je naar het Fries Munt- en Penningkabinet gaan,
waar het Friese geld is verzameld, Je ontdekt er ook,
dat er zilveren munten zijn geweest, die dienst hebben
gedaan in de hele Republiek, in de zeven gewesten. Elk
gewest kon die munten slaan. Ze zijn ook in Leeuwarden
gemaakt. Op de keerzijde zie je de wapens van Friesland,
Groningen, Gelderland. Utrecht, Holland en Zeeland. Dat
zijn niet zeven, maar zes gewesten. Overijssel ontbreekt.
Dat wilde niet meedoen. En het wapen van Overijssel
staat er dus ook niet op. Heel bekend is van deze
zogenaamde Uniedaalder het randschrift. In deftig Latijn
staat er ‘Condordia res parvae crescunt’. Door eendracht
worden kleine dingen groot. Wij zouden kort en krachtig
zeggen: ‘Eendracht maakt macht’.
Meer dan honderd jaar blijft de Friese Munt aan de
Tweebaksmarkt. In 1693 verhuist ze nog naar de Grote
Kerkstraat, naar het Holdingahuis. Muntmeester
Valckenier gaat zelf in het adellijke huis wonen. In de
grote tuin laat hij het munthuis bouwen. Hij steekt er
veel geld in. Maar het komt er niet meer uit. De
bloeitijd van de Friese munt is voorbij. Na 1700 wordt
er weinig geld meer gemaakt. En in 1738 is het de
laatste keer. Het zal ook de laatste keer blijven. De
Friese muntgeschiedenis is uit.
Verhalen op penningen In het Munt- en Penningkabinet kun je niet alleen munten,
maar ook penningen zien. Daarmee kun je niet betalen. Al
hebben ze wel veel waarde. Penningen worden voor
bepaalde gelegenheden gemaakt. Dat gebeurt nog altijd.
Denk maar aan penningen als prijzen bij
tentoonstellingen en sportevenementen Ook de (sport)medailles
horen erbij, In hoeveel soorten ze er ook zijn, op hun
manier vertellen ze altijd een stukje geschiedenis.
Penningen vertellen een verhaal. Dat klinkt bijvoorbeeld
zo:
In 1580 verovert Leeuwarden het Blokhuis.
▲
geschiedenis |
|