|
Herman Franke Zeker is dat in 1879 de toenmalige minister van Justitie, Smidt, de lijfstraffen
in alle gevangenissen afschafte. Toen kende overigens alleen het huishoudelijk
reglement van het Leeuwarder tuchthuis, waar de zwaarste misdadigers werden
opgesloten, nog de lijfstraf. Onder lijfstraffen werden, voor alle duidelijkheid,
destijds geen fysieke ontberingen of pijnlijke vormen van boeien (kromsluiting)
verstaan. Het ging om het doelbewust toebrengen van slagen op het lichaam. In
1885 kregen ruim 2000 gevangenen een disciplinaire straf. Ongeveer 1300 van hen
werden voor kortere of langere tijd in een strafcel opgesloten.
De kamerleden begonnen op 5 maart 1886 dus niet aan een debat over artikelen die
slechts op papier betekenis hadden. De straffen die de minister voorstelde,
logen er niet om. Ze varieerden van een verbod op het luchten tot kromsluiting
in de boeien en wekenlange opsluiting in een onverwarmde, donkere strafcel op
water en brood. Toch voorzag de minister ordeproblemen in de gevangenis voor
langgestraften (die dus na vijf jaar cel weer gemeenschappelijk opgesloten
werden) in Leeuwarden als daar geen lijfstraf mocht worden uitgedeeld, bestaande
uit maximaal vijftig slagen "op het achterdeel" met de bullepees of
rotting. Een gevangenisbestuur mocht volgens hem "nooit absoluut
machteloos" staan tegenover een onwillige gevangene. En dat zou wel het
geval zijn bij de zware jongens in Leeuwarden.
Volgens de gematigd liberale baron Van Welderen Rengers zaten in Leeuwarden “de
verdorvenste en voor zedelijke indrukken het minst vatbare elementen van onze
maatschappij”. “Zedelijke middelen blijken voor dezulken, helaas, geheel
onvoldoende,”aldus Van Welderen Rengers. Er stond bovendien een groot aantal
geboden, verboden en plichten tegenover. Zij moesten grauwe gevangeniskleding
dragen, hun hoofdhaar werd “kort afgesneden”en zij mochten geen baard hebben.
“Zoo dikwijls”als zij door medegevangenen konden worden gezien, was in de
strafgevangenissen de celkap verplicht.
Het gebruik van “tabak en snuif’ werd niet meer toegestaan. In geen geval was
het hun vergund kranten te lezen, maar gezien de toon waarop kranten over met
naam en toenaam aangeduide misdadigers schreven, was dat voor sommigen misschien
wel een voorrecht. Bezittend Nederland ging zware tijden tegemoet. Zelfs in de
gevangenis. De afschaffing van de pistole in strafgevangenissen noemde de
promovendus Quintus een betreurenswaardige maatregel. De tere heren zouden ziek
worden van het gevangenisvoedsel, zodat de staat hun verpleging moest betalen,
terwijl ze vroeger gezond bleven en zelf hun kostje kochten. De pistole diende
men natuurlijk wél te weigeren aan personen die door “lage dierlijke
hartstochten”of “met een verachtelijk oogmerk”een misdrijf begingen “hoe hoog
hunne maatschappelijke positie ook zij”. Toen Quintus dit schreef, vonden
socialistische woord
Voerders dat juist veel hooggeplaatsten met verachtelijke oogmerken misdrijven
tegen het volk begingen… Over langere afstanden werden zij soms in cellulaire
spoorwagons vervoerd. Er waren speciale compartimenten voor gevangenen, zodat
contact met medereizigers onmogelijk was. Eenmaal binnen de poort van de
gevangenis kregen zij, vóórdat zij de wagen verlieten, een kap voor hun gezicht.
Eén voor één werden zij dan naar de portierskamer gebracht, waar zij op enige
afstand van elkaar met het gezicht naar de muur moesten wachten op de dingen die
komen gingen. Eerst werden zij ingeschreven. Vanaf dat moment hadden zij geen
naam meer, maar een nummer dat tevens het nummer van hun cel was. Zij moesten
het voortaan altijd zichtbaar op hun borst dragen.
Een bewaarder riep hen bij dit nummer op en bracht hen naar de badcel waar zij
grondig werden gevisiteerd en gereinigd. Hun eigen kleding werd vervangen door
het grauwe gevangenispak. Vaak werden zij in deze onpersoonlijke staat
onmiddellijk en face en en profil gefotografeerd. Meestal was er tijdens hun
voorlopige hechtenis al een uitvoerig äntropometrisch signalement”van hen
opgemaakt volgens de methode van de Fransman Alphonse Bertillon. Daarbij werd
vrijwel elk lichaamsdeel, tot de vingerkootjes toe, gemeten en zonodig
beschreven met behulp van een uitvoerige handleiding. Na het fotograferen werd
hun baard geschoren en hun hoofdhaar “kort afgesneden”. Pas zes weken voor hun
vrijlating mochten zij baard en haar weer laten groeien.
In de volstrekt donkere strafcel werden jaarlijks slechts enkele gevangenen
opgesloten, maar in het eerste decennium (1887-1897) na de invoering van het
stelsel ging het in totaal nog om bijna 300 gevangenen. In de strafcel,
verzwaard met water en brood en/of de boeien, moesten jaarlijks ruim 500
gevangenen enkele dagen of weken de tijd doorbrengen. Een oud-bewaarster
herinnerde zich dat de mannen die daar “gekneveld” zaten opgesloten, “soms uren
lang” schreeuwden.
In november 1910 kwamen in Leeuwarden de gemeenschappelijk opgesloten gevangenen
in opstand tegen het ontslag van een, kennelijk soepel optredende bediende op de
arbeidszaal. De bediende was naar hun mening ontslagen op grond van verklikkerij
door een geestelijk labiele medegevangene. Deze verklikker duldden zij niet
langer op de werkzaal. Tegenover de gewaarschuwde directeur trad één gevangene
als woordvoerder op. Hij werd onmiddellijk in de strafcel gestopt.
Vijf andere gevangenen werden achtereenvolgens naar de strafcel gebracht omdat
zij op dezelfde wijze optraden "telkens nadat hun voorman naar de strafcel was
gebracht". Even leek het pleit beslecht, maar kort daarna gooide een gevangene
een emmer water over het hoofd van de verklikker en werd afgevoerd naar de
strafcel. Tijdens het middageten in de verblijfzaal protesteerden de veertien
overgebleven gevangenen opnieuw tegen de aanwezigheid van de verklikker. Drie
werden er vervolgens naar de strafcel gebracht. "Daarna had de maaltijd zonder
verdere stoornis plaats," noteerden de inspecteurs in hun verslag.
's Avonds bleek dat de opstandigheid ook de verklikker niet onberoerd had
gelaten. In zijn alkoof maakte hij leven, "kreunde, steunde, vloekte, schreeuwde"
en zong godsdienstige liederen. Met de scherven van een flesje deed hij een
poging tot zelfmoord, maar die vatte men als een gesimuleerde poging op. De
verklikker mocht op de ziekenzaal drie weken lang van zijn wonden herstellen en
werd vervolgens in de strafcel geplaatst "omdat hij zichzelf had verwond". De
rust in de gevangenis was toen al weergekeerd, "dankzij zeer zeker het beleid,
den tact van den directeur, en ambtenaren, die hem terzijde stonden". Eerst in
aanwezigheid van twee marechaussées, later zonder bewaking, werd de verklikker
ten slotte weer op de zaal geplaatst "zonder dat zulks tot eenige verdere
moeilijkheid aanleiding gaf".
bron boek Herman Franke
Bibliotheek |