|
HUIS VAN BEWARING LEEUWARDEN
1970- 2008 [Tekst]
Het
poëziealbum uit het Huis van Bewaring te Leeuwarden
De gevangenis is een hel
▲ Meeste mensen zeggen / de gevangenis is een hel / Maar hier in Nederland is het
meer een hotel/ Als je niet leuk vindt / om hier te komen / zal je toch van iets
anders moeten dromen / Als je in een hel belandt / is het toch door je door je
eigen geweten / En voor het goede leven / zal je gewoon moeten ze weten. Billy
The Kid L.
Macht en idioterie
▲ Na een zeer lange periode van plusminus 6 weken reeds weer in hetzelfde H.v.B..
Zo stom en achterlijk kunnen wij zijn. Geld brengt Macht en idioterie. Groetjes
van een Amsterdammer.
Ode aan Chris
▲ Ode aan Chris van C002 : Ik ben hier in de bibliotheek / samen met een leek /
Chris heet de dwaas / Je kunt erop wachten totdat iemand hem tegen zijn kop roust / Toch maken gekken als Chris / het bajesleven ietwat draaglijker / er
valt tenminste nog wat te lachen en te dollen / En dat is zeldzaam tussen al die
Blauwe Drollen.
Rozen
▲ Als je denkt dat je op rozen zit, dan voel je de doorns pas.
Creaturen
▲ God schiep mensen en dieren, maar geen rechters en officieren. Deze creaturen
werden geschapen door de duivel in zijn vrije uren.
Ongedierte
▲ Ik was hier (schrijft er een) - Ja, ongedierte komt steeds terug (schrijft een
ander eronder)
Fouten
▲ Fouten gemaakt, Dingen geleerd.
Zo eindeloos
▲ Als de avond komt, dan zit ik zo te denken / Naar mooi verleden, dat zo
eindeloos scheen / Ik was de man die gooide met de centen / Eentje voor mij en
veel voor mijn vrienden / Nu zit ik hier, verlaten zonder een / Had ik het
geweten, dan kocht ik een desnoods een kooitje. afz. Fred K.
Touch
▲ They can touch your skin, but they can't touch your soul.
Innerlijk licht
▲ Innerlijk licht is de sleutel tot werkelijke vrijheid / Stil is de sleutel tot
mijn celdeur / Tijd is de sleutel tot vrijlating./ Tijd is aan mijn kant, want
ik ben innerlijk licht en uiterlijk lenig. afz. "Eagle"
De tijd
▲ Tijd van komen en een tijd van gaan ! Maar de tijd van gaan wil maar niet komen!
Mijn liefde voor jou
▲ Mijn lichaam zat hier gevangen, maar niet mijn geest ! G.B . Lieve Es van mij /
Onzeker afwachten wat komen gaat / Jij buiten. En ik? / Tussen muren, tralies en
prikkeldraad / Maar ' s avonds als ik naar buiten kijk / schijnt onze ster het
felst / Maar de gedachte aan jou, pakt niemand meer af / Nu, door Justitie
gescheiden, / Nu, onderga ik m'n straf / Maar ik kom er uit ! / Het heeft ons op
de proef gesteld / Maar de mijn liefde voor jou, overwon wel de straf!
Groetn uut Knoal - afz. A. uit Musselkanaal - eis: 12 jaar.
▲
Lachuh, gieruh, brulleh hier, man! Engar. ( 2 X )
▲
Zomerzon
▲ Het is heel warm hier. Binnen in de zomerzon is het 33 graden Celcius. Het is
verder wel oké - als je hier rustig bent (!)
Kennen
▲ Als je vast zit, rest er nog maar een ding te doen. Jezelf leren kennen. afz.
R.H.B.
Genieter
▲ Als jaren lang genieter van hash en weed / Dacht ik groen van
stonedheid / Geel van idealisme / Soms rood van verliefdheid / Maar omhoog
geklommen, weet ik dat er meer sleutels en meer kleuren zijn / De Bron rust hier
zacht, stoned is hij en lacht afz. André H
Johnny P.
Groet zijn neef en verder alle bekenden.
▲
Toiletblok
▲ Nog 9 dagen en dan gaat het weer los. Heb hier goed gezeten, alleen moet ik, als
ik weg ga, toch nog even praten met het personeel... Groetjes aan iedereen in
dit "Toiletblok".
Profeet
▲ God, oh God, Mijn broek is kapot, Heer oh Heer, daar gaat ' ie weer, Herder oh
Herder, hij scheurt steeds verder, Profeet, oh Profeet ik heb geen enkele broek
meer aan me reet!
Vrienden
▲ Als je zit, weet je waar je vrienden staan. afz. T.
Vrijheid
▲ Mijn naam is Theunes S.. Ik zit elke avond te huilen, omdat ik nu al negen weken
zit. Maar donderdag is er eindelijk weer vrijheid. Dan kunnen ze allemaal
verrekken, en hoef ik niet meer te trekken.
Zonden
▲ Hij overdacht zijn zonden en dacht: da' s zonde ! / Gevangen zijn, zit tussen je
oren. / Zorg ervoor dat je daar nooit in gevangenschap komt, want dan ben je
verloren. / Only God can judge us now ! afz. "Dark Angel" Sietsema.
Wijze les
▲ Liefde is het enige waarvoor je leeft / geef het niet uit handen,
steek je handen desnoods in je zak en vermijd crimineel gedrag ! Amsterdam Noord
- "B. to B." Boy.
© Bajesbib P. Gallego.
De tranenpikkers van de stadsgevangenis
▲ Lieuwe was net zo goedmoedig als dat hij groot was. Alleen daarom al was hij
zijn korte leven lang onbegrepen. Ze noemden hem de reus van Leeuwarden omdat
bijna alles te klein was voor hem. Toen hij hier werd opgesloten, paste hij
amper in zijn cel en diep moest hij bukken om zijn celdeur door te komen. Hij
was de eerste die ons geheim ontdekte. Dat was ver voordat de gevangenis waarin
we nu wonen er kwam.
Op een van de stenen muren hier staat een getal van 1874, maar onder en achter
deze oude stenen zitten weer nog oudere stenen met getallen als 1666 en 1547. Zo
is ons in ieder geval verteld. De Blokhuispoort was in die tijd beter bekend als
de oostelijke ingang van de stad en wij kraaien hadden, ook toen al, met onze
groep nesten gemaakt op en onder de dakranden van de drie binnenplaatsen. Ons
geheim begon pas echt te groeien toen Lieuwe hierbinnen zat, wachtend op het
einde van een straf die juist hij niet had verdiend...
Van alle tien duizenden gevangenen die, ver onder de nesten die we hier elk jaar
bouwen, hebben zitten wachten op veroordeling of ontslag, is in de loop van al
die tijd op een kraaiepoot te tellen het aantal mensen dat met ons leerde omgaan.
Zo was er de gevangen Witmarsummer veeboer die ruzie met de veldwachters had
gemaakt omdat hij destijds resoluut weigerde uitleg te geven over een van zijn
loslopende geiten die een nog niet gebruikt bruidsboeket had aangevreten.
Zo was er de smid van Witmarsum die een ondeugdelijk koetsonderstel had
vervaardigd waarmee stadhoudersvrouw Marijke Meu eens na een flinke hobbel in de
weg in haar gescheurde onderjurk op de straatstenen was beland. Zo was er de
niet meer zo jonge dienstmeid die uit liefde voor- en onder de invloed van een
mysterieuze zakenman, die Witmarsum aandeed tijdens een van zijn zakenreizen,
prompt dievegge was geworden in de huizen van de rijken waarin ze in haar lange
carrière had gediend.
Op heterdaad werd ze, met haar handen grabbelend in de zilverkist van de
burgemeestersvrouw, gepakt en diezelfde nacht nog naar de Friese hoofdstad
overgebracht. Lieuwe heeft hen drieën, waarschijnlijk langs de weg van zijn op
het bezoekuur komende Witmarsumse ouders, geleerd hoe je ons hierbinnen deze
zware muren te vriend houdt en hoe we echt alles voor je willen doen … als we
maar met elkaar praten; zodat wij kraaien kunnen blijven leren over alles wat
mensen menselijk maakt en wat dieren- in de ogen van mensen- dierlijk maakt.
Op een avond vertelde reus Lieuwe zomaar aan een oude kraai die woonde in een
van de nesten waar de zon ’s avondlaat als laatste op schijnt, dat hij
liefdesverdriet had. Heel erg veel verdriet. Haar naam was Loltsje en onder de
mensenvrouwen was zij een reuzin die in de ogen van Lieuwe net zo mooi was als
dat ze lang was.
De oude kraai had, zoals wel vaker, weer eens iemand horen huilen in zijn cel.
Dat gebeurt best wel vaak. Dit gehuil was echter tot hem doorgedrongen omdat het
een zware huilstem was die de kreet mien leave Loltsje af en toe snikkend bleef
herhalen. Hij besloot om maar eens even op het vensterbankje neer te strijken.
Deze vensterbank was namelijk niet al te vervuild door duivenpoep en bovendien
werd de oude kraai als door een wonderlijke kracht, aangetrokken door de dikke
glinsterende tranen die Lieuwe huilde om zijn Loltsje.
Het zware stemgeluid viel stil toen Lieuwe zijn hoofd ophief en daar ineens de
oude kraai zag zitten kijken naar het vallen van zijn tranen. Hij schraapte zijn
keel en wilde, en moest, en kon niet anders dan toen hardop te zeggen: “Oh
grutte kraai, do bist de ynichste die no kin begrippe werom ik jier sit te
gullen.” . Maar omdat die reuzentranen terugstuiterden op zijn zich aanspannende
reuzenstembanden, was er in Lieuwe’s cel plots een uniek kraaiengeluid te horen
dat uit zijn reuzenstrottehoofd ontsnapte en gericht was aan de oude kraai.
Drie cellen verderop schrok zelfs een jonge gedetineerde Groninger die de slaap
niet kon vatten, zo erg van dit geluid dat de koude rillingen hem over de rug
liepen bij de gedachte alleen al aan nog een nacht met de huiveringwekkende
nachtgeluiden die deze oude Friese bajes niet zelden in zijn greep schijnen te
hebben.
De kraai anwoordde instinctief met een kra-kra-kra, waar Lieuwe ineens duidelijk
enkele menselijke woorden van wist te maken. En zo was het eerste gesprek tussen
de beide groepen hoofdbewoners van deze gevangenis-gebouwen op gang gebracht. De
oude kraai wist Lieuwe er gauw weer met het koppie bij te krijgen en een verbond
werd gesmeed tussen de gekooide onbegrepen reus en de vrijbuitende
kraaienkolonie van het Huis van Bewaring.
Voor Loltsje liepen er zo’n honderd anderen rond, kraaide de oude kraai. Hij had
in zijn leven de mens bekeken en gezien dat de vrouwen van deze Nederlandse
provincie de langsten van het land waren. Bij het afstoffen van zolders en
schuren reikten hun lange armen vaak tot aan de kraaien-nesten en niet zelden
namen ze daarop zonder pardon de bezem ter hand. Maar waar de kraai eigenlijk in
geïnteresseerd was, was waarom mensen elkaar onrecht aandoen in het algemeen, en
hoe ze elkaar bestelen in het bijzonder.
Wij kraaien, namelijk – en dit weten maar heel weinig mensen hebben voor
menselijke begrippen juist een heel groot rechtvaardigheidsgevoel. We zijn,
zonder dat de meeste het weten, misschien wel het minst zichtbare deel van de
arm der wet, omdat wij vaak genoeg de menselijke diefstallen weer opheffen door
de gestolen glimmende buit mee te nemen en te bewaren.
Wat moet ik als kraai met een gestolen oorring of armband? Wat moet ik met een
glazen knikker of een scherf van een gebroken karnemelkfles? Een achteloos
weggegooide zilverpapieren verpakking van een chocoladereep, of een kostbaar
juweel; wat moet ik ermee? Nou, ik zal het jullie vertellen: wij kraaien van de
Blokhuispoort hebben zo onze eigen wet te handhaven en die zegt dat al wat glimt,
glittert en glinstert in Leeuwarden, verzameld dient te worden en bewaard moet
worden tot er weer ‘een nieuwe Lieuwe’ onterecht komt vast te zitten bij ons.
Zodat we diens ouders dan wekelijks, ter compensatie van het missen van hun
kind, een deel van onze schat kunnen thuisbezorgen. Onze schat hebben we, sinds
Lieuwe hier zat, bij elkaar hebben gepikt van mensen die anderen bestelen en er
nooit voor gepakt worden. Zo heeft mens Lieuwe ons dat eens zelf geleerd.
Wie zich als mens verheft tot het spreken met de kraaien, zal tijdens detentie
alles, maar dan ook alles, wat los en vast zit en schittert in de zon
thuisbezorgd krijgen. Zo vonden Lieuwe’s ouders na hun eerste gang naar het
bezoekuur van hun gedetineerde zoon bij thuiskomst meteen al een onbekend gouden
horloge in de schuur.
De week daarop zagen ze bij terugkomst een diamanten ring aan het sleutelrekje
in de gang, zodat ze na de maar liefst achttien lange jaren detentie, die hun
oudste telg namelijk onterecht heeft moeten zitten in Leeuwarden, een flinke som
hadden verdiend aan het zo onopvallend mogelijk verpanden van deze van
onbestrafte dieven gestolen goederen. De thuisbezorgde glasscherven, knikkers,
zilverpapiertjes en dergelijke verwerkten ze in een zelfgemaakte spaarpot van
klei die tot op de dag van vandaag op een Witmarsumse schoorsteenmantel staat
als erfstuk.
Het familieverhaal wil dat een voorvader met de naam Lieuwe, bijgenaamd de reus,
het ding als fooienpot heeft gebruikt, in een cafeetje dat hij na zijn detentie
is gaan uitbaten aan de Leeuwarder Tweebaksmarkt, op nog geen steenworp afstand
van onze stadsgevangenis.
Als onze kraaienkolonie dus onze jonge vliegensvlugge kraaienkinderen weer eens
naar Witmarsum stuurt om er nog maar weer een voorwerp af te leveren uit ons
glanzende geheim, dan laten we ze op een steenworp afstand altijd eerst even
langsvliegen over het pand van pakhuis De Utrecht op nummer 48 waar eens
Lieuwe’s cafeetje stond. Op het dak ervan staat- heus waar -een manshoog
gitzwart standbeeld- op een voetstuk van acht gouden kraaienpootjes- van de
enige vier kraaien die in de geschiedenis van de Blokhuispoort ooit contact
hebben gemaakt met de mens.
Eén kraai staat er voor zijn contact met de veehandelaar, eentje voor dat met de
smid, eentje voor toen de dienstmeid vastzat en de mooiste, de voorste, is voor
de oude kraai die op die avond Lieuwe troostte. Ga er maar eens kijken…
Bijvoorbeeld als je liefdesverdriet hebt of als je even niemand hebt om mee te
praten. Als je heel goed luistert… kun je misschien nog die ene echo opvangen
van de glanzende, vallende tranen, van wat ooit het onbegrepen liefdesverdriet
was van Lieuwe de reus.
Voor bewaarder Van Hofwegen, Blokhuispoort 1973-2005 © P. Gallego
▲
De viswedstrijd der gevangenen
▲ Omdat Bennie nu eenmaal de goedgelovigste man was die je maar bedenken kon, was
hij voor het begin van dit verhaal tegen wil en dank bewoner geworden van cel
tweehonderd-en-acht op de bovenste verdieping van de A-vleugel in de Bijzondere
Strafgevangenis te Leeuwarden. “Ja, maar gelooft u mij veldwachter…” en “ècht de
verkeerde!,” probeerde Bennie nog in een oprecht bedoelde poging te redden waar
er niets meer te redden viel.
Voordat hij die drie jaar moest gaan doorbrengen binnen de gevangenismuren van
die Grootbajes, was Bennie juist van assistent-brugwachter tot hoofdbrugwachter
bevorderd op de brug ter hoogte van het punt waar de Pingjumervaart overgaat in
de Arumervaart.
Een ongelukkige speling van het lot had er voor gezorgd dat de
trekschuitschippers en ook de praamvaarders hun in de loop der jaren opgebouwde
antipathie ten opzichte van de vorige hoofdbrugwachter min of meer ongewild
botvierden op Bennie in plaats van op die bullebak die de brug decennia lang met
wrede hand had bediend. Een groter contrast tussen die beul van een brugwachter
en de goedgelovige Bennie kon men zich in die tijd dan ook niet voorstellen.
Toch kreeg de jonge Bennie uiteindelijk de schuld in de schoenen geschoven van
een onwelriekende aaneenschakeling van gebeurtenissen die samen een voor
binnenvaartbegrippen smerig zaakje hadden gevormd, waarover we in dit
gevangenisverhaal verder beter niet op in zullen gaan.
Buiten de muren was Bennie dus vijf jaar daarvoor bruggen gaan bedienen. Hij was
een waarlijk buitenmens geweest voor die tijd. Hij was dan ook blij dat hij er
door de tot op het bot gecorrumpeerde brugwachter af en toe met de fiets op
uitgestuurd werd om dan aan- en doorvarende schippers een verbale– dan wel
materiële boodschap te brengen.
Voordat er ook maar één haan kraaide in de omgeving, was Bennie ’s ochtends in
de velden of op het water te vinden. Altijd was daar het onafscheidelijk
kwispelende en naar hem opkijkende stabij-teefke Brûnsje in zijn gezelschap.
De dageraad, meestal eerder aanwezig dan mens en dier, leek dagelijks te worden
wakker gemaakt door deze goedgelovige buitenman in plaats van andersom.
Buitenmens Bennie, nu achter de Leeuwarder tralies, had het geluk dat zijn
celraam uitkeek over het oostelijke invalskanaal van de Friese hoofdstad. Door
het ietwat uitsteken van zijn gedeelte van het cellenblok zag hij rechtuit, in
de richting van waar de zon opkomt, het gehele Emmakanaal af. In de kijkrichting
links en rechts de statige panden en pakhuizen van de Emmakade noordzijde en
zuidzijde.
En tja, de werktijden en handelingen van zijn stadse collega brugwachter maakte
hij zich al snel eigen. Hij kon gewoon blijven zitten waar hij zat zodanig dat
de visuele dagresultaten met zijn detentie uiteindelijk niet veel waren
veranderd. Hier liet men over de hele dag genomen 8½ boten per uur door, op zijn
eigen brug waren dat er 7¾.
Zelfs presteerde Bennie het om zich strikt aan zijn middagse pauze-appeltje te
houden, om aan zijn brugrapportage te voldoen – het noteren van doorkomsttijden
en bootnamen – en zelfs hield hij nauwkeurig in de gaten wat getalsmatig de
verkeersstroom, mechanisch en motorisch, betekende voor het zo effectief
mogelijk ophalen van de brug in het dalmoment van de niet-varende bruggebruikers.
Zelfs de actie en reactie van de kibbelende meeuwen, gezeten op de dukdalven,
waren identiek aan wat hij dagelijks gewend was geweest toen hij nog als vrij
man het eerbiedwaardige brugwachtervak ingekleurd had.
Bennie verveelde zich overdag, in tegenstelling tot vele anderen, geen moment op
cel. Op de ring circuleerden er al een paar bijnamen die nu eens zinspeelden op
zijn – laten we zeggen- simpele karakter, dan weer recht deden aan zijn op de
buitenwereld gerichte detentiestijl.
Ook zag men zijn extreme goedgelovigheid wel af aan hun schaarse contacten met
hem. Zo werd er al na een paar maanden door andere boeven gesproken over ‘de
brugwachter van twee nul acht’. Eerst was het: “die slome botenteller,” toen:
“die denkt dattie overgeplaatst is naar de Tweede Kanaalsbrug”, en uiteindelijk
ging het van: “gaan wij hem even het gevoel geven dattie hier ècht wel vast zit
zoals de officier en de rechter dat heeft behaagd.”
Twee altijd smeuïge medegedetineerden, beide uit Mokum, met name uit de Jordaan,
besloten om Bennie eens fijntjes te laten weten dat hij wat meer bij de
justitiabele gemeenschap zijn best moest gaan doen om met hen mee te draaien.
Zo kwam het dat Bennie op pinksterochtend in het jaar dat Duitsland de
Frans-Duitse oorlog won - mede door de inzet van een noviteit (de machinale
mitrailleur) daarmee de potsierlijk in Napoleontische rode uniformen gestoken
Franse infanteristen en cavaleristen als schietschijf gebruikend, maar goed –
dat onze Bennie dus, nog voor het krieken van de dag op cel zat, helemaal gereed
om mee te doen aan een heuse viswedstrijd voor gevangenen. En dat terwijl Bennie
-niet zo’n beetje ook- van vissen hield.
Een hengeltje uitgooien was immers zijn tweede natuur. Een jongeman van de
velden was hij, van het platte Friese land. Hij kende alle geheimen van de
hengel. Zijn voorvaderen hadden, nadat de half Friesland bedekkende Middelsee
was bedwongen en buitendijks gemaakt, op brasems, op bleitjes, op voorntjes en
op baarzen, op palingen en snoeken gejaagd met de hengel boven het water. Vissen,
dat wás wat in die tijd!
De adrenaline van het ‘slaan’, het geduld opbrengen en het zenuwen bedwingen als
een slimme vis er mee ging ‘lopen’ en de roes die je had als je naar moeder de
vrouw of gewoon naar moeder de moeder een maaltje mee naar huis bracht. Nee,
deze extreme sport heeft alles te maken met de jagers die wij ooit waren.
De twee Mokumers hadden hun lokaas wat dat betreft ten opzichte van brêgewipper
Bennie – randstedelingen pikken niet zelden een mondje Frysk op als ze hier
zitten – zeer goed gekozen en zo werd hij de uitblinkende hoofdrolspeler van hun
mooie bak in deze bak.
- “Rijksvischconcours voor penitentiairen” had hoofdbewaarder Ytze het spel
meegespeeld toen Bennie zich hoogstpersoonlijk bij hem aan kwam melden. - “Ieder
jaar op pinksterochtend in de ’s lands bijzondere en reguliere
strafgevangenissen.”, zei hij met een bepaald gezag tot Bennie. - “Behalve als
het op een zaterdag valt; maar ja, die schrikkeljaren hè…”, probeerde hij nog
Bennie een kans gevend om zich te herstellen.
Maar Bennie ging er met open ogen in. Wel sputterde hij nog iets over het hoe
van deze wedstrijd, waarop hoofdbewaarder Ytze hem geruststelde met “je kent de
luchtkooi voor probleemklanten, toch? Nou, daar weer achter zit een poortje in
de buitenmuur dat ze het kolenpoortje noemen.
De beurtschipper die onze kolen aanlevert, stort door een half open betralied
luik zijn voorraad eens per maand. Nou, daar houden we het vischconcours elk
jaar. Het is niet breed, maar over de hele dag genomen krijgt iedere
gedetineerde een kwartiertje lang de kans om de grootste vis van de dag te
vangen.
Wie landelijk gezien de grootste vangt, krijgt een oorkonde en mag bovendien –
dit is de èchte hoofdprijs – wekelijks een dagdeel zijn hengel uitgooien om
cipiers en directeur te voorzien van een vismaaltje. En tja…, als de echtgenote
van de directeur iets behaagt, is het een vismaaltje met bijpassend fris wit
wijntje.
En als JIJ nu eens het concours wint en de directeur komt thuis met JOUW
gevangenisvis, dan is zij blij, hij blij en dan zullen we allemaal blij zijn.
Dus jongen, je weet wat je aanstaande pinksterdag te doen staat.”
Zwaar onder de indruk van de kans die hem zomaar gegeven zou gaan worden, zat
Bennie die ochtend met de jas al aan paraat op cel tweehonderd-en-acht. Een stuk
oud brood voor aan de haak en een zelfgemaakte dobber van hout en restafval in
de aanslag. 06:15 uur had er op de nepaankondiging gestaan.
Hij was als tweede visser aan de beurt. In heel het land zouden nu de eerste
gedetineerden met hun hengels door de tralies gestoken zitten te wachten op een
vissig iemand die niemand van hen eerder had ontmoet. De grote onbekende
supervis die ieder van hen zou verheffen tot vriend van de vrouw van de
directeur en van die van de hoofdbewaarder.
De Jordanezen hadden het weer voor elkaar. De brugwachter had zijn bijnaam voor
de komende jaren te pakken. Goedgelovige Bennie leerde die pinksterdag dat je in
de bajes vooral veel moet lachen en helemaal niemand moet geloven.
Voor bewaarder Westra, Blokhuispoort 1976-2006
▲ © P. Gallego
Struinend door de binnengang
▲ Al tracht men de muren hier op te fleuren,
door ’t aanbrengen van een kleurenpracht,
het blijven de muren van het gevang… waar dagen meer zijn dan dag en nacht.
Drijvend op de eigen gedachten zoeken wij allen hier onze weg,
de één vrijwillig, de ander gezonden, maar ieder van ons voorzien van pech.
Laat ons stil van vrijheid dromen en voor elkaar als steunpunt zijn,
want uiteind’lijk zitten we hier tesamen met alle vreugde en alle pijn!
De dichtende gedetineerde Bertram B. (bibliotheekhulp in 2005)
Boomsmastraat
▲ Dichtduel ter ere van de nieuwgeschilderde Boomsmastraat
(lange, hoge gevangenisgang tussen A-vleugel en voorgebouw) Gevangenisgang
In deze gang nu licht en luchtig, ging menig mens met zwaar gemoed een nieuwe
dag, geduchtig en ondraaglijk lang, met grote weerzin tegemoet.
De handen zijn hier ongebonden de geest is hier nog vrij, maar niemand kwam hier
ongeschonden, na jaren, deze gang voorbij.
Langs deze weg werd, al dan niet verplicht, arbeid, onder grote druk verricht.
Maar alles wat onwenselijk was, of, waarover nauwelijks valt te praten, kunnen
we, als verdamping van een vluchtig gas, gewoonweg achtergelaten.
Want altijd is er deze gang die, na verloop van tijd, ons toch weer naar de
vrijheid leidt.
De dichtende Cipier Hans D. (A-vleugel)
"Van verleden tot heden"
▲anoniem
'84
We liepen daar, vaak ,hand in hand,
daar op die dijk op weg naar vrienden,
in dat mooie polderland.......met z'n beiden.
We genoten van al dat mooie dat er ons geboden werd,
ook al moesten we er ver voor rijden.
Niet lang zou het meer duren, bij hen daar op de dijk.
Ze hadden vaak veel ruzie,
wij namen dan de wijk.
Wéér wat armer: het was een illusie, door die ruzie.
Verbroken werden onze vriendschapsbanden,
we voelden ons gebruikt,
weg waren de vergezichten........... van die mooie polderlanden.
Door heden en verleden,
door anderen uit elkaar gedreven,
beproefd, dát waren wij nu beiden,
en hadden al geleden:
door mijn verleden.
Het deed haar daar belanden,
éénzaam en alleen,
daar bij die oude vrienden,
nu weer, daar in die mooie polderlanden.
“Verlangen”
▲anoniem
'84
Nu niet meer als vroeger, samen, hand in hand,
Ik voelde mij alleen, mijn hart, die was gebroken:
Hier op de dijk.
Waar waren onze liefdesbanden?
Uiteen gedreven, door hem die woont,
daar in die polderlanden.
Ik had haar o zo lief,
een leven zonder haar was geen bestaan,
al was het ook per brief.
Ik wilde haar niet laten gaan
Ik liep op de dijk,
niet verder dan het huis,
maar nu nam ik niet meer de wijk,
ik zag haar staan, ze was dus "thuis".
Ik wilde met haar praten,
en stond daar voor de ruiten.
Ik zag haar huilen,
en kon mij niet meer beheersen,
en bleef toen niet langer meer daarbuiten.
Haar laatste woorden tegen mij:
o lieve schat.
Ze liet het voelen, drie woorden op een rij …….. voor mij·!
Een lieve vrouw, zacht, vooral héél teder,
ik zag haar voor het laatst,
zij is naar Hem, daar boven ……en komt nu niet meer weder…. door mij
"Verdriet"
▲anoniem
'84
Ik zit hier
opgesloten,
en heb nu veel verdriet,
maar nu dan als een dode boom,
voor eeuwig zonder loten.
Al zit ik hier en
moet veel lijden,
God zal mij verlossen,
in Hem heb ik vertrouwen.
Straks, nog enkele maanden,
en we zijn weer met ons beiden.
De Pater komt mij
vaak bezoeken,
hij weet wat ik doorsta.
Naar woord en hoef ik niet te zoeken,
omdat ik hem versta.
Beproefd door al
het leed,
ben ik nu moe gestreden,
maar éénding wat ik niet vergeet,
jou te volgen lieve schat, weg is dan het leed.
Bij Hem, daar
rust de vrede ,
Bij Hem, bij jou daar in dat huis,
het is mijn wens, we zijn dan straks weer thuis.
"Afscheid nemen"
▲J
Duinstra Hoofdbewaarder
Afscheid nemen van een gebouw,
ach zult u zeggen , wat zegt dat nou.
Maar dit gebouw, "DE BLOKHUISPOORT"
was zeer bekend. Het had een status
van respect, ontzag. Het had geschiedenis.
En wel het meest, omdat zij de mensheid
eeuwen dienstbaar is geweest, in de belangen van de rechtsorde.
want bij het uitvoeren van straf of maatregel
was dit gebouw, de mensheid trouw .
Want achter aldie dikke muren , van beton en steen
en traliewerk, werden mensen gedetineerd .
Mensen die hebben gefaald,
het niet hebben gehaald
wat de samenleving van hun verwachte
Zij werden veroordeelt, opgesloten, soms jaren
in dit gebouw, Hoe velen hebben niet ervaren,
de pijn, de eenzaamheid, en zijn
nooit weer geworden, wat zij eens waren.
Dit gebouw, in de oorlog, een plek van vrees,
voor allen die onder de bezetter lijden
soms een laatste verblijfplaats in die tijden
voor men naar de exekutieplaats ging.
Dit gebouw, hoeveel tranen hier geschreid
Hoeveel liederen hier gezongen,
waarbij gedacht werd aan eigen wegen
en het verblijf onder moederzegen
Dit monument uit lange tijd.
Wat zich afspeelde in dit gebouw
aan mensen die verbitterd waren
of hen die tot een ander inzicht kwamen
Dit gebouw een waarborg voor ons rechtsbestel
Voorde een een redding voor de ander een hel
Niet ieder werd geresocialiseerd,
Bij velen ging het toch weer verkeerd.
Ja dit gebouw, het is voorbij
En haar bestaan gedenken wij
J.Duinstra
"Afscheid van de Dienst"
▲J
Duinstra Hoofdbewaarder
Wie thans de Dienst voorgoed verlaat
De zorg aan anderen overlaat
van bewaken, en resocializeren
Zal soms met de vraag verkeren:
Wat is de sin er van geweest,
dat ik er zolang ben geweest.
Heb ik mijn werk wel goed gedaan
Vond ik het wel een leuke baan.
Deed ik het alleen maar voor het geld
was dat het enige wat teld
Was ik voldoende kollegiaal,
of was er veel waarvan ik baal.
Hoe was mijn houding tegenover hen,
die ik maar erg oppervlakkig ken
Stond ik in het kader van de zorg,
voor hen steeds wel voldoende borg.
Heeft men van mij wel iets geleerd,
Of deed ik zelf erg veel verkeerd.
Had ik aan hen alleen maar de pest,
omdat zij slecht waren en ik zo best.
Heb ik van mijn fouten iets geleerd,
of deed een ander het steeds verkeerd.
Wat werd er eigelijk van mij verwacht
of heb ik daar nooit over nagedacht.
Wanneer ik zo de jaren inventariseer
dan overheerst bij mij de vraag steeds
niet wat ik allemaal heb gedaan.
Maar wel de vraag wat ontbrak er aan
Was de inzet wel zo optimaal
Of vond men die vaak wel wat schraal.
En als men vraagt de sin van al die jaren
Dan moet ik zeggen het zo te ervaren
t Was niet volmaakt, en je van dat.
Toch hoop ik, dat men iets aan mij heeft gehad.
En wens een ieder die nog verder moet.
Veel sterkte toe, het ga u goed.
Bij mijn afscheid als hoofdbewaarder uit de dienst op 1 Mrt 1984
J Duinstra: H.v.B Leeuwarden.
▲
Meer over dit hoofdstuk:
De bunker,
De inspecteur,
Aage M,
Dinsdag 5 februari 2002,
Het poëziealbum 1995,
Verhalen van oude personeel,
Verhalen van ex gevangenen,
Folders,
Interbellum,
Ontsnappingen,
Didjeepersad D,
Voor honderd cipiers,
Informatiemap gedetineerden,
De nieuwe inkomst,
Inrichting van de maand,
Levenslang,
Gevangene gepakt,
Overleden gevangenen,
Songtekst Bajes Blokhuispoort,
Knipselkrant,
Gescande documenten,
Blad Normaal,
Achterdeur,
Fritsje,
Voorspelling
Gevangenistaal
|