|
De ontvluchtingsgeschiedenis
Een halve eeuw geleden had er in F r i e s l a n d eene stoute ontvluchting
plaats van eenige der zwaarst veroordeelde gevangenen, die in het tuchthuis te
Leeuwarden zaten opgesloten. Allen waren ze veroordeeld tot pl.m. twintig jaren
gevangenisstraf, enkelen wegens moord.
Zooals men weet, staat in de hoofdstad van F r i e s l a n d de groote
gevangenis, waarin uit het geheele land de mannelijke gevangenen, die tot eene
tuchthuisstraf van meer dan 5 jaar veroordeeld zijn, hunne straf moeten
uitzitten. Dus ook de levenslang veroordeelden hunnen binnen hare muren.
Het zijn dus de beste broeders niet, welke in dit tuchthuis een groot deel van
hun mislukt leven moeten doorbrengen, zoodat het alleszins begrijpelijk is., dat
de zucht om, de vrijheid te erlangen bij vele van hare bewoners steeds een
onderwerp van gedachten uitmaakt en slechts wacht op de gelegenheid om hunne
wenschen `in daden te kunnen omzetten.
Doch het feit, dat alle pogingen tot uitbraak, sedert welke op de volgende
bladzijden beschreven wordt, steeds in het allereerste begin van uitvoering
gestuit toont aan, hoe uiterst moeilijk het is om te ontsnappen; en dit relaas,
hoe even moeilijk het is om als ontsnapte op vrije voeten te blijven.
Deze uitbraak, welke indertijd zooveel van zich heeft doen spreken, is thans zoo
goed als in het vergeetboek. Indertijd is de sensationeele gebeurtenis bij
stukken en brokken gepubliceerd zonder eenigen samenhang; we hebben nu de
opvolgende feiten aaneengeschakeld tot een geheel.
De geschiedenis toch is éénig in hare soort en even bijzonder als zeldzaam.
't Was in den vroegen morgen van den 15 Juni 1868, dus mids zomer en heel vroeg,
dat iemand op de grenzen van L e e u w a r d e n twee verdachte personen uit de
stad zag gaan, die bizondere haast schenen te hebben.
Hun uitzicht en kleeding, gevoegd bij den ongewonen spoed, waren zoo verdacht,
dat hij terstond de nachtpolitie in kennis stelde met wat hij gezien had, als
zijn vermoeden te kennen gevende, dat het wel ontvluchte gevangenen konden zijn.
Onmiddellijk werd de zaak onderzocht en bleek het vermoeden volkomen waar te
zijn.
Dra ontdekte men aan het tuchthuis, dat niet twee, maar zes van de zwaarst
veroordeelden zich dien nacht uit de voeten hadden gemaakt.
De kooien waren ledig, de gevaarlijke vogels gevlogen!
Hoe deze ontvluchting mogelijk was, kon niemand zich verklaren. Men stond voor
een raadsel.
's Avonds te voren waren de gevangenen door de bewaarders elk afzonderlijk
opgesloten in alcoven. met stevige ijzeren sluitingen. Die alcoven bevonden zich
op de bovenverdieping van 't nieuwe gebouw.
Al de sluitingen hadden ze verbroken, doch eenmaal uit de kooien waren ze nog
slechts op de naar alle zijden goed gesloten bovenzaal en door de deuren was
alzoo niet te ontkomen. Hoe een uitweg te vinden? Met een of ander werktuig, een
raadsel alweer, hoe dit onder hun bereik kwam - gelukte het hun een opening in
den zolder van de slaapzaal te maken. Hierdoor gekropen, bevonden ze zich op
den zolder en wisten daar te verbreken de sluiting van een dakvenster. Door dit
venster kwamen ze op het dak van het gebouw. Doch nu werd de zaak lastiger,
aangezien beneden hen een schildwacht stond geposteerd met geladen geweer.
Het was tusschen 1 en 2 uur in den nacht de stad lag nog in diepe rust, maar
lang tijd hadden ze niet meer, om onopgemerkt beneden en naar buiten in
veiligheid te komen.
Om aan den schildwacht te ontsnappen, beproefden ze het dak van een tweede
gebouw te bereiken. Daarin slaagden ze weder naar wensch, doch het zwaarste stuk
bleef nog immer om beneden en over de gracht te komen, waardoor de gevangenis is
ingesloten.
De mr. uitbrekers hadden dit geval voorzien en mitsdien een touw medegebracht,
dat hier een onmisbaar vereischte mocht heeten. Hoe ze aan dat touw waren
gekomen? Ze hadden het zelf in hunne vrije uren gemaakt van garen, dat bleek
gestolen te zijn uit de werkplaats, waar ze daags arbeidden. Die arbeid zal
hebben bestaan in weven of spinnen.
Gedachtig aan het alle dagen een draadje, hadden ze samen 45 strengen garen
weten meester te worden en daaruit het touw samengesteld, sterk genoeg om er man
voor man aan te kunnen hangen en lang genoeg om tot den grond te reiken, zelfs
al zouden ze zich moeten laten zakken van het hooge dak van het hoofdgebouw.
Met het eene einde stevig vastgemaakt aan een ' ijzeren bout van het dakvenster,
zal het vermoedelijk S c h u I z zijn geweest, een 26-jarige Zwitser, laatst te
H a r d e r w ij k woonachtig, die zich het eerst heeft neergelaten aan liet
touw. 't Was een steile hoogte en beneden hem bevond zich de diepe gracht, die
nog overgezwommen moest worden, om vasten grond onder de voeten te krijgen.
Goed overleg is het halve werk. Het touw was zoo lang genomen, dat het niet alleen tot aan de gracht kon reiken,
maar ook nog kon dienen als reddingsmiddel als het zwemmen gevaar mocht
opleveren. De zwemmer had het om den middel gebonden. Bovendien had hij zich van
zijne kleeren ontdaan, waarom zullen we nader zien. Toen hij goed en wel beneden
en over was, nam hij het touw en knoopte het vast aan een der aldaar staande
boomen. Zijne makkers konden zich nu maar van de hoogte als langs een hellend
vlak naar beneden laten glijden. Alle vijf kwamen ze niet alleen behouden, maar
en daarom had de eerste zich ontkleed en door de anderen zijne kleeren mee laten
nemen, ook droog over, wat voor hen van veel belang kon heeten. Weinig uitzicht
toch bestond er om de doornatte plunje te kunnen verwisselen en onderdak zou de
eerstvolgende nachten ook niet wel gevraagd kunnen worden.
Wie zou het hun willen verleenen, want de ontvluchting moest spoedig ruchtbaar
worden, uren ver in het rond.
Het stond dus zoo goed als vast, dat ze onder den blooten hemel een legerplaats
moesten zoeken.
't Stoute en weloverlegde waagstuk was tot dusver alzoo met het gewenschte
succes bekroond. Zoo wèlgeslaagd was de uitvoering geweest, dat geen der
medegevangenen, geen der zeven en twintig bewakers en geen der schildwachten
iets van de ontvluchting hadden gemerkt.
Was de vrijheid nu al veroverd, toch bleven van alle zijden gevaren dreigen,
klimmend bij den naderenden dageraad.
Kennelijk lag in de afspraak, om niet bijeen te blijven en niet allen
denzelfden weg te gaan. Zij scheidden reeds in de stad en zoo toog een enkele
naar het zuiden en zetten de anderen koers naar het oosten, naar de bosschen,
zeker in de hoop op die wijze het spoedigst over de grenzen te zullen komen.
Den eersten nacht konden ze onmogelijk een grooten afstand afleggen; zoodra het
licht aan de kimmen rees, was het hun geraden, schuil te gaan; want aller oog
zou hen zoeken en ieder hen terstond kunnen herkennen aan hunne
tuchthuiskleeding.
De Wouden genaderd, 'n paar uur van L e e u w a r d e n, zochten de meesten een
goed heenkomen in de bosschen of roggevelden, om er den volgenden nacht af te
wachten, de vriend van boosdoeners en roovers.
Die hierin slaagden, konden tevreden zijn, doch twee anderen waren minder
gelukkig, o. a. hij, die op de grens der stad nog gezien was, gelijk vroeger
vermeld is.
***
Direct na de ontdekking der ontvluchting, dus heel in de vroegte, togen naar
alle zijden de gewapende dienstknechten der justitie uit, om de gevaarlijke
booswichten, mocht het zijn ten spoedigste, weder onschadelijk te maken.
Uren in den omtrek werd het groote nieuws als in een ommezien verbreid en ieder,
die er van hoorde, werd een helper der politie. Niemand op weg, veld of akker of
hij hield een oog in 't zeil en toonde op zijn hoede te zijn.
De boosdoeners waren van de gevaarlijkste soort, in de kracht des levens, de
oudste telde 35, de jongste nauwelijks 26 jaren. Daarbij hadden ze gebrek aan
alles.
De vluchteling, die zuidwaarts was getogen, bevond zich in de ongunstigste
conditie; geen bosch of iets van dien aard in de naaste omgeving der stad, waar
hij zich kon verstoppen.
Nauwelijks in de buurt van G o u t u m gekomen, werd hij reeds gezien door de
boeren, die gingen maaien, hooien of melken en zoodra hoorden ze niet van de
ontvluchting of ze zetten den vreemdeling na, die dra gevat weder naar L e e u
w a r d e n werd teruggebracht.
Het was Christoffel Veldink.
Een tweede, H e n d r i k H u i s b e e k geheeten, verging het nog ongelukkiger.
Na een zware worsteling werd hij door de boeren onder R ij p e r k e r k overmeesterd. Stevig gebonden werd hij door de boeren op een
platten wagen gezet en zoo fluks naar de hoofdstad gereden, waar hij zich
evenals V e l d i nk met reden kon beklagen over zijne kortstondige en met
zooveel moeite en gevaren verkregen vrijheid. 't Was hem aan te zien, dat hij
zich duchtig in den wanhopigen strijd had geweerd.
Zoo ging de eerste dag voorbij, de nacht verscheen en in heel F r i e s l a n d, vooral in de Wouden, bevond zich menigeen, die met meer zorg
dan gewoonlijk 's avonds bij het ter ruste gaan sloten en grendels inspecteerde.
En niet zonder reden.
De zich schuilhoudende en voor niets terugdeinzende boosdoeners moesten van den
nacht profiteeren om hun slag te slaan. De honger moest hen als de wolven uit
hunne holen drijven; ook aan andere kleeding hadden ze behoefte om verder te
kunnen trekken.
Wel waren de signalementen van het gevaarlijke viertal overal kwistig verspreid
en was heel de rijksen gemeenteveldwacht den ganschen dag ijverig in de weer
geweest om ze op te sporen, doch vruchteloos; niet de minste aanwijzing had men
gevonden en wat gaven de signalementen bij donker!
Men duchtte zeker inbraak en diefstal, doch in welke buurt en bij wien? Dat viel
niet te gissen. Men had geen enkel spoor.
De morgen daagde en wat men gevreesd had was bewaarheid geworden.
Als een loopend vuurtje verspreidde zich de veel gerucht makende tijding, dat
in den verloopen nacht was ingebroken bij den landbouwer W i l t j e O e n e s B o t t e m a onder R o o d k e r k.
Even brutaal en talentvol als de uitbraak der ontvluchten, was deze inbraak
geweest.
Behoedzaam had men de luiken en vensters verbroken, en in de kamer gekomen, het
aldaar staande kabinet geforceerd en geopend en daaruit ontvreemd 80 gulden aan
contanten, een gouden oorijzer, een zilveren tabaksdoos, een dito horloge,
manslijfdracht, linnengoed enz. zonder dat de bewoners, die in de kamer sliepen,
iets hadden gemerkt. Ja zelfs had men, om tot het kabinet te kunnen komen, een
wieg moeten verzetten, waarin een zuigeling te slapen lag. Deze kleine was
gelukkig blijven. doorslapen. Gelukkig, want waren de bewoners gewekt geworden
door het schreien van het kind, mogelijk zou een strijd op leven of dood zijn
gevolgd en B o t t e m a en de zijnen zouden wellicht den kamp hebben verloren.
Eerst bij 't ontwaken alzoo werd de inbraak en diefstal ontdekt. Dat de
ontvluchten uit de gevangenis de daders moesten zijn, was direct het algemeen
vermoeden.
En waren het dezen geweest, dan hadden ze nu geld en goed, zij konden van
kleeren verwisselen en met minder vrees voor ontdekking de wijde wereld ingaan.
Maar ook voor de Justitie had deze inbraak eene lichtzijde. Men had nu een meer zeker spoor om te zoeken.
In de buurt van den diefstal moesten de boeven zich wel ophouden. De nachten
waren te kort om te voet ver weg te komen, zonder opgemerkt te worden.
Paarden werden er gelukkig niet uit de weide vermist; daarop alleen zou het nog
mogelijk zijn geweest, dat men de grenzen had kunnen bereiken. Want dat de
uitbrekers zich zouden beijveren om over de Oostgrens zich aan een directe
vervolging te onttrekken, daaraan werd niet getwijfeld. Doch waarschijnlijk zal
de kunst van paardrijden hen wel vreemd zijn geweest, anders ware mogelijk dat
middel niet onopgemerkt gebleven en ongebruikt gelaten. Of zij moeten en met
eenige reden bevreesd zijn geweest, dat paarden, die niet bestemd zijn om onder
den man bereden te worden, wel in de allereerste plaats de aandacht op de
ruiters moest vestigen, te meer waar te paard wel van de hoofdwegen gebruik
gemaakt moest worden, en zich verschuilen voor dreigend gevaar onmogelijk mocht
heeten. Doch zij hadden het met paard en wagen kunnen probeeren. Zeker heeft
hen daartoe de kans ontbroken.
Een macht van politie trok naar de omstreken van Roodkerk en ook de bevolking
was overal ijverig mee in de weer, om te zoeken en te speuren. Men had nu een
vast punt van operatie en een formeele jacht op groote schaal organiseerde zich
als van zelve.
Aan 't hoofd plaatste zich de Burgemeester van Tietjerksteradeel, die een beroep
had gedaan. op de landlieden, om met vorken, spaden en geweren op het appèl te
verschijnen.
Goed gewapend toog alzoo een groote menigte op verkenning uit.
Eene kleine aanwijzing werd dra verkregen. Bij 't dagen van den morgen hadden
twee grasmaaiers op de grens van R i n s u m a g e e s t een gesprek
afgeluisterd en iemand in gebroken Duitsch hooren roemen den heerlijken smook
van Groninger koek.
Nu bevond zich onder de vluchtelingen een Duitscher en bij de inbraak te R o o d
k e r k bleek ook te zijn ontvreemd een Groninger koek.
Verder vond men niet ver van B o t t e m a's woning de kleeren van twee der
gevangenen; voor deze beiden stond het dus zoo goed als vast, dat zij aan de
inbraak schuldig waren en zich in den omtrek moesten schuilhouden.
Onvoorzichtig mag het dan ook van dezen heeten, wetende hoe hun spoor
oogenblikkelijk gevolgd zou worden, dat zij de oude plunje niet afdoende hebben
verstopt.
Den geheelen morgen werd rusteloos gespeurd in bosschen en korenvelden, tot
eindelijk in den namiddag eenig spoor werd gevonden, 't welk eindelijk tot de
ontdekking leidde. Alle vier lagen ze bijeen, de lang gezochten, slapend en vermoeid, doch onraad
vernemende, zetten ze het op een loopen.
De Duitscher W i l h e l m S p e l l e k e n v a n R u h r o r t was dra uit het
gezicht, doch zijne kameraden bleken minder vlug ter been. Hoewel niet zonder
moeite, werden ze achterhaald en gevat. Hun verzet was niet zoo geweldig als
vermoed had mogen worden; ze bleken trouwens zeer afgemat. Waarlijk geen
wonder, als men bedenkt, dat ze zeker weinig of geen voedsel hadden gebruikt en
dun gekleed als ze waren, onder den blooten hemel in 't veld hadden moeten
overnachten.
Zwaar geboeid liet het drietal zich gewillig leiden naar de H o o g e b r u g,
waar de D o k k u m e r trekschuit naar L e e u w a r d e n werd opgewacht om
daarmee naar de hoofdstad te gaan.
In deze schuit kregen de gevangenen plaats naast hunne bewakers, doch deze
verdienen al evenmin een woord van lof als de bewakers van het tuchthuis; niet
ver van L e e u w a r d e n toch wist de 30-jarige H e i n r i e h S c h u t z, vroeger reeds genoemd, nog aan zijne geleiders te
ontsnappen. Door een der openingen van de kajuit vond hij een uitweg naar
buiten en kwam natuurlijk in de diepe trekvaart terecht. De politie waagde het
niet hem langs denzelfden en ongewonen weg te volgen en de schuit met het paard
er voor was niet voldoende vlug te stoppen om gelegenheid te geven direct weer
de hand op den stouten vluchteling te leggen. Doch S c h u l z, mogelijk
vertrouwend op zijne zwemkunst, had buiten de boeien gerekend, waarmee zijne,
handen waren vastgeklonken. Hij bleek machteloos en wel keerde terstond de
schuit terug om te helpen en staken hulpvaardigen in bootjes van de walzijde hem
de reddende hand toe, doch.... te laat. De jongeling verdronk, ver van zijn
vaderland, als misdadiger!
Of er deernis was bij de menigte, toen zijn lijk een oogenblik later werd
opgehaald, wie zal het zeggen? Zeker is, dat de meest beruchte van het zestal
ontvluchten, de 28-jarige Amsterdammer J o h a n K o e n r a a d v a n S c h e n k, een moordenaar, zoo diep bewogen
bleek met het lot van zijn trouwen makker in 't lief en leed der laatste dagen,
dat hij schreide als een kind.
„'t W a s m ij n v r i e n d", sprak hij meewarig en aangedaan.
Weinig, zeer weinig had het gescheeld of S c h u l z zou zijne vrijheid opnieuw
hebben veroverd door zijn wanhopigen moed.
Toen het lijk in de schuit werd opgehaald, bleek het dat de drenkeling zijne
boeien reeds had verbroken en dus de armen vrij had, om naar den wal te zwemmen;
doch uitgeput als hij was, faalde, het hem aan kracht, om den dood te ontkomen.
Ook zou het twijfelachtig genoemd mogen worden, indien het den zwaar vermoeiden
man al gelukt was de overzijde der vaart te bereiken, of hij dan in staat
geweest zou zijn, in zijn natte plunje, zijn vele vervolgers met eenige kans op
succes te kunnen ontloopen. 't Kon slechts uitstel van executie zijn..
Evenwel het was een nieuw stukje van bravour en handigheid en als het niet
betrof een uit den aard der zaak met alle beschikbare krachten te verhinderen
daad, zoo ware een andere en betere uitslag meer verdiend geweest.
***
Men kan zich voorstellen hoeveel volks er in de stad te hoop liep, toen het de
aanhouding van het drietal reeds bij geruchte had vernomen en ook van het
verdrinken kennis had gekregen. Op de hoofden, zoo gezegd, kon men loopen, toen
de trekschuit te L e e u w a r d e n arriveerde met haren zeldzamen „last". En
op de straten naar de gevangenis stond het overal vol nieuwsgierigen om de
ongelukkige „helden" te zien.
Aan de G r a c h t s w a 1 tegenover de gevangenis, waar een pont voor de
overvaart ligt, werd het gedrang van menschen, die naar de zijde der gevangenis
wilden overgezet worden, zoo groot, dat de pont van wal ging met een klein
dertig personen; op het midden van de gracht gekomen, zonk de schuit met haar
overlast. Alle opvarenden gingen naar de diepte en op het angstgeroep, dat luide
gehoord werd, verschenen ijlings booten en schepen en menschen met
reddingsmiddelen, doch hoe snel gehandeld werd en hoe hulpvaardig allen zich
betoonden, bij een der opgehaalde drenkelingen bleken de levensgeesten reeds
geweken. Het was een veertienjarige knaap, een zoon van den slager D e V. Twee
vrouwen bleken bewusteloos, doch kwamen gelukkig nog weder bij, terwijl de
vrees algemeen bleef, dat er meerderen zouden zijn omgekomen, doch geen
slachtoffers werden er later meer gevonden. Welk een veelbewogen dag! En toen
het avond en reeds laat geworden was, bereikte nog deze extra tijding de stad,
dat ook S p e l l e k e n s, een der hoofdpersonen van de ontvluchting, in de
nabijheid van B u i t e n p o s t in zijn kamp voor,de vrijheid zich had moeten
overgeven.
Op reis naar zijn Vaderland en reeds van kleeding verwisseld, waagde hij het,
zich op den weg te vertoonen. Een veldwachter merkte hem op, en zijn taal reeds
tegen hem getuigende, werd hij terstond in boeien geslagen en nog denzelfden
avond naar de gevangenis getransporteerd, waar hij dien nacht weder rustte met
zijne makkers onder hetzelfde dak, dat zij met zooveel moeite en gevaar den
Zondagnacht te voren hadden weten te ontvluchten. Hoe weinig baat, voor zoo
stoute daad!Hoewel er niet meer te vreezen viel van de ontvluchten, bleken de
gemoederen nog niet overal gekalmeerd te zijn en met verdubbelde waakzaamheid
betrokken de schildwachten hunne posten. Als 't kalf verdronken is, dempt men
den put. Het was alsof S p e l l e k e n s en de zijnen elk oogenblik van den
nacht weder zouden uitbreken. Onder dien indruk stond de schildwacht met
scherper instructies van zijn commandant dan te voren in 't nachtelijk uur te
staren naar de getraliede vensters. En waarlijk niet te vergeefs. In den nacht
van Donderdag op Vrijdag kwam er al weder onraad! De klokken hadden middernacht
aangekondigd en omstreeks halfeen vertoonde zich iemand in het donker van de
hooge muren der gevangenis. 't Was binnen de gracht en de houding der
verschijning zoo verdacht, dat de schildwacht het noodig oordeelde zijn geweer
te richten met een „W e r d a !"
Geen antwoord.
Luider klonk het nu „W e r d a !" en vuriger werd de moedige soldaat.
De vluchteling zweeg, maar weigerde ook maar ééne schrede te wijken. Nog éénmaal
het wachtwoord gesproken als laatste waarschuwing en het schot moet vallen.
Donderend klinkt het nu ten derde en leste male W e r d a!!! De trekker wordt
overgehaald en geen „goed volk!" wordt er gehoord, maar de uitbreker waagt het
zelfs stoutmoedig nader te komen, zonder eenig geluid te geven.
P i e f ! P a f ! klinkt het in de nachtelijke stilte en de, van plichtbesef
vervulde zoon van M a r s ziet het slachtoffer vallen: doodelijk verwond.
Al de wachten in en buiten de gevangenis, hevig verschrikt, snellen op het
hooren van den knal ter hulpe en ieder hunner is overtuigd dat er weder een
ontvluchting valt te constateeren, waarbij hunne assistentie dringend geëischt
wordt.
De ongelukkige is reeds gevallen en de ter hulp gesnelde bewakers konden niet
anders dan den dood constateeren, niet van een S c h e 1 1 e k e n s, v a n S c h e n k of S c h a f s t a l, maar van een....
ezel, toebehoorende aan den.... commandant van het tuchthuis, den hoogsten
gezagvoerder, wiens zwakke tucht op deze komische wijze nog eens aan de kaak en
in 't volle licht zou worden gesteld.
De ongelukkige ezel, aangeschaft door den commandant voor uitspanning zijner
kinderen, werd meer beklaagd, dan zijn meester, die hem op zulk gevaarlijk
terrein bij nacht had laten wandelen, althans op zijne rekening werd gesteld,
dat het onnoozele dier uit zijn stal had kunnen breken en dit met zijn leven had
moeten boeten.
***
De vluchtelingen werden einde Juli wegens hun stout bedrijf ieder veroordeeld
tot 6 maanden gevangenisstraf. De eisch luidde 1 jaar en 6 maanden. En voor de
schuldigen aan de inbraak bij B o t t e m a te R o o d k e r k - een dezer was verdronken - werd door het
Prov. Hof tegen de drie anderen geëischt een gevangenisstraf van 5 tot 20 jaren.
't Vonnis luidde: zes jaar voor ieder, te ondergaan na het eindigen van den
tegenwoordigen straftijd. Deze bedroeg voor twee hunner, nog ongeveer vijftien
en voor den derde bijna zes en twintig jaren.
***
Geconstateerd werd bij de behandeling der zaak, dat het personeel voor de
bewaking der gevangenis te klein bleek te zijn. Wij kunnen dit niet beoordeelen, al heeft het al den schijn; wel leert deze
geschiedenis, dat honderd duizend nachten bewakens en meer, slechts aan één -
zegge één doodonschuldigen ezel het leven heeft gekost; Dat is al.
Hoe schraal een loon voor zooveel dienst!
Aangemoedigd door het welslagen der eerste ontvluchting, begonnen de
gerenommeerde uitbrekers van stonden aan te werken aan een nieuw plan om uit den
kerker te ontsnappen.
Weder werd er garen verzameld en van dat garen weer een touw vervaardigd, dat
allengskens de vereischte lengte kreeg, om als vroeger dienst te doen bij het
dalen en overtrekken van de gracht.
Behalve touw had men ook de noodige werktuigen weten te „naasten". Al deze
reisbenoodigheden werden zorgvuldig in de cellen verborgen; geen der bewakers
koesterde een kwaad vermoeden, niemand hunner had ook maar het minste gemerkt
van alle deze voorbereidende werkzaamheden.
't Was in de maand October, nog vroeg in den avond. Binnen de muren der
gevangenis was het rustig en stil, al de gevangenen waren reeds naar de
slaapzalen geleid; acht uur sloeg de klok.
Op eene dier zalen heerschte een stille bedrijvigheid. Veertien boosdoeners
zaten daar opgesloten in ijzeren kooien achter zware sluitingen. Onder dezen de
bekende S p e l t e k e n s en S c h a f s t a 1, ons van vroeger bekend. Zij
sliepen niet, al hadden ze daarvan den schijn aangenomen en slaagden er weder in
ongemerkt hunne cellen te verbreken.
Eenmaal vrij, boden ze hun makkers de behulpzame hand.
't Gelukte hun ook eenigen dezer te bevrijden en zoo stond er dra een vrij groot
gezelschap drieste waaghalzen tot vertrek gereed.
Zij zwoeren elkaar trouw in nood en dood!
En hunne ongelukkige lotgenooten, wier kooien men niet had kunnen verbreken en
die dus achter moesten blijven, pleegden geen verraad. Zij bleven zwijgen als
het graf, toen hunne makkers de slaapzaal reeds hadden verlaten.
De werktuigen in 't bezit van dezen bewezen goede diensten. Met veel beleid en
omzichtigheid slaagden ze er in het nieuwe gebouw te bereiken. Zij hoopten daar
burgerkleeding te zullen vinden, ten einde daarmee hun „kennelijk" gevangentenue
te kunnen verwisselen.
Het kleed maakt den man; andere kleeding, dit had de vroegere ontvluchting hun
geleerd, was eerste vereischte voor een gewenscht succes.
Behoedzaam bezig hun doel te bereiken, hoorden ze plotseling het gedruisch van
naderende voetstappen en was goede raad duur.
Een bewaker scheen eenig gerucht te hebben gehoord, en zich spoedende naar de
slaapzaal van S p e 1 1 e k e n s c.s., vond hij daar eenige cellen ledig. Er volgde een
signaal, er daagde assistentie en in 't zelfde oogenblik had men de
vluchtelingen gevolgd en.... gevonden. Geen uitkomst ziende, gaven allen zich
over. Zij werden niet naar hunne cellen teruggebracht, maar nu mede tot straf
opgesloten in onderaardsche cellen, waar ontvluchten onmogelijk mocht worden
geacht. De uitkomst nochtans zou het anders leeren. In de enge kelderruimte voelden ze zich nog veel minder thuis dan boven en maar
kort duurde het, of het scherpzinnig brein van een S p e 1 1 e k e n s had al weder een nieuw ontwerp tot ontvluchting gereed, dat
eenstemmig goedgekeurd werd door zijne makkers, die in het geheim werden
betrokken.
S c h a f s t a 1 zien we weder optreden naast zijn ouden makker en in 't
complot waren mede opgenomen de 41-jarige J a n S e i p en de 50-jarige H u i b
e r t v a n d e n A s s e m, de laatste metselaar van beroep.
Als hadden de jongeren den raad der ouden gezocht om beter dan vroeger te zullen
slagen. Of het toeval of opzet mocht heeten, dat evenals bij de eerste zoo
welgeslaagde ontvluchting weder zes personen in 't geheime bondgenootschap
werden opgenomen, wagen we niet, te beslissen. Feit is, dat de uitval verijdeld
werd en mislukte, toen een grooter getal daaraan deelnam. Ervaring is de beste
leermeesteres.
Het weloverwogen ontwerp van ontvluchting, gelijk ons later zal blijken, was
stouter nog opgezet, dan het eerste over de daken, doch voor we dit in
bizonderheden mededeelen, dienen we eene gebeurtenis te vermelden in dezen van
bizonder belang.
Commandant, bewakers, militaire wacht en wie er verder zoo al in aanmerking
mochten komen als verantwoordelijke personen in dienst van veiligheid en vrêe,
waren éénparig zeker in hun oordeel, dat er voor ontvluchting geen vrees meer
kon bestaan, na de genomen maatregelen, sedert eenige dagen van kracht. Ten
overvloede evenwel kwam er bericht uit 's-Hage, dat er eene inspectie zou volgen
van Z.Ex. den Minister van Justitie, in Hoogstdeszelfs eigen persoon, vergezeld
van den Inspecteur der gevangenissen in Nederland. Men wilde tegen elken prijs
zekerheid.
Zoo werden dan op Vrijdag 23 October de gevangenen te L e e u w a r d e n
vereerd met een bezoek van Z.Ex. M r. - v a n L i 1 a a r, vergezeld van den
Inspecteur Mr. E s t o r p h i u s G r e v e l i n k. Over de herhaalde
ontvluchtingen moest aan deze hooggeplaatste Heeren opheldering worden gegeven.
Aanwijzing in loco van heel de toedracht werd hun gedaan. en vervolgens daalde
men af in de laagte, naar de onderaardsche verblijven, waar S p e 11 e k e n s
c.s. zaten opgesloten.
De hooge Heeren inspecteerden in hoogst eigen persoon deze kelders en moesten
getuigen: daar zitten ze veilig geborgen! Van hier is uitbreken niet mogelijk!
Voor ontvluchting behoefde er nu geen vrees meer te bestaan, te meer niet wijl
het getal bewakers met eenige personen vermeerderd en 't getal schildwachten
meer dan verdubbeld was geworden.
Het Hoofd van Justitie met hoogstdeszelfs deskundigen dienaar vertrokken
denzelfden middag na de inspectie van het tuchthuis weder naar de Residentie. En
de holbewoners der gevangenis?
Hoe die zich te moede gevoelden?
Wat zij zeiden, dachten en deden?
Wat zij hadden k u n n e n doen, was dit:
Twee dagen na het hooge bezoek hadden ze bij Zijne Excellentie den Minister van
Justitie te 's-Hage op audiëntie kunnen gaan en zeker zouden ze dit hebben
vertoond, had er kans bestaan dat het rooverstukje als tooverstukje ware beloond
geworden met de vrijheid.
Een goed etmaal toch na 't vertrek van Z.Ex. en den Inspecteur bleken ook de
gevangenen te zijn vertrokken. Men vond hunne cellen ledig.
Hoe was dat mogelijk!
Ja, die uitroep van verbazing is ten volle gewettigd.
Op het oogenblik van de inspectie der Haagsche Mrs. hadden de Mrs. uitbrekers
hunne geheime wegen al zoo goed als gereed, waarlangs ze opnieuw de vrijheid
hoopten te vinden.
Tal van nachten hadden ze met ijver aan die wegen gewerkt en wie daarbij
uitstekende diensten zal hebben bewezen, dat was de metselaar H u i b e r t v a n d e n A s s e m; was men bij de vorige ontvluchtingen gegaan
door de getraliede sluitingen, ditmaal zocht men een uitweg door den grond, door
loopgraven onder de fondamenten der muren door.
Het eischte een goed beleid den onderaardschen gang zoo te graven, dat men op
een geschikt punt weder boven zou komen. Naar de zijde van de gracht of ook ter
plaatse waar een schildwacht op en neer wandelde, zou het een kwaad begonnen
werk worden, zonder eenig uitzicht op verlossing.
Gekozen werd de richting naar het oude Blokhuisplein, omringd door hooge muren.
Op dit plein kwam het zestal behouden aan, nog vrij vroeg in den avond en men
had dus den ganschen nacht voor zich, om met behoedzaamheid en zonder
overhaasting verder te gaan. Het door hooge muren omringde plein schijnt
oppervlakkig geen geschikt punt te zijn geweest voor de ontvluchters, toch bleek
dit punt met overleg zeer goed gekozen te zijn.
Eerstens had men hier geen schildwacht te vreezen en in de tweede plaats moest
hier een slag worden geslagen van groot gewicht. Een brutale inbraak moest aan
de uitbraak voorafgaan.
Aan het Blokhuisplein grensde een gebouw, waarvan men wist dat daarin geborgen
waren diverse kleedingstukken. Het was om zoo te zeggen een magazijn van „gemaakte
kleederen", waar ieder zijn gading zou kunnen vinden om pasklaar de wijde wereld
in te gaan, zonder op het eerste oog voor een ontvlucht boosdoener te worden
aangezien.
Behendig en taktvol had men dra door verbreking een doorgang gekregen en ieder
daar een passend stel kleederen uitgezocht en aangetrokken, S p e 11 e k e n s o.a. dat van een gewezen catechiseermeester, en zoo toog men
terug naar het plein.
Het magazijn dat hun zoo goed had geholpen, grensde aan de woning van den
Commandant, die zeker dien nacht niet gedroomd zal hebben, dat Speltekens c.s.
zich in zijne onmiddellijke nabijheid bevonden en hem wel leelijk in zijn slaap
hadden kunnen verrassen.
De opperste bewaker bleef doorslapen en de waakzame uitbrekers in onverdachte
burgerkleeding, richtten hunne oogen naar boven, om op en over de daken der
gevangenis te geraken.
Hoe tegen die steile muren opgekomen? En hoe dan verder?
Wat verricht was, hoe stout en hoe welgeslaagd, was nog maar een begin van al
wat noodwendig volgen moest voor de vrijheid in zicht kon heeten. Men zat nog immer gevangen. Een van het zestal gevoelde zich reeds bevreesd voor de operatie naar boven, hij
gaf zijn makkers te kennen, dat hij het waagstuk niet aandurfde en wenschte
terug te keeren.
Men kon hem niet overhalen en nadat hij zijne vrienden op hals en keel had
gezworen, geen verraad te zullen plegen en eerst terug zou keeren door de
loopgraven naar zijn cel, als zij goed en wel in veiligheid zouden zijn, liet
men hem begaan.
Hij moest zich verbinden, op het plein te blijven, wijl zijn terugkeer anders
allicht slapende honden had kunnen doen ontwaken.
De achterblijver hield woord, hij zag zijn vrienden de hoogte ingaan en
successievelijk verdwijnen over de daken. Hoe ze boven zijn gekomen is voor ons
een raadsel gebleven en van de daling vinden we enkel vermeld „dat ze zich op de
eene of andere wijze naar beneden hebben laten zakken".
Dat zal waar zijn en ongelooflijk waar zijn de feiten, dat de vluchtelingen twee
schildwachten op hun weg moesten ontmoeten, wier kruit en lood onvervaard werd
getrotseerd.
De eerste bewaakte een der pleinen binnen de gracht; hij zag het vijftal naderen,
dat volstrekt geen ongewone haast maakte. Scherper richtte hij zijn blik in 't
rosse licht der lantaarns naar de ongewone wandelaars in 't nachtelijk uur, doch
hun voorkomen en doen bleek hem gansch gewoon, te zijn. Het bleken, naderbij
gekomen, netgekleede burgers en hij dacht niet anders dan aan Heeren, met het
toezicht belast, die zeer prijzenswaardig ook 's nachts eens een onverwacht
kijkje waren komen nemen of alles wel in den haak en ieder op zijn post zou zijn.
De argelooze en verschalkte schildwacht liet het vijftal alzoo ongemoeid
passeeren.
Waartoe het W e r d a ! geroepen, dat nog zoo kort geleden een ongelukkigen ezel
het leven had gekost en zooveel aanleiding had gegeven tot spot, buiten de muren
der gevangenis?
Een loos alarm zou ook nu weer aan geroutineerde spotvogels rijke stof hebben
geleverd, reden waarom hij had gezwegen.
Had hij wijs gedaan?
Deswege ter verantwoording geroepen, nadat de vogels weer gevlogen bleken te
zijn, werden er wel geen termen gevonden zijne houding eervol te vermelden, maar
evenmin vond men gronden, waarop eene veroordeeling kon volgen.
Hij werd mitsdien vrijgesproken.
Wat hem overkwam, had de beste kunnen overkomen. Wie kon denken aan ontvluchte
gevangenen, in fatsoenlijke burgerkleeding?
Den tweeden schildwacht, die in 't nachtelijk spookuur het gevaarlijke vijftal
had gehoord en gezien, wachtte zwaarder proces.
't Was een zeer jong soldaat, die weinige maanden geleden het vreedzame
platteland had moeten verwisselen met het garnizoen in de stad en op zijne beurt
ook de wacht bij de gevangenis moest betrekken.
De ijselijkste verhalen van de herhaalde malen ontvluchte dieven, brandstichters
en moordenaars werkten nog op zijne verbeelding, als hij daar stond te
schilderen bij het hooge gebouw met zijn getraliede vensters, herbergende over
de zeshonderd boosdoeners, waarvan er elk oogenblik een of meer naar beneden
konden komen.
Wat zou hij doen, wanneer het toeval eens wilde, dat er iets kwam? Hij wilde er
maar liever niet aan denken en telde zijn schreden op en neer, opdat de bange
uren toch maar wat sneller mochten voorbijgaan.
't Geladen geweer, dat hij droeg zoo 't behoorde, had hem nog tot geen held
gemaakt.
Zijn post was naar de zijde van de Gracht, niet de meest gewenschte in zijn oog,
want juist daar ter plaatse hadden de uitbrekers vaker een uitweg gevonden;
daarom zeker zou men hier een wacht hebben geplaatst om dat te beletten.
Hij hoort iets; zooals hem geleerd is, slaat hij beide handen aan het geweer;
hij zal het richten, „werda" roepen, „werda" roepen, hij zal vuur geven....
Hij luistert met ingehouden adem en ziet op hetzelfde oogenblik in de schemering
eenige gestalten, schijnbaar van mannen. Zij naderen; ja het zijn helaas de
gevreesden, de uitbrekers van de gevaarlijkste soort; hij telt er eenigen in
getal; de moed, die hem bezielde zoolang er geen gevaar was en hij slechts eenig
gerucht had gehoord, zakt hem in de schoenen, nu de vijand zich werkelijk
vertoont.
Hij brengt zijn geweer weer in rust en oordeelt het voor 't behoud van zijn
eigen leven het veiligst om maar te doen alsof hij hen niet ziet.
Hij had er minstens vijf geteld, wat zal hij alleen uitrichten tegen zulk een
overmacht!
't Was geen partij, gesteld dat hij er al een had neergeschoten en dat zou een
treffer zijn, ongeoefend schutter als hij nog was, dan bleven er toch nog vier
over, om hem zijn heldendaad betaald te kunnen zetten. Ja, voor hij tot driemaal
toe het W e r d a of wachtwoord had kunnen laten hooren, zouden ze vrij zeker
hem al te pakken hebben gehad en mogelijk wel voor goed onschadelijk hebben
gemaakt.
De soldaat dacht als „'t w y f k e d a t y n 'e b r á n n e t t e l s s i e t: h o s t i l d e r, h o b e t t e r!"
Maar de Heeren van den Gerechte dachten er anders over, zij oordeelden, dat de
soldaatschildwacht zich aan verregaand plichtverzuim had schuldig gemaakt. Op
staanden voet werd hij ingerekend en in militair arrest gesteld.
***
Keeren we nu terug naar de vluchtelingen. 't Was nog maar even middernacht toen ze de laatste schildwacht passeerden en op
de openbare straat van L e e u w a r d e n verschenen.
Allen waren vrij en ieder voor zich had een weg te kiezen, dien hij 't veiligst
oordeelde om buiten het bereik van justitie en politie te blijven. Gelukkig
hadden ze een geheelen nacht voor den boeg. Daarbij waren de nachten langer en
was er minder volk op de been, dan vroeger. Daar stond tegenover, dat een bivak
in bosch of open veld midszomer een niet zoo sterke schaduwzijde had, als in
den guren herfst. Wel was men nu beter gekleed, maar geld of voedsel moest
worden gevonden.
Doch daarover waren de meesten minder bekommerd. Eerstens boden sommige boomen
nog vruchten en een inbraak was geen heksentoer voor specialiteiten in dit
bedrijf. Vol goeden moed scheidden de bondgenooten met een „behouden reis".
De meesten maakten zich zoo snel mogelijk uit de voeten en zetten weder koers
naar het Oosten waar S p e l l e k e n s en S c h a f s t a l met de terreinen
bekend waren. Een enkele dacht er anders over en redeneerde in zijn eigen, dat
het 't wijst zou wezen stilletjes in L e e u w a r d e n te blijven.
Allerminst zou men daar „vluchtelingen" uit de gevangenis gaan zoeken. Hierin
had hij niet kwaad gezien. Zaterdagnacht vrij gekomen, bewoog hij zich den Zondag daaraanvolgende onder de
menigte langs de straten, zonder opgemerkt te worden.
***
Eerst in den morgen was de uitbraak ter kennisse gekomen van de Justitie en heel
de stad kwam in beroering bij 't hooren van dit noodlottige nieuws.
En naar buiten, waarheen de mare zich verspreidde als een loopend vuurtje, sloeg
velen plattelandsbewoners de schrik om het hart.
Niet alleen togen overal de gemeente en rijksveldwachters het veld in op
verkenning en hielp de burgerij ijverig mee om de gevaarlijke sujetten op te
sporen, maar zelfs werden er schutters onder de wapenen geroepen en togen jagers
de bosschen in, om mee te helpen.
In één dag was een groot deel van F r i e s l a n d in rep en roer, doch de
avond viel, zonder dat men ook maar het minste spoor van een der vluchtelingen
had kunnen ontdekken. Er was te veel tijd verloopen tusschen de uitbraak en de
ontdekking er van. Het was ditmaal een zoeken gansch in den blinde en uit alle
windstreken kwamen tijdingen, dat men de vluchtelingen m e e n d e gezien te
hebben.
***
In den laten avond van Zondag kreeg men toch nog eenig licht. V a n d e n A s s e m, de metselaar zonder een cent op zak, gevoelde maar al te
zeer dat een hongerende vrijheid niet van langen duur kon blijven. Hij moest op
de een of andere wijze voedsel zien te vinden, vóór de nacht viel, want inbreken
zou bezwaarlijk gaan, nu er scherper gewaakt werd en ieder op zijn hoede zou
zijn. Hij oordeelde het 't verstandigst om een aalmoes te vragen bij een der
Roomsch Katholieke Geestelijken in de stad. Veler oogen konden daar niet op hem
gericht worden. Zoo klopte hij aan in de,S p e e 1 m a n s s t r a a t; of hem
al of niet gegeven werd is ons niet bekend geworden, wèl had de politie dra
kennis gekregen, dat er zich een bedelaar had vertoond en nu duurde het maar
kort of deze was opgespoord. Opgebracht bleek, dat men een der vurig gezochte
uitbrekers had teruggevonden; van zijn makkers nochtans wist hij geen
ophelderingen te geven.
Zoo viel de nacht, en overal inbraak vreezende, bleef menigeen op de been,
vooral in de Wouden. Doch niet alleen hier, maar ook in andere oorden van F r i
e s 1 a n d verkeerden de menschen in zenuwachtige spanning. Kenschetsend in dit
opzicht is een railleerend schrijven uit de goede stad B o 1 s w a r d en
daarnaar gerekend moet het ten plattelande en op de ruimte al treurig gesteld
zijn geweest, wat betreft de angst, die veler hart had bevangen.
BOLSWARD, 26 Oct. 1868.
Beste vriend!
Ik haast mij U te berichten, dat wij er allen heelhuids zijn afgekomen; niemand
in de geheele stad is vermoord, gewurgd of geplunderd, dank zij de energieke
maatregelen van overheidswege genomen!! Toen in den loop van den Zondag de
jobstijding kwam dat er niet minder dan 5 boosdoeners uit de L e e u w a r d e r
gevangenis waren uitgebroken, die telegraafdraden hadden afgesneden en zich in
burgerkleeding hadden gestoken, heerschte er eene algemeene ontsteltenis, te
meer daar er geruchten gingen, dat zich verdachte tronies in de nabijheid der
stad hadden laten zien.
De zaak werd bedenkelijk en de nacht was op handen, het was niet onmogelijk, dat
alle die 5 boosdoeners regelrecht op het oude B o 1 s w a r d kwamen aanrukken en dan hoe verschrikkelijk konden niet de
gevolgen zijn!
Goede raad was duur, maar men nam groote en afdoende voorzorgsmaatregelen, men
liet het niet aankomen op den bejaarden commissaris, de 3 agenten, nachtwakers
en stille wachters, maar om op alles voorbereid te zijn, deed men een gedeelte
der stedelijke schutterij onder de wapenen komen, en den geheelen nacht door,
aan elk der voormalige stadspoorten, 4 goed gewapende schutters plaatsen, die
geregeld om het uur werden afgelost, hetwelk te meer noodzakelijk was, uithoofde
van den aanhoudenden regen, en aldus is men er in geslaagd de boosdoeners buiten
de stad te keeren, hun ontzag in te boezemen en niet één onzer goede ingezetenen
is eenig leed geschied.
Ik kan u niet met eenige zekerheid zeggen of deze voorzorgsmaatregelen dezen
avond weder zullen worden toegepast; indien de voortvluchtigen er den reuk van
krijgen hoe goed men hier op zijnhoede is, zullen zij zich nog wel eens bedenken
voor en aleer zij beproeven, onze goede stad stormenderhand in te nemen.
Intusschen is het te hopen, dat de boosdoeners spoedig weder worden ingepakt,
want de samenloop van zoovele menschen, gelijk Zondagavond, stoort ons in de
gewone ruste en die soort van staat van beleg kan ook niet voortduren, vooral
wanneer de schutters het minder aangenaam mochten vinden het werk van de
politie te doen. Tot later.
GIJSBERT.
Zelfs kwamen er tijdingen, als klachten gepubliceerd, dat er op niets kwaads
vermoedende personen, die zich in 't veld bevonden, was geschoten, door mannen,
die volijverig deelnamen aan de jacht op de vluchtelingen en niet vertrouwd
bleken met het schietgeweer. Wie maar eenigszins verdachte teekenen had in zijn
voorkomen of doen, werd aangehouden en als vreemdeling kon men zich niet overal
veilig vertoonen, zoo sterk was de spanning bij sommigen, die zoekende waren
naar de als onmenschen afgeschilderde boosdoeners.
Als gezegd, werd des Zondagsnachts een gewapende macht op de been gehouden; de
uitbrekers m o e s t e n zich wel vertoonen, om aan voedsel te komen, zoo dacht
men en daarin had men goed gezien.
Onder het dorp K o o t e n werden even na klokke twaalf twee personen opgemerkt,
die er niet thuis behoorden; het waren kennelijk vreemdelingen en dit was
voldoende reden om er de politie direct mede in ken nis te stellen. Wat vreemd
was, was ook verdacht, in zonderheid op zulk een ongewoon uur.
Twee burgers hadden de mannen gezien en met behulp van de gewapende macht keerde
men dra terug om te weten of het mogelijk vluchtelingen zouden zijn. Inderdaad
kwam men het tweetal weder op het spoor.
Maar hoe ze te naderen zonder opgemerkt te worden? Bij 't minste gerucht zouden
ze het hazenpad kiezen en dra uit het oog verdwenen zijn. Met veel overleg werd
gehandeld. Dit had men voor op de vreemdelingen, dat men beter bekend was met
terrein en wegen.
De operatie gelukte in zoover, dat van het tweetal één in de fuik liep. Het was
de 27-jarige K 1 o k k e r s, die vluchtende gevat werd.
Hij bevond zich in gezelschap van S c h a f s t a 1, een der oude bekenden, die
ook nu weder zijne vervolgers wist te ontkomen.
't Voorgenomen plan een inbraak te plegen, was hierdoor verijdeld geworden.
Nog denzelfden nacht werd K l o k k e r s als een, kostbare vangst naar de
hoofdstad getransporteerd, waar hij met open armen werd ontvangen en met
blijdschap begroet. Welkom was hier tevens de tijding dat men S c h a f s t a 1
gezien had, van wien men nu wist dat hij zich ophield in de buurt van K o o t e
n.
Onder de leiding van het hoofd der gemeente werd 's anderen daags al heel vroeg
een verkenningstocht georganiseerd, bosschen en velden werden afgejaagd tot men
onder K o o t s t e r t i 11 e gekomen den zwerveling in het oog kreeg en hem
van alle kanten nazette en in 't nauw wist te brengen.
Vele honden zijn der hazen dood.
S c h a f s t a 1, hoewel zijn uiterste krachten beproevend om nog te ontkomen,
moest zich ten slotte overgeven. Hij ging den weg naar 't Blokhuis.
Van S p e l l e k e n s en S e i p wist men nog weinig. Enkel was er
Maandagavond tijding bij de Justitie gekomen, dat ze op den weg naar H e e r e
n v e e n zouden gezien zijn.
Dit was niet meer dan een bloot vermoeden. Intusschen had men de militaire
wachten rond de gevangenis versterkt.
Door den honger gedrongen, klopten S p e 11 e k e n s en S e i p in den laten
avond aan bij „á 1 d e L u t s k e", wonende in een klein huisje aan den zandweg
van V e e n k l o o s t e r en K o 1 1 u m. Het goede mensch gaf hun een
kleinigheid en dankbaar voor de luttele gave, gingen ze goedwillig heen.
't Ruwe herfstweder noodzaakte beide vluchtelingen vervolgens een onderdak te
gaan zoeken. Zij vonden dit te Buitenpost, onder den houtzaagmolen aan de vaart,
doch toen 's morgens al heel in de vroegte de molen reeds werd ingespannen en in
beweging gebracht, schrikten ze op uit hun slaap en kozen het hazenpad.
De knecht, die op de zwikstelling vrij uitzicht had, merkte de vluchtende
logeergasten en zag, dat ze den weg insloegen naar A u g u s t i n u s g a.
Hij maakte terstond gewag van zijne bevinding en spoedig kwam zijne ontdekking
ter kennis van de bevoegde macht.
Onder aanvoering van den Burgemeester in eigen persoon, trok eene verbazend
groote en steeds aangroeiende menigte te velde.
25 gulden belooning werd uitgeloofd door den Burgervader, aan hem, dien het
mocht gelukken een vluchteling te arresteeren. Er was alzoo 50 gulden te winnen
dien dag.
Gewapend met knuppels, schoppen en vorken ging het er met man en macht op los.
Sommigen zetten zich ter paarde om meer kans te hebben op het behalen van de
uitgeloofde premiën.
De vluchtelingen, dra bemerkende wat er gaande was, zetten het op een loopen.
Dit toonde reeds genoegzaam aan, dat het de beide gezochte uitbrekers moesten
zijn, hoewel ook grappenmakers hier en daar die kunst vertoonden en zoo loos
alarm wisten te verwekken.
S e i p, de filestijner, 'zooals men hem noemde, groot en zwaar gebouwd als hij
was, was minder vlug ter been dan zijn vriend S p e 11 e k e n s, een tenger
manneke, zwart van uitzicht, maar toch bleven ze bijeen, om desgewenscht
elkander bij te kunnen staan in de ure des gevaars.
't Werd een formeele jacht en de vluchtelingen deden als de hazen door een troep
windhonden achtervolgd; zij zetten koers naar de K o l l u m e r bosschen, in de
hoop daar nog een schuilplaats te zullen. vinden; doch de achtervolgers, die al
nader en nader kwamen, wisten hun den pas af te snijden; zij werden gedreven
over vlakke velden en door slooten in de richting van V e e n k l o o s t e r.
Eindelijk kwamen ze te staan voor het groote scheepsvaarwater van D o k k u m naar S t r o o b o s met den overmachtigen vijand op de hielen. Een
kort beraad, een goed beraad; beiden sprongen ze in de breede vaart en zwommen
die over. Verbluft stond het leger van jagers op zijn neus te kijken.
Geen hunner waagde zich in 't koele nat en de vluchtelingen kregen nu weer een
heelen voorsprong.
Over greide en bouw, door slooten en boschjes werd de tocht voortgezet. De
jagers hadden den weg over de brug moeten kiezen, wat niet belette dat ze de
vluchtelingen een tijdlang in 't oog konden houden, die eindelijk verdwenen in
de richting van V e e n k 1 o o s t e r. Drie burgemeesters waren
successievelijk op het appèl verschenen.
Uren in den omtrek toch was het groote nieuws der zeldzame jacht verbreid
geworden.
't Was in den middag, dat de landbouwer S m e d i n g, met ploegen op den akker
bezig, de vluchtelingen had zien passeeren, schuins over de bouw, en
onmiddellijk daarop volgden eenige jagers, waaronder M e l l e d e V r i e s, thans wonende op K o l l u m e r v a l l a a t. Hij
kwam S p e 11 e k e n s het dichtst op de hielen, maar hem aan te grijpen, al
was er f 25 op gesteld, dat mocht nog een waagstuk heeten.
Kon de boosdoener niet gewapend zijn en zou de zwaar veroordeelde in dit
hachelijk moment in zijn kamp voor de vrijheid niet het uiterste middel
beproeven en zelfs zijn leven wagen om zijn belager te ontkomen? Maar als D e V
r i e s hem niet aangreep, zouden anderen het doen, die onmiddellijk achter hem
aankwamen.
S p e 11 e k e n s zwenkte, keerde zich vierkant tegen zijn achtervolger en
greep in zijn buis als tastte hij naar een wapen, om zich te verweren. Doch hij
had geen wapen en moest zich dus wel overgeven.
Dit geschiedde en dra was hij overgeleverd aan de politie. Nu S e i p achtervolgd, de filestijner, die plotseling uit het oog verdwenen
was. Naar alle zijden gezocht, had M e l l e B o e r s m a, van B u i t e n p o s t, het geluk den dikke te vinden en te vatten. Hij lag in een
droge sloot, geheel onder de bladeren verstopt en onderscheidene zoekers, w.o.
ook M e 11 e d e V r i e s, waren hem rakelings gepasseerd.
In optocht trok men nu met de gevangenen naar het logement van de familie S m e
d i n g te V e e n k 1 o o s t e r, waar de prijsuitdeeling zou plaats hebben.
Het huis liep er vol, om de uitbrekers van nabij te aanschouwen.
Present onder de menigte was natuurlijk ook de burgemeester, die de premiën had
uitgeloofd.
Er ontstond verschil wie eigenlijk wel S p e 11 e k e n s het eerst had gevat.
Ook de knecht van den burgemeester maakte aanspraak op de premie. Besloten werd,
dat deze de f 25 met D e V r i e s moest deelen en zulks niettegenstaande de
uitspraak van S p e 11 e k e n s, geroepen als getuige in dezen, die sprak,
wijzende op D e V r i e s: dit is de man, die de f25 heeft verdiend!
Doch zijn uitspraak werd niet als geldig aanvaard en D e V r i e s is tot op
dezen dag nog verontwaardigd als hij spreekt over de dertiendehalve gulden, die
men hem bij deze gelegenheid heeft „ontkreaud". Hij zegt nu: „Ik zou het niet
weer wagen, wat ik toen deed, ook voor geen 50 gulden. Ik had er mijn leven best
bij kunnen inschieten", en daarin heeft hij niet zoo groot ongelijk.
In 't logement heerschte niettemin een feestelijke stemming en ter eere van den
burgervader zij gezegd, dat Z.E.A. de moedige gevangenen met eenige
onderscheiding behandelde. Hij gaf hun goed te eten en presenteerde hun zelfs
een sigaar.
Treffender nog sprak de menschlievendheid, toen in 't logement eten bezorgd werd
van buiten, van menschen, die de gevangenen niet kenden, doch met medelijden
begaan, hun op deze wijze geen bedachten.
Wijselijk zorgde de burgemeester, dat er met mate gegeten en gedronken werd door
de uitgehongerde mannen, die verklaarden, dat ze geleefd hadden van steenperen,
die nog aan de boomen te vinden waren en „r o u e b j e n n e n f e n d e s t o
e k e n"
Ooggetuigen roemen S p e 11 e k e n s als een innemend, vlug, welbespraakt
mannetje, beschaafd in zijn manieren; hij sprak tot de menigte in hartelijke
bewoordingen en dankte den burgemeester voor het goede, hun bewezen. Guitig
merkte hij daarbij op: „d a t h i j s p o e d i g h o o p t e t e r u g t e k e e r e n!" „Al ben ik
zwaar veroordeeld, ik ben geen bloedvergieter", ging hij voort. „Het kleed
waarin gij mij ziet is met bloed bevlekt, het is van een moordenaar, die
opgesloten zit, maar zoo slecht ben ik niet; bloeddorst is mij vreemd". In dien
trant sprak hij en geen wonder, dat zijn woorden den indruk maakten, te meer nog,
wijl hij het kleed droeg van een catechiseermeester, waarop hij de bijzondere
attentie vestigde, om menschen toch niet te beoordeelen naar het kleed, dat zij
dragen.
S e i p, de filestijner, werd minder gunstig beoordeeld. Deerniswaardig was
niettemin zijn toestand. Zijn handen waren geschaafd en bebloed, al zijn
vingers bleken ontveld en naar de oorzaak daarvan gevraagd, gaf hij ten antwoord,
dat hij die z w a r e z a r k e n h a d m o e t e n v e r w a r k e n" bij de uitbraak. S e i p was een Muntendammer, scheepsjager
van beroep, ruw en onverschillig in heel zijn doen.
Deze nochtans heeft zijn tijd uitgezeten en is weer op vrije voeten gekomen,
doch S p e 11 e k e n s is niet lang na de ontvluchting, allicht tengevolge van
de vermoeienis en de ontbering in 't open veld en zulks in den barren herfst,
ziek geworden en moet dra gestorven zijn.
Hij telde nauwelijks 26 jaren en had nog een straftijd van 12 jaren. Hoewel in R
h ij n 1 a n d geboren, was hij onze taal goed machtig.
S c h a f s t a 1 was uit W e e s p, oud 35 jaar en had nog 20 jaar straf te
ondergaan.
De verdronkene S c h u 1 z van B e r n, oud 30 jaar, zou met vijf jaar vrij zijn
gekomen.
V a n S c h e n k, de Amsterdammer, een moordenaar, en C h r. V e 1 d i n k, een
brandstichter, waren de zwaarst veroordeelden. De eene had nog bijna 30 en de
laatste 20 jaar straftijd te ondergaan. Op jeugdigen leeftijd betrad de laatste
den drempel der gevangenis. Wij lezen daaromtrent dato
October 1869.
„Daar woont lijden op deez' aarde, Leed, waarbij de wereld schertst; Daar zijn tranen, diep verholen, Die de ellende uit de oogen perst; Daar woont honger saam met de onschuld, Afgepijnd door 't ijzeren lot. Help daar mensch, wees daar een trooster, 't Is uw eerenaam bij God!"
Onder bovenstaand motto werven giften gevraagd voor den koopman M e ij e r H e i
m a n s, vroeger te G r o e n 1 o o, nu te D e v e n t e r. In 1860 brandden in
korten tijd in die stad 3 huizen tot den grond toe af en werden verschillende
pogingen tot brandstichting ontdekt en gelukkig in tijds te keer gegaan.
Openlijk werd er voor gehouden en beschuldigd bovengenoemde H e i m a n s, die
dan ook een maand lang van zijn vrijheid beroofd werd, terwijl in dien tijd
zijn zaken verliepen en ieder hem schuwde, 't welk hem noodzaakte van
woonplaats te veranderen. Eindelijk werd de ware schuldige ontdekt; de 17-jarige C h r i s t o f f e l V e ld i n k bleek de dader te zijn; hij was vroeger in
dienst geweest bij H e i m a n s. Zijn ouderlijk huis was ook door hem in brand
gestoken en nauwelijks hadden zijne ouders hun leven kunnen redden.
Nadat al de boosdoeners weder opgesloten waren, werd de militaire macht
versterkt met 1 korporaal en zes man, terwijl bovendien gedurende den nacht nog
1 sergeant, 2 korporaals en 10 man aan de wacht werden toegevoegd, ook om rondes
te doen.
De sterkte der wacht bedroeg toen zestig man. En 't getal bewakers 33, 't was
met zes vermeerderd.
***
Den 13 Nov. aanvolgende werd bij den Commandant der gevangenis de order
ontvangen om bij het minste teeken van insubordinatie den delinquent neder te
schieten en in de zitting der Tweede Kamer van 2 Dec. voerden achtereenvolgens
't woord over den onhoudbaren toestand der gevangenis te Leeuwarden de heeren D e R o o v a n A l d e r w e r e l t, V a n N a m e n, H i n g s t, V a n G o l s t e i n, Van B e ij m a t h o e K i n g m a, S t o r m v a n ’s-G
r a v e s a n d e en de Minister M r. v. L i L a a r.
De heer D e R o o wees er op hoe onder gewone ,omstandigheden en in eene plaats
van een rustige en kalme bevolking op eenmaal onrust en spanning waren ontstaan
bij de jongste gebeurtenissen in de gevangenis aldaar. Hij besprak den schrik en
de ontsteltenis in de naburige gemeenten, die zelfs zoo verre steeg, dat in ééne
gemeente de schutterij onder de wapenen werd geroepen.
Deze zaak - zei hij - is ernstiger dan men oppervlakkig zou meenen. Sedert de
doodstraf niet meer wordt toegepast, worden daar tal van boosdoeners gevonden,
die voor niets terugdeinzen en wellicht op dit oogenblik plannen beramen tot een
nieuwe ontvluchting.
Men vreesde zelfs te L e e u w a r d e n, dat zij de overige gevangenen ontslaan
en het gebouw in brand steken en allen zich een weg zouden banen door de stad en
verder, daarbuiten.
In een welgeordende, maatschappij is aan de uitvoering van een dergelijk plan
wel geen geloof te hechten, doch rustige, vreedzame burgers eener groote stad,
die in hun midden 600 misdadigers tellen, hebben er alle aanspraak op, dat de
tucht gehandhaafd blijft.
Anderen sloten zich daarbij aan en wezen op de verplaatsing naar W o e r d e n van den Commandant, wiens ezel het leven verloor.
De Minister antwoordde o. m„ dat vroeger voor 800 gevangenen 18 bewakers
voldoende waren geweest en voor 600 had men er nu reeds 33, zoodat hierin het
kwaad niet kon schuilen.
15 Dec. had de berechting plaats der ontvluchten. Op geen enkele der tot hen
gerichte vragen antwoordden zij, zij schenen er zich niet om te bekommeren, wat
met hen en om hen heen geschiedde, 't geen zich verklaren laat. „Zitten" moesten
ze toch.
De rechtbank veroordeelde hen ieder weder tot 6 maanden gevangenisstraf.
Een talrijk publiek woonde de terechtzitting bij. Dit is het einde der
geruchtmakende geschiedenis.
FR.
P.S. Men deelde ons nog mede, dat bij de inbraak te R o o d k e r k een der
boosdoeners, door het keldervenster te verbreken, naar binnen was gekomen. In
den kelder vond hij een luikje of schuifje, dat geopend werd om in de kamer te
komen. Doch hiervoor stond de wieg met een klein kind en daar boven vond men de
bedstede, waarop de man en vrouw des huizes sliepen, de laatste met het
wiegetouw om de hand gebonden. Behoedzaam wist de inbreker de wieg te
verschuiven en het touw los te maken, zonder dat de moeder het merkte, terwijl
ook de boer, tevens jager, gelukkig bleef doorslapen. Daarna liet hij zijn
makkers binnen, werd het kabinet opengebroken door het slot uit te snijden en
had de vroeger reeds vermelde diefstal plaats, die eerst des morgens door de
bewoners ontdekt werd. De hond, die andere nachten sliep op een stoel voor het
bed, zat dien nacht toevallig opgesloten in een hok. In de kamer stond een
geladen geweer, waarvan de inbrekers, gelijk ze later verklaarden, zich direct
meester hadden gemaakt.
Bron: privé bezit boekje, uitgeverij Hepkema uit Heerenveen.
Een schrijver wordt er niet genoemd, aan het einde van het verhaal wordt
gesigneerd met FR. De vermoedelijke uitgevers datum zal in 1918 zijn gezien het begin van het
verhaal over 50 jaar geleden.
|