|
Mijn Pake,
Wolter van der Berg; 29-06-1892 - 21-08-1967,
is van 1920 tot 1948 bewaarder geweest in de gevangenis te Leeuwarden.
Toen ik jong was vertelde mijn Pake mijn wel eens wat over het leven in de
gevangenis; ik heb hem toen gevraagd om die verhalen eens op papier te zetten om
zodoende te bewaren voor het nageslacht.
Op de wikkels van de NCRVgids heeft Pake met een potlood een aantal zaken
opgeschreven. Het is alleen jammer dat Pake dacht dat hij een boek moest
schrijven want hij begon heel vaak opnieuw om een betere toonzetting te krijgen.
(Mijn Pake was een perfectionist).
Na zijn overlijden heb ik al deze wikkels gelezen en de meest interessante
verhalen er uit gehaald.
Met vriendelijke groet,
Ruurd van der Berg
Dearsum
Een woord vooraf,
Op allerlei manieren zijn er boeken verschenen betreffende de criminaliteit. De
commissaris vertelt en Verteld verder enz. Ook is hier wel kritiek op gemaakt en
naar ik meen is er zelfs een boek waarin gezegd wordt: De commissaris kan me nog
meer vertellen. En ook is er een uitgave van meen ik van een Officier of Rechter,
over de klanten die onder de hamer doorgingen van het recht.
En ook is er een boek, of misschien wel meer van gevangenen. Maar van een
bewaarder is mij niet bekend dat er enig geschrift is verschenen. Nu is dat ook
niet zo verwonderlijk, want bij onze intrede in het gevangeniswezen werd van ons
een eed gevraagd, die behelsde dat er wat binnen de muren voorviel niet aan de
buitenwereld zou bekend worden.
Niet altijd woog dit zwaar op het personeel maar toch werd er terdege rekening
mee gehouden en zo doende bleef het voor de buitenwereld ook geheim wat er
tussen de muren voorviel.
Naar mijn mening heerst er over het algemeen een verkeerde gedachte over de tijd
toen het regiem hard en zwaar was. Men heeft het wel eens willen afschilderen
als onmenselijk. Maar dat er dingen zijn voorgevallen als de volgende bladzijden
gaan vertellen zal menigeen in het geheel niet willen geloven en toch berust
alles wat verder verteld wordt op de volle waarheid.
Misschien wel door de hardheid van ons beroep, zagen verscheidene van het
personeel toestanden die geholpen moesten worden om dragelijk te kunnen zijn. Er
worden zoveel mogelijk geen namen genoemd en de bijnamen zijn werkelijk echt. In
de verwachting dat deze stukjes we! gelezen zullen werden is mijn moeite beloond
en de gedachten aan de gevangenis van toen wat milder geworden.
Inleiding
Nu er de laatste tijd zoveel over het gevangeniswezen in de dagbladen verschijnt,
zowel wat betreft de bewoning als de bewoners, dacht het mij goed ook eens op
papier te zetten wat mijn belevenissen zijn geweest in die 28 jaren dat ik aan
een gevangenis verbonden ben geweest.
Mijn belangstelling gaat steeds uit naar hetgeen over gevangenissen en wat
daarmee samenvalt in de pers wordt vermeld. Het boekje de " DE OVERVAL" heb ik
dan ook met belangstelling gelezen. Dat niet alles wat naar waarheid is gebeurd
in die dagen op papier kan uitgedrukt worden is vanzelfsprekend. Nog meer is dit
het geval met het maken van een film.
En zo zijn er natuurlijk dingen of liever voorvallen die gebeurd zijn, niet aan
de openbaarheid worden prijsgegeven. Het benadrukt de volle waarheid daarom ten
dele. Ik hoop in de stukjes die ik mij voorgenomen heb te schrijven, de volle
waarheid te vermelden, ofschoon ik mij nu al voorstel, dat er heel wat
verstandige hoofden zullen schudden en zeggen dat kon in die tijd met zo'n
streng regiem niet zijn gebeurd.
En toch is het de volle waarheid, al zullen door mij geen namen worden genoemd,
alleen maar bijnamen en omdat het geschreven werkelijkheid is, ben ik niet bang
dat het niet aan het licht zal komen wat de schrijver van dit boekje bedoelt.
Niet dat ik meen dat de regering of liever het departement van justitie het in
deze tijd niet goed doet, maar meer om gebeurtenissen die werkelijk zijn
geschied in laten we zeggen, in een tijd die minder bewogenheid kende met
degenen die achter de tralies waren opgeborgen.
En ook om aan te tonen, dat in een gemeenschap die door het rechtsbewustzijn is
samengebracht wel dingen gebeuren die niet moesten geschieden, maar ook dat er
door goede collegiale omgang door het personeel in die strenge tijd van
strafrecht veel kon worden verzacht, wat het departement of liever het
gestichtbestuur niet zou willen toestaan.
Zo zullen dan in een tijdsbestek van 28 jaar veel dingen die de laatste jaren
door mij zijn opgetekend in het daglicht worden gesteld in de hoop dat er in
alle narigheden toch ook wel lichtpunten worden blootgelegd die men in die
omstandigheden niet zou hebben verwacht.
En omdat ik weet, dat er nu nog enige collega's over zijn die dit alles met mij
hebben meegemaakt ben ik er toe overgegaan om dit alles op schrift te stellen.
Ook de gedetineerden die ons de bijnamen verschaften, of die ons niet alleen als
hun verzorgers beschouwden zijn nog zoo veel in leven.
Van de collega's die in dit boekje worden genoemd zijn al enige overleden, die
van dezelfde leeftijd als wij zelf, of nauwelijks ouder het tijdelijke met het
eeuwige moesten verwisselen. Niet dat wij als collega's van een en hetzelfde
geloof waren, neen er waren er bij die daar niets van wilde weten, ofschoon ze
zich in hun levenswijze goede vrienden betoonden. Wel waren erbij die toen al
zoo vast voor hun geloof uitkwamen, en voor diegenen is dan ook hun heengaan tot
Heerlijkheid geworden zoals we volgens onze Bijbel mogen aannemen.
Ook van de gedetineerden die in dit boekje worden besproken waren zowel Rooms-Katholieken,
Protestanten en ook die nooit anders dan gedwongen zoals in de gevangenis in de
kerk kwamen, en toch werden wij als personeel door hun allen ook altijd heel
goed bejegend.
Werd iemand al te familiair dan werd door deze of gene aan zulk een halt
toegeroepen en hem onder het oog gebracht wat de bedoeling was van onze
behandeling. Hetwelk ook altijd in goede aarde viel, wel een bewijs dat we wel
hadden uitgeschift en niet met iedereen buitengewone wegen bewandelden.
Wie zij dan wel waren? Nu om eerlijk te zijn; het waren degenen die hun straf
niet aan konden, of die heimwee hadden, of zoals wij het noemden, zaten te
zuchten.
Om deze mensen wat tegemoet te komen in hun lot, werden door ons niet altijd
gewone middelen gebruikt. Ook niet altijd dezelfde middelen, de een had dit
nodig en een ander weer iets anders. We hadden in die tijd een
schoenmakersmeester die oog had voor vele moeilijkheden van zijn pupillen en
daar hoop ik dan ook wel eens blijk van te geven.
Onze Schoenpik, dat was zijn bijnaam, was iemand die blijk gaf een goed Christen
te zijn, die trachtte te leven naar zijn overtuiging. Hij kwam dan ook vaak bij
ons en vertelde van: die en die zit zoo te piekeren, daar moeten jullie je eens
wat extra mee bemoeien en zo kwam dan van het een het ander.
Ik heb geschreven van 28 jaar en dat is ook de volle waarheid; in 1920
aangesteld en in 1949 in begin maart met pensioen gegaan. Toch zal ik mij
bepalen tot de jaren 1920-1940, uitgezonderd dan een paar gebeurtenissen die ik
niet kan nalaten ook te vermelden. En die zullen dan in het allerlaatste
gedeelte te vinden zijn.
Eerst zullen we beginnen in 1920 toen in vele gevangenissen het personeel werd
uitgebreid, omdat de wel wat lange en trieste diensttijden toen ietwat werden
verzacht. Ook nog maar een beetje, maar dat bracht toch en grote vermeerdering
mee van personeel.
Wij hielden die eerste tijd nog altijd 57 uren in de week en 16 hele zondagen
vrij in het gehele jaar, daar kwamen dan een paar halve zondagen bij, als men op
wacht des zondagsavond of van wacht op zondagmorgen kwam. Dus nog wel lange
werktijden en altijd op ongewone tijden in het gesticht aanwezig.
En om nu dan een beeld te krijgen van hetgeen in die tijd door het personeel
moes worden verricht, zij meegedeeld dat in de Cellenvleugel alle gedetineerden
alleen, eenzaam dus, zaten opgesloten.
In de Gemeenschap, waarin iedere gevangene nadat hij 5 jaren in eenzaamheid had
doorgebracht kwam, werden ze verpleegd op zalen. In de volgende beschrijving
dienaangaande zal wel duidelijk worden dat die manier van opsluiting ook heel
wat problemen met zich meebracht.
Verschil van bij elkander brengen op zalen was er wel, namelijk voor de
Recidivisten, zij die meerdere malen een vonnis achter de rug hadden, en de
Levenslangen die ook heel apart werden gehouden. En ook zoo als toen ook nog
waren: militairen uit Indie. Al deze mensen werden uit elkander gehouden, zowel
in verblijf- werk- als slaapzalen. Zo heb ik dan vandaag ook weer eens mijn
gedachten op papier gezet.
Gedachten aan het vroegere leven waarin veel strenge en volgens de voorschriften
zwaar werk moest worden verricht. We hadden in die tijd 16 hele zondagen van de
52 vrij, en dan nog enige halve zondagen, wanneer we op of van wacht kwamen. De
wekelijkse werkduur was 56 uren, die voluit in het gesticht werden doorgebracht.
Om op tijd op zijn post te zijn, waren de meesten 10 minuten voor de
aanvangstijd aanwezig .. Want altijd, ook onder het aflossen moesten de posten
blijven bewaakt. Zodoende kwam er ook nog wel een uur bij de 56 in de week. En
zoo ging de tijd verder, allerlei slag van mensen kregen we onder ons toezicht.
Een dokter die ook enige jaren moest doorbrengen liep gewoon op klompen,
ofschoon er ook wel schoenen waren. We wezen hem er wel eens op dat er ook wel
schoenen waren te krijgen. Maar dan was zijn antwoord er lopen hier zoveel op
klompen, waarom zou ik het dan niet kunnen? Later jaren kreeg hij toch schoenen
maar niet eerder dan dat ze hem door de dienstdoende arts werden voorgeschreven.
En zoo zou ik een hele poos kunnen doorgaan maar dat is de bedoeling van dit
schrijven nu ook weer niet. Mijn bedoeling was iets te laten zien uit die zware
tijd, waaruit blijkt dat het gros van het mensdom niet zou verwachten, dat
zoiets nu werkelijkheid was binnen de muren van een gebouw waar zoo veel leed
moest worden doorgemaakt.
Veel zijn het niet geweest, maar er waren er ook wel die tegen de draad in
wilden en het toch moesten verliezen. En dat er door deze personen spanningen
werden veroorzaakt, die voor ons het leven nog weer veel zwaarder maakten,
behoef ik niet nader uit te leggen.
Ook zijn er wel geweest die door z.g. hongerstaking het wilde winnen. Maar de
meesten begonnen na enige dagen toch maar weer te eten. Een is er bij geweest
die het tot het bittere einde heeft doorgezet, tenminste hij hield het zolang
vol, dat de dokters die aan het gesticht waren verbonden, het noodzakelijk
achtten om met kunstmatige voeding het leven er in te houden en dit was ook weer
een hele verzwaring van onze arbeid, totdat er weer een dag kwam dat deze
patiënt ook weer tot de orde van alledag overging.
Voorzichtig moesten we dan wel weer met deze mensen omgaan, want dat ze het
verloren hadden was hun wel duidelijk, maar bekennen wilden ze dit niet.
Het begin in 1920.
Overal deuren die op slot waren, bewaarders met bossen sleutels en mensen die in
pillow gekleed zich veel aan ons nieuwelingen gelegen lieten. Iedereen van ons
werd door hen getaxeerd, zou dat een goede zijn of zou die wel wat brutaal
uiziende, hun in de toekomst dwars kunnen zitten?
We werden in het begin aan oude en goed doorknede mensen in het vak toevertrouwd,
die ons die eerste dagen en weken heel wat van het gevangeniswezen leerden hoe
het niet en hoe het wel moest.. En maar goed tellen, want ieder had een gedeelte
dat aan zijn zorgen was toevertrouwd en die 10, 16, of 26 mensen moesten op de
voor hen bestemde plaats blijven en dus altijd maar tellen. Dat tellen heeft, zo
vernamen we later sommige bewaarders wel eens parten gespeeld, want er waren er
altijd bij die zich van het werk verwijderden wilden, en iets doen wat niet
mocht.
Onze eerste opleiding was in de Gemeenschap maar ook al heel spoedig deden we
dienst in het cellulaire gedeelte. In de Gemeenschap waren de gedetineerden op
zalen samengebracht: Verblijfzalen, Werkzalen en Slaapzalen.
In de cellen zat iedereen apart en in de eerste jaren was dat 5 jaar eenzame
opsluiting. Dat die eenzamen toch ook wel eens contact met hun buren hadden zal
u later wel eens duidelijk worden. In die jaren kwam het wel voor, dat een
bewaarder 7 dagen lang, tenminste al die tijd dat hij in die 7 dagen dienst
moest doen, met de levenslange veroordeelden was opgesloten, alleen voor
schafttijden. Morgens een halfuur en middags een halfuur werd hij dan afgelost.
Ook kwam het veel voor dat een gehele zondag met voorafgaande zaterdagmiddag op
een en dezelfde zaal werd doorgebracht. Dit was dan bedoeld om de verhoudingen
die er onder de gedetineerden heersten beter te kunnen leren kennen.
In die eerste jaren is het mij al eens gebeurd, dat ik zaterdagsmiddags en de
gehele zondag met een zaal recidivisten moest omgaan. Deze mensen kenden het
klappen van de zweep en men moest dan ook terdege uitkijken om er niet gehavend
uit te voorschijn te komen. Als een gedetineerde dan wel eens een buitengewone
houding aannam, behoefde dat niet altijd te duiden op onenigheid of vechtpartij
hetgeen u uit het volgende wel zal blijken.
31 maart 1962
Omstreeks 1925 hadden we ook een bewoner in ons huis, die was machinist geweest
bij de spoorwegen en had net als men nu ook zo vaak hoort een hobbie n.l.
klokkenmaker. Men was in die sombere dagen heel streng op materialen waarmee
misschien kon worden uitgebroken n.l vijlen, messen, hamers en dergelijke
gereedschappen.
Onze hobbieman had scharen in zijn cel, die hij moest gebruiken bij zijn werk en
daar hij van de werkmeester oude kartonnen dozen ontving kon hij in zijn vrije
tijd aan het knutselen gaan. Kartonnen dozen werden gebruikt voor de Petten die
bij ons bij duizenden werden gemaakt en daar deze wel werden verzonden per post,
was er soms een hele verzameling, die niet meer kon worden gebruikt en kwam dan
bij onze klokkenmaker terecht.
'avonds na werktijd mocht hij dan zijn gereedschap even langer in de cel houden
en zo ontstond onder zijn handen een klok die heel goed bij de tijd bleef. Maar
hij was met Dextrine stijfsel in elkander gezet en had de hebbelijkheid om vocht
op te nemen en dan weder kromp of uitzette. Hing hij vlak bij de verwarming dan
ging het wel.
Gaarne wou hij toen een klok maken van blik. Oud blik was ook voorradig van
afgekeurde etensblikken en groenteblikken en drinkbekers. Goede raad was duur,
want dan moest er ander gereedschap komen om de gemaakte stukken vast te kunnen
solderen enz.
Een bewaarder die in die tijd of schoon nog jong, de capaciteiten bezat om
leiding te geven en moed om voor de gedetineerden op te komen, kreeg het voor
elkaar, dat onder toezicht van een bewaarder, deze gereedschappen werden
verstrekt.
En toen ontstond niet alleen een klok die goed en altijd wou lopen en bij de
tijd blijven, maar ook een aantal spoorrails, een station met klok. Een
locomotief die werkelijk reed, door een samenstel van radertjes die onze
machinist zo had gemaakt dat de loc. En de spoorwagons een hele tijd konden
lopen. Ook de stationschef verscheen, met de plak om het sein tot vertrek te
geven. Kortom er kwam een geheel spoorwegstation tot stand, waar op alles
volgens een door onze hobbieman uitgevonden systeem alles in beweging en tot
stilstand kwam, volgens een gewoon stationsgebeuren.
Zelfs zoo, dat de trein niet eerder in beweging kwam, dan dat eerst de
stationschef zijn plak in de hoogte stak. Vanzelfsprekend moest het geheel een
kleine omvang hebben en werden de reizen ook in het rond gemaakt rondom het
station. De bewaarder die hier heel veel voor heeft gedaan, was eerst
ziekenverpleger geweest en werd in 1927 benoemd in het eerste psychopaten
gesticht te Leiden.
Dat er in die tijd heel anders werd gewerkt als nu, is een vaststaand feit. Maar
dat er niet anders werd gedaan dan met de sleutels rammelen is niet waar. Gaarne
was het personeel in die tijd bereid ook in alles mee te werken en werd hoewel
soms een zware dienst moest worden volbracht men ook nog in staat bij
schafttijden toezicht te houden bij dergelijk knutselwerk.
Ook zij nog vermeld, dat de kartonnen dozen in die tijd veel slapper waren dan
tien jaar later, toen er ook nog eens een klok werd gemaakt van karton, die met
gewone spelden werd in elkaar gezet. Deze klok werd gemaakt in de gemeenschap en
mochten deze letteren nog eens worden gelezen door een van hen die in 1933 een
stout stukje hadden uitgehaald en zodoende in Blokhuisplein 40 terecht kwamen
dan zal het hun wel heel duidelijk zijn, waar deze klok en hoe of hij werd
gemaakt.
Datum 20-03-1963
Vernieuwing van het systeem.
In 1924 waren er heel wat geruchten in de Bijz. Strafgevangenis voor Mannen te
Leeuwarden. Zoo was nl. de officiële naam van Blokhuisplein 40.
Door de Rechters was en ook door de Directie werd in die tijd meegedeeld dat er
nieuwe maatregelen zouden komen, die heel wat goeds inhielden voor de
gedetineerden. Zoo zou toen heel wat gedaan worden aan het bewonen van de cel.
Er zouden in plaats van driepoten (krukjes), stoelen komen. De cellen zouden
worden geverfd. Er mocht een bloem worden gekocht en in de cel mochten ook
vogels worden aangekocht. En ook zou de kantine worden uitgebreid, zoo mochten
o.a. ook in de cel tabak en een pijp hun intrede doen.
Tot aan die tijd was dat alleen het geval in de gemeenschap, waar in het begin
van de twintiger jaren ook alleen nog des zondags een pijp werd gerookt. Maar
iedere week werd een half ons tabak verstrekt aan degenen die dit hadden besteld.
Dit was alleen in de gemeenschap het geval maar in 1925 mocht dit ook in de
Cellenvleugel.
Een gevangene staat mij nog heel goed voor de geest, die van al deze praatjes
want zoo noemde hij dat, niets maar dan ook niets wou geloven. Dat zijn allemaal
maar mooie voorspiegelingen, beweerde hij. Ik geloof het niet eerder dan dat ik
de tabak in mijn cel heb en houd mij dan maar niet voor de gek want jullie
krijgen de tabak niet weer als ik ze eenmaal in handen heb!
Toen we dan kwamen met de kantinelijst om ook tabak te bestellen, wou hij niet
eerder bestellen, dan toen hem duidelijk gemaakt werd dat hij dan ook geen tabak
kreeg wanneer hij ze niet zelfbestelde. En toen de tabak werd gebracht geloofde
hij het nog maar nauwelijks. Voor de gedetineerden was dit een hele verandering.
Hongerstaking
Ook waren er toen al reeds z.g.n. hongerstakingen. Veel kwam dit niet voor. Toch
zijn mij twee gevallen bekend, die het lang vol hielden zodat de dokter die aan
het gesticht verbonden was, moest ingrijpen en wanneer de man in kwestie
toestemde dan werd zonder meer kunstmatige voeding toegediend.
Maar in de meeste gevallen werd dit niet toegestaan en moest worden ingegrepen
en werd de patiënt toch gevoed op een kunstmatige manier. Ook is mij een geval
bekend waar het op de volgende manier toeging: Een gevangene kon zijn zin niet
krijgen en begon de directie te dwingen met allerlei tegenwerpingen. Eerst wilde
de man niet meer werken en toen hem dit niet beviel, want hij mocht toen ook
niet meer schrijven enz.
Begon hij met eten te weigeren, dit werd een hele tijd volgehouden maar het werd
hem toch te bar. Op zekere dag schafte de pot: kapucijners met spek. Dat spek
was in dobbelsteentjes en hard en droog uitgebakken. Het was maar een lepelvol
maar het was spek. Dit eten werd bij de gevangene die in hongerstaking was, alle
dagen weer op de gewone tijd binnengebracht en bleef daar ongeveer een uur, maar
het bleef onaangeroerd. Er moest n.! goed opgelet worden of er ook iets was
genuttigd.
De dag van kapucijners met spek werd deze persoon te machtig en het spek met
enige lepels kapucijners was verdwenen. En toen werd het weer gewoon opgeheven.
De bewaarder maakte er een grapje van; de rest van de kapucijners werd opgewarmd
en lekker naar binnen gewerkt!
Dit verhaal heeft Pake mij (zijn kleinzoon) iets anders verteld toen ik een jaar
of 17 was: De gevangene was eije wykstra.
Toen hij in hongerstaking ging zeiden de bewaarders: Hy kin wol in wike sunder
iten en dan sjogge wy wol fierder.
Na een week kwam mijn Pake op het idee om Eije zijn lievelingskostje voor te
zetten: dat zou hij niet kunnen weigeren. Er werd besloten om hem iedere dag een
precies uitgetelde hoeveelheid kapucijners (zonder spek) voor te zetten.
Eije reageerde de eerste dagen niet. De bewaarders besloten toen om er spek bij
te doen; dat bleek de treffer: Eije kon de lucht ven de spekjes niet weerstaan
en zo werd de hongerstaking beëindigd!
De dokter en de dominee in oorlogstijd.
Net voor de oorlog ging onze dokter een keer met vakantie. Andere keren als de
dokter vakantie had werd hij altijd vervangen door een oude bekende dokter. Maar
deze keer zou het anders gaan. Dokter vertelde ons dat hij deze keer een
piepjonge dokter had gevonden, die hem zou vervangen. En toen de piepjonge
dokter kwam leek hij ook werkelijk heel jong.
Maar hij was dokter en maakte een heel goede indruk bij velen van het personeel.
Dat deze jonge dokter later vast aan het gesticht zou worden verbonden, was toen
nog geen sprake van. Maar als ik het wel heb werd deze dokter vast aangesteld in
het begin van de oorlog. En toen was ook nog niet bekend dat deze dokter eens
zou gehuldigd worden voor zijn werk aan de goede vaderlanders die ingesloten
zaten en dat hij op de film zou verschijnen.
En een foto van heb ik jou daar in het weekblad de Spiegel. Eerlijk dokter, het
is verdiend hoor. En dan ook nog van mijn eigen dominee, die door de Duitsers
was ingesloten. Toen ik de eerste keer bij hem in de cel kwam, zei deze dominee
: God is overal bij mij ook in deze cel. En ik ben heel blij dat men mij ook de
Bijbel laat houden. Later kwam ik eens bij dominee, toen hij mij vertelde dat
hij zich verdienstelijk maakte voor de gemeenschap, hij was aan het enveloppen
vouwen.
Ook vertelde hij mij toen, ik heb koolrapen gekocht want mijn maal is niet zo
heel groot, dat een koolraap gaat er nog heel goed bij.
Zoo sloeg deze dominee zich buitengewoon goed door zijn eerste gevangenschap
heen. Ook kwam ik eens op een morgen bij dominee toen hij mij vertelde, nu heb
ik vanmorgen een berisping gehad van een van je collega's. Ik vroeg wat is er
aan de hand dominee?
Ja, zo begon hij toen, op cel 7 zit een collega van mij weetje wel, en die kan
er slecht
tegen zo als ik gehoord heb. Ik denk hoe kan ik hem nu laten weten dat ik er ook
ben en toen schoot mij te binnen onze studietijd en ons lied dat we als
studenten zoo konden zingen en fluiten en toen ben ik in de vroege morgen aan
het fluiten gegaan. Het mag niet weer, maar hij, mijn collega heeft antwoord
gegeven, dus hij weet dat ik er ook nog ben.
Dat was dan de dokter en de dominee in oorlogstijd.
27-03-1962
Demonstratie van vliegen en
parachutespringen
Het zal misschien in het jaar 1922 of 1923 geweest zijn dat er op het vliegveld
in
Leeuwarden, toen nog gelegen aan het Kalverdijkje en maar heel klein van omvang
een demonstratie werd gegeven van vliegen en parachutespringen. Dat was in die
jaren een geweldig iets en ver voor die tijd werd er dan ook reclame voor
gemaakt, die lang niet mis was.
Hoe of zoiets tot de gevangenis was doorgedrongen, weet ik niet maar een
gedeelte van hen was heeeel goed geïnformeerd. De geweldige prestatie zou plaats
hebben op een zondag. Ook hier waren sommigen op tegen, anderen vonden het wel
goed want zoo redeneerden ze we zien er toch niet een snars van en wat schieten
we daar nu mee op.
Nu was toen van de dienstregeling ook een gewoonte dat de Bewaarder die
zaterdags morgens de Wasserij onder zijn toezicht had des zaterdagsmiddags na
twee uur de Recidivisten, dat was toentertijd nog een Zaal die wat achteraf,
n.1. tussen HvB en Gevangenis in lag: Zaal 72 (of 7-27), deze Bewaarder moest
ook zondags deze zaal bedienen.
Vele van de bewoners van deze zaal waren al meer malen in Leeuwarden geweest of
hadden in andere gebouwen al vele straffen achter de rug en waren alzo onder de
Recidivisten gerangschikt. Een dezer bewoners was de gehele zaterdagmiddag wat
in zich zelve gekeerd.
Mijn persoon was aangewezen om zaterdagmiddag en zondag op deze zaal het
toezicht te houden en met 12 of 15 gevangenen de tijd zoek te zien brengen. De
persoon die in zich zelve was gekeerd, ging ook des zondags steeds weer op
dezelfde plaats zitten, met het gezicht op de ramen, die uitzicht gaven op de
ruimte tussen HvB en het grote huis maar waarvan alleen de bovenste ruiten
doorzichtig waren; de ondersten waren matglas.
Ofschoon er enkele van zijn lotgenoten waren die al meermalen hadden gezegd:
Jaap ziet ze vliegen. De persoon in kwestie bleef op zijn eens ingenomen plaats
zitten. Omstreeks het middaguur had "hij" door een uitroep: Daar is er een!!!
Werkelijk een vliegtuig gezien waarvan wij toen ook getuige waren.
Tussen twee en drie uur zat hij alweer naar buiten te staren en plotseling riep
hij: " Daar springt ie!" en werkelijk hij had gelijk want de gehele bevolking
van de zaal was toen getuige dat de Parachute met de springer een ogenblik
zichtbaar waren voor de ogen van enige gevangenen en 1 bewaarder die opgesloten
zaten in de Gevangenis.
En toen kwam aan het licht, want zoo stil als hij zaterdagmiddag en zondagmorgen
was geweest, zoo uitbundig was hij met zijn verklaringen. Hij had uitgerekend
dat de plaats waar het vliegveld toen lag aan de oostzijde van de stad was en
dat de wind die dagen westelijk was dus zoo redeneerde hij moet de
parachutespringer boven de stad zijn sprong wagen om weer op het vliegveld of in
de nabijheid daarvan te landen.
En hij had volkomen gelijk want het gebeurde en wij allen waren door zijn
opmerkzaamheid getuige van toentertijd zo weinig voorkomende gebeurtenis.
Deze zware jongens, zoals zij zich zelve ook meer dan een keer noemden, waren
soms wel zeer met elkaar ingenomen maar konden ook wel eens zware onenigheden
hebben, doordat er soms dingen aan het licht kwamen uit hun vorig leven die ze
zich heel anders hadden voorgesteld en waarin dan naar voren kwam dat de een de
ander dan ook meermalen had bedrogen en soms enige jaren meerdere straf hadden
toegebracht door bekentenissen die de andere tot die tijd niet had geweten.
Wanneer er zo iets was dan kon de bewaarder zijn pret wel op en zat hij
anderhalve dag met deze heren op een en dezelfde afgesloten zaal, waar een
plaats was, waar de bel hing om hulp te kunnen krijgen en deze plaats werd door
de heren ook goed bewaard wanneer er een knokpartijtje moest wezen.
Over het algemeen kon men met deze Recidivisten wel opschieten want ze waren de
tucht gewend en zagen als het moest ook niet op tegen strafcel enz.
Want zo redeneerden ze : De bewaarder doet zijn plicht!
Annemiek
Dick
Cor
Hans
Harry
Hennie
Herke
Jan
Jacob
Menno
PIWer
Schulz
Simon
Steven
Willem
Wolter
Bibliotheek |