Blokhuis 1499-1580


In een pittige studie in „De vrije Fries" XXI (1909), vertelt Dr. J. S. Theissen over het Leeuwarder Blokhuis, aan de hand van gegevens, door hem ontleend aan de Rentmeesters-rekeningen van 1515 tot 1575. Voor de „geboorte" van het kasteel verwijst de schrijver naar hetgeen.

 

Eekhoff mededeelt (Gesch. beschr. 1 bi. 105 v.v. en 109 t/m 111) voor den „groei" naar de reeds door ons vermelde kaarten van omstr. 1550 (1580) en 1560, waaruit blijkt, dat het Blokhuis, ter flankeering van zijn wallen voorzien was op de hoeken van 4 zware ronde torens of rondeelen. In dit opzicht komt de vorm overeen met dien van het „Casteel van Staveren", volgens B o r in 1522 gebouwd voor „43931 ponden 8 schellingen van 40 groot 't pont' (pond = gulden; schelling = stuiver).

 

Dat te Harlingen echter, in 1500 gesticht, moet slechts 2 zoodanige rondeelen hebben bezeten alsmede één gemetseld b a s t i o n met teruggetrokken flanken, dus van Italiaansch model. Een en ander blijkt uit de plattegronden van genoemde steden door Jacob van Deventer, welke, wat de kasteelen betreft, geheel overeenstemmen met die, afgebeeld in Braun- en Hogenberg's Stedenboek van 1580

 

Theissen vermeldt den bouw van een nieuw rondeel in 1557, op den Noordoostelijken hoek van het Leeuwarder kasteel 20) en dat voor dien bouw werden uitgevoerd: meer dan 1300 ton kalk (uit Dordrecht), 100 ton cement (uit Amsterdam), 100 schuiten zand, voorts 100.000 Friesche steenen en 400.000 dubbele Leidsche steenen, terwijl in 1556 reeds 800.000 Leidsche steenen geleverd waren.

 

Bij de slechting van het Blokhuis op 1 Febr. 1580 zijn de Oostelijke en Zuidelijke wallen blijven bestaan en slechts één van de 4 rondeelen, n.l. dat op den Zuidoostelijken hoek. Dit rondeel, dat den naam bleef dragen van Pynigtoren, omdat de pijnbank van het Hof daarin was gevestigd geweest , komt nog op de 17e eeuwsche plattegronden der stad voor, o.a. op dien, afgebeeld in het 11e deel van Eekhoff's werk (Plaat VII).

 

Op dien van J. H. Knoop (1760) is het niet meer aanwezig, doch de fondamenten bestonden nog en zijn eerst in 1919 door den dienst der Gemeentewerken opgeruimd tijdens de afgraving, ten behoeve van de scheepvaart, van den hoek in de stadsgracht bij de strafgevangenis op het punt van samenkomst met het Nieuwe Kanaal. Bij het opruimingswerk bleek hef rondeel te zijn aangelegd op 1.50 M. beneden Friesch Zomerpeil en te rusten op een hierna te beschrijven fundeering.

 

De ronde toren was nog tot 1 M. boven Zomerpeil aanwezig, was inwendig 5.80 en uitwendig 12.50 M. in middellijn, zoodaf ong. 240 M3. metselwerk moesten worden verwijderd.

 

De fundeering bestond uit een liggend roosterwerk van ribben (doorgezaagde eiken palen) met zwaluwstaartverbindingen aan elkaar bevestigd. Alle 9 vakken van het 8-hoekige roosterwerk waren op de wijze, als in afb. 2 B voor één vak aangegeven, volgeslagen met ong. 2.5 M. lange palen, van tapschen vorm en bij 4 stuks tegelijk uit één ong. 0.30 M. dikken eiken paal van diezelfde lengte gezaagd. Deze dunnere palen waren alle met de punten in den grond geslagen .

 

Behalve de vorenstaande gegevens, verstrekte de Directeur der Gemeentewerken, 1 r. C h. C. van der VIis, ons nog de hierbij gepubliceerde foto's van: 2 steenen kogels, diameter ong. 91/2 en 8 cM.

 

2 ijzeren kogels, waarvan een in twee helften gegoten en doorboord, diameter ong. 11 cM. (afb. 2 E), een baksteenen fragment hoog 15.5 cM. (afb. 2 F), alles bij de opgravingen gevonden. Ook was nog aangetroffen een houten kogel met een diameter van pl.m. 21 cM., langs drie onderling loodrecht staande assen uitgeboord en volgegoten met lood. Een en ander is door de Gemeente Leeuwarden afgestaan aan het Friesch Museum aldaar.

 

Vergelijkt men nu de vorenvermelde gegevens van D r. Theissen over het in 1557 gebouwde (of vernieuwde) rondeel met de gevonden afmetingen van den voormaligen „Pynigtoren" en neemt men voor de Friesche steenen dezelfde maten aan als die van de te Harlingen 24) aangetroffen reuzenmoppen, dan is te berekenen dat met die 100.000 steenen een hoogte van ong. 5 M. kon worden opgemetseld, alzoo 3.50 M. boven water. Neemt men nu verder aan dat de dubbele Leidsche steenen een formaat zullen hebben gehad als het hedendaagsche Waalsteen-hardgrauw (gemiddeld 21 X 101/2 X 51/2 cM.) dan geven de 400.000 stuks een inhoud van ruim500 M3. metselwerk, overeenkomende met eveneens ong. 5 M. hoogte.

 

Wij komen op die wijze tot een rondeel hoog ong. 8.50 M. boven water ofwellicht 1 of 1.5 M. lager indien de aangevoerde steenen tevens voor een toegangspoferne (als te Harlingen ontgraven) en voor overkluizing, ter afdekking van den toren, mochten zijn gebruikt. Een hoogte van 7 à 8 M. voor de rondeelen welke, volgens de oude afbeeldingen, boven de wallen uitstaken, komt ons wel aannemelijk voor. Echter blijft dan nog de vraag bestaan, waarvoor de in 1556 aangevoerde 800.000 stuks Leidsche steenen kunnen zijn gebruikt. De citadel had een gracht met, volgens Gabbema, 280 roeden (ong.1000 M.) in omtrek.

 

In verband hiermede moeten de wallen tusschen de rondeelen een lengte van ong. 200 M. hebben gehad. Toen de „rebellen" in 1572 te Bolsward, Sneek en Franeker reeds meester waren, liet Caspar de Robles door zijn Venetiaanschen ingenieur den Oostelijken wal verhoogen en haastig het staketsel in het midden van de kasteelgracht vernieuwen. Over het smadelijk einde van het trotsche vestingwerk zullen wij kort zijn.

 

Door Eekhoff is zulks uitvoerig beschreven. Op het slechten van de 3 kasteelen, te Leeuwarden, Harlingen en S t a v o r e n in 1580, werd een gedenkpenning geslagen, waarop Prins Willem van Oranje, de bevrijder, als David afgebeeld is").

 

Ten slotte geven wij een afbeelding van hetgeen omstreeks het midden der 18e eeuw, naar de teekening van C. Pronk, nog aan gebouwen binnen de voormalige citadel was overgebleven, dienende tot: „Ammonitie- en Tugthuis".  Bron: Gedenkboek LEEUWARDEN 1435-1935 blz. 109

 

Wat anderen schrijven


GESCHIEDKUNDIGE BESCHIJVING W.EEKHOF 1846

Het Blokhuis, de Keizersgracht, de Ossekop enz. Sedert de ontmanteling van de sterkte, was het hoofdgebouw, of het eigenlijke Blokhuis, door de bestuurders der Geestelijke goederen verpacht-, en sedert door het Hof van Justitie, als huis van arrest of detentie, gebruikt geworden. Ten behoeve van deszelfs strafoefeningen was er tegen den westelijken gevel een schavot gebouwd, dat in 1611 vernieuwd werd. In 1639 verkreeg ook het Friesche krijgsgerigt van den Stadhouder de vergunning, om tot deszelfs strafoefeningen voór het Blokhuis eene galg te mogen stellen. De gewezene slotkapel ontving de bestemming tot een Wapen- of Artilleriehuis, en een ander groot gebouw daarnaast tot eene Stads Turfschuur, waamevens in 1615 nog een groot Stads Wapenhuis werd aangebouwd. Van de vier vroegere hoektorens of rondeelen was alleen die op den zuidoosthoek blijven staan, en diende vervolgens een tijdlang tot een Lands Kruidmagazijn . Omtrent de groote ruimte gronds vódr deze gebouwen beschikte het Stadsbestuur in 1613, door te bepalen, dat men »tot v chiraet van de stadt daar een sierlyck Lyndhoff planten »sal," welke beplanting sedert de Tournooibaan werd genoemd.

lees meer op Tresoar  (zoek op het woord blokhuis)