De Friezen in hun aard


Inhoudsopgave 

I. Welke is de Ligchamelijke gesteldheid der inwoners?

a. Ligchamelijke gesteldheid

b. Gezondheid, hooge leeftijd

c. De natuurlijke toestand van den grond werkt daartoe mede

d. Geringe sterfte, bewezen door de staten van 1811

e. De friezen zijn minder geneigd tot het huwelijk

f. Onechte geboorten

g. Algemeene opmerkingen.

 

II. Op welke wijze voedt men in Friesland de kinderen op?

a. Wijze van opvoeding der kinderen ten platten lande

 

III. Waarmede voeden zich de bewoners der steden en van het land?

a. Voedsel der inwoners

 

IV. Welke zijn de kleeding en het hoofdtooisel van mannen en vrouwen, zoo in de steden als op het land?

a. Algemeene opmerkingen.

b. Kapsel van de stadsdames

c. Kapsel der landbewoonsters

d. Kapsel en kleeding der vrouwen van Hindeloopen

e. Kleeding der mannen

 

V. Welke zijn de zeden, gewoonten, gebruiken en uitspanningen van de inwoners, zoo in de steden als ten platten lande.

a. Karaker en zeden van de Friezen

b. Hunne eerlijkheid

c. Wijze, waarop de boer en daglooner hun dag verdeelen

d. De Zondag op het land

e. Harddraverijen

f. Markten 

g. Dienstbaren, die van dienst veranderen

h. Huwelijken, bruiloften

i. Kraambezoek

k. Begrafenissen

l. Uitspanningen

m. Hardzeilpartijen 

n. Markten of kermissen

o. Amusementen der hoogere standen

p. De taal der landbewoners

r. De stad Hindeloopen

s. Molkwerum

 

VI. Welke zijn de meest gewone ziekten bij de Friezen, hare oorzaken en de daar tegen aangewende middelen? 

a. Ziekten ontstaan gewoonlijk uit eene belette uitwaseming

b. Geneesmiddelen

c. Galachtige ongesteldheden in den herfst 

d. Hare oorzaken. 

e. Gebrek aan drinkbaar water

f. Middelen om daaraan tegemoet te komen

 

Het bestuur van het Friesch Genootschap heeft gemeend, dat dit belangrijk rapport reeds nu als een historisch kan worden beschouwd. Het oorspronkelijk bevindt zich nog in het archief van den heer Commissaris des Konings in Friesland. De heer van Burmania Baron Rengers, twee malen waarnemend Gouverneur, vervaardigde daarvan een afschrift, hetwelk hij ons vereerde en waarvan een der leden des Bestuurs eene getrouwe vertaling vervaardigde.

 

nadat de beoordelingen van Friesland en de Friezen uit de pen van doortrekkende vreemdelingen – als von Uffenbach, Niebuhr en Bowring – vroeger gedrukt zijn, mag men zeker meer waarde hechten aan het oordeel van een man, die, na veel gereisd en gezien te hebben, reeds twee jaren aan het hoofd had gestaan van het burgerlijk bestuur van het volk, welks zeden hij in dit stuk beschrijft, en die in de gelegenheid was, om over vele bijzondere onderwerpen van deskundigen de naauwkeurigste opgaven in te winnen. 

Omtrent hetgeen de Baron Verstolk in dien bangen tijd voor dit gewest is geweest en welk een gezegende gedachtenis hij hier heeft achtergelaten, zie men het geschrift: Friesland in 1813, in het 10e deel van het tijdschrift des Genootschaps, de Vrije Fries, 1863, blz. 219, 245, 270, 318 

De Prefect van het Departement Friesland aan Z. E. den Minister van Binnenlandsche Zaken des Keizerrijks. 1 Augustus 1813

 

Uwe Excellentie heeft aan in den brief, dien zij mij de eer deed aan mij te adresseeren den 11 Junij l.l., zes vragen gesteld, betrekkelijk de inwoners van dit departement. Na de inlichtingen te hebben ingewonnen, die ik noodig had omtrent de bedoelde onderwerpen, wil ik haar beantwoorden, en daarbij dezelfde orde volgen, waarin zij zijn voorgedragen. 

 

I. Welke is de Ligchamelijke gesteldheid der inwoners?

a. Ligchamelijke gesteldheid. De inwoners van Friesland zijn in den regel welgemaakt, groot, krachtig en sterk gespierd, en, zoo als reeds de oude schrijvers ons hunne voorzaten afbeeldden, beantwoorden zij aan de woorden van Horatius: Fortes, creantur fortibus.

 

b. Gezondheid, hooge leeftijd. Voor het meerendeel zijn de Friezen en Friezinnen blond. Hun uiterlijk en hunne gelaatskleur hebben alle kenmerken van eene bloeijende gezondheid. Ook hebben zij een natuurlijken en gelukkigen aanleg voor een hoogen ouderdom en om daarvan genot te hebben. Hunne spieren, niet al te vast en niet te los, bezitten den juisten graad van opgewektheid en gevoeligheid, om de noodige werkzaamheid te verzekeren aan de voeding van het bloed en de verdere vochten.

 

Verschillende aanleidende oorzaken, die ziekten voorafgaan en eene menigte van kwalen ten gevolge hebben, worden bij hen niet aangetroffen. De Friezen zijn dien ten gevolge daaraan minder onderhevig en worden er minder sterk door aangetast dan andere volken. Evenzoo zijn in de omliggende departementen de ontstekingaardige (inflammatoire) ziekten menigvuldiger en heviger dan in Friesland; terwijl men alhier – ten minste ten platte lande, volgens de uitspraak der mannen van de faculteit – minder nerveuse en chronische ongesteldheden aantreft dan elders. Deze gelukkige organisatie van zenuwen en spieren, die in den regel de Friezen minder onderhevig doet zijn aan ziekten, kan, om meer dan eene reden, aangemerkt worden als een voorregt, dat zij genieten van hunne geboorte af aan, en dat zij overgeërfd hebben van hunne ouders en voorouders.

 

c. De natuurlijke toestand van den grond werkt daartoe mede. Echter moet men tegelijkertijd toestemmen, dat de grond, dien zij bewonen, de gesteldheid, de ligging en het klimaat, alsmede hunne leefwijze, veel tot instandhouding daarvan bijdragen. Reeds in 1788 toonde de Hoogleeraar A. Ypeij de gunstige toestand daaromtrent aan in eene akademische voordragt, te Franeker gehouden, de Frisiae salubritate nativa optimaque eandem conservandi augendique ratione.

 

d. Geringe sterfte, bewezen door de staten van 1811. Uit de organisatie van het Friesche volk en uit de natuurlijke gesteldheid van Friesland, alles evenzeer bevorderlijk voor de gezondheid, volgt, dat de sterfte er minder groot is dan elders; eene omstandigheid, die men reeds sedert lang onderstelde, doch die, bij gebrek aan sterftetafels en naauwkeurig onderzoek, niet kon worden bewezen dan door de staten der bevolking en hare beweging, opgemaakt in 1811. Deze kunnen beschouwd worden als de middenterm van de becijferingen omtrent de gezondheid en de sterfte der Friezen.

 

Volgens deze tafels of staten zijn gestorven op eene bevolking van 36,529 zielen in het arrondissement Heerenveen 708 personen of 1/51; in het arrondissement Sneek, op eene bevolking van 45,445, 1,020 personen of 1/44, en in het arrondissement Leeuwarden, op 94,729 zielen, 2,626 personen of 1/36, hetgeen geeft voor het geheele departement 4,350 sterfgevallen, of 1/40 op eene bevolking van 176, 703 zielen; terwijl Suszmilch in zijn werk, de Goddelijke orde in de verandering van het menschelijk geslacht, Amst. 1770, het gemiddeld sterftecijfer van een volk stelt op 1/36, met terzijdestelling van het verschil tusschen de steden en het platteland (11).

 

De Hoogleeraar Ypeij merkt op, dat men bij de Friezen een talrijker en hooger graad van ouderdom aantreft dan bij andere volken. Deze opmerking wordt bevestigd door de staten van het vorige jaar, die een groot getal personen aanwijzen, die op hoogen leeftijd zijn overleden, als: 190 van 75 – 80 jaren. 150 ,, 80 – 85 ,, 73 ,, 85 – 90 ,, 16 ,, 90 -- 95 ,, 4 ,, 95 – 100 ,,

 

e. De friezen zijn minder geneigd tot het huwelijk. De bovenbedoelde staten geven nog eene andere op merkelijke uitkomst, namelijk, dat de Friezen minder opgewektheid en neiging dan andere volken voor het huwelijk bezitten. Te dezen opzigte merk ik in de eerste plaats op, dat in 1811 op eene bevolking van 176,703 zielen er niet meer dan 1,399 huwelijken zijn gesloten, hetgeen maakt één huwelijk op 126 personen. Volgens Suszmilch is er geen volk, waar dit getal zoo gering is. De Heer Struijck verzekert zelfs, dat in sommige dorpen van Holland er gewoonlijk huwt één paar op 64 personen, bijgevolg het dubbel van het cijfer, dat Friesland aanwijst. Bovendien heeft de telling van 1811 slechts aangewezen 29,956 gehuwde vrouwen, terwijl, volgens de verhouding door de heer Struijck aangegeven naar sommige Hollandsche dorpen, dit had moeten bedragen 24,322 (2).

 

Daarentegen is de duur der huwelijken in Friesland langer. Men kan deze door elkander stellen op 21 jaren, in plaats van de 12 2/3, zoo als de heer Struijck aangeeft, zoodat het overlijden van den man of de vrouw niet zou hebben ontbonden 2,416 huwelijken, zoo als die schrijver aangeeft, maar slechts 1,338 huwelijken per jaar. Ook zijn er in het laatste jaar niet meer gestorven dan 1,361 gehuwde mannen en vrouwen; een nieuw en sterk bewijs voor de gezondheid en den langen levensduur der Friezen

 

f. Onechte geboorten. De bovengemaakte opmerking schijnt in de tweede plaats bevestigd te worden door het getal der onechte kinderen, geboren in 1811, hetgeen tot dat der echte kinderen staat als 148 tot 5271, dat is 1 op 36. Voor andere landen stelt Suszmilch deze verhouding als op 1 op de 18 – 22.

 

In sommige hoofdsteden, als Berlijn en Cassel, is deze verhouding nog ongunstiger. Echter kan men niet aannemen, dat het Friesche volk minder vruchtbaar is dan andere volken. want, voor maatstaf aannemende het getal huwelijken en geboorten van het laatste jaar, zijn er geboren uit 1399 jaarlijks voltrokken huwelijken 5271 kinderen of 38 op 10 huwelijken, hetgeen nagenoeg overeenstemt met het cijfer door Suszmilch voor verschillende landen aangewezen.

 

Het is waar, dat uit 29,956 huwelijken, die ik onderstel, dat in Friesland in 1811 bestonden, slechts 5,271 kinderen zijn geboren, hetgeen slechts 4 geeft op 22 huwelijken, terwijl Struijck 5 kinderen stelt op dat getal huwelijken in sommige Hollandsche dorpen; maar ik heb daaromtrent reeds aangemerkt en als aannemelijk gesteld, dat de Friezen een hoogeren leeftijd bereiken dan andere volken, waaruit volgt, dat onder de

 

1 Sedert het hier voor 1811 opgegeven cijfer van 176,703 zielen in Friesland (dat in 1795 op 150,000 geschat werd) is de bevolking dezer provincie dermate toegenomen, dat zij bij de telling van 1818 bedroeg: 183,000, in 1840 227,000, in 1860 274,000 en op 1 Jan. 1875 ruim 307,000 zielen. Met het hierachter aangehaalde werk van Struijck is waarschijnlijk bedoeld diens Inleiding tot de algemene Geographie, Amst. 1753. Redactie.

 

2 Zou het geringer getal huwelijken in 1811 geen tijdelijk verschijnsel en een gevolg zijn geweest van de ongunstige omstandigheden des tijds, terwijl ook zeer vele huwbare mannen waren opgeroepen om in de legers van Napoleon te dienen en anderen in vrees verkeerden voor hetzelfde lot, en weinig aanmoediging vonden om zich bij den algemeenen druk in ’t huwelijk te begeven? Redactie. 

7bestaande huwelijken er een grooter getal moet voorkomen, waarbij de leeftijd de echtgenooten ongeschikt maakt voor de voortplanting.

 

Deze beschouwing bevestigt dus mijne opmerking. Men zal in de tweede plaats opmerken, dat het verschil tusschen de bevolking in Friesland en de geboorten grooter is dan in andere landen, daar die toch staat in 1811 als 176,703 tot 5,419 of als 31 1/2 tot 1; eene verhouding, die volgens Suszmilch zou zijn in 35 Hollandsche dorpen van 24 tot 1 en in 15 Fransche dorpen van 22 1/6 tot 1, zoodat men op hetzelfde getal personen in Friesland een veel kleiner getal kinderen moet stellen. Maar dit bewijst slechts, dat men meermalen, bij gebreke van voldoende gegevens, ten onregte de bevolking heeft berekend naar de geboorten, maar niet, dat de Friezen minder vruchtbaar zouden zijn dan andere volken.

 

g. Algemeene opmerkingen. Ik leid hieruit af, dat Friesland te dezen opzigte eene nieuwe bijdrage levert tot de bewonderingswaardige orde, die op te merken is in het algemeene zamenstel van het heelal. Inderdaad, indien men aanneemt, dat de Friezen door hunne physische organisatie en door de gesteldheid van het land, dat zij bewonen, minder dan andere volken onderhevig zijn aan ziekten, even vruchtbaar waren, terwijl zij bovendien een hoogeren leeftijd bereiken, die orde weldra verstoord zou worden en aanleiding zou geven tot een wanverhouding, indien de hartstogt der liefde hen met dezelfde levendigheid bezielde. 

 

Ik vlei mij, dat deze opmerkingen voldoende zullen zijn om te doen kennen de natuurlijke gesteldheid der inwoners van Friesland. later zal men deze beter kunnen leeren kennen, wanneer de vergelijking van de beweging der bevolking van volgende jaren met die van 1811 veroorlooven zal, om zekerder maatstaf aan te nemen dan die men nu vinden kan in de opgaven en uitkomsten van een eerste jaar.

 

II. Op welke wijze voedt men in Friesland de kinderen op?

a. Wijze van opvoeding der kinderen ten platten lande. Voedsel. De wijze van voeding der kinderen is in den regel zeer eenvoudig en gelijkvormig onder de bewoners van het platte land. Gedurende het eerste jaar, en zelfs nog langer, is de moedermelk het voornaamste, zoo niet het eenige voedsel der kinderen. Dikwijls treft men moeders aan, die hare kinderen aan de borst houden tot aan het tweede en zelfs tot aan het derde jaar, wanneer zij reeds tevens van het voedsel hunner ouders mede gebruiken en alleen loopen.

In den regel echter worden zij gespeend op één of anderhalfjarigen leeftijd. De moeders, die door zwakte of andere omstandigheden buiten staat zijn hare kinderen te zogen, voeden hen met een pap van melk en beschuit, of met meel van boekweit, waarvan men met melk een dunne pap maakt, of die men laat kooken met gort en karnemelk.

 

Kleeding

De kleeding der kinderen is doorgaans warm en van eene vrij dikke stof, ten minste wanneer de omstandigheden der ouders niet al te bekrompen zijn. Tot 5, 6 of 7 jaren, naarmate ze meer of minder ontwikkeld zijn, blijven de kinderen thuis onder het opzigt der moeder, die, indien zij op het veld werkt, hen dikwijls met zich neemt, ten einde hen niet uit het oog te verliezen, wanneer zij zich bezig houdt met wieden of anderen veldarbeid.

 

Onderwijs van de jongens

Het kind, den bovenbedoelden leeftijd bereikt hebbende, wordt gewoonlijk ter schole gezonden, waar men het leert lezen en schrijven, somtijds ook rekenen en psalmzingen, alsmede om vragen en antwoorden van buiten te leeren, bevattende de beginselen der christelijke godsdienst; echter op eene wijze, die weinig geëigend is aan de min ontwikkelde vermogens. De tijd voor het onderwijs bestemd, hangt veel af van de omstandigheden der ouders en verschilt van één tot vier jaren.

 

De zoon van den daglooner, zoodra hij een paard kan besturen, wordt gedurende het zomerseisoen bij een landbouwer dienstbaar; andere jongens, waarvan de vader zelf tot den landbouwenden stand behoort, zonder evenwel in ruime omstandigheden te verkeeren, moeten op den zelfden leeftijd beginnen te arbeiden en het werk te doen, waartoe zij in staat zijn, bijv. zij leiden de paarden voor de kar, de eg of den ploeg. De veldarbeid geëindigd zijnde, gaan de jongens gedurende den winter weder naar de school.

 

Een jongen, die drie of vier zomerhalfjaren, naar gelang der ontwikkeling zijner krachten, bij den boer verkeerd heeft, treedt bij een landbouwer voor het gansche jaar in dienst. Van dat oogenblik af wordt hij beschouwd als in zijne eigene behoeften te kunnen voorzien, en zelden zijn de ouders in de noodzakelijkheid hem nog bijstand te bieden.

 

Ongevoelig geraakt hij te huis in de kennis van den landbouw, door de wetenschap van zijn meester, die deze hem mededeelt; zijn loon klimt allengs op en bereikt somtijds op twintigjarigen leeftijd de som van fr. 210. De zoons van landbouwers, die in het ouderlijk huis blijven, en die den arbeid verrigten, welke anders aan de dienstbaren wordt opgedragen, worden op dezelfde wijze opgevoed.

 

Zoodra hunne krachten het toelaten, wordt hun aangeleerd wat zij nodig hebben van den landbouw te weten, terwijl hunne ouders, indien zij in de ruimte leven, voor hen op zekeren leeftijd eene boerderij koopen (of huren), waarvan de opbrengst in staat is om in hunne behoeften te voorzien. Van de dochters. De opvoeding van de meisjes verschilt weinig van die van de jongens.

 

Zij gaan slechts ter school, wanneer hare ouders behoeftig zijn, tot aan het oogenblik, dat zij in staat zijn iets te verdienen; en de gelegenheid daartoe biedt zich spoedig aan in die streken, waar de landbouw vele handen noodig heeft en die dan ook het meest bevolkt zijn. daartoe behooren het aardappelen bijeen te brengen, die uitgedold zijn, en andere soortgelijke bezigheden te verrigten, die men haar kan toevertrouwen.

 

De meisjes gaan minder lang ter school dan de jongens, omdat zij in de korten tijd genoeg gevorderd zijn om hare moeders in de huishouding bij te staan. Bovendien duurt het niet lang of zij kunnen spinnen, hetgeen eene kleine aanwinst geeft voor de middelen van bestaan van het gezin. Men onderrigt haar weinig in vrouwelijke handwerken, b.v. in het naaijen of breiden, en er is slechts een klein getal, dat zich toelegt op het maken van mans- en vrouwenkleederen en daarmede den kost verdiend.

 

Op den leeftijd van 12, 13 of 14 jaren worden zij in dienst gezonden bij een landbouwer, en verdienen zij weldra genoeg om te voorzien in haar onderhoud en in de eischen van haren landelijken opschik.

 

De dochters van landbouwers, die weinig bemiddeld zijn, vervullen bij hare ouders de taak van dienstmaagden. Zij leeren de koeijen melken en boter maken. Men acht hare opvoeding voltooid, wanneer zij aan het hoofd eener boerenhuishouding kunnen staan. In sommige streken wordt de zondagavond gewijd aan lessen, die in de school worden gegeven, door middel van welke deze jeugdige personen de gelegenheid vinden, om de weinige kennis, die zij in hare kindschheid en eerste jeugd opdeden, eenigzins meer uit te breiden.

 

De ouders, die verlangen, dat hunne kinderen belijdenis des geloofs van de hervormde godsdienst afleggen, zende hen op den leeftijd van 14 à 15 jaren bij den predikant der gemeente, waar zij een zeker getal vragen en antwoorden over de geloofsleer van buiten leeren; maar in het algemeen kan men zeggen, dat voor de zedelijke opleiding der kinderen ten platte lande weinig zorg wordt gedragen.

 

In de steden

Ik heb geene bijzondere opmerkingen te maken betrekkelijk de wijze van opvoeding der kinderen in de steden van Friesland. Het is op de lagere scholen, dat zij in het algemeen hunne eerste opvoeding ontvangen, en ongevoelig leidt men hen op voor het vak, dat men voor hen heeft gekozen.

 

Opleiding bij de hoogere standen. De hoogere standen zenden gewoonlijk de jongens op de latijnsche scholen. De Latijnsche taal, en somtijds ook de beginselen van het Grieksch, nemen daar de eerste jaren in, terwijl de Fransche taal, de geschiedenis en de aardrijkskunde dikwijls het onderwerp zijn van meer particulier onderwijs, hetwelk meesters, bij het uur genomen, hun in het ouderlijk huis verstekken. Het gebeurt ook, ofschoon meer zeldzaam, dat familiën, vooral wanneer het aantal kinderen aanzienlijk is, hen voor een zekeren tijd toevertrouwen aan een afzonderlijken leeraar.

 

De jongeling, den ouderdom van 16 à 17 jaren bereikt hebbende, gaat vervolgens de akademische lessen bijwonen te Groningen, eenigen ook te Leiden of te Utrecht, tot dusver ook dikwijls te Franeker. Maar de kundigheden, die zij aan de hoogeschool opdoen, beantwoorden niet altijd aan de goede gelegenheid, die deze bronnen van wetenschap hun aanbieden; ten minste wanneer hun stand en fortuin hen boven de noodzakelijke plaatsen van zich toe te leggen en hen niet verpligten tot de uitoefening van het vak der medicijnen, van de theologie of van het regt.

 

In het algemeen zou het gewaagd zijn te zeggen , dat er in dit opzigt veel wedijver bestaat bij de aanzienlijke jeugd van Friesland. het is nog zeer zeldzaam, dat zij zich tracht te vormen door reizen. De ingezetenen van dit gewest stellen zich weinig in aanraking met hunne naburen; hun karakter, hun smaak, hunne zeden, hunne gebruiken en gewoonten hielden en houden hen nog terug van naar elders te gaan. Hunne wijze van zien en van de zaken beoordeelen brengt hen steeds naar hunne haardsteden terug, en een der sterkste karaktertrekken van den Fries is zonder twijfel zijne gewoonte, om zich af te zonderen, te isoleeren; eene gewoonte, waartoe de gesteldheid van het departement in zeker opzigt aanleiding schijnt te geven.

 

Opleiding van de meisjes. De jonge dames erlangen gewoonlijk hare eerste opleiding in het ouderlijk huis, hetzij dat men ze toevertrouwt aan de zorgen eener gouvernante of dat men haar verschillende meesters geeft. Op den leeftijd van 15 of 16 jaren worden zij voor het meerendeel naar de kostschool gezonden, waaronder die te Groningen voor het oogenblik de meest gezochte schijnt te zijn. Somtijds ook kiest men er een in een ander der naburige departementen. men kan hier bijvoegen, dat de muziek, het dansen en het teekene bijna altijd onder de opvoeding begrepen zijn.

 

III. Waarmede voeden zich de bewoners der steden en van het land?

 

a. Voedsel der inwoners. De bewoners van het land voeden zich over het algemeen met zwaar en degelijk voedsel, als: graauwe, groene en witte erwten en paardenboonen, waarvan evenwel het gebruik zeer is afgenomen; aardappelen, boekweitgort en anders gort- en boekweitenmeel, maar zelden tarwemeel.

 

Van het eerste bakt men koeken, alsmede eene spijs, welke bekend is onder den naam van Potstroo, dat is te zeggen: een pap van meel en melk, die men zoo lang roert, dat ze een meer vaste massa wordt. Deze alzoo geprepareerde pap wordt gegeten met eene saus van melk en boter, of met eene andere soort van vet, gemengd met stroop, indien de omstandigheden dit toelaten. In den zomer gebruikt men veel groote of roomsche bonen. Wortelen, knollen en kool worden ook gegeten, doch in mindere hoeveelheid.

 

Het gewone brood is het roggebrood; ook maakt men gebruik van tarwebrood, gebakken met zemelen en bekend onder den naam van grofweienbolle. Dijkwijl wordt het brood in sneden verdeeld, dan in kokende melk geweekt en daarna gegeten met de bovenbedoelde saus er over. Dit vindt men des zondags bij vele landbouwers. 

De landbewoners, van wat minder ruimere omstandigheden, eten ook tarwebrood, waarin soms krenten worden gebakken; men vindt dit echter op hunne tafels als eene meer uitgezochte, maar geene dagelijksche spijs. Het gewone verbruik is verder rundvleesch en spek, schaapvleesch veel minder. In het voorjaar gebruikt men de kalveren, die men niet wil opfokken, soms gedurende eenige dagen gevoed met karnemelk, soms dadelijk na de geboorte. Men maakt weinig gebruik van versch rund- en varkensvleesch.

 

In den herfst slagt de landbouwer eene zoodanige hoeveelheid vee, als gedurende een gansch jaar voor zijne huishouding noodig is. een gedeelte van het vleesch en spek wordt gezouten en in den pekel gezet, het andere wordt sterk gezouten gedurende eenige dagen en vervolgens in den schoorsteen gehangen om gerookt te worden.

 

Het eerste wordt ’s winters, het andere in den zomer gegeten. Behalve de andere spijzen eet men gewoonlijk twee malen per dag eene pap of brij grutten en karnemelk. Op hunne feesten geven de boeren, die in goeden doen zijn, wijn, pruimen, zoete appelen, gebraden kalfvleesch en schapenvleesch, en meestal een dikken koek van tarwemeel met krenten, bekend onder den naam van boffert.

 

De daglooner, die met een talrijk gezin van zijn dagelijksche verdienste moet leven, heeft geen ander voedsel dan roggenbrood en aardappelen. het brood wordt gegeten met een weinig boter of met een stuk kaas; de aardappelen met zout en mosterd, zelden met vet.

 

De gewone drank bestaat uit koffie en thee, vrij slap gebruikt. De thee, die men bij meer gegoede landbouwers vindt, is van bijzondere goede kwaliteit, zoo als men die aantreft bij de burgerklasse in de steden.

 

De koffij is meestal aangemengd met cichorei; terwijl de tegenwoordige hooge prijs der koffie zelfs aanleiding heeft gegeven om daarvoor eene zekere kunstmatige koffij in de plaats te stellen, zamengesteld uit gebrande rogge en weit, vermeng met cichorei. Van deze twee dranken gebruikt men daags twee, drie of meermalen aanzienlijke hoeveelheden.

 

Bier wordt niet dan in bijzondere omstandigheden gedronken: in de bouwstreken als men het koolzaad dorscht en in de streken, die rijk zijn aan weilanden, in den hooitijd. Buiten thee en koffij is de gewone drank karnemelk. Bij zwaar werk deelt de landbouwer somtijds jenever uit aan zijne arbeiders; wijn wordt zelden gebruikt, zelfs bij de meer gegoede klasse.

 

De tafel van de eerste standen der maatschappij verschilt weinig van die in de andere Hollandsche departementen. De spijzen, die men er aantreft en de wijze waarop zij worden toebereid, houden het midden 10 tusschen de Fransche en de Engelsche keuken. Met uitzondering van de meer feestelijke maaltijden, is het getal schotels veelal weinig talrijk.

 

IV. Welke zijn de kleeding en het hoofdtooisel van mannen en vrouwen, zoo in de steden als op het land?

a. Algemeene opmerkingen. De kleeding der Friezinnen, wanneer men die beschrijft en ontleedt, schijnt èn gelaat èn vorm weinig voordeelig te doen uitkomen. Men draagt hier ook keurslijven en die kleedjes, welke de uiterlijke vormen afteekenen en de omtrekken doen uitkomen, en waarvan de smaakvolle plooijen aan de houding eene nieuwe bekoorlijkheid bijzetten, of het gebrekkige daarvan aan het oog onttrekken; terwijl het kapsel, het haar veroordeelende om onzigtbaar te blijven, haar verpligt, om zich een sieraad te ontzeggen, waarvan men elders met zoo veel bekoorlijkheid weet partij te trekken.

 

Evenwel, wanneer eene Friezin, eenigzins gunstig door de natuur bedeeld, haar kostuum draagt, gebeurt het ligt, dat men vergeet het in bijzonderheden na te gaan; het geheel bevalt, zonder dat men eigenlijk weet te zeggen wáárom; en men heeft opgemerkt, dat de Friesche kleederdragt bijna altijd de personen, die men gewoon was anders gekleed te zien, gunstig doet uitkomen, terwijl integendeel de personen, die het Friesche kostuum dragen, bij den ruil verliezen.

 

Dit kapsel schijnt vooral voordeelig aan de blonde, frissche sekse van Friesland kenmerken, ja men kan aannemen, dat het, op een portret, verre van misstaat. Het wèl uitgevoerde werk over de verschillende kleederdragten in de Hollandsche departementen, dat te Amsterdam is uitgekomen bij den heer Maaskamp, geeft van de Friesche kleeding, alsmede van die van der inwoners van Hindeloopen, een duidelijker denkbeeld dan het mogelijk is te geven, zonder zijne toevlucht te nemen tot afbeeldingen. Ik zal echter trachten er eene schets van te leveren.

 

b. Kapsel van de stadsdames. Eene Friesche stadsdame draagt achter om haar hoofd, op eene muts van zwarte zijde, een bedeksel van goud (oorijzer), waarvan het gewigt zich regelt naar de gegoedheid. Aan de breede bladen van dit sieraad zijn aan weerseinden knopen gehecht. Daarover zet men een muts van kant, sluitende om het voorhoofd, maar van achteren in breede plooijen over den hals en de schouders nederhangende. Zij is omgeven met breede kanten, wier kostbaarheid eveneens afhangt van het vermogen.

 

Aan weerskanten van het hoofd schitteren twee spelden (juweelen veeren) van ongeveer een halven vinger lengte, waar beneden twee kleinere gevonden worden bij de knoppen van het oorijzer, welke spelden slechts één steen hebben. Aanzienlijker vrouwen voegen daaraan toe een speld of plaat (boot of naald) van edelgesteenten, gehecht aan den linkerkant der muts en afdalende tot aan de helft van het voorhoofd.

 

Bij minder rijke personen zijn de spelden en andere ornamenten alleen van goud. Om den hals draagt men strengen bloedkoralen, een gouden ketting of andere sieraden, en aan de vingers ringen van goud of met diamanten. Het manteltje van de Friezinnen hangt neder tot op de helft van den arm. Onder deze pelerine, die soms van zeer fijn bont is, of wel van de zelfde stof als de japon, draagt men eene gewone jurk van gekleurde of witte zijde, een doekte van mousseline en kanten. men voet hieraan toe een voorschoot van zwarte zijde of gaas, of van mousseline, steeds omzoomd met kanten, en eindelijk een enorme hoed van stroo, genaamd zonhoed, neêrgebogen ter zijde en van achteren, maar van voren in den vorm van een halven cirkel, waarvan de middellijn kan gerekend worden op driekwart el of een el.

 

Een breed zijden lint van ongeveer twee ellen is daaraan vastgehecht. De vrouwen weten die hoeden met veel behendigheid te dragen en de beweging er van te besturen, en bezitten eene verwonderlijke handigheid om daarvan partij te trekken, hetzij tegen den wind, het stof of de zon, hetzij om dit omvangrijk artikel te doen dienen om hare aanbidders aan te moedigen of ze voor het lapje te houden.

 

De kleederdragt van een vrouw, op deze wijze gekleed, kan gesteld worden op eene waarde van 1700 à 2500 franken.

 

c. Kapsel der landbewoonsters. De boerinnen en vrouwen van het land dragen insgelijks het oorijzer, de spelden en de muts, maar kleiner en van een eenigzins verschillenden vorm. Den hals versieren zij met groote roode koralen, waartusschen een kroontje van goud hangt, en de vingers met zwarte gouden ringen. het manteltje of de pelerine is minder smaakvol en nieuwmodisch en van minder kostbaar bont; de rok is van effen of blaauw gestreepte wollen stof; tot de voorschoot kiest men ook gewoonlijk de blaauwe of grijze kleur.

 

De lagere klassen houden zich minder aan deze kleederdragt. Men ziet veel vrouwen, die een klein stroohoedje dragen, dat doet denken aan een omgekeerde mand. Bij de meeste familiën van den eersten stand vindt men het Friesche kostuum niet meer, tenzij als eene aardigheid en om zich bij gelegenheid te verkleeden. De dames hebben de modes aangenomen, die overal in Europa aan de orde zijn. Nog merk ik op, dat ook de Friesche kleederdragt onderworpen is aan de wisseling van de mode. (3)

 

d. Kapsel en kleeding der vrouwen van Hindeloopen. Dit laatste is niet het geval met het kostuum van de Hindelooper vrouwen, dat nimmer verandering ondergaat, en dat uitgevonden schijnt te zijn, om te doen zien tot welke hoogte men de natuur kan misvormen. Het verschilt te eenemale van het hier boven beschrevene. De schoone sekte te Hindeloopen draagt een kap, waarvan vorm en breedte verschillen naar gelang van den staat der persoon, als gehuwde vrouw, als weduwe of als jong meisje. De kap bestaat uit eene donker gekleurde doek, en is zoodanig aangebragt, dat men ter wederzijden van het hoofd twee slippen, als vleugels, ziet nederhangen. Onder dezen doek draagt men een of twee mutsen, die het haar geheel bedekken. De bruiden hebben het voorregt een bijzonderen kap te dragen, rijker dan de anderen. Het haar wordt nimmer geknipt; slechts eens om de acht of veertien dagen maakt men het los, en slaat men het als vlechten rondom het hoofd.

 

Het keurslijf reikt tot aan den hals, waarvan het gevolg is, dat de boezem geheel bedekt is. De wijze, waarop de rokken worden vastgemaakt en over elkander gedragen, geven aan al die vrouwen het aanzien van verscheidene maanden zwager te zijn. Men verwondert zich er over, deze bijzonderheid reeds bij de kinderen te zien. Over het keurslijf draagt men een soort van kamisool, dat met gekleurde linten wordt vastgehecht en waarvan eene zwarte wollen of lakensche voorschoot afdaalt. Over dat alles fladdert een kleed van Indische stof, op de wijze als de japanse vrouwen. Ingeval van zwaren rouw slaan de Hindeloopsters een zwarte rok om haar hoofd. In één woord, de kleeding te dezer plaatse, zoowel van de vrouwen als van de mannen, kenmerkt zich even als de gansche stad door eene donkere en sombere tint.

 

e. Kleeding der mannen. Omtrent de kleeding der mannen valt weinig op te merken. De Friezen onderscheiden zich in dit opzigt niet van hunne naburen dan door wijzingen, die moeijelijk kunnen worden beschreven. De hoogste klassen volgen de gewoone modes van het beschaafde Europa. 

De boeren en landbewoners dragen nagenoeg de zelfde kleeding als in de andere Hollandsche departementen. Zij hebben, even als elders, hunne groote gespen en hunne groote zilveren knoopen, alsmede hun korte buis; zij dragen zelden pruiken. In de steden komt dit meer voor, en men heeft veel op met het genot van een kamerjapon.

 

Te Hindeloopen is de kleederdragt der mannen wat de kleur betreft overeenstemmende met die der vrouwen, hoewel zij zich vooral onderscheiden door het baaitje of vest, dat, boven aan den hals toegeknoopt, versierd is met eene rij zilveren knoopjes, kort op elkaar naar beneden afdalende. 

3 Eene uitvoerige en zeer bevallige beschrijving van de toenmalige Friesche kleederdragt in de aanzienlijke standen gaf Prof. J. Bosscha in het leven van Willem den tweede, die den 5 Maart 1814 als kroon prins Leeuwarden bezocht, bl. 242, overgenomen in Friesland in 1813, bl. 105. Red. 4

 

Dit onderwerp is later uitvoerig beschreven in het werkje: Merkwaardigheden van Hindeloopen; bevattende historische bijzonderheden omtrent de woningen, kleeding en taal der Hindeloopers, benevens taalproeven in rijm en onrijm; door S. O. Roosjen en N. D. Kroese te Hindeloopen, en W. Eekhoff te Leeuwarden. 1855. Red. 12

 

V. Welke zijn de zeden, gewoonten, gebruiken en uitspanningen van de inwoners, zoo in de steden als ten platten lande.

a. Karaker en zeden van de Friezen. De gewoonten en zeden van de landbewoners, vooral wanneer hunne woningen verwijderd zijn van de steden en grooteren plaatsen, zijn in den regel grof en weinig beschaafd. Men heeft gemeend op te merken, dat zij, die de vruchtbaarste streken bewonen, het minst voorkomend en gedienstig zijn, en minder gemanierd dan zij, die op meer dorre gronden gevestigd zijn.

 

In dit opzigt wijst men op de ingezetenen van het Bildt, een zeer vruchtbare streek in het noordelijkst gedeelte van dit arrondissement Leeuwarden, uitmakende de gemeenten St. Anna-, St. Jacobi- en L. Vrouwe-parochie. De reden hiervan laat zich gemakkelijk verklaren. Een vruchtbare bodem toch verzekert aan den bebouwer rijker opkomsten dan een minder vruchtbare; die rijkdom geeft spoedig een gevoel van onafhankelijkheid en doet veelal bij den minder ontwikkelden mensch eene te hooge gedachte van zich zelven ontstaan. Wie zich onafhankelijk gevoelt, is minder geneigd tot gedienstigheid jegens anderen.

 

De Friezen hebben weinig op met vreemdelingen en beschouwen bijna als zoodanig de bewoners der overige naburige departementen. Zij hebben geene groote gebreken. Weliswaar wordt er misbruik gemaakt van sterken drank, maar dit geschiedt doorgaans niet anders dan wanneer zij feestdagen, of wel ter gelegenheid van de kermis. Van nature zijn ze goedaardig en weinig prikkelbaar, maar eens in toorn ontstoken, is het moeijelijk hen weder tot bedaardheid te brengen; zelfs de meet overtuigende redeneering vermag daarbij niet veel. Bij hunne twisten waren zij vroeger gewoon hunne tegenpartij aan te vallen met het mes, zich er vooral op toeleggende, om in het aangezigt verwondingen aan te brengen.

 

In verschillende plaatsen zag men toen een opgehangen mes, en die het aanraakte, was verpligt te snijden met den eigenaar; eene wijze van vechten, die hare beminnaars en beoefenaars had, en die, hoewel steeds met bloedingen afloop, dikwijls plaats had, zonder dat men daarbij te denken had aan een voorafgeganen twist. Men zou dit ongeveer op ééne lijn kunne stellen met het Engelsche boxen; maar dit gebruik is allengs vervallen, en men vindt het tegenwoordig alleen nog bij de zeelieden.

 

Men heeft den Friezen dikwijls een onbuigzamen kop toegeschreven, en in zekeren zin kan dit waar zijn; maar aan den anderen kant is het niet te ontkennen, dat zij zich onderscheiden door bijzondere zachtheid en gehoorzaamheid aan de wet. Alleen vorderen zij, dat men hen die verklare en dat men er hen gemeenzaam mede make. Zij eischen bovendien van de zijde hunner bestuurders veel voorkomendheid en populariteit, en dat men zich verplaatse in den toestand van den persoon: want de minste tekortkoming, de minste partijdigheid of achteloosheid hunner magistraten zal niet nalaten levendige klagten op te wekken, die door den meest waardigen ambtenaar met moeite tot zwijgen kunnen worden gebragt.

 

Bovendien maakt men bij hen weinig indruk door uitwendige praal en schijn, die hunne gevoeligheid slechts zouden kwetsen. zachtheid en overreding alleen moeten alles doen; maar dit middel eischt eene groote gemeenzaamheid met hunne gewoonten, met hunne huiselijke betrekkingen, met hunne wijze van redeneeren en hunne taal.

 

Zij bemoeijen zich weinig met hetgeen niet dadelijk tot hun beroep behoort; zij spannen dáárvoor duurzaam al hunne krachten in, en zij zijn tevreden, als zij maar door niets in hunne dagelijksche bezigheden worden gestoord. Sedert de beroeringen, die in de laatste jaren in dit departement zijn voorgekomen, heeft men onder hen opgemerkt veel onverschilligheid en veel onkunde ten opzigte van hetgeen er in de wereld voorvalt.

 

Te allen tijden stonden zij bekend als dapper en geschikt voor den oorlog; eene hoedanigheid, die den naam van Fries met glans doet prijken niet alleen in de geschiedenis van het nieuwere Europa, maar ook reeds tijdens de Romeinsche heerschappij en gedurende den loop der middeleeuwen.

 

b. Hunne eerlijkheid. Daar er weinig zorg wordt gedragen voor hunne zedelijke opleiding, kan men zeggen, dat, indien zij braaf zijn – zoo als wij hier boven reeds hebben vermeld – de voorname drijfveer daartoe bestaat in de gewoonte, het gebruik en de overweging, dat zij, ander handelende, de achting zouden verliezen, die men hun toedraagt. De goede trouw en eerlijkheid moet men rangschikken onder hunne voornaamste deugden.

 

De wijze, waarop de handel gedreven wordt in veen, in granen, in boter, kaas en andere producten, levert daarvan een afdoend getuigenis: want de verkooper geeft bijna nooit aan den kooper een bewijs dat hij den prijs van het verkochte voorwerp heeft ontvangen, en de voorbeelden, dat men voor de tweede maal betaling heeft gevorderd, zijn zóó zeldzaam, dat men ze kan aanmerken als niet bestaande. 

Eveneens is het zeldzaam, dat een jonge man de geliefde verlaat, aan wie hij trouwbeloften heeft gegeven, en dat hij zijn woord schendt, vooral wanneer er zich gevolgen vertoonen van hunnen omgang. Onder de bewoners van het land wordt de huwelijkstrouw bijzonder in acht genomen, en bij, die verdacht wordt ze te schenden, staat bloot aan minachtende bejegening.

 

In de voornaamste steden zijn de zeden minder zuiver. Zelfs heeft de ongebondenheid daar merkbare vorderingen gemaakt, hetgeen men, gedeeltelijk althans, moet toeschrijven aan de aanwezigheid van militairen.

 

c. Wijze, waarop de boer en daglooner hun dag verdeelen. De landbouwer staat met zijn gezin op te 3 ure à half vier. Alsdan gaat men de koeijen melken, de boter karnen en kaas maken. De knechten, die hij gewoonlijk in zijn dienst heeft, beginnen te 5 ure hun werk. Dit is de tijd, die bestemd is om een aanvang te maken met het bewerken van het land, het te eggen, of wel ander landwerk te verrigten.

 

Te 8 ure komt het gezin bijeen, als het eerste schoft of dagwerk is volbragt. Sommigen houden dan het middagmaal en gunnen zich dan rust tot 10 ure; anderen eten een boterham, gebruiken thee en hervatten den arbeid te 9 ure. Zij, die te 8 ure middagmalen gaan te 10 ure weder aan het werk, arbeiden tot 2 uur en rusten dan een uur, waarin zij een stuk roggenbrood met boter en kaas en thee gebruiken. De overigen middagmalen om 12 uur en nemen dan rust tot 2 uur.

 

Te 6 uur is de werkdag geëindigd; het gezin komt weder bijeen, en men nuttigt dan den avondmaaltijd; - vervolgens wordt er nog koffij of thee gebruikt. De boer, die met zijn gezin geen deel neemt aan het landwerk, gebruikt zijn koffij des morgens om 10 of 11 uur, terwijl zij, die te 12 ure middagmalen, de thee gebruiken te 3 uur. Des avonds te 8 à 9 ure begeeft men zich ter ruste. Des zondags gebruikt men het middagmaal te 11 ure, in plaats van te 8 ure; des winters daarentegen is het uur van het middageten gesteld op 12 uur. De daglooner, die den boer behulpzaam is in het dorschen van het graan, begint zijn dag ten 2 à 3 uur des morgens, en eindigt dien des namiddags op het zelfde uur.

 

Op vele plaatse bestaat het gebruik, dat de boer een feest geeft aan zijn werkvolk bij het einde van den oogst, als de laatste schoof in de schuur is gebragt. Hij noodigt daarbij niet alleen de knechten en meiden, die hij in vast dienst heeft, maar ook de daglooners en de dagloonsters, die bij den oogst hebben medegewerkt. Dit feest wordt gewoonlijk gegeven op een zaturdag. Aan de gasten worden voorgezet rozijnen, gebraden schaapvleesch, zoete appelen of pruimen, na den maaltijd koffij, jenever en brandewijn, terwijl de feestvreugde voortduurt tot in den nacht.

 

d. De Zondag op het land. De Zondag wordt gevierd als een dag van rust en van genoegen. Zelden wordt hij bestemd voor den arbeid, tenzij in het midden van den hooitijd, of op het tijdstip, dat het koolzaad moet worden gedorscht. De meeste bewoners gaan een of teemaal ter kerk, en bezoeken vervolgens hunne bloedverwanten en kennissen. De ongehuwden vereenigen zich gewoonlijk in de herbergen en vermaken zich met het spelen met den bal (kaatsen) of met den stik.

 

Dit laatste spel, dat men katknuppelen noemt, bestaat in het op zekeren afstand werpen van een stok tegen een hangende ton, waarin men een kat heeft opgesloten. Hij, wiens stok de ton zoodanig verbreekt, dat de kat uit hare gevangenis kan ontspannen, wordt als overwinnaar beschouwd. Ook werpt men soms met den stok naar een koek, vastgehecht aan een paal. Hij, die deze paal omsmijt, heeft de koek gewonnen. Des winters worden deze spelen vervangen door kaarten. Bij deze zamenkomsten maakt men veel gebruik van tabak en jenever, hetwelk somwijlen, wat dit laatste betreft, tot onmatigheid overslaat.

 

Des zondags of des zaturdags gaan de jongelingen na den avondmaaltijd de koffij gebruiken bij de jongedochters in de buurt. Zij vinden daar gewoonlijk de familie vereenigd, en brengen dikwijls den ganschen nacht door met hunne geliefde, nadat de ouders en het verdere gezin zich ter ruste hebben begeven. Men kan het als een bewijs van ingetogenheid aanmerken, dat deze vrije omgang slechts zelden gevolgen heeft, die in strijd zijn met de goede zeden.

 

De markten of kermissen, die in de meer aanzienlijke plaatsen gewoonlijk eenmaal in het jaar worden gehouden, trekken een aanzienlijken toevloed tot zich uit de plaatsen van den omtrek. De viool, die zich dan doet hooren in de herbergen, noodigt de jongelieden van beider kunne tot den dans.

 

e. Harddraverijen. Wanneer er eene harddraverij gehouden, vereenigt zich de menigte in de daar naast gelegen weiden of in het veld. De prijs, behaald door den beste draver - want de paarden gaan nimmer in galop - bestaat in een vergulden (gouden of zilveren) rijk versierde zweep, of wel in een paar sporen en somtijds in een bal of in eenige zilveren lepels. Als de harddraverij geëindigd is, gaat men naar het dorp terug, om daar door zijne vrienden onthaald te worden, die alsdan thee aanbieden, darna boterhammen en vervolgens koffij, jenever en brandewijn met suiker. Anderen gaan naar de herbergen, waar de jongelingen met hunne vrijsters zich niet laten wachten. Zij brengen dan den nacht door, om met dansen, zingen en drinken zich over te geven aan luidruchtige pret. Zij, wier beurs dit toelaat, laten zich rooden of witten wijn geven, en mengen dezen somtijds dooreen.

 

f. Markten. Bijna alle landbouwers bezoeken eenmaal ter week de markten der nabijgelegen stad of vlek, om er hunne produkten te verkoopen. De eerste Leeuwarder marktdag, volgende op den 12den Mei, wordt bezocht door alle bewoners van den omtrek. 

g. Dienstbaren, die van dienst veranderen. De dienstbaren, die van meester veranderen, verlaten hun dienst den 12 of 13 Mei, en brengen alsdan eenige dagen in vrijheid door, vóór ze eene nieuwe betrekking aanvaarden. Zij maken daarvan gebruik om in grooten getale zich naar de hoofdplaats van het departement te begeven, waar zij zich vermaken, hetzij in de stad zelve, hetzij in de voorsteden. Een gedeelte van den nacht wordt aan de pret gewijd, en men hoort in de herbergen zoowel de viool als de luidruchtige dansen der jeugd.

 

h. Huwelijken, bruiloften. Men kan hierbij nog melding maken van de huwelijken, van de bezoeken, die men maakt bij kraamvrouwen en van begrafenissen, waarvan, vooral de laatsten, zeer in trek en gezocht zijn. 

De wijze van bruiloftvieren is veelal zeer eenvoudig. Men noodigt daarbij de naaste familieleden en betrekkingen, benevens de vrienden der jongelieden. Het feest regelt zich naar de omstandigheid van den bruidegom en bruid. Men vermaakt zich met zingen, dansen en drinken, en ieder der genoodigden voorziet de huishouding der jonggehuwden met een of ander stuk huisraad.

 

i. Kraambezoek. Eene vrouw, die bevallen is, zelfs van den geringsten stand, noodigt dadelijk na den negenden dag harer kraam de vrouwen en meisjes van hare kennis bij zich. Zij ontvangt deze overeenkomstig hare middelen, doch altijd met thee, koffij, tarwenbrood, soms krentebrood, beschuit, boter, kaas en brandewijn met suiker en rozijnen. Deze kraamvisites bestaan dikwijls uit eene bijeenkomst van 15 á 20 vrouwen, en niet zelden worden ze zoo luidruchtig, dat zij een ongunstigen invloed uitoefenen op de herstelling der kraamvrouw. Iedere de gasten brengt een geschenk mede in zuiker, koffij, koek of dergelijke.

 

k. Begrafenissen. De begrafenissen gaan vergezeld van buitengewonen omslag. Dikwijls worden daarbij gevraagd honderd personen en zelfs nog meer, die beiderlij kunne, die allen het lijk volgen. De predikant van het dorp heeft den voorgang bij de mannen, zijne echtgenoote dien bij de vrouwen. Na deze volgen de naaste betrekkingen van den overledene, gewoonlijk in het zwart gekleed, of, wanneer het voorname landbouwers zijn, gehuld in een klein rouwmanteltje.

 

De vrouwen dragen bij deze gelegenheid om het hoofd een grooten zwarten sluijer tegen de regen, welke dan ook regenkleed genoemd. Wanneer het sterfhuis ver van de begraafplaats is verwijderd, wordt het lijk op een boerenwagen geplaatst en dan volgen de naaste betrekkingen ook in rijtuigen. In het dorp aangekomen, wordt de lijkkist afgeladen, om daarna ter begraafplaats te worden gedragen. Zelfs dan, wanneer de groeve zeer nabij is, gaat de geheele stoet eenmaal rond de kerk. Vroeger had men zelfs de gewoonte, dit tot driemalen toe te herhalen, maar dit is meer en meer in onbruik geraakt.

 

Zoodra de kist in het graf is nedergelaten en met aarde gedekt, keert de lijkstoet terug naar het sterfhuis, waar men in dien tusschentijd gezorgd heeft dat in verschillende vertrekken verscheidene tafels zijn gedekt en voorzien met ham, spek, krentebrood, beschuit, boter en kaas. De predikant en zijne vrouw erlangen de eerste plaats bij de naaste betrekkingen; de verdere gasten plaatsen zich naar verkiezing aan de overige tafels. De predikant spreekt vóór den maaltijd een gebed uit, en eindigt dien daarna met eene dankzegging, waar tusschen hij gewoonlijk eene lijkrede, ter ere van den afgestorvene, invlecht. Gedurende den maaltijd wordt er bier geschonken, vervolgens thee, die weder gevolgd wordt door jenever en brandewijn.

 

Aan de naastbestaanden, die van verre gekomen zijn, zorgt men dat dadelijk koffij, jenever en brandewijn worden voorgezet. Als de maaltijd geeindigd is, worden alle tafels voorzien van pijpen en tabak. Dit gebruik is op het land zoo algemeen, onder alle klassen, dat zelfs arme lieden, die moeite hebben om zich behoorlijk te kleeden, daar niet buiten kunnen.

 

l. Uitspanningen. 

In de uitspanningen der Friezen bestaat weinig afwisseling. De mannen, die gehuwd of op zekeren leeftijd gekomen zijn, kennen er geene andere dan elkander wederkeerig bezoeken te brengen, of zich in de herberg te vereenigen om er hun pijp te rooken, jenever te drinken en over den landbouw te spreken. Ook bezoeken zij de paarden- en veemarkten, hetzij uit liefhebberij, hetzij om te koopen of te verkoopen. Ook de harddraverijen trekken hen tot zich. Onder de uitspanningen der jongelieden kan men tellen het kaatsen, het katknuppelen (reeds boven gemeld), het kolven en 's winters het schaatsrijden.

 

De Friezen zijn bekend als groote schaatsrijders. Zij beoefenen die kunst niet enkel uit smaak, maar evenzeer uit behoefte. En inderdaad, de natuurlijke gesteldheid van het departement, die in de vette kleistreken de verbetering van de wegen te eenemale in den weg staat, laat des winters aan de inwoners geen ander middel van gemeenschap over dan langs de kanalen. Wanneer deze met ijs zijn overdekt, worden ze veel gebruikt door middel van sleden of schaatsen. Hieruit volgt, dat de Friezen, regtuit op het doel afgaande, zich minder onderscheiden door sierlijkheid in de kunst van schaatsrijden, dan wel in groote snelheid van vaart. Van die snelheid haalt men voorbeelden aan, die aan 't wonderbare grenzen, zooals dat van een burgemeester van Bolsward, die, de Zuiderzee overstekende, in één dag op schaatsen van den Haag naar Bolsward reed.

 

Terwijl men in de Departementen van de Zuiderzee en van de monden der Maas er van houdt om heen en weder te rijden, om kunstige figuren op het ijs te maken en te balanceeren met één been in de lucht, wordt de Friesche schaatsrijder gerekend een en 1/4 mijl per uur af te leggen. Het behoort te worden opgemerkt, dat de schaatsen, waarvan men zich in Friesland bedient, op eene andere wijze zijn ingerigt, zijnde horisontaal en plat, terwijl zij elders aan de zijden eenigzins scheef zijn, zoodat men ze niet, zonder onderscheid, aan de beide voeten zou kunnen gebruiken. Verder zijn de schaatsen der Friezen zeer kort en zonder versiersel, en men vindt er niet die halve boog aan vóór den voet, welke dikwijls aanleiding geeft tot ongelukken. De vrouwen nemen evenzeer druk deel aan deze oefening, en men heeft zelfs wedstrijden gezien tusschen schaatsrijdster, waarbij de prijs werd toegekend aan haar, die het eerst een bepaald punt had bereikt.

 

m. Hardzeilpartijen. Op het Sneekermeer en ook elders heeft men evenzoo hardzeilpartijen, waarbij de overwinnaar doorgaans als prijs eene vlag ontvangt. Wanneer dit volksfeest door weêr en wind wordt begunstigd, is het zeer de moeite een bezoek waardig.

 

n. Markten of kermissen. De hoogere standen nemen ook in meerdere of minderen mate deel aan deze genoegens, eveneens ook aan die der kermissen, welke in Friesland veel overeenkomsten hebben met die in andere departementen, en aangemerkt kunnen worden als hun carneval: want men ziet daarbij gansche rijen kramen met koopwaar van allerlei soort, en spellen van springers, koordendansers, goochelaars, kwakzalvers en alles wat de menigte maar tot zich kan trekken. In iedere stad en ik elk dorp heeft men jaarlijks eenmaal kermis. Ze worden veelal druk bezocht, vooral die van de hoofdplaats van het departement, welke zeer belangrijk is. Dan ziet men dikwijls de eerste familiën voor eenige dagen hare buitens verlaten, om aan de woelige kermisvermakelijkheden deel te nemen. Bij die gelegenheid heerscht er wat meer vrijheid van zeden, die bij de minder beschaafde klassen niet zelden tot ongebondenheid overslaat.

 

o. Amusementen der hoogere standen. De gewone spelen op de societeit zijn het whist-, het hombre-, het quadrille- en het piketspel, het jassen en het reverti. De Friezen houden veel van danspartijen en concerten, waaronder die van de hoofdstad zich onderscheiden. Men kent hen veel aanleg toe voor de mimiek en het tooneel; maar dewijl het departement geen stad bezit van den eersten rang, brengen de acteurs, die trouwens geene Friezen zijn, het hoogstens tot die middelmatigheid, welke men niet anders van tooneelisten uit de provincie kan verwachten.

 

Men kent er echter liefhebberijtooneelen, die het somtijds tot eene aanmerkelijke hoogte brengen. (5) Diners en soupers zijn er niet zeer algemeen. Buiten leven de familiën zeer afgezonderd, en in de stad zijn de gezelschappen der dames dikwijls afgescheiden van die der heeren, zoodat deze laatsten in de koffijhuizen gaan of op de plaatsen hunner bijeenkomsten, om eene partij kaart of billard te spelen; terwijl de dames den avond te huis doorbrengen aan de thee tafel, om de nieuwtjes van den dag te behandelen. 's Avonds tien uur gaat ieder naar huis, om in den familiekring het avondeten te gebruiken. De soupers, waartoe men wordt uitgenoodigd, duren tot laat in den nacht en zijn aangeregt.

 

p. De taal der landbewoners. De taal, welke men in het departement spreekt, zou het onderwerp kunnen uitmaken van vele opmerkingen en nasporingen. Inderdaad spreken de bewoners van het land eene taal of landtaal (boerefriesch), die ter naauwernood voor de stedelingen verstaanbaar is. Zij, die haar spreken, schrijven haar evenwel niet, en het zijn slechts geleerden die geschreven hebben in deze taal, welke vooral geëigend is voor het eenvoudige en gemeenzame.

 

Daar op de scholen in het Hollandsch onderwezen wordt, bestendigt deze landtaal zich alleen door het gebruik. Bovendien heeft bijna ieder kanton eene verschillende uitspraak. Het tegenwoordige taalgebruik schijnt thans eene verbastering van de oude landtaal te zijn. Er bestaat daarvan eene spraakkunst, in de 17de eeuw geschreven door Gysbert Jacobs. Zij, die hem verstaan, roemen bij dezen schrijver bijzonder de zeggingskracht in zijne verzen en de zuiverheid van stijl in zijn proza. Er bestaan ook verzen van zekeren Althuizen, zaamgesteld in de zelfde taal gedurende de laatste eeuw. Professor Wassenbergh van Franeker staat bekend als daarin op de hoogte.

 

r. De stad Hindeloopen. Alvorens te eindigen met de opmerkingen betrekkelijk de gebruiken der Friezen en de bijzonderheden, welke hen kenmerken, moet ik nog melding maken van de stad Hindeloopen, die het vreemde verschijnsel levert van eene weinig aanzienlijke bevolking, wier zeden, gewoonten en kleeding te eenemale verschillen van die der overige gedeelten van Friesland en van de meest nabijgelegen plaatsen.

 

Dat een geheele landstreek, welke de natuur zelve door de meeren of bergen van de omliggende streken heeft afgescheiden, haar primitief karakter heeft behouden, zoo als het land van Wales en de Hooglanden van Schotland, dat laat zich uit den natuurlijken toestand van het land en de geschiedenis van zijne bewoners voldoende verklaren. Dit is evenzeer het geval met de kolonie Amak, gelegen in de nabijheid van Kopenhagen.

 

Maar dat eene bevolking van 1439 zielen, gevestigd op een afstand van niet meer dan een mijl van de steden Workum en Staveren en aan de andere zijde omgeven door een aanzienlijk getal dorpen, hare oude gebruiken van geslacht tot geslacht op de nakomelingenschap overplant, zonder dat er eenige natuurlijke afsluiting aanwezig is, en dat zij de scheidsmuur, die hare voorzaten hebben opgetrokken tusschen haar en de omgelegen bevolking, handhaaft, zonder de minste toenadering te gedoogen, - ziedaar een feit, dat in de geschiedenis van de zeden der volken eene bijzondere aandacht schijnt waardig te zijn. De kleine stad Hindeloopen is onregelmatig gebouwd.

 

Het meerendeel van hare bruggen en straten is alleen bruikbaar voor voetgangers, en het is moeijelijk haar met een wagen door te rijden. De bouworde, 5 Onder het Fransche bestuur, dat tooneelvertooningen en concerten bijzonder begunstigde, was hier eene Tooneel-Societeit opgerigt, die elf jaren lang bloeide en van wier werkende leden de namen bekend zijn van de Heeren E. Roorda, J. van Leeuwen, J. W. J. Steenbergen van Goor, Frederik de Haan, S. G. Cats, Mr. G. L. Teijens, Mr. S. J. Overveld, J. C. F. Esau, L. Metz, H. Dijkman en Mr. A. van Halmael jr., die dadelijk bij zijne komst te Leeuwarden daarvan lid werd en in 1817 zijn blijspel: de Hekelaar aan zijne medeleden opdroeg. Red.

 

maar vooral de inwendige inrigting der huizen, is allervreemdst, en de wansmaak zou zich niet op eene meer bizarre en kleingeestige wijze kunnen in het licht stellen. Hetgeen vooral de aandacht trekt, dat zijn de vensterblinden of luiken, geverfd met een zwarte of zeer donkere kleur, die men gewoonlijk in deze stad aantreft, en op eene wijze om marmer na te bootsen, zoodat men het zou kunnen gelijkstellen met slechte arabesken.

 

De kasten of keeften van eiken hout, overladen met ornamenten en snijwerk, getuigen van de kunst of ten minste van het geduld van den vakman. Rijk zijn de lijsten der spiegels, de draperiën der schoorsteenen, de uitgelezen verzamelingen van Japansch porselein, dat vroeger zeer kostbaar was, doch waarvan, wegens de verandering van den smaak, de waarde thans zeer is verminderd.

 

De woningen zijn niet breed en maar van ééne verdieping. De verdeeling der vertrekken is geheel in overeenstemming met de meubelen. In het midden vindt men het vertrek, dat de Hindelooper kamer wordt genoemd, waarin de gansche familie des winters den geheelen dag doorbrengt en er in slaapt. Aan de eene zijde is de groote schoorsteen, aan de andere zijde de slaapsteden in de muur, als een soort van kast of nis, door een schot met planten omgeven (bedsteden).

 

Deze slaapplaatsen vindt men zeer algemeen in alle Hollandsche departement; zij onderscheiden zich in Friesland dikwijls door hunne verhevenheid, zoodat hij, die er op wil slapen, gebruik dient te maken van een stoel of van een trapje, om tot zijn doel te komen. Er zijn meer bijzonderheden aan de Hindelooper kamer verbonden.

 

Eene daarvan is nog zonderlinger. Het is de bijzondere breedte van deze bedsteden, die zich in den muur bevinden en soms belendende zijn aan twee vertrekken, waarvan het een, een meer verhevene plaats hebbende, toelaat, dat men er op zijn gemak ingaat, terwijl men, het bed aan de andere zijde willende verlaten, zich op eene gevaarlijke hoogte bevindt. Men verzekert, dat soms het gansche gezin van eene en de zelfde bedstee gebruik maakt, zoodat men, op het uur van opstaan, ten gevolge der breedte dezer bedsteden, soms achtereenvolgens een aanzienlijk getal personen uit een en het zelfde bed te voorschijn ziet komen. Men verhaalt nog, dat een vriend of vriendin des huizes, daar den nacht doorbrengende, almede van die bedstee gebruik maakt en dat de man tusschen die persoon en zijne vrouw ligt, als het een man is, terwijl, indien de persoon tot de vrouwelijke sekse behoort, de vrouw ligt tusschen die persoon en haar echtgenoot.

 

Het is wel aan te nemen, dat deze vreemde gebruiken er toe geleid hebben om aan de ingezetenen van Hindeloopen iets belagchelijks te vinden, dat ze eigenlijk niet verdienen. Ook is dikwijls moeijelijk om precies te weten hoe de juiste toedragt is, maar hetgeen niet twijfelachtig schijnt, is dit, dat de jongelieden, het hof makende aan hun meisje, vrijheid hebben haar te bezoeken op bed, terwijl de beide gelieven alleen gescheiden worden door den deken. Volgens een ander gebruik zendt de minnaar, die zijne geliefde wenscht te bezoeken, haar eenige eetwaren, of geld om die te koopen; als zij dit aanneemt, heeft de minnaar vrijheid om den nacht bij haar door te brengen, zonder zich evenwel de regten te mogen veroorloven, waarop de huwelijksband alleen hem aanspraak vermag te geven.

 

Op het einde van den winter verlaat men het groote vertrek, waarvan hier boven gesproken is, om gewoonlijk een klein vertrek te bewonen, dat door een grootere of kleinere binnenplaats van het huis afgescheiden is, soms ook door een kleinen gang, als het gezin tot de mingegoeden behoort. Dit klein vertrek, lytshuus genoemd (little houses), schijnt te moeten worden aangemerkt als tuin- of buitenverblijf; maar, daar het meestentijds noch door boomen, noch door grond omgeven is en zij gewoonlijk hunne woonverblijven verbergen en deze dus zelden een vrij uitzigt opleveren, kan men dit verblijf beschouwen als een dwaas bijvoegsel aan den zonderlingen bouwtrant daar ter stede. Een boom is eene zeer vreemde zaak te Hindeloopen. Deze omstandigheid, gepaard aan de naaktheid van geheel de omliggende landstreek, vergroot het zonderlinge van de plaats.

 

Gedurende den loop van den dag ziet men de inwoners uit, om de lucht te genieten. Zelden komen zij elders. De gehechtheid aan hunne gebruiken is van dien aard, dat onlangs eene moeder, op haar doodsbed, hare dochter liet beloven, om nimmer het Hindelooper kostuum te zullen afleggen. Voor het overige is de stad, die vroeger bestond van de scheepsvaart, sedert de laatste jaren in verval geraakt. Hare rijkste ingezetenen waren scheepskapiteins van de groote vaart, die haar uitkozen om zich er stil terug te trekken; maar hunnen fortuinen, voor het meerendeel in publieke fondsen geplaatst, hebben gevoelig geleden. In het inwendige van hunne woningen laten zich in vroegere gebruiken van het zeemansleven niet miskennen en dikwijls doet het denken aan de kajuit van een schip.

 

s. Molkwerum. Het naburige dorp Molkwerum is de enige plaats, die de Hindelooper gebruiken volgt. Het heeft eenige vermaardheid verkregen wegens de wanorde, welke men er opmerkt in de wijze, waarop de huizen zijn gelegen. Inderdaad is daarin geen orde of eenige rigting te bespeuren. De huizen schijnen er hier en daar in alle rigtingen neêrgeworpen te zijn, al naar het toeval het meêbragt.

 

Dewijl ze bijna alle van elkander afgescheiden staan, is het gevolg hiervan, dat te Molkwerum geen weg of straat noch iets van dien aard bestaat Alleen kleine paadjes dienen om van het eene huis in het andere te komen, en die zijn alleen bruikbaar voor voetgangers. Deze omstandigheid heeft aan het dorp den naam doen geven van Friesche doolhof, daar het gelijkt op een damspel, waarbij men eene onregelmatige en van de gewone wijze afwijkende methode volgt.

 

VI. Welke zijn de meest gewone ziekten bij de Friezen, hare oorzaken en de daar tegen aangewende middelen?

Zonder twijfel heeft men niet op het oog gehad de mededeeling van alle ziekten, die in Friesland, even als elders, voorkomen, hare oorzaken en de daar tegen aangewende middelen, maar eeniglijk die ziekten, welke men kan aannemen als het noodzakelijk gevolg zijnde van den natuurlijken toestand van het departement en zijn bewoners.

a. Ziekten ontstaan gewoonlijk uit eene belette uitwaseming. Vermits de luchtgesteldheid in Friesland dagelijks verandering ondergaat en dikwijls meer dan eens op den zelfden dag, zoo volgt daaruit, dat de transpiratie der ingezetenen ieder oogenblik gevaar loopt van te worden verhinderd. Men kan alzoo zeggen, dat de meest gewone ziekten in Friesland het gevolg zijn van de belemmering der uitwaseming, als bijv. Aandoening der slijmvliezen (catareés), tusschenpoozende of doorloopende koortsen, kolijk, buikloop, cholera, galziekte, pleuris en rhumatisma, om niet de verder benamingen op te geven, welke deze ziektesoorten erlangen, naarmate der lichaamsdeelen, die er door zijn aangetast, of der bijzondere verschijnselen welke haar vergezellen.

 

Deze ziekten zijn echter niet altijd, en zelfs zelden, van eenvoudigen en zuiveren aard, maar meestentijds zaamgesteld, zoodat zij 's winters en in het voorjaar van ontstekingachtigen en in den zomer en herfst van galachtigen aard zijn, als wanneer de lever vooral wordt aangetast en de gal niet naar behoren afscheidt, zoowel wat hoeveelheid als hoedanigheid betreft.

 

b. Geneesmiddelen. Wat nu de geneeswijze en de middelen betreft, zal ik hier niet herhalen, wat door zoo vele schrijvers is uiteengezet, en zal ik mij bepalen tot de volgende opmerkingen, die het resultaat zijn der ondervinding van de geneesheer, die zich zeer onderscheiden heeft en gedurende meer dan 25 jaren de praktijk in de geheele uitgestrektheid van het departement heeft uitgeoefend.

 

1. De ziekten van ontstekingachtigen aard, die hier zelden hevig zijn, vereischen geene - en gedoogen ook geene - sterke aderlatingen: want bijna al die ziekten veranderen spoedig hunne stenische (ontstekingachtige) natuur in een asthenisch (slepend) karakter; derwijze echter, dat de blinde navolgers van het Browniaansch systeem, die gelukkig in Friesland niet gevonden worden, even weinig zouden slagen in de behandeling dier ziekten, als anderen, die, zonder de noodige theoretische kennis te bezitten, in een hospitaal slechts recepten en aderlatingen hadden zien voorschrijven, bijna zoolang als de patient pijn voelt.

 

2. De behandeling van galachtige ongesteldheden vereischt hier veel oplettendheid, en het is even gevaarlijk, te trachten om de lijder van de gal en verkeerde vochten te ontlasten door te dikwijls toegepaste evacuaties, en dit middel te herhalen totdat de tong van den patient zuiver is, - indien de behandelende gedurende de kuur niet bezweken is - als dat het voegzaam zoude zijn dat zuiveringssysteem geheel te verontachtzamen.

 

3. Daar bijna alle ziekten hier haar oorsprong hebben in een onderdrukte transpiratie, moet de kunst, om kranken te behandelen voornamelijk bestaan in het voorzigtig bevorderen van de uitwaseming, en in het toedienen van de chinine op het juiste oogenblik en in de gepaste hoeveelheid: want zonder dit heilzame middel zouden alle pogingen van den geneesheer onvruchtbaar zijn.

 

c. Galachtige ongesteldheden in den herfst. Onder de ziekten in Friesland zijn er geene, die zoo algemeen zijn en wier uitwerking zoo noodlottig is voor de bewoners van het gewest, als de galachtige ongesteldheden gedurende den herfst, die daar heerschende zijn, even als in de andere Hollandsche departementen, in de maanden Augustus, September en October, doch die in Friesland toegeschreven moeten worden aan andere oorzaken dan elders. Men heeft echter de hoop niet opgegeven, om, door de oorzaken weg te nemen of te verminderen, er eenmaal in te slagen, om dien geesel te overwinnen.

 

d. Hare oorzaken. Hare oorzaak is weinig twijfelachtig, wanneer men de plaatsen in aanmerking neemt, waar zij zich het meest voordoen. De ondervinding heeft doen zien, dat het zijn de hooge kleigronden, gedeeltelijk gelegen in het arrondissement Sneek, maar voor het meerendeel in dat van Leeuwarden; terwijl het arrondissement Heerenveen gewoonlijk geheel verschoond blijft van deze zieken.

 

Een gevolg daarvan is het zeer verschillende sterftecijfer van de drie arrondissementen, hetgeen nog is opgemerkt in den loop van het laatste jaar. Gedurende de maanden Augustus, September en October hebben deze ziekten niet méér geheerscht dan gewoonlijk, en toch, wanneer men de sterftelijsten van deze maanden raadpleegt en de verhouding van sterfte en bevolking, dan verkrijgt men de volgende uitkomsten: In het arrondissement Heerenveen bedroeg gedurende het bedoelde driemaandelijksch tijdvak de sterfte 187 op de 36,529 inwoners, of 1 op 195, en in dat van Sneek 275 op 45,445, of 1 op 165 en in dat van Leeuwarden 759 op 94,729, of 1 op 125.

 

Dit reeds groot verschil laat zich ook nog opmaken uit de sterftelijsten van de kantons van het laatste arrondissement gedurende dat zelfde trimester. Want in het kanton Bergum had men 51 sterfgevallen op 10,515 inwoners of 1 op 206; in het kanton Buitenpost 41 op 9,236 of 1 op 225; in het kanton Dronrijp 48 op 7,694 of 1 op 160; in het plattelands gedeelte van het kanton Leeuwarden, no. 2, 36 op 5141 of 1 op 151; in de stad Leeuwarden en zijne uitbuurten 134 op 16,230 of 1 op 121; in het kanton Holwerd 72 op 7,824 of 1 op 108; in het kanton Hallum 100 op 10,428 of 1 op 104; in het kanton Franeker 100 op 10,414 of 1 op 104; in het kanton Harlingen 96 op 9,264 of 1 op 99; in het kanton Dokkum 93 op 7,983 of 1 op 86.

 

De verschillende gemeenten van het arrondissement Leeuwarden vertoonen in dit opzigt een even in het oogloopend verschil. Indien dan de herfstkoortsen in het laatste en de daaraan voorafgaande jaren voornamelijk geheerscht en het grootste aantal personen weggenomen hebben in die gedeelten van het departement, waar zich de hooge vette gronden bevinden, zoo volgt daaruit, dat men als oorzaken van die ziekte niet kan aannemen de uitdampingen van de lage gronden, de moerassen en de stilstaande wateren, waaraan men ze elders dikwijls heeft toegeschreven.

 

Immers juist het district, dat het laagst en meest moerassig is en waar men de meeste plassen en stilstaand water aantreft, had daarvan het minste te vrezen, zoo als het arrondissement Heerenveen, een gedeelte van dat van Sneek, alsmede de kantons Bergum en Buitenpost, hoofdzakelijk gelegen in het midden van meeren, veenachtige moerassen en uitgravingen lage veenderijen, die zich van verre als slechts één groote plas van stilstaand water vertoonen.

 

De uitdampingen van het zeeslik kunnen evenmin aangemerkt worden de bovenbedoelde ziekten voort te brengen: want in nabijheid van Harlingen behoudt de zee eene aanmerkelijke diepte tot aan het paalwerk, bestemd om haar te bedwingen, zoodat bij ebbe aldaar geene groote uitgestrektheid slik blootvalt, zoo als dit plaats heeft in andere departementen en bij het Noorderleeg. En toch openbaren de ziekten, waarvan ik hier boven sprak, zich het meest in de kantons Harlingen en Franeker, terwijl men ze daarentegen in het verloopen jaar en ook in de daaraan voorafgaande jaren niet heeft opgemerkt in de nabijheid van het Noorderleeg. 

Noodwendig moeten er dus andere omstandigheden zijn, eigen aan de hooge vette gronden van Friesland, die jaarlijks oorzak zijn van deze ziekten, die men elders niet in het departement aantreft.

 

De aandacht dan vestigende op den natuurlijken toestand van het gewest, om die oorzaak te ontdekken, komt men spoedig tot de opmerking, dat, met uitzondering van de hooge veenen, het boezemwater over de geheele uitgestrektheid van het departement een en het zelfde peil heeft, zonder dat men het middel bezit, om het hooger te houden in de hoogere, of wel lager in de meer lagere streken. Om deze laatsten in het voorjaar van water te ontlasten en ze boven water te houden, is men alras genoodzaakt belangrijk meer water af te voeren, dan noodig en doelmatig is voor de hoogere terreinen.

 

Aangezien de uitdampingen en andere omstandigheden al spoedig gedurende den zomer het water op nog lager peil te brengen, vallen vele kanalen en vaarten in de hoogere streken bijna droog, en zijn niet bevaarbaar, zonder den grond als het ware om te woelen, waardoor in die kanalen eene groote hoeveelheid hydrogeen zwavelzuur-gas wordt ontwikkeld, dat zoo schadelijk is voor de gezondheid.

 

Hier komt bij, dat planten, insekten en dierlijke overblijfsels, welke het water, al wegvloeijende, op de drooge boorden heeft nagelaten, overgaan tot een staat van bederf en ontbinding, die de lucht bezwangeren met onreine en schadelijke uitwasemingen. Deze zouden minder snel en minder hevig ontwikkelen, indien het water van die kanalen en vaarten in bij alle hoogere streken doorgaans niet min of meer brak was, ten gevolge van het invloeijende zeewater door de zeesluizen, welke men genoodzaakt is dagelijks ettelijke malen te openen tot het doorlaten van schepen. 

Inderdaad heeft de vermaarde Pringle en hebben anderen na hem op overtuigende gronden aangetoond, dat, hoewel het zeezout anders een uitmuntend tegengift is tegen bederf en ontbinding, niets daarentegen het bederf van plantaardige stoffen zoo zeer bevordert als het water, wanneer het vermengd is met eene groote hoeveelheid zeezout van een gering en onvoldoend gehalte.

 

Dat de lucht, aldus vervuld met onreine uitdampingen en uitwasemingen, veroorzaakt door het des zomers uitdroogen van vaarten en kanalen, de ziekten, waarvan hier sprake is, kunnen voortbrengen, - ziedaar een feit, steunende op natuurlijke gronden, bewezen door de ondervinding, en hetgeen door niemand meer in twijfel zal worden getrokken.

 

e. Gebrek aan drinkbaar water. Maar behalve deze oorzaak, die van invloed is op de hoogere districten, en die er de herfstkoortsen ten gevolge heeft, is er nog eene andere in verscheidene plaatsen dier streken, - voor een gedeelte evenzeer het gevolg van het lage peil van het binnenwater, waaraan men een groot getal dier ziekten in de hoogere streken kan toeschrijven, en die op zich zelve voldoende zou zijn om ze in het leven te roepen en om gevaar er van te vergrooten, - het is het gebrek aan de noodzakelijke en voldoende hoeveelheid van drinkwater van goede kwaliteit in dié zomers, welke zich onderscheiden door groote warmte.

 

Daaromtrent merk ik op, dat, wanneer de voorraad regenwater verbruikt is, de bevolking zich genoodzaakt ziet - omdat het water in de kanalen min of meer brak is - het in de nabijheid der woningen te halen uit geïsoleerde, half drooge slooten, zonder er acht op te geven of deze onrein en morsig zijn geworden, door omroering of door eene menigte van nog levende of in staat van ontbinding verkeerende insekten, of wel door bedorven plantaardige bestanddeelen.

 

f. Middelen om daaraan tegemoet te komen. Deze zijn zonder twijfel de omstandigheden die op den gezondheidstoestand van eenige gedeelten van Friesland een ongunstigen invloed uitoefenen. Ook heeft men niet nagelaten te onderzoeken, of het niet mogelijk zou zijn, deze invloeden te voorkomen en de ingezetenen te vrijwaren tegen hare verderfelijke uitwerking.

 

Een brief van den Hollandschen Minister van binnenlandsche zaken noodigde in 1809 de geneeskundige commissie van het departement uit, om hare ernstige aandacht op dit onderwerp te vestigen. Ook verzocht de heer professor A. Ypeij te Leiden een der leden van die commissie, volkomen ingewijd in alles wat den natuurlijken toestand van Friesland betreft, om, als het mogelijk was, een voorstel in te dienen, om dien toestand van den waterstaat te verbeteren. Het rapport van dezen geleerde verdient bijzonder de aandacht; doch, daar deze brief niet bestemd is, om in de onderdeelen - waartoe het onderwerp aanleiding zou kunnen geven - af te dwalen, komt het mij voldoende voor, om het gewigtige er van te doen gevoelen.

 

Ook zal ik hier niet onderzoeken, of het doel zou worden bereikt, zonder tot al te groote uitgaven te leiden en in welke mate een verlicht en werkzaam toezigt verbetering belooft van den natuurlijken toestand van de hoogere gronden van Friesland in betrekking tot den gezondheidstoestand. Ik eindig dit rapport met op te merken, dat de dysenterie (roode loop), eene ziekte, die zich in de andere Hollandsche departementen bij jaarlijks voordoet, en dáár eigenlijk onder de gewone ziekten moet worden gerangschikt, in Friesland uiterst zeldzaam voorkomt, zoodat, volgens getuigenis van oude geneesheeren, deze ziekte hier vóór 1779 nooit epidemisch heerschte.

 

Bovendien verklaarde D. J. Vitringa Coulon, een kundig geneesheer, die gedurende 25 jaren een uitgebreide practijk heeft uitgeoefend, dat hij deze ziekte nimmer had behandeld dan alleen in den laatsten zomer in het dorp Nes, waar zij vele slagtoffers maakte, zonder zich echter over het departement uit te breiden. (6) Ik heb de eer enz. Enz. ------- 6 De hier genoemde Dr. J. Vitringa Coulon, waarschijnlijk de zelfde als op de vorige bladzijde met een der leden van de geneeskundige commissie werd bedoeld, heeft welligt de vorenstaande denkbeelden over den gezondheidstoestand aan den Prefekt medegedeeld, doch later een uitgebreid geschrift daarover uitgegeven, getiteld: Statistiek en geneeskundig berigt wegen de geborenen en gestorvenen in Vriesland, in 1815-1828, 1831 als rapport aan den Gouverneur ingediend en door vele tabellen toegelicht. Opmerkelijk is het, dat hij daarin bl. 11 env. Omtrent de hier gemelde oorzaken der ziekten tot geheel andere denkbeelden was gekomen.