Gedemolieerde Blokhuis


Dit gebouw, in den jaare 1571, door den Onder-Stadhouder, Caspar de Robles, Heer van Billy, nog aanmerkelyk Versterkt2; ook was hetzelve destyds de verblyfplaats des Stadhouders, en altyd met genoegzaam krygs volk voorzien.

 

  • Men vondt in den ouden wester gevel, aan de rechterhand, een hardsteenen wapen, verbeeldende een dubbelen Arend, met een schild voor denzelven, en daarop, zo het schynt, twee hanen met oude Duitsche letteren rondom het wapen doch geheel onleesbaar.
  • Aan de linkerhand vondt men insgelyks een wapen als hangende aan een lint of strik, zynde het geheele schild schoon, met een dwarsbalk door hetzelve, op welks beide einden, op een afzonderlyk ornament, eenige Duitsche letters gehouwen waren, doch ook geheel onleesbaar.
  • Voorts was in deezen gevel nog geplaatst het jaargetal van 1515, welk waarschynlyk betekend zal hebben de overdragt van Friesland aan Hertog Karel van Bourgondie; ten minden vindt men by Gabbema3, dat Floris van Egmond, Jonkheer tot Ysselstein, als Stadhouder van gemelden Hertog, in den jaare 1515, den Saxischen Raad uit Eed en dienst ontsloeg, en een nieuwen Raad uit ingebooren Friezen aanstelde, welken nieuw aangeleiden Raad, hy Stadhouder, by zich op dit Blokhuis ontbood, om den Eed in zyne handen af te leggen.
  • Dit Blokhuis is in den jaare 1580, tusschen den laatsten van Louw- en den eerden van Sprokkelmaand, door een behendige krygslist van de Stads Schuttery en drie kompagnien Staatsche Soldaaten, na dat het tachtig jaaren gedaan had, gedemolieerd, de grachten gevuld en de wal geslegt. Thans wordt dit huis gebruikt tot een Provinciaal gevangenhuis, en is aldus gesteld: voor hetzelve, aan den westkant, gelyk ook aan den noordkant, is een ruim plein. Het laatste, dat met fraaye lindeboomen beplant is, en den naam draagt van Tournoibaan, levert van den west- en noordkant een alleraangenaamst gezigt op.
  •  Tusschen deeze twee pleinen is een pad, geheel met steenen gevloerd, en aan weerskanten met blaauwe arduinsteenen paalen en yzeren leuningen, mitsgaders een sierlyke allee van boomen, voorzien, loopende tot byna aan den kapitaalen ingang van dit huis, welke aan den noordkant is, zynde een fraaye hardsteenen poort, naar de Toscaansche orde gebouwd; boven dezelve ziet men de Gerechtigheid verbeeld, sierlyk in hardsteen gehouwen; aan weerskanten, bezyden de poort, is een zeer zwaare muur, van boven met zwaare yzeren proppen en klaauwen voorzien, zynde aan de rechterhand, op het einde van deezen muur, een toren met een opgaande trap naar boven, waarby de ter dood veroordeelde gevangenen, na hunne Sententien op de Kansellary te hebben gehoord, op het schavot worden geleid.
  •  Binnen de poort ontmoet men eene ruime plaats, aan welker linkerhand de gyzeling of civile gevangenis is, bestaande dezelve in een ruime kamer met een vuurhaard en de daarin vereischte legersteeden; voorts eene plaats, overdekt met roosterwerk en rib, en afgescheiden door een' muur en paalwerk van de groote plaats; op deeze overdekte plaats hebben de aldaar zittende gevangenen vryheid om te mogen wandelen.
  •  Naast deeze gyzeling, aan de rechterhand, zyn twee vertrekken voor den Cipier, tusschen welke vertrekken een trap is, opgaande naar de groote zaal of examinatie-kamer; zynde voorsz. vertrekken behangen, net betimmerd, en met schuifraamen, op de groote plaats uitziende, voorzien: aan de rechterhand van de poort gaat men, over de groote plaats onder een verwulf, naar het zogenaamde kleine gat, gemerkt met No. l, van welk gat de muuren ontzaglyk dik zyn, en van binnen geheel met hardsteen opgezet, kunnende alhier maar één gevangen teffens worden geplaatst.
  • Over gemelde gat is een zomervertrek voor den Cipier, zynde eerst behangen kamer, die een alleraangenaamst uitzigt heeft op de zogenaamde tournoibaan.
  • Nog is onder dit verwulf een gevangens gat, gemerkt met No. 2, zynde dit het zogenaamde groot gat, onder het schavot, geheel opgezet met hardsteen, en de muuren van een ontzaglyke zwaarte; voor dit gat is een hardsteenen poort, ter dikte van vier voet, en twee eiken deuren, ieder van vier duim dikte, en alles met genoegzaam yzerwerk voorzien, kunnende in dit gat twaalf gevangenen teffens worden geplaatst. Van deeze gevangenhokken gaat men te rug, onder voorengemelde verwulf, naar de keuken, welke zeer ruim en met alle de vereischten naar behooren is voorzien: by of omtrent deeze keuken is een provisiekelder met een verwulf, zynde deeze kelder door de noodige afschutzels, tot berging der onderscheiden eetbaare waaren, genoegzaam afgescheiden.
  1. Verhaal van Leeuwarden. bl. 237.
  2. Gabbema verhaal van Leeuwarden, bl. 535.
  3. Bl. 307 en 308.
  4. Schot. Kron. van Friesl. bl. 842.
  • Voorts vindt men by deeze keuken een portaal, dat van de plaats afkomt, en daarin een breede en zeer gemaklyke trap, opgaande naar boven, alwaar een portaal is, Op welks linkerhand men de groote zaal of examinatie-kamer der gevangenen heeft, zynde dit ook het vertrek alwaar de Sententien, geen doodvonnis behelzende, aan de gevangenen worden voorgeleezen. Dit vertrek is zeer ruim, en groot, en wordt verlicht door drie vensters van een oude bouworde, uitzigt hebbende op de groote plaats; in deeze zaal vindt men eene met groen laken overdekte tafel, in welks midden het wapen van Friesland geborduurd is; boven aan het einde deezer tafel, als ook aan de twee kanten, heeft men vyf met groen laken bekleede stoelen, en aan het beneden einde een houten bank of zitplaats voor de gevangenen; nog zyn op deeze zaal twaalf stoelen, insgelyks met groen laken bekleed.
  • Op deeze kamer is in den jaare 1784 geplaatst de pynbank, waartoe voortyds een afzonderlyk vertrek werd gebruikt, zynde zo geschikt en beknopt gemaakt, dat de geheele pynbank met derzelver instrumenten, geen meer plaats in de breedte dan twee en een tweede voet, en in de lengte maar tien voeten ruimte wegneemt.
  • Naast deeze kamer, aan de linkerhand, is de ingang tot het zogenaamde groot gat met No 3, zynde een korte gang, waarin is eene lichtschepping, vervolgens eene deur van rib, en tusschen beiden een portaal, waar na de ingang volgt tot het gemelde gat zelf, dat zeer hecht gemaakt, en by uitstek zuiver en luchtscheppend is; hier vandaan gaat men, westwaarts, langs een gang, naar de zogenaamde Studentekamer: deeze kamer is met een ledikant en haardstede, als ook met een venster of lichtschepping, voorzien; van dezelve gaat men by een trap op naar een kamertje, dat aan den Cipier behoort, en aan den oost-, zuid- en westkant der Vesting of Bolwerk, een alleraangenaamst uitzigt heeft.
  • Hieruit met een trap naar de, in den jaare 1783, nieuw gemaakte gevangenisvertrekken gaande, ontmoet men eerst een portaal, en aldaar recht uit het vertrek, getekend met No. 8, zynde zeer hecht gemetzeld, en tot verzekering met genoegzaam yzerwerk voorzien; echter zeer fris en lichtscheppend. Van daar het portaal noordwaarts gaande, heeft men het vertrek met No. 9. in alles gelyk aan dat van No. 8; vervolgens een gang westwaarts, waarin, aan de rechterhand, de ingang is tot drie gelyksoortige vertrekken, getekend met No. 10, n en 14.
  • Den gang weder te rug gaande, zyn aan de linkerhand twee dergelyke vertrekken, met No. 13 en 12.
  • Uit het voorengemelde portaal, by de zogenaamde Studente-kamer, gaat men de rechterhand om door een' gang, in welken aan de rechterhand een hok is tot berging van goederen, en aan de linkerhand het vertrek voor de gevangen zynde vrouwspersoonen, gemerkt met No. 7; zynde dit een ruim vertrek, dat geen gebrek heeft aan frissche lucht, en voorzien is met de noodige legersteden. Uit voorschreeven gang gaat men mede op de turf en houtzolders, en by een trap op naar den stroozolder. By het voorengemelde vertrek der vrouwspersoonen is een trap, neergaande naar de geesselzaal, of de plaats alwaar de gevangenen worden ontkleed: op deeze zaal is een gevangenisvertrek mee No. 4, als mede de deur van de trap onder by den toren opgaande. Van deeze zaal gaat men westwaarts, door een gang, naar het schavot, in welken aan de rechterhand twee gevangenisvertrekken, getekend met No. 5 en 6; zynde dit laatste een vertrek, alwaar de te water en brood veroordeelde gevangenen geplaatst worden.
  • Ten einde van deezen gang is een ruim vertrek, verlicht door twee schuifraamen, en uitzigt hebbende op het schavot; in dit vertrek zich men een Justitiepaal, waaraan de in het geheim gestraft wordende gevangenen worden gegeesseld.
  • Ook vindt men hier het kruis, waarop gerabraakt wordt; nog hangt hier een Crocodil, voor veele jaaren aan onze Friesche Zeekust gevangen, en eertyds op het Kollegie der Edele Mogende Heeren Gedeputeerde Staaten geplaatst, doch, by de verbouwing van dat Collegie, alhier opgehangen.
  • Uit dit vertrek komt men, door eene deur, op het publiek Schavot, zyn uitzigt naar 't Westen hebbende, en rondsom met yzeren leuningen voorzien: in den Zuidwesthoek van hetzelve, staat een blaauw arduinsteenen Justitie paal, en boven op den zelven een Leeuw, houdende het Provinciaale wapen voor zyn borst.
  • Deeze Westergevel is in den jaare 1783 geheel vernieuwd, en pronkt van boven met een hardsteenen frontispice, naar de Toscaansche orde gebouwd in het midden op de frontispice is geplaatst het Provinciaale wapen, dat van boven met een kroon versierd is, en aan weerskanten dooreen liggenden Leeuw wordt vastgehouden, zynde alles van hardsteen gemaakt.
  • Van meergemelde Schavot weder naar binnen gaande, door het laatstgemelde vertrek, gang en geesselzaal, komt men, door een tweeden gang, by de Droefkamer, in welke de ter dood verweezen gevangenen, na dat hun de bereiding daar toe is bekend gemaakt, hun laatsten leeftyd doorbrengen, en alwaar niet alleen de Predikanten, maar ook wel andere godvruchtige menschen, deeze gevangenen tot den laatsten oogenblik bezoeken. In deeze kamer heeft men een bedsteed, vuurhaard en eenige zitbanken.
  • Van deeze kamer gaat men, langs dezelfde trap waar by men opgekomen is, naar beneden op de groote plaats by den ingang of poort.
  • Dit huis is van boven met blaauwe pannen en leyen gedekt, en met drie Windwyzers voorzien.
  • Aardrijkskundig woordenboek van der Aa, vanaf 1839.
  • CAMMINGHABURG of Cambuur, ook wel onder den naam van het Oud-Blokhuis bekend, voormaals een adell. slot, prov. Friesland, kw. Oostergoo, 5 min. beoosten en onder het behoor van de stad Leeuwarden.

 

Deze zeer oude stins was geheel uit eene diepe en breede gracht, die haar omringde, opgetrokken, door hovingen en singels omgeven en nog door eene tweede gracht en afzonderlijke voorpoort van den algemeenen weg afgescheiden. het huis, reeds zeer vroeg door het adellijk geslacht Cammingha gebouwd, werd in het jaar 1306 door den Potestaat Regnerus Cammingha bewoond, en had in 1398, toen het bewoond werd door Gerrit Cammingha, die met Hertog Albrecht van Beijeren heulde en Hollandsche bezetting ingenomen had, een hevigen aanval van de Friezen te verduren, die het slot innamen en de bezetting ombragten of verdreven.

 

Het werd achtervolgens door verschillende leden van de geslachten Cammingha, Juckema, Eminga, Burmania en Rengers bewoond; doch toen het, in het midden der vorige eeuw, ledig gelaten werd, is het, na den brand van het Lands Tuchthuis te Leeuwarden, een tijdlang gebruikt geworden tot eene bewaarplaats van gevangenen, en later van lands ammunitie. In 1810 is het slot met de kapel, voorpoort en nevenstaande boerenwoning afgebroken, en de hooge standplaats van het slot zelf beplant met populieren, die nog lang, zelfs op eenigen afstand, de geheugenis aan het vroeger zoo beroemde gebouw levendig hielden.

 

Doch ook deze herinnering is in 1838 verdwenen en die plek sedert geslecht, de diepe grachten grootendeels gedempt, en verder alle sporen van vroegere bewoning en beplanting uitgewischt.