Geweldsmisdrijven


Het aantal agressiemisdrijven (moord, doodslag, belediging, mishandeling, vernieling) was in Utrecht in de late Middeleeuwen erg hoog. Beledigingen werden ook wel bij de geweldsmisdrijven gerekend, omdat ze tot verder geweld konden leiden. Iemands eer en goede naam werden zo belangrijk gevonden dat de mensen er gemakkelijk voor gingen vechten.


De samenleving was misschien meer dan nu van de eer afhankelijk. Als iemand een "eerbare man" was, dan kon men hem vertrouwen wanneer hij iets zei voor de rechtbank en kon men rustig een koop met hem sluiten. Aantasten van die eer betekende het ondergang van het systeem. In de praktijk bestrafte men beledigingen met een lichte boete. Als iemand niet betaalde, nam men ook zijn eer weg. Een man moest aan de kaak staan, waar de mensen hem konden uitschelden en bekogelen; een vrouw moest een voorgeschreven route door de stad lopen terwijl ze een zware steen droeg.


Mishandeling kwam in de vonnissen heel vaak voor: een op de de vijf strafzaken ging over vechten. Het merkwaardige is dat de meeste gevallen van mishandeling met een boete werd afgedaan. Bij lichte vormen van mishandeling moest de dader meestal een schadevergoeding betalen. Bij zwaardere vormen van mishandeling werden wel zwaardere straffen gegeven. In het keurboek staat: hoofd voor hoofd , hand voor hand., voet voor voet.


Dus als je iemand een hand afhakt, dan hoort de rechtbank jouw hand af te hakken. Dat is dus het principe van "oog om oog, tand om tand", zoals dat ook in de bijbel wordt genoemd. In de praktijk legden de schepenen deze gruwelijke verminkingen niet vaak op. De veroordeelden konden ze meestal afkopen door het betalen van een erg zware boete en als ze die niet konden opbrengen, werden ze voor zeer lange tijd uit de stad verbannen.


In de Middeleeuwen zag men misdrijven minder dan tegenwoordig als daden die nadelig zijn voor de gemeenschap. Men legde de nadruk op de schade voor een persoon en zijn familie en daaruit volgde dat deze benadeelde en zijn verwanten een recht hadden om verhaal te halen op de dader en zijn familie-in-ruimere-zin. Deze maagdschap nam in het sociale leven een belangrijke plaats in.


"Verhaal halen" betekende nogal eens het uitbreken van een "vete", vijandschap tussen de families na doodslag, verwonding of belediging. Dit kon leiden tot "bloedwraak" en bij edelen zelfs tot gewapende conflicten, een soort mini-oorlogen. Wraak nemen was niet alleen een recht, het was zelfs een heilige plicht.


Voor de samenleving was het heel aanvaardbaar dat geweld werd beantwoord met tegengeweld. Het ging om de rechten van het slachtoffer en zijn familie. Het probleem zat echter in de "onrechtvaardige manier" waarop de daad was begaan. Wanneer was een geweldsdaad een ongelukje of een geval van zelfverdediging, en wanneer was het boze opzet? Als er wraak werd genomen, vond de tegenpartij dat vaak helemaal geen logische reactie en dan deed die iets gewelddadigs terug en dan was de eerste partij weer aan de beurt.


Zo ontstonden er vetes die jaren en zelfs tientallen jaren konden duren en waarbij veel bezittingen werden beschadigd, mensen verminkt, onschuldigen werden gedood. Als de partijen uiteindelijk genoeg hadden van het geweld, konden ze een overeenkomst sluiten waarbij een zoengeld of schadevergoeding werd gegeven. De verwanten moesten meer aan het bedrag meebetalen naarmate ze dichter verwant waren aan de hoofdschuldige. De familieleden aan de andere kant kregen ook een aandeel in de schadevergoeding. Dat was afhankelijk van de mate van verwantschap: naarmate je meer verwant was, kreeg je meer geld.


Niet iedereen stond te trappelen om te mogen meebetalen. Over het bijdragen aan het zoengeld zijn dan ook processen gevoerd. Zo was er een rechtzaak van zes neven die voor de rechter werden gedaagd omdat ze weigerden te betalen. Ze vertelden dat hun familielid een zo ernstige misdaad had begaan dat men hem maar moest terechtstellen, zodat de familie niet hoefde te betalen.


De liefde in de familie zat niet altijd even diep! Bij moeilijke onderhandelingen werd de rechtbank wel ingeschakeld als onderhandelaar. Die eiste overigens vaak een forse vergoeding, die aan het gerecht zelf werd uitbetaald. De stad probeerde bloedwraak te voorkomen door een regeling tussen de families te laten treffen (een "vrede"), maar dat lukte lang niet altijd. In de Middeleeuwen mochten de burgers van een stad wapens dragen. Ze moesten immers hun stad mee helpen verdedigen.


Het is begrijpelijk dat die wapens in drift of in een dronkemansbui ook wel eens voor een ander doel werden gebruikt. In onze tijd heeft de overheid het geweldsmonopolie, dat wil zeggen niemand mag geweld gebruiken, alleen zonodig de overheid.


"Bloedwraak" was geen moord. Dat werd het als je stiekem iemand doodsloeg. Dan trad het gerecht in de stad wel op en hard ook; meestal werd het de doodstraf.


Willem van Luenen trok van stad tot stad en van markt naar markt om daar met dobbelen in zijn levensonderhoud te voorzien. Dat zou een wankele economische basis zijn als Willem niet door valse dobbelstenen te gebruiken had gezorgd dat het lot hem gunstig gezind bleef. Hij verkeerde vaak in slecht gezelschap, want men trof hem regelmatig aan met "wilde wiven", vermoedelijk rondtrekkende vrouwen van niet al te zware zeden. Hele scharen trokken in die dagen door het land: marskramers, kunstenmakers en ook misdadigers.


Samen met jan Martenssoen kwam Willem in 1414 de stad binnen. Ergens moesten ze Johan Wedighe tegengekomen zijn, er ontstond een twist tussen jan en Johan. Maar we weten niet waarover zij ruzie kregen: het vonnissenboek is nooit erg breedsprakig. Wel weten we, dat Willem zijn kameraad opstookte om Johan met een mes te lijf te gaan en dat het gevolg was, dat Jan Martens zijn tegenstander doodstak. Willem die erbij stond te kijken, spoorde jan na afloop aan, "dath herwwech.psiewsoudi'(dat hij hem smeren moest). Willem nam de huik van het lijf, verstopte hem en vertelde verder aan niemand wat hij gezien had.


Er is wel onderscheid te maken tussen de begrippen "doodslag" en "moord". Tegenwoordig gebruiken we het woord moord voor het doden met voorbedachte rade, dat wil zeggen dat de dader van te voren een plan heeft gemaakt om zijn daad uit te voeren. Bij doodslag is er geen plan. In de middeleeuwen hadden de termen een andere betekenis. Doodslag was een algemeen woord voor doden. Moord noemde men het als er verzwarende omstandigheid was bijvoorbeeld als de dader iemand onverwachts aanviel, of als hij achteraf niet voor zijn daad uitkwam. Moord had dus iets stiekems en daar hielden de middeleeuwers niet van. Als de dader in het geheim te werk ging, kon de schout hem veel moeilijker opsporen.


Men legde daarom voor moord veel zwaardere straffen op dan voor doodslag. Moordenaars werden vaak opgehangen, wat een heel onterende manier van terechtstellen is. Aan de galg hing de veroordeelde een tijd te kijk voor het publiek. Of ze werden geradbraakt: dan werden ze vastgebonden en werden hun ledematen kapotgeslagen voordat ze werden gedood. Als verklaring voor het feit dat nu zoveel minder agressie voorkomt dan in de Middeleeuwen heeft de socioloog Elias gewezen op de toenemende driftbeheersing in de loop der tijden. Dat wil zeggen mensen hebben op den duur geleerd hun emoties (dus ook hun agressie!) in het openbaar te onderdrukken. Maar die driftbeheersing heeft ook schaduwzijden.


Het was heel gewoon dat geweld werd beantwoord met geweld. Dat leidde soms tot vetes die jaren konden duren


Oorzaken van zoveel geweldsmisdrijven Waarom werden er zoveel geweldsmisdrijven gepleegd?

  1. De manier waarop de mensen leefden. De middeleeuwers hadden veel contact met elkaar, want het leven en het werk speelden zich voor een deel op straat af. Ze gingen vaak naar de herberg om een glas te drinken er was niet zoveel ander vermaak. Er werd ook in het huis veel bier gedronken, omdat het water in de steden verontreinigd was. De mannen bezaten allemaal wapens, want ze moesten de stad bewaken en verdedigen. Zo ontstonden er gemakkelijk ruzies en vechtpartijen.
  2. De straffen. De lichte boetes voor belediging en voor de meeste vormen van mishandeling en de geldstraffen voor doodslag schrikten niet iedereen af. Bij die straffen lette men er niet op hoe rijk de dader was. Daardoor was het voor welgestelde mensen minder een probleem om bij een vechtpartij betrokken te raken dan voor arme mensen. Ze konden immers een boete opbrengen. Eigenlijk was dit een vorm van klassenjustitie. In de praktijk zien we ook vaak dat de deelnemers aan vechtpartijen rijkeluiszoontjes waren met te veel geld, die nog geen gezin en maatschappelijke verantwoordelijkheid hadden.
  3. De opvattingen over geweld. Geweld werd niet als iets slechts beschouwd. Het was natuurlijk verschrikkelijk om het slachtoffer te worden van een geweldsmisdrijf, want de geneeskunde stond nog in de kinderschoenen en de kans op blijvende verminking en op doodgaan was veel groter dan nu. Maar lijden was niet iets slechts, het bracht de mensen zelfs dichter bij God. En het leven was niet heilig, want er was een beter leven na de dood. Geweld hoorde bij het dagelijks leven.

Bron: M. Veld. werkstuk over gevangeniswezen