Lijfstraffen


De beul had de beschikking over een groot aantal werktuigen om een lijfstraf te voltrekken: messen, priemen, tangen, bijlen, roeden, brandijzers behoorden tot dit assortiment.

 

Afhakken van een hand of van vingers was de straf voor hen die meineed* of valse getuigenis afgelegd hadden, godslastering of laster werd bestraft met het doorsteken of afsnijden van de tong. Op landloperij, bedelarij en kleine diefstallen stond een straf zoals het afsnijden van een oor- of oren-, het afsnijden van de neus of splitsen van de neus. Tot schade en schande kon iemand veroordeeld worden tot een van de volgende straffen:

 

Staan aan de schandpaal; zitten op de kaak; zitten in het schandblok; dragen van de schandstenen; dragen van de schandton; slepen van de schandslede; zitten in de huik.

 

Het lijken lichte straffen doch niet te onderschatten zijn de lichamelijke gevolgen omdat geselen en of brandmerken in de meeste gevallen aan deze onterende straffen vooraf gingen. Bovendien kon iemands eer en goede naam een flinke deuk krijgen.

 

In de late middeleeuwen komt de pijnbank in zwang, niet als strafwerktuig maar als middel om een verdachte te laten bekennen. Afgrijselijk waren de folteringen: Uittrekken, aandraaien van duim- en scheenschroeven, vastbinden met natte leren riemen, het laten druipen van brandend kaarsvet op het lichaam, vol laten lopen met zout, het behoorde allemaal tot de mogelijkheden.

 

Het tortuur werd voor ons land in 1798 afgeschaft, de lijfstraffen, uitgezonderd het geselen, in 1854. Deze laatstgenoemde lijfstraf werd bij de wet op 4 april 1870 afgeschaft.

 

Wel kon de lijfstraf nog in de het Leeuwarder Huis van Opsluiting en Tuchtiging opgelegd worden volgens artikel 109 van de Gevangenismaatregel 1886: "voortdurende verstoring der orde en aanslagen tegen personeel kunnen in de bijzondere strafgevangenis te Leeuwarden toepassing van de lijfstraf ten gevolge hebben"

 

Deze lijfstraf bestond uit 50 (later verminderd tot 25) slagen met de bullepees op het achterste van een gevangene.

 

Boetedoeningen behoorden eertijds ook tot het schema der straffen, zo moest in 1574 eens Karste Luytthiesz boetedoening voor God en justitie doen omdat hij de grietman van Stellingwerf Oisteynde met de polsstok te lijf was gegaan. Karste stond voor zijn rechters op blote voeten, bloothoofds, gekleed in een linnen gewaad, een brandende toorts in de linkerhand en de rechterhand vastgebonden op de rug.

 

Een aantal Friese edelen moest eens boetedoening doen omdat zij in opstand waren gekomen tegen de hertog van Saksen en diens zoon:

 

"Eerst zullen zy allen bloetshoeftsgaen, ongeghort. elck een witte roede in die hant, ende op hoere bloteknieen,ende bidden den Hartoghe ende Synen soen verghiffenisse vanhoer misdaet,om goedeswille".

 

Wel een vernedering voor deze edelen!

Boetes, in vroeger jaren opgelegd, konden bestaan uit het moeten leveren van een aantal stenen voor bijvoorbeeld een overheidsgebouw maar ook geldboeten waren in gebruik. De volgende regels zijn van een rechtsgeleerde Philips Wielant ten behoeve van het stadsbestuur van Haarlem: Soe wie eenen paelsteen weet, om de scheydinge vanden lande te verdockeren en de omme de gebeuren in questien te stellene of in costene te bringene, die verbeurt xxf.

 

Ende so wieden pael voor der stelt dan hij behoert, om land te winnen oftzijne te breedene, die commiteert diefte, ende sal verliesen van de sijnenen alzo vele breder lande als hij van den anderen meende te winnene, ende boeten."