Vermogensmisdrijven


In de middeleeuwen waren er maar weinig processen wegens vermogensmisdrijven zoals diefstal, roof en bedrog. Minder dan tegenwoordig: in onze tijd bestaat ongeveer 75% van de misdrijven die aan de politie worden gemeld, uit diefstal. In de middeleeuwen was dat maar 10 tot hooguit 20%. De verklaring zou kunnen zijn dat de mensen weinig gelegenheid hadden om te stelen althans op het platteland. Daar was immers niet veel te halen: het was grotendeels een produktiehuishouding. De rol van het geld was daar dus heel beperkt.

 

De verschillende bewoners van het platteland:

-Boeren. Er waren gewone boeren, rijke boeren en keuterboeren; deze laatsten hadden maar een klein stukje land. De boeren woonden heel simpel in huizen van hout, steen of klei met eenvoudig, vaak zelfgemaakt meubilair. Zij maakten de meeste dingen zelf: voedsel, kleding, huisraad. Hun overschotten brachten ze naar de markt om daar te ruilen voor andere producten.

 

De meeste handel was ruilhandel en ze gebruikten niet veel geld. Wat er gestolen werd was, zo blijkt uit de wetboeken, vooral graan, hout en turf. En uit vonnissen blijkt dat met name landbouwproducten en vee (varkens en kippen, maar ook koeien en paarden) gestolen werden en verder ook kleren. Die waren namelijk duur. Ook in de stad waren die begerenswaardig. -Geestelijken. Zij hoorden gewoonlijk bij kerken en kloosters.

 

-Edelen. Net als de kerk hadden zij veel grond en die verpachten zij aan boeren. Ze woonden in versterkte huizen of kastelen en daar was wel veel te halen, maar je kon er niet gemakkelijk inbreken.

 

Geestelijkheid en adel waren twee standen, dat wil zeggen groepen met eigen rechten. Ze hoefden slechts voor een rechtbank van hun eigen standgenoten te verschijnen. De derde stand was de burgerij en die woonden in de steden. De situatie in de stad was wel anders. Hier was immers een geldhuishouding. Dat hield in dat er bedrog werd gepleegd bij handelstransacties, er valsemunterij voorkwam, evenals zakkenrollen. Maar diefstal en roof kwamen blijkbaar ook in de stad weinig voor; in het laatmiddeleeuwse Utrecht nog geen 6%.

 

In de 16e eeuw nam dat beduidend toe tot zo'n 30%. Een deel van de vermogensmisdrijven kunnen we economische delicten noemen. In de Middeleeuwen waren dat onder andere het verdunnen van wijn en het knoeien met maten en gewichten. Wijnschandalen en het knoeien met de samenstelling van andere producten kennen wij tegenwoordig ook, maar met maten en gewichten knoeien gaat niet meer zo gemakkelijk. Daarvoor in de plaats zijn andere, veel grootschaliger "affaires" gekomen.

 

Straffen bij vermogensmisdrijven

De wetgeving was heel streng. In de keurboeken* van verschillende steden stond de dief in principe zijn leven verspeeld had aan dat de doodstraf moest worden uitgevoerd door ophangen. De dief had namelijk iets gedaan wat heimelijk was en hij verdiende daarom een zware straf die onterend was. Hier zien we echter ook dat deze straf niet altijd zonder meer werd toegepast.

 

Eigenlijk gebruikte men de galg alleen als de dader eerder voor hetzelfde misdrijf was veroordeeld of als er een verzwarende omstandigheid was, zoals het bestelen van een kerk. Wanneer het gestolene niet veel waard was of als het de eerste keer was, volstond men vaak met een zware boete. En anders gaf men de veroordeelde gewoonlijk een geseling aan de schandpaal of het schandblok.

 

Ook zien we het afsnijden van het oor of een deel daarvan, en het brandmerken met een sleutel of een kruis op het voorhoofd of op de wang. Dat was niet zomaar wreedheid, want men wilde ermee bereiken dat iedereen voortaan kon zien datje voor deze persoon moest oppassen. Deze opbouw van de straffen wordt goed weergegeven door een keur* uit Groningen. Voor het stelen van iets ter waarde van 4 schellingen of minder moest de dief worden gegeseld aan de schandpaal; voor 4 tot 8 schellingen moest men hem een oor afsnijden; boven de 8 schellingen moest men zijn neus afsnijden en voor diefstal ter waarde van meer dan 16 schellingen hoorde hij te worden opgehangen. Een vrouw moest men niet ophangen maar levend begraven.

 

Als we naar de praktijk in de twintigste eeuw kijken, kunnen we stellen dat er voor diefstal naar verhouding zware tot zeer zware straffen werden gegeven. Diefstal is het in het geheim afpakken van andermans bezit; bij roof wordt het bezit openlijk afgenomen, dus gewoonlijk met bedreiging. Twee groepen mensen hielden zich vaker dan anderen met roof bezig: soldaten en zwervers. In oorlogen gebruikte men in de middeleeuwen vooral huursoldaten, maar als de oorlog voorbij was, hadden die geen werk. Dan plunderden ze vaak boerderijen en reizigers. Verder waren er op het platteland veel rovende zwervers.

 

De schepenen* in de steden legden hen liever geen gevangenisstraffen op, want dat kostte de overheid alleen maar geld. In ongeveer 40% van de gevallen werden boeven veroordeeld tot verbanning of pelgrimstochten. Omdat roven niet in het geheim plaatsvond, gaf men geen onterende straf, maar rover werd wel gedood, nu met het zwaard. Als men hem tenminste kon pakken. 

  • Keurboeken= Stedelijke wetboeken, waarin verschillende keuzen wazen opgenomen. 
  • Keur= Een wet of verordening die door de middeleeuwse stad zelf "gekozen", d.w.z. opgesteld was.
  • Schepenen= Rechters in de middeleeuwse steden en op het platteland.

In sommige steden zaten zij ook in het bestuur. Bron: M. Veld.