1895 GEBROEDERS HOGERHUIS


Troelstra neemt het op voor Hogerhuizen. Nadat ook Wybren in 1905 - na negen jaar en negen maanden - in vrijheid wordt gesteld. Uit De Zaak Hogerhuis. Eene gerechtelijke misdaad. De drie broers Keimpe, Marten en Wybren Hoger" huis worden in 1896 veroordeeld voor 'een der zwaarste vergrijpen tegen den eigendom, eene poging tot diefstal bij nacht'. De twee laatstgenoemden worden ook veroordeeld wegens poging tot doodslag. Gebroeders Hogerhuis

De Hogerhuis zaak

Troelstra neemt het op voor Hogerhuizen. Nadat ook Wybren in 1905 - na negen jaar en negen maanden - in vrijheid wordt gesteld, gaan de drie broers voor de poort van het Leeuwarder Huis van Bewaring op de foto. De beeltenis komt als ansichtkaart in de handel.   Uit De Zaak Hogerhuis. Eene gerechtelijke misdaad

Keimpe Hogerhuis
Keimpe Hogerhuis afbeelding op glasplaat

De drie broers Keimpe, Marten en Wybren Hoger" huis worden in 1896 veroordeeld voor 'een der zwaarste vergrijpen tegen den eigendom, eene poging tot diefstal bij nacht'. De twee laatstgenoemden worden ook veroordeeld wegens poging tot doodslag. De drie krijgen zware straffen van zes, elf en twaalf jaar, waarvan de eerste vijf jaar in de zo gevreesde eenzame opsluiting. Iedereen is verbijsterd, want het bewijsmateriaal rammelt. De broers houden vol onschuldig te zijn, maar pas na jaren komt de waarheid boven tafel. Piter Jelles Troelstra neemt het voor de de mannen op. Met opzet beledigt hij de minister, zodat hij celstraf krijgt en daarmee de zaak Hogerhuis weer onder de aandacht brengt

 

Spr. komt nu tot de zaak van de gebrs. Hogerhuis. (..) De 3 Minister was nog altijd te veel het hoofd van zekere klasse 11 van ambtenaren, zonder zelfstandig zijn frisch rechtsgevoel te raadplegen. De Minister heeft te veel gelet op de souvereiniteit van de rechterlijke macht, te weinig op de souvereiniteit [ van het recht. (..) Er is trouwens eenige kentering gekomen in de opvatting omtrent de zaak-Hogerhuis. Verleden jaar was er geen sprake van dat hier een dwaling had kunnen plaats hebben. Thans " wordt medegedeeld dat de gratie-adressen nog in overweging zijn. Toen beweerde de Minister nog dat men hier te doen had met een socialistische agitatie en thans zijn de adressen van gratie door 200 de mannen van naam (buiten de socialisten) onderteekend. Dat is 't verschil.

 

En wat de zaak zelve betreft, herhaalt spr. wat hij vroeger heeft gezegd, dat toen nieuwe betrouwbare feiten aan den dag waren , gekomen, deze den emmer van twijfel hebben doen overloopen en het geïncrimineerde arrest aantastten. Spr. kan niet de onomstootelijke bewijzen leveren van de onschuld der Hogerhuizen; daartoe ontbreken hem de gegevens; maar de bestaande twijfel is te groot om onze gerustheid te vestigen aangaande de rechtmatigheid van het vonnis. (..) In verband hiermede wijst spr. op een paar feiten, die een hoogst ongunstigen indruk hebben gemaakt omtrent de onpartijdigheid der justitieele ambtenaren, die hunne macht gebruiken om de waarheid te smoren. Hij heeft het oog op de houding van het O.M. bij de Rechtbank en het Hof te Leeuwarden. t Het O.M. te Leeuwarden heeft de klacht wegens smaad verminkt, zoodat het bewijs van de waarheid der geïmputeerde feiten niet kon worden geleverd.

 

Dat is niet de houding van een ambtenaar, die recht doet, maar het is de houding geweest van een justitie die hare macht misbruikt en die den Minister nog moet afbrengen van het kwade pad dat hij heeft ingeslagen tot verdediging van die rechterlijke ambtenaren voor wier daden hij de verantwoordelijkheid niet op zich mag nemen. En Rechtbank en Hof hebben bij die gelegenheid de verdediging geknot, zoodat zij niet toegelaten hebben de waarheid te bewijzen van de feiten. En het O.M. eischte 3 maanden tegen hen, die, volgens hem met bewustheid gelasterd hadden, terwijl hun de gelegenheid was ontnomen om hunne goede trouw te bewijzen. (..) De Voorzitter verzoekt den spr. zijn uitdrukkingen eenigszins te matigen. De heer Troelstra herneemt, dat die houding groote ontsteltenis heeft gewekt; zij gaf aan de zaak het hatelijke en het "emporende" van de zaak Dreyfus (..). Moet 't niet het rechtsgevoel krenken des volks, wanneer die personen, die voor de waarheid willen opkomen, tot 3 maanden gevangenisstraf worden veroordeeld? Spr. heeft hetzelfde misdrijf gepleegd, maar hem heeft men buiten vervolging gelaten.

 

Laat men geen medelijden met spr. hebben, want als hij gezondigd heeft, zal hij de gevolgen van die zonde moeten dragen om den wille van het recht. Voor de revisie was geen wetswijziging noodig. Maar zelfs met de revisie zijn wij van de zaak nog niet af. Doch de vraag blijft dan nog of de Minister niet verantwoordelijk is voor het constateren der ongeloofwaardigheid van getuigen, zonder dat zij de waarheid hunner beschuldiging kunnen bewijzen. En zullen dan ook andere rechters, onbewust en onwillens, niet in dezelfde gedragslijn vervallen? Hoe 't zij, thans staat de Minister voor het feit der gratie-verzoeken. Spr. vraagt niet hoe op die verzoeken zal worden beschikt.

 

Dit ware praematuur, maar de Minister bedenke wel dat het door hem uit te brengen advies niet zal moeten worden geïnspireerd door een al te blind vertrouwen op de adviezen van de rechters te Leeuwarden (..). Het land is zoo grootmoedig geweest in de zaken Dreyfus en Zola; het heeft partij getrokken voor de vermoorde onschuld in Frankrijk; (..). Laten wij de schatten onzer rhetorica niet uitstorten enkel voor den vreemdeling; laten wij hetzelfde recht willen voor onze eigen landgenooten. Dat is de eisch en daarom protesteert spr. in naam der vrijheid en van het recht in Nederland tegen de houding door de autoriteiten in deze gevolgd; en hij zal blijven protesteeren, zoo lang de Hogerhuizen niet in vrijheid zijn gesteld. (Applaus op de publieke tribune). (9-12-1898) Bron LC250   lees meer op de website van Hogerhuis

 

2 Ansichtkaarten hogerhuis


Boek De zaak Hoogerhuis - te koop bij Bol.com