Ype Baukes de Graaf

Ype Baukes de Graaf. Het is op vrijdag 23 maart 1860 wanneer Ype de Graaf een groen gordijntje opzij schuift van de ruimte in het Paleis van Justitie, zetel van het Gerechtshof en de Arrondissementsrecht,  aan het Wilhelminaplein in Leeuwarden. Het is die vrijdag markt in de stad en er zijn 20.000 mensen voor hem gekomen. Ype is geboren in Workum op 10 augustus 1812, maar zal het grootste deel van zijn leven doorbrengen in Harlingen, wanneer hij tenminste niet in de gevangenis zit. 

De laatste Fries die de doodstraf kreeg

Een Harlinger Crime Passionnel. Nog een paar sigaartjes voor Ype de Graaf. 

Het is op vrijdag 23 maart 1860 wanneer Ype de Graaf een groen gordijntje opzij schuift van de ruimte in het Paleis van Justitie, zetel van het Gerechtshof en de Arrondissementsrecht,  aan het Wilhelminaplein in Leeuwarden. Het is die vrijdag markt in de stad en er zijn 20.000 mensen voor hem gekomen. 

De haven van Harlingen ca 1858,

De haven van Harlingen ca 1858, door Hermanus Siderius.  Bron: Hannemahuis.

 

Ype is geboren in Workum op 10 augustus 1812, maar zal het grootste deel van zijn leven doorbrengen in Harlingen, wanneer hij tenminste niet in de gevangenis zit. Hij is de zoon van Bauke Arjens de Graaf  en Weltje Jans Timmerman en is het vierde kind dat in het gezin geboren is. De woning in de Hongarensteeg was van de Roomse Gemeente en het gezin woont hier met nog drie andere gezinnen. Hij is een jongen die zal opgroeien voor galg en rad. In 1831 zal hij, wanneer hij 18 jaar jong is, voor het eerst worden veroordeeld en een tuchthuisstraf van twee jaar krijgen voor het plegen van meerdere diefstallen. Het zal niet zijn laatste keer zijn. Na twee jaar gaat het weer mis, Ype wordt meedogenlozer en zijn wandaden worden ernstiger. Het lijkt hem niet te deren en de daaropvolgende straffen accepteert hij. Onverbeterlijk.  Het jaar erna, krijgt hij het bericht te horen dat zijn moeder is overleden. Zij is op 12 januari 1834,  ’s ochtends om half zeven in het water gevonden. Ze is verdronken en gevonden in de Brouwersvaart in Workum. 

 

In Harlingen behoort hij tot de onderklasse, hij vindt er werk als dijkwerker en als sjouwerman, het laden en lossen van de schepen in de haven. Het is in de tijd van onder meer het aardappeloproer van juni 1847. Na de mislukte oogsten stijgen de prijzen van aardappelen zo hoog, dat deze onbetaalbaar zijn geworden voor de arme bevolking. Er heerst hongersnood in de armste buurten van de havenstad. Zelfs het roggebrood is niet verkrijgbaar en dat terwijl er schepen vol voedsel in de Harlinger havens liggen voor de export. De paupers uit onder andere, de Bargebuurt zien dit met lede ogen aan, totdat een woedende menigte rond 8 uur ’s avonds een stoomboot vol aardappelen bestormt.

 

In dat jaar zal Ype voor het plegen van meerdere delicten, op het Wilhelminaplein in Leeuwarden met een strop om de hals worden afgeranseld door de beul met een bullenpees; de gedroogde penis van een stier. Ook wordt hij gebrandmerkt. Voor de rest van zijn leven heeft hij ‘TP’ in de muis van zijn hand getatoeëerd gekregen. Het brandmerk TP; Travaux Perpétuels, oftewel ‘eeuwige dwangarbeid’ is met een gloeiend hete pook aangebracht, waarna de beul de wond met buskruit in heeft gesmeerd. Hierdoor zal het voor altijd duidelijk zichtbaar blijven. Het zal Ype echter niet tot inkeer brengen. 

 

Dolend door de stad en weer de fout in.

In de achterbuurten van Harlingen vindt hij onderdak bij Murk Jans, een maat van hem en een  oomzegger van Ype. In de jaren 50 van de 19e eeuw, wanneer hij ongeveer 40 jaar oud is, ontmoet hij Aafke Monsma op de jaarlijkse kermis. Aafke is de dochter van Tjietske Cornelis Monsma en een onbekende vader en wordt zondag 28 februari 1830 geboren in de Wortelstraat. Zij zal opgroeien in de Bargebuurt en behoort, net als Ype, tot de armste klasse van de stad. Ze vind haar werk op straat, ze lost schepen en ze sjouwt op markten. Ook haar vinden we terug in de rolboeken van de rechtbank. Op 23 januari 1847 wordt ze veroordeeld voor de diefstal van een ‘vrouwenjak’. Haar straf is drie maanden cel. 

 

De armoede vreet aan het stel en Ype lijkt zich in te kunnen houden van zijn tot dan toe zondig bestaan. Ze zwerven van woning tot woning in de stad, een onzeker bestaan. Ze trouwen niet; geen geld en Ype ziet het belang er niet van in. Op woensdagochtend 1 oktober 1851, rond tien uur, bevalt Aafke van een zoontje; Jan. Vroedvrouw Dirkje van Echten ondertekent de aangifte. Het zoontje zal niet oud worden en zal negen maanden later komen te overlijden, ’s ochtends om 8 uur op 19 juli 1852 in de Kerkpoortstraat 23. 

De overlijdensakte van Jan Monsma

De overlijdensakte van Jan Monsma met de handtekening van Ype de Graaf. Bron: Alle Friezen.

 

Nog geen vijf maanden later bezwijkt Ype voor de verleiding van een diefstal van aardappelen van de boerenknecht Anne Zeinstra van Midlum. “Ik verrichtte de daad uit grote armoede en gebrek,” zal Ype verklaren tegenover de rechter. Vonnis: drie maanden gevangenisstraf en het betalen van de proceskosten.  In maart van het jaar daarop, mag Ype terug naar Harlingen. Terug naar zijn Aafke. Op 2 januari, tijdens Ype’s gevangenschap, is in de Scheerstraat hun dochtertje geboren; Tjietske. Vernoemd naar Aafkes moeder.  

 

Schrijnende armoede zonder uitzicht.

Een meisje met een kansarme toekomst. Met een alleenstaande moeder die hard zal moeten werken om hun beider hoofd boven water te houden. Het leven is hard en oneerlijk. Vanaf elk punt waar de armoedige inwoners van de stad wonen, is het maar kort lopen naar de herenhuizen van de patriciërs aan de Noorderhaven of de Voorstraat. Het gepeupel woont in de achtertuinen van de dure huizen en ziet hun rijke bewoners langs de straten paraderen of in hun koetsjes over de keien rijden. Het snijdt hen door de ziel. De stad kent zoveel inwoners, het is lange tijd de meest dichtbevolkte stad van het land. Rond die tijd zijn er voor de ongeveer 10000 inwoners slechts zo’n 1800 woninkjes beschikbaar. Grotendeels van hout en bestaand uit één woonkamer en soms twee bedstedes. Het eten bestaat vaak uit dat wat er maar te vinden is, zoals alikruiken. De vaak grote huishoudingen gaan alikruiken zoeken tussen de stenen van de dijksglooiing.

 

Tijdens stormen en regen staat men doodsangsten uit en niet dikwijls gaat er een woninkje daardoor tegen de vlakte. Ook houdt men het binnen niet droog.  De begraafplaats is overvol. Door diverse crisissen is de situatie bijna onhoudbaar. In de Harlinger straatjes en steegjes woont men hutjemutje. Velen overlijden aan de epidemieën zoals cholera of darmziekten. Tuberculose zal dan uitgroeien tot de meest dodelijke van de ziekten. De stank door ziekten, uitwerpselen en industrie moet ondraaglijk zijn geweest. Het werk ging dag en nacht door zoals in de visrokerijen in de buurt. ’s Nachts werken daar vaak de armsten en de kinderen, die dan weer overdag hun waar aan de man proberen te brengen. En uitzicht op een beter bestaan is er niet. Ook voor het gezin van Ype en Aafke niet. Maar deze keer komt Ype thuis met een doel. Zijn Aafke en Tjietske. Zijn gezin. Maar de armoede is blijvend en ook hij, net als vele andere Harlingers die hun salaris uitbetaald krijgen in een café, zoekt zijn heil in de jenever. Hij ziet geen andere oplossing dan weer op het dievenpad te gaan, ook al heeft hij zijn Aafke nog zo beloofd op het rechte pad te zullen blijven en te zorgen voor het gezin.

 

In april 1854 wordt hij voor de derde keer in zijn leven, veroordeeld tot de beschamende straf van een openbare geseling op het Wilhelminaplein en tot een gevangenisstraf van vijf jaren. Hij zit deze straf uit in het tuchthuis van de Blokhuispoort. En wederom is ook een brandmerk zijn deel, nu op zijn andere hand. Na zijn straf te hebben uitgezeten in mei 1859 haast hij zich om de trekschuit te halen, terug naar Harlingen. Hij is net 46 jaar oud geworden. Terug naar zijn Aafke die dan nog geen dertig jaar oud is en al die tijd voor hun dochtertje heeft moeten zorgen. Aafke weet dat Ype terug zal komen naar haar, maar ze wil hem niet meer. Het leven is zo al zwaar genoeg en ze wil de gewelddadige en agressieve Ype niet meer terug. Hoe vaak heeft hij haar al niet toegezegd op het rechte pad te zullen blijven.  

 

Een laatste kans

Hij realiseert zich dat hij niet zomaar weer bij Aafke en hun dochtertje op de stoep kan staan. Zijn dochter die nog maar slechts één jaar oud was toen hij haar voor het laatst zag, moet nu kunnen lopen en praten. Hij is nieuwsgierig naar haar, maar durft niet aan te kloppen dus gaat Ype weer naar het huis van Murk Jans in de Bargebuurt. Maar die laat hem niet meer binnen. Er zit voor hem niet anders op een ander onderkomen te zoeken. Hij vindt onderdak bij zijn broer en echtgenote, en de ouders van Murk; Jan Baukes de Graaf en Aafke Murks van Slooten. Hij is slaapsteehouder aan het Molenpad en heeft nog wel een slaapplaats over. Geen eigen kamer, maar een ruimte waar men kan overnachten in een gemeenschappelijke slaapruimte.

 

Ype weet werk te vinden als dijkwerker. Het zal niet lang duren voordat Aafke en Tjietske, Ype in de stad zullen treffen. Het is tijdens de jaarlijkse kermis dat Ype hen aanspreekt en voor het eerst zijn dochtertje van dichtbij kan zien en aanraken. Aafke zal zijn geschrokken, maar is kwetsbaar en staat er alleen voor in het rauwe bestaan in de wereld van de havenstad. Maar gedrieën keren ze weer naar het huis van Murk Jans en Geertruida Sanft die hen nu wel binnenlaten. Het lijkt een tijdje goed te gaan die zomer en, na en tijdje trekt het kleine gezinnetje weer in bij Ype’s broer Jan, die een huisje heeft achter de Grote Kerk. 

De Engelsche tuin. Bron: Harlingen Toen.

De Engelsche tuin. Bron: Harlingen Toen.

 

Wandelen en een kus bij het afscheid

De armoede blijft, de onzekerheid ook en bij Aafke ontstaat de angst dat Ype weer de fout in zal gaan. Hun situatie lijkt er bijna om te vragen. Aafke heeft haar twijfels over hun relatie, ze kent hem, en dat is niet onopgemerkt gebleven bij Ype. Hij praat met Murk en vertelt hem meerdere malen dat hij aarzeling bespeurt bij Aafke over hun toekomst. Wanneer hij Aafke niet terug zal kunnen winnen, dan zal dat “zijn of haar ongeluk betekenen”. Hij heeft geprobeerd de samenleving te hervatten en in de afgelopen maanden lijkt hij ook niet in aanraking te zijn geweest met politie of justitie. Op zondag 28 augustus om 8 uur ’s avonds treffen Ype en Aafke elkaar bij het huis van Watze de Groot.

 

Zij heeft Ype beloofd te zullen komen en ze praten. De dag erna vertrekken Aafke en Tjietske en trekken in bij Popkje de Jager, een ongehuwd breister en vriendin van Aafke. Op dinsdagavond komt Ype langs bij het huis van Popkje, ze drinken samen koffie en wederom praten ze over hoe het verder moet. Popkje zal later verklaren dat ze niets heeft waargenomen van een verstoorde verstandhouding tussen het stel. Na de koffie hebben ze nog wat gewandeld door de stad en Ype heeft Aafke weer thuisgebracht. Bij de trap van het huis van Popkje nemen ze afscheid met een kus en spreken voor de volgende dag weer af. Op deze woensdag gaan ze ’s avonds weer een wandeling maken en Aafke gaat nog bij haar moeder langs om het loon te gaan halen wat ze heeft verdiend door voor haar te werken. Maar Ype is ongeduldig aan het worden. Aafke laat Ype in onzekerheid. En dat knaagt aan hem. Ze heeft nog steeds haar twijfels en Ype voelt agressie bij hem opkomen. Ze lopen door de Engelsche Tuin, het in 1843 aangelegde stadspark op het oude bolwerk aan het Franekereind. 

 

Hij zegt haar, dat hij ‘moe’ wordt van haar weifelende houding. Hij legt het gesloten knipmes in zijn hand en bijt haar toe dat dit mes haar lot zal zijn, wanneer ze langer zal twijfelen. Natuurlijk schrikt Aafke van het mes en de dreigende houding van Ype. Nooit eerder heeft hij haar direct bedreigd en ze zegt Ype toe dat ze het weer zullen gaan proberen. Het is te laat in de avond om de spullen van Aafke en Tjietske te gaan halen maar ze hebben afgesproken dat Ype de volgende dag de spullen mag komen halen om weer terug te keren in het huisje van Ype’s broer Jan. Ze zullen weer gaan samenleven en dit lucht Ype op. Wanneer Aafke die avond weer het huisje van Popkje betreedt valt ze bewusteloos neer. 

 

De afwijzing

Die donderdag treffen ze elkaar bij toeval, ’s ochtends ter hoogte van het politiebureau op de Voorstraat en Ype vraagt haar of hij alvast de spullen kan gaan halen uit Popkjes huis. Aafke vertelt hem dat ze om tien uur een afspraak heeft bij de commissaris van politie. Ze wil aangifte tegen hem doen. Hij kan het niet geloven wat ze zegt en Ype wordt driftig en neemt op dat moment  het besluit haar te zullen vermoorden. Hij is afgewezen en in zijn beleving heeft hij er alles aan gedaan om de draad weer op te pakken, maar het valt voor hem niet te verkroppen dat straks iemand anders er met ‘zijn’ Aafke vandoor zal gaan. Hij bruist van woede en voelt de grond onder zijn voeten wegzakken. Het is gedaan en zijn besluit staat vast. Vrijdagavond is Ype te vinden in de tuintjes bij de Kerkpoortstraat; ‘de Spoketuun’. Bij de Groote Sluis heeft hij een zandsteen gevonden. Het mes dat hij heeft, is maar aan één zijde scherp, en in de tuintjes slijpt hij de andere zijde. Hij wil er zeker van zijn, dat het goed scherp is. Het mes, met op het heft het Duitse  opschrift; ‘Heute Rot, Morgen tot’, is nu vlijmscherp en de steen gooit hij weg. De laatste nacht in vrijheid brengt hij door in het huis van zijn broer Jan. 

 

Op zaterdagochtend 3 september rond half vijf  ’s ochtends staat Ype op. Hij kleedt zich aan en loopt naar de aardappelmarkt. Hij verwacht dat Aafke daar die ochtend aan het werk zal zijn. In die tijd kende de havenstad nog vele grachtjes en waterlopen. 

De overgang van de Kleine Voorstraat naar de Voorstraat

De overgang van de Kleine Voorstraat naar de Voorstraat waar de Katterugspijp lag. Bron: Harlingen Toen.

 

Handelswaar, zoals turf, groenten en aardappelen werden  met bargen over het water vervoerd door de stad. Hij wacht haar op bij de Katterugspijp. Bij deze lage brug, gelegen tussen de nog niet gedempte Voorstraat en de Kleine Voorstraat heeft hij goed zicht op de straten die daarop uitkomen, maar het duurt even voordat hij Aafke weet te ontwaren en hij beent richting de Spekmarkt. Zo’n drie kwartier later ziet hij Aafke samen met twee andere vrouwen Lamkje en Dieuwkje van der Geest. Beide vrouwen vragen naar de relatie tussen Aafke en Ype. “De smeerlap”, zegt Aafke. Op korte afstand volgt Ype haar.

 

Ype stapt op Aafke af, pakt haar vast en vraagt haar  zich te bezinnen. “Dou bliefst met dien pôten fan mie ô!”, roept Aafke en rukt zich los. “Dat salst drekst dan wel sien”, briest Ype. Hij heeft het mes nog steeds niet gepakt, maar weet wel dat de plek waar hij nu is, te druk is voor zijn plan. “Hij acht het gelukken van de aanslag niet gunstig”, zal hij later verklaren. Koopman Wybren Nauta die net bij de haven vandaan komt, heeft nog een kort gesprekje met Ype, maar die draait zich plotsklaps om wanneer hij Aafke naar de Schritsen ziet lopen. Hij loopt haar achterna richting de brug op de Spekmarkt en blijft daar staan. Met het mes verborgen in zijn mouw. Hij ziet Aafke  een zak aardappelen afleveren bij een huis op de Schritsen aan de zuidzijde van de gracht. “Su, dat is één. Nou sal ik gauw de andere oek hale”. Aan het pand ernaast ziet ook metselaar Jelte Doekes van der Leij haar de aardappelen afleveren. 

 

“Ik loof, dat ik bloed”

Een andere metselaar; Hendrik Jans de Vries die aan de Noordzijde van de gracht aan het werk is, ziet dat Ype op Aafke afloopt en haar bij de hand beetpakt en vasthoudt. “Laat mie los! Blief fan mie ô”, roept Aafke, maar Ype laat haar niet los. Ook Anna Mank een werkster die op weg is naar haar betrekking ziet het gebeuren. “Nee, bliksem ik laat dij niet los!”. Het is nu kwart over zes en Ype is weer afgewezen. Hij roept “Aafke! Bruuk dien festân. Bedink je”! Maar Aafke bedenkt zich niet. Ze heeft haar besluit genomen. Anna Mank ziet dat Ype de vrouw, waar hij zo graag samen mee wil zijn, op de grond werpt en ze ziet dat hij iets glinsterends uit de mouw trekt. Ype knipt zijn mes open en begint te steken. Aafke zit in een knielende houding op de grond, maar Ype blijft steken. Hij zal haar zeven keer steken.

 

Koopman Wybren Nauta, die eerder nog kort met Ype heeft gesproken, hoort vanaf de Schritsen “Moord, moord” schreeuwen en mensen snellen toe. Ype veegt het bloed van het mes en maakt zich uit de voeten en rent weg terwijl hij nog één keer achterom kijkt. Via een steeg rent hij van de Schritsen naar de Zuiderhaven, over de Zuiderbrug en verlaat de stad via de voormalige Zuiderpoort. Aafke krabbelt op van de straat en Wybren Nauta en metselaar De Vries zijn als eerste bij het slachtoffer. Ze is zwaargewond en probeert weer op te staan, maar valt weer neer waarna De Vries haar opvangt en ontdekt dat Aafke hevig bloedt uit haar linkerzij. Hij vraagt haar wie dit gedaan heeft, en Aafke zegt dat dit Ype de Graaf is die achter de kerk woont; “bij roode Aaf”.

 

“Ik loof, dat ik bloed”, zegt Aafke vol ongeloof.  “Mien arm kien, mien arm kien”. Nauta probeert de wond te stelpen met water en azijn en geeft dit Aafke ook te drinken, maar dit braakt ze al spoedig weer uit met een prop bloed. 

Hoek Spekmarkt en Schritsen. Bron: Harlingen Toen.

Hoek Spekmarkt en Schritsen. Bron: Harlingen Toen.

 

De helpers dragen Aafke naar het pakhuis van Martinus van Slooten op de Schritsen, op nummer 53. Dienaar van politie, Wytze Westra die in de buurt woont is, half aangekleed, op het lawaai afgekomen. Van de getuigen hoort hij dat Ype de Graaf de dader moet zijn en welke kant hij is opgerend. Ype is echter de stad weer binnengekomen via de Kerkpoortsbrug en agent Westra heeft hem op de Rozengracht staande weten te houden. Ype houdt zich onwetend.

 

Inmiddels is chirurgijn Ansingh ter plekke in het pakhuis en ziet de vele wonden. Die zaterdagochtend 3 september 1859 om half zeven, sterft Aafke in zijn armen. Ze is nog maar 29 jaar. Het lichaam van Aafke wordt onderzocht door de ‘Heeren Petrus Ens, Medicine Doctor en Daniel Snijder, Chirurgijn’, beiden van Harlingen. Uit de lijkschouwing zijn ze tot de conclusie gekomen dat Aafke is overleden aan een steek in het hart. Meerdere organen zijn geraakt en dat in combinatie met het vele bloedverlies, is haar fataal geworden. Tjietske is dan slechts zes jaar oud. 

 

Ype de Graaf wordt door Westra geboeid en overgebracht naar het politiebureau. Er is woede en paniek onder de bevolking. Op weg naar het politiebureau dreigt de samengestroomde en razende menigte de moordenaar aan te vallen. Agent Westra kan dit maar met moeite verhinderen. Uit de rechterbroekzak van Ype, haalt hij het dan schone mes, het moordwapen. Op het bureau geeft Ype al snel toe dat hij de moord heeft gepleegd. Verder vertelt hij de intentie te hebben gehad zijn dochtertje te vermoorden en van plan was zelfmoord te plegen. Enkele dagen later wordt Aafke, onder grote belangstelling, begraven. Haar dochter, Tjietske wordt opgenomen in het Stadsweeshuis. 

 

Het proces tegen Ype Baukes de Graaf

Ype de Graaf is een half uur voordat Aafke is begraven op transport gezet naar de gevangenis in Leeuwarden en zal op maandag 7 november voor het Gerechtshof terecht moeten staan. De Leeuwarder Courant meldt drie dagen eerder, dat indien men de rechtszaak wil bijwonen, men voorzien moet zijn van een bewijs van toegang. Te verkrijgen bij de conciërge van het Paleis van Justitie.

 

Er zijn elf getuigen opgeroepen waarvan er vier de moord hebben zien gebeuren. Ype zal door advocaat Telting worden bijgestaan. Er valt niet veel te verdedigen. Ype zwijgt en kijkt star voor zich uit. Hij heeft al schuld bekend en het lijkt hem niet te raken. De beschuldiging luidt moord met voorbedachten rade. Ook het knipmes van Ype is ter zitting. Op 12 november 1859 zal de voorzitter van het hof, jhr. mr. H.M. Speelman Wobma uitspraak doen. Volgens ooggetuigen houdt mr. Speelman Wobma een scherpe toespraak, waarin hij aangeeft dat Ype de Graaf zich zal moeten voorbereiden op de dood. Ype luistert, maar blijft gelaten. Een week later op 14 november volgt de uitspraak. 

 

De rechter meldt dat artikel 302 van toepassing is. „Al wie schuldig is aan moord, aan vadermoord, aan kindermoord en aan vergiftiging, zal met den dood gestraft worden onverminderd de bijzondere verordening van art 13, ten aanzien van den vadermoord”. De levenslange celstraf wordt pas in 1870 ingevoerd. Na de zitting besluit advocaat Telting een gratieverzoek in te dienen. De Hooge Raad der Nederlanden komt in zitting bijeen op 29 december 1859. Pas op 22 maart 1860 krijgt Ype om twaalf uur, in zijn cel te horen van Procureur Generaal Van Maanen dat zijn gratieverzoek is afgewezen.  De doodstraf blijft staan en hem wordt medegedeeld dat hij zich de komende 24 uur kan gaan voorbereiden op zijn dood door ophanging op het schavot. Kalm hoort hij dit alles aan, zonder een blijk van ontsteltenis. Berusting. Hij wordt erop gewezen dat hij geestelijke bijstand kan krijgen van een priester. Ype staat geregistreerd als Rooms Katholiek, maar hij wenst daar halsstarrig geen gebruik van te maken. 

 

Totdat het vonnis de volgende dag voltrokken zal worden, wordt hij bewaakt door Brigadier-Majoor der Rijksveldwacht H. Vermeulen. Vermeulen zal de veroordeelde gezelschap houden tot het vonnis voltrokken is. Ze praten over de dingen van de dag, koetjes en kalfjes. Ype vertelt veel over zijn verleden, waarna zijn bewaker nogmaals hem probeert over te halen, geestelijke bijstand te accepteren omdat zijn leven nog slechts een paar uur zal gaan duren.  Wederom weigert hij. Wanneer later alsnog een geestelijk verzorger langskomt, vertelt deze aan Ype dat Aafke gelijk heeft gehad door hem af te wijzen en dat hij de dood heeft verdiend. Hij reageert onverschillig met: “Su, dan wete jou ut beter as ik!”. Later zal hij alsnog, zo nu en dan een vluchtige blik in een gebedenboek werpen. 

 

Het eten dat hij krijgt, smaakt hem kostelijk en een sigaartje bij de thee vindt hij zelfs geurig.  Aan het eind van de middag laat Vermeulen zich even een uurtje vervangen door  Brigadier De Wit. Aan hem vraagt Ype of hij nog wat van die lekkere sigaartjes mag hebben, en dat mag. Nadat Brigadier Majoor Vermeulen, De Wit weer komt aflossen, begrijpt Ype dat Vermeulen in Harlingen een politiebetrekking heeft gehad. Ype vertelt opgetogen over zijn criminele strapatsen. Er lijkt geen eind  te komen aan de verhalen over zijn laatste woonplaats. Ook licht hij toe hoe en waarom hij zo vaak ter verantwoording, voor de rechter heeft moeten verschijnen. Wanneer het bedtijd is, rond tien uur, wordt hem bevolen zich te ontkleden en te gaan slapen. Na ongeveer 15 minuten valt hij in een diepe, en een ogenschijnlijk onschuldige, slaap. Hij wordt wel een aantal keren wakker, draait zich om, en slaapt weer verder. 

 

De laatste uren van Ype Baukes de Graaf

De volgende ochtend moet Ype door de bewaker worden om vijf uur worden gewekt. Hij wast zich en laat zich een boterham goed smaken. Ype maakt het bed op, alsof hij er ’s avonds weer in zal gaan slapen. Rond negen uur die ochtend komt de koets voorrijden bij de Kanselarij aan de Druifstreek en bewaker en veroordeelde nemen plaats om de rit naar het gerechtshof aan het Wilhelminaplein aan te vangen. Om Ype het zicht op het schavot te ontnemen, heeft de koetsier opdracht gekregen een andere route te nemen dan gebruikelijk. Door de Oude Oosterstraat, de Peperstraat, over de Nieuwestad en via het Schavernek naar de achterzijde van het Paleis van Justitie. Daar stappen de mannen uit, zodat Ype de aanblik van de galg bespaard blijft. Ype is kalm, heeft rust, hij is flegmatiek. Het is nu bijna tien uur en een laatste maaltijd, ’t galgenmaal, zal Ype worden geserveerd. Aardappelen, vlees en snijbonen. Hij laat zich het warme eten goed smaken en het bord gaat leeg. 

Paleis van Justitie te Leeuwarden rond 1850

Paleis van Justitie te Leeuwarden rond 1850. Bron: Rijksmuseum.

 

Om half twaalf wordt Ype naar een vertrek aan de voorzijde van het Paleis van Justitie geleid waar ook de raadsheren van het hof aanwezig zijn. Enige maten in de gevangenis hebben Ype in zijn laatste maanden zeer gesteund. Hij pleit voor strafvermindering voor deze drie. Voor Ype, totaal onverwacht, komen de beul Dirk Visser en zijn knecht via een andere deur van het vertrek binnen. Het is de eerste, en tevens ook laatste keer dat Brigadier Majoor Vermeulen, Ype hevig ziet schrikken. En dat is op het moment dat hij bij de keel wordt gegrepen door Visser. Zijn halsbedekking wordt losgemaakt en met een routineus gebaar plaatst de beul de zijden strop om de hals van Ype. De verwarring duurt echter niet lang. Hij herstelt zich snel en met de strop om zijn hals neemt hij plaats op een stoel bij het raam waar een groen gordijntje voor hangt. Eventjes schuift hij het gordijn opzij en ziet de grote mensenmenigte op het Wilhelminaplein.

 

Het gonst op het plein. Maar wanneer de klok twaalf keer slaat, neemt het geluid zachtjes af. Brigadier Majoor Vermeulen neemt afscheid van Ype. Hij wordt gemaand op te staan en tussen beul en beulsknecht in, wordt Ype naar de ingangsdeur van het Paleis van Justitie geleid. Wanneer de deur opengaat wordt het nog stiller op het Wilhelminaplein.

 

“Als het gesuis van een herfstwindje, dat zich door een dennenbos baant”. Gevolgd door een twaalftal rijksveldwachters in vol ambtsgewaad, staat de korte stoet op het bordes tussen de pilaren van het Rechtsgebouw even stil. Op het overvolle plein is het nu doodstil geworden. Het gezelschap daalt de trappen af, een kort stukje de straat over, waarna de beul, zijn knecht en pastoor J.H. Goossens, Ype begeleiden naar het schavot dat behangen is met zwarte doeken.

 

Slechts een paar treden is het weer omhoog. Ype wordt voor de paal van de galg geplaatst en trekt zelf zijn schoenen uit. Vakkundig haakt Dirk Visser de knoop van de zijden strop onder de kin van de veroordeelde. Pastoor Goossens knielt en bidt. Het publiek kijkt toe en houdt de adem in. Wat er in Ype’s hoofd omgaat laat zich niet raden. In gedachten telt Visser een paar seconden. Het luik onder de voeten van Ype valt naar beneden. Het volk ziet het lijk bungelen. Op deze koude en trieste dag, is het vonnis voltrokken en de 47 jarige Ype Baukes de Graaf is opgehouden te bestaan. Ype’s levenloze lichaam wordt snel van het schavot gehaald en overgebracht naar de begraafplaats aan de Spanjaardslaan. In een hoekje aan de zijkant en achteraf wordt hij begraven. Het is het laatste doodvonnis dat het provinciaal gerechtshof Friesland heeft uitgesproken. 

 

Door: Eddy de Vries.

Bronnen: Delpher, Samarangsch Advertentieblad, Leeuwarder Courant, Fenno L. Schoustra; Moord en doodslag in Friesland, Simon Vuyk; De blikken dominee, Harlinger Courant. 

Met dank aan: Jeanine Otten, Anneke Visser, Carla Gonggrijp, Gerrit Twijnstra.

Lees ook een ander artikel "Arrest tegen Ype B. de Graaf van den 12 November 1859"op HCL