Mysterieuze ziekte


Beginjaren zeventig kreeg ook het Gevangeniswezen steeds meer met toenemend druggebruik te maken. Chinezen en Surinamers bevochten elkaar in de kleine straten van de warme buurt in Amsterdam, om de macht bij de heroïnehandel en als gevolg daarvan werd ook de bevolking van de gevangenissen steeds internationaler.

 

Het was gedaan met het vluchtig fouilleren. 

Steeds nadrukkelijker werd er gezocht naar het door druggebruikers zo begeerde spul, het maatschappij ontwrichtende gif, dat in de plaats gekomen was van de goedmoedige wiet. Ook wiet en hasj hadden het stempel gevaarlijk te zijn, al trokken de ervaringsdeskundigen, zoals hippies en provo's er hun schouders over op. Heroïne was echter veel bedreigender voor de openbare gezondheid. Steeds vaker kwamen gedetineerden het Huis van Bewaring in, die zwak, ziek en misselijk waren. Bleek en ernstig vermagerd brachten ze de eerste weken rillend door op hun cel.

 

Hulp werd er eigenlijk niet geboden. 

De verslaafden moesten zonder dempende middelen afkicken van hun verslaving. Een extra deken en wat Broom als inslaapmiddel waren de enige ondersteunende handelingen. Dat de Broom zeer schadelijk was, werd pas later bekend.

 

Echte boffers kregen nog wel een slaappil voor een korte periode, maar er zijn ook heel wat placebo's uitgedeeld. Na bezoek gingen de kleren uit van de gedetineerden die bezoek hadden ge had. Soms werd steekproefsgewijs gezocht, maar het gebeurde ook wel collectief, voor langere termijn. Een vondst werd heel serieus genomen. Er werd rapport opgemaakt en als er ook maar een gram heroïne gevonden was, kwam de recherche de gedetineerde ondervragen, om zo achter de lijnen van de dealers te komen.

 

Het druggebruik buiten en in de gevangenissen groeide. 

Het werd ook voor de recherche ondoenlijk om elke keer weer te komen voor een paar gram heroïne .

 

Het aantal drugverslaafden nam alleen maar toe. 

Er werd gespoten en gesnoven. Dat er risico's waren bij het inspuiten van heroïne, was wel bekend, maar gedetineerden hadden vaak maar een enkele naald tot hun beschikking en dus werd zo'n naald veel gebruikt, door verschillende personen.

 

Toen gebeurde het.

Plotseling kwam het binnen. Het eerste bericht was nog een ver van mijn bedshow. Niemand besteedde er veel aandacht aan en niemand verwachtte dat het ooit zo groot zou worden dat het de wereld zou gaan beheersen en het gedrag van mensen zou gaan beïnvloeden.  Onwetend van het gevaar lieten hemofiliepatiënten zich onbevreesd voeden met het geschonken bloed van donoren. Homoseksuelen en vreemdgaande hetero's zochten onbeschermd hun bevrediging, niet wetend van de grote dreiging die er was en die zich als een enorm gevaar aan het ontwikkelen was. Met vernuftig gemaakte tatoeagemachines, werden door mede-lotgenoten blijvend, bloederige plaatjes gecreëerd, op de lichamen van gevangenen.

 

Het gevaar van bloeduitwisseling was onbekend. 

Het waren bloedbroeders, die in de illegaliteit, tegen de huisregels in, hun lichaam aan het verfraaien waren.

 

Het bericht was klein en nog nauwelijks verontrustend in het begin van 1981.

Op de radio werd vermeld dat een paar mensen overleden waren aan een nieuw virus en dat het er op leek dat het virus zich in aantal elk half jaar aan het verdubbelen was. Wat de precieze oorzaak was, wist men nog niet, maar het virus was nog niet in Nederland aangetoond.

 

Wel was duidelijk dat het vooral homoseksuele mensen betrof en dat het een virus was, die het immuunsysteem vernielde en die daarmee angst, wanhoop en onzekerheid veroorzaakte bij mensen met deze geaardheid. Het jaar daarop waren ook in Nederland inmiddels enkele gevallen bekend, maar zo werd er door omroep Friesland geruststellend aan toegevoegd : het virus is nog niet in Friesland gesignaleerd.

 

Dat duurde natuurlijk niet al te lang. Ineens was het ook in Friesland. Het virus had inmiddels een naam gekregen: het HIV virus en je ging er bijna altijd aan dood als het je trof. Dat was AIDS, kregen we te horen. Inmiddels wisten we ook al, dat hetero-vrouwen en hemofiliepatiënten geïnfecteerd raakten en ook tot de risico-groepen behoorden.

 

Als bewaarders wisten we niet wat de ziekte precies was en waar het door veroorzaakt werd, maar inmiddels was wel duidelijk dat het in allerlei vormen zichtbaar werd, bij verzwakte mensen en dat waren ook de drugsgebruikende, heroïneverslaafde gedetineerden. Wel wisten we inmiddels dat bloed op bloedcontacten het virus kon overbrengen. Deze gedetineerden behoorden duidelijk tot de risico- groepen.

 

Daar werd de bewaking wel onrustig van. Gedetineerden werden met andere ogen bekeken. Wie waren degenen die wellicht al besmet zouden zijn? Hoeveel risico liep je wel niet, als je zo'n man een hand zou geven, of uit hetzelfde kopje zou drinken?

 

Waren de deurklinken nog wel aan te pakken met de blote handen?

We wilden van de medische dienst weten wie er binnen besmet waren met het dodelijke virus, om onszelf enigszins te kunnen beschermen bij het betreden van de cel.

 

De medische dienst gaf die namen niet. 

Uit privacy-overwegingen, maar ook om de gedetineerde te beschermen tegen uitstoting en bespotting. Het gevaar dat die gedetineerde geïsoleerd zou moeten leven van de rest was te groot. We moesten het maar zo zien, dat we ervan uit moesten gaan, dat bij elk contact met een gedetineerde, die gedetineerde mogelijk besmet zou kunnen zijn met het HIV virus. Het achterhouden van de gegevens over de ziekte bracht nog meer onrust en de onwetendheid en de eventuele vooroordelen moesten zo spoedig mogelijk worden weggenomen.

 

Daarom kregen we bezoek van twee verpleegkundigen van de GGD.

Ze wisten een aantal foutieve aannames en vooroordelen weg te nemen en gaven aan dat het virus niet door de lucht zweefde en je gerust uit een kopje kon drinken van iemand die HIV had, zonder daar ziek van te worden.

 

Bovendien waren er beschermingsmiddelen, zoals rubber handschoenen.

Er werd geadviseerd die handschoenen ook altijd te gaan gebruiken, bijvoorbeeld bij fouillering, of bij andere lichamelijke contacten, zoals een isoleer-plaatsing en elkaar er op aan te spreken als het niet werd gedaan.

 

Gedetineerden kregen eveneens voorlichting, omdat ook bij hun dezelfde angsten leefden en omdat ook het gevaar bestond dat ze mede- gevangenen, op grond van hun mogelijke ziekte, zouden buitensluiten. Hoewel onderlinge seksuele contacten niet waren toegestaan in het gevang, kon toch niet worden uitgesloten dat het voorkwam. Gedetineerden werden ook daarover geïnformeerd en in de winkel werden voortaan condooms verkocht aan de gedetineerden. 

 

Zo werden we allemaal weerbaar gemaakt tegen de angst die naar boven gekomen was. We hadden weer het gevoel dat we ons konden beveiligen en de situatie was weer werkbaar geworden. Geld voor voorlichting was hier nu eens goed besteed.

 

Ook vandaag houdt Aids de wereld nog in zijn greep.

Meer dan vijftien miljoen Afrikanen zijn inmiddels al gestorven aan aids, maar hiv geïnfecteerden leven nu aanzienlijk langer en blijven gedurende die tijd gezonder, dankzij de aidsremmers. Toch is de oplossing er nog niet en zullen we alert moeten blijven, want ook in 2015 zullen er weer vele besmettingen plaatsvinden! 

PIW'er  J.v.Dasselaar.