Annemiek Horstman


Afscheid van elkaar en afscheid van "DeBlokhuisPoort"

Afscheid nemen van elkaar: dat kennen we allemaal.

Vooral in een Huis van Bewaring of in een gevangenis neem je voortdurend afscheid van allerlei mensen: je buurman waar je het goed mee kon vinden en die nu overgeplaatst gaat worden en dan moet je maar afwachten wie er nu weer komt.

 

Of jij wordt zelf overgeplaatst en dan moet je afscheid nemen van allerlei mensen waar je goed mee om kon gaan of waar je je verhaal kwijt kon. Als medewerker neem je afscheid van mensen en hoop je ze nooit meer hier te zien maar bij sommigen denk je “Tot de volgende keer”.

We staan er niet altijd bij stil maar een verblijf in een PI betekent naast verlies van vrijheid ook voortdurend kennis maken met mensen en weer afscheid nemen. Dus dat met mensen, dat kennen we wel. Maar hoe neem je afscheid van een gebouw? En is dat nou treurig in dit geval: afscheid nemen van een oude, stoffige gevangenis, waar je niet elke dag kunt douchen, waar je niet kunt koken en je alleen naar buiten kunt kijken als je op ’n stoel gaat staan? Waar het in de bewaarderswacht ’n allegaartje is?

 

We denken daar ongetwijfeld allemaal anders over: Sommigen van ons zullen blij zijn – oud kreng eindelijk dicht, anderen zullen hun 2e huis missen. Ik betreur het dat de Blokhuispoort dicht gaat; ik heb me hier altijd op mijn gemak gevoeld en – hoe vreemd het ook mag klinken – ik vind de sfeer gemoedelijk maar ik realiseer me heel goed dat het anders is om hier te werken dan om hier te zitten. Maar als ik zou moeten zitten, dan liever hier dan in de andere inrichtingen waar ik geweest ben. Als je afscheid neemt komen ook herinneringen boven. En in deze inrichting komen die herinneringen boven in de vorm van verhalen over mensen.

 

Afgelopen dinsdag, toen het nieuws dat het hier dicht zou gaan net bekend was, zat ik met ’n paar bewaarders in zo’n bewaardershok. “Goh, heb jij die en die nog gekend?” “Ja natuurlijk heb ik die gekend”. “Weet je nog hoe die de boel probeerde te belazeren met ’n uc?

 

Hij had ’n ballonnetje met urine van zijn buurman onder zijn arm en daar zat ’n draadje in en hij maar pompen met zijn arm: alles zat onder behalve in het flesje..”.

 

Of het verhaal over onze ramenwasser; ik noem hem Piet: Piet kwam ongeveer 2 keer per jaar binnen, boete’s uitzitten. En wanneer hij binnen kwam, stond de lange ladder, de emmer en de spons al klaar want Piet was dus ramenwasser en hij vond dat hij dat ook hier kon doen en deze inrichting vond dat eigenlijk ook wel. Dus alle ramen, ook die aan de buitenkant, werden keurig gedaan tot er ’n nieuwe directeur kwam. Die zag Piet lopen met z’n ladder en vroeg wie het was. Toen hij hoorde dat het ’n gedetineerde was, verschoot hij van kleur, eerst spierwit en toen knalrood. Hoe of wij het wel niet in ons hoofd haalden om ’n gedetineerde rond te laten lopen met ’n ladder en dat was direct afgelopen. Piet was hier zo beledigd over dat hij z’n boetes betaalde en we hebben hem nooit meer terug gezien.

 

Er zijn honderden van dit soort verhalen: sommigen grappig, sommigen treurig. Een verhaal is wereldberoemd: de overval op deze inrichting in de 2e wereldoorlog waarbij verzetsstrijders uit hun cel zijn bevrijd. Uit dezelfde periode, namelijk de hongerwinter van 1944 ken ik het verhaal van Toon die 6 weken in de onverwarmde bunker zat, de oude strafcel. Er was ’n stukje spek op zijn cel gevonden en hij weigerde te zeggen van wie hij dat had gekregen.

 

Ik ken verhalen van mensen die hier nog voor de oorlog hebben gezeten. 

De B-vleugel was toen dé strafgevangenis van Nederland waar je alleen maar binnen kwam als je 5 jaar of meer had. En als je slechts 5 jaar had, zeiden ze tegen je: “Laat je klompen maar bij de deur staan want je bent zo weer buiten.”. Het was de tijd dat je één sigaret mocht roken en de lucifer en het peukje moest inleveren. De tijd dat je het eerste jaar geïsoleerd op je cel zat om je zonden te overdenken. Na dat ene jaar kwam je in de gemeenschap en mocht je slapen op de slaapzaal in een hangmat in de ruimte schuin boven de sportzaal . Dan mocht je overdag werken in het schildersbedrijf: de ruimte eronder of in het kleermakersbedrijf: de ruimte naast de recreatiezaal. En die recreatiezaal was toen de kerk waar iedereen in een apart hokje naar de dominee luisterde zodat je niet afgeleid werd.

 

Ik heb mensen uit die tijd gekend, schilders en een kleermaker; ze hebben het overleefd.

Verhalen, zo ontzettend veel verhalen

Zoals ook wij allemaal ons verhaal hebben…

Wanneer je iemand vraagt: “Wie ben je?” komt die iemand met een verhaal over zijn levensgeschiedenis. Wij mensen vertellen over wat ons overkomen is, wat we meemaken en wat we doen. En we willen allemaal dat iemand luistert. Dat levensverhaal kan soms mooi zijn, soms pijnlijk en soms ’n beetje versierd.

 

Wij herkennen ons in de verhalen van die ander: we hebben allemaal mooie kanten aan onze levensgeschiedenis, pijnlijke kanten en we versieren allemaal wel eens het verhaal over onszelf.

 

Geestelijk verzorgers vragen mensen wat de zin van hun leven is. Vaak beginnen ze dan hun levensverhaal te vertellen. Ergens in dat verhaal moet de zin van hun leven liggen: daar gaat het om. Een moeder zal beginnen over haar kinderen, een boer over zijn beesten, een kunstenaar over zijn schilderijen…en een gebouw als je dat zou kunnen vragen over de zin van haar leven? Zou het dan gaan over de mensen die er geweest zijn? En dan niet alleen over de bekende mensen: Dokter O., de bende van Oss, Age M. , maar ook over de onbekende mensen en degenen die het niet meer aan konden, gebroken waren en inmiddels dood zijn door een overdosis, een pistool tegen het hoofd, met de auto tegen een boom.

 

Misschien vinden sommigen van jullie mij wel ’n soort gekke Eppie. Kennen jullie het verhaal van gekke Eppie? Nee? Wel: er was eens ’n scherpschutter die uitblonk in zijn hobby; hij had verschillende toernooien gewonnen. Op een keer na een wedstrijd reed hij naar huis en kwam langs een klein dorp. Daar stond ’n schutting waar wel honderd schietschijven op getekend waren met in iedere schijf ’n kogelgat midden in de roos. De schutter was stomverbaasd: honderd keer in de roos! Wie kan zoiets?

 

Er kwam ’n jongetje uit het dorp langs die de schutter zag kijken en die zei lachend tegen hem: “Dat heeft gekke Eppie gedaan”. “Het kan me niet schelen hoe gek hij is”, zei de schutter . “Iemand die 100 keer in de roos kan schieten, wil ik ontmoeten”. “U begrijpt het verkeerd”, zei het jongetje. “U denkt dat Gekke Eppie eerst de schietschijven op de muur tekent en dan schiet. Maar néé, hij schiet eerst en dan tekent hij de schietschijf eromheen”. Misschien ben ik wel ’n gekke Eppie die de geschiedenis van de Blokhuispoort mooier maakt dan die geweest is en vinden jullie dat die maar zo snel mogelijk vergeten moet worden.

 

Dat hier ’n café in moet komen met ’n terras aan het water, ’n restaurant en wat ze nog meer willen doen met het gebouw. Maar daarmee zouden we te kort doen aan al die mensen die hier 133 jaar lang hebben gezeten, gewerkt, lief en leed met elkaar hebben gedeeld; hebben getreurd en gehoopt. We zouden tekort doen aan de verhalen van de Blokhuispoort. Dus moeten wij een manier bedenken om die verhalen levend te houden want deze muren kunnen niet praten; wij moeten het voor hen doen. En ergens, diep in mijn hart ben ik wel ’n beetje gekke Eppie want ik hoop dat deze sluiting echt tijdelijk is en dat er straks na ’n verbouwing …Maar voorlopig nemen wij afscheid:  Dank jullie voor het in ons gestelde vertrouwen.

 

Het ga jullie goed. Annemiek H, (Geestelijke Verzorging)