H. Steensma


Gevangenbewaarder Huis van Bewaring Leeuwarden  H.Steensma. 

In iedere samenlevingsvorm van mensen ontstaan normen op welker overtreding door de groepsgenoten gereageerd wordt door de overtreder te straffen en iedere maatschappij kent haar strafwetten en strafproces. Het is een natuurlijk verschijnsel dat mensen elkaar corrigeren, in het gezin wijzen de ouders hun kinderen terecht, tuchtigen hen als zij gestelde regels overtreden of worden van bepaalde voorrechten onthouden, dit gebeurt in de maatschappij "in het groot" .

Normoverschrijdingen waren in de Griekse en Romeinse cultuur voornamelijk privaatrechtelijke aangelegenheden tussen de dader en het slachtoffer en waren aanvankelijk nauw verbonden met sacrale elementen in die culturen totdat daarin differentiatie optrad en de rechtswetenschap haar eigen weg ging.


In dit recht nam het strafrecht een zeer bescheiden plaats in, de meeste delicten deden dan ook voor de dader een civielrechterlijke verbintenis ontstaan tot schadevergoeding aan het slachtoffer. Slechts gemeenschapsgevaarlijke en politieke delicten werden van staatswege bestraft met verbanning of de dood. Ook in het oud germaanse recht kende men als voornaamste gevolg van normovertredingen de compositio, de afkoop_ Agressief straffend werd opgetreden tegen werkelijk gevaarlijke delicten.


Na de val van het Romeinse Rijk trokken de koningen en landsheren er weer op uit om hun versplinterde gebied onder hun macht te krijgen en trokken geleidelijk alle rechtspraak tot zich: de rechtspleging in stamverband werd vervangen door de rechtspraak door landsheren of diens vertegenwoordigers. Het vooronderzoek, de voorlopige vrijheidsbeneming en de pijnbank doen hun intrede en met wrede en onbarmhartige lijf-en levensstraffen wordt gestraft in naam van God en Justitie.


In de loop van de 18e eeuw ging er een roep op om een humaner en rechtszekerder strafrechtspleging en tevens ging men zich bezinnen op de rechtwaardiging van de straf. Evenwel bleef men het er over eens dat de dader van een strafbaar feit een kwaad had gepleegd wat vergolden moest worden, eenzelfde gedachte als in de middeleeuwse tijd. Negentiende eeuwse rationalisten achten het mogelijk de mate van schuld van de dader om te rekenen in een leedtoevoeging. Het Wetboek van Strafrecht van 1886 bevatte een eenvoudig strafstelsel om tot deze berekening te kunnen komen. De rechter van 1886 was gebonden aan de mate van schuld van de dader en deze diende hij "om te zetten" in een corresponderende leedtoevoeging.


Reeds ten tijde van het tot stand komen van het Wetboek van Strafrecht van 1886 had de ontwikkeling der gedragswetenschappen nieuwe gedachten over dader, schuld en straf geïntroduceerd: Het begrip schuld bleek niet het simpele, eenvoudige verwijt aan een uit eigen vrije wil handelende mens te zijn. Zeer veel daders kon men het kwaad dat zij hadden aangericht niet of slechts ten dele. verwijten gezien de onvrijheid van de menselijke geest en de vele graduaties van ziekelijke en gestoorde geestvermogens. De leedtoevoeging, gekoppeld aan de mate van schuld resulteerde in kortere vrijheidsstraffen en andere lichte straffen.


Omdat deze leer echter niet in overeenstemming was met de geldende vergeldingsleer kwam er een compromis tot stand: Uitgangspunt van het strafrecht bleef de leedtoevoegende vergelding, waar dit nodig bleek kon een maatregel tot beveiliging van de maatschappij opgelegd worden: de psychopatenwetten van 1925. In 1951 wordt ingevolge artikel 26 van de Beginselenwet Gevangeniswezen een doel gegeven aan de wijze van de tenuitvoerlegging van de door de rechter opgelegde leedtoevoeging en wel: verbetering van de dader en diens terugkeer in de maatschappij.


H. Steensma. Gevangenbewaarder Leeuwarder Huis van Bewaring.