Ontvluchtingsgeschiedenis


Een halve eeuw geleden had er in Friesland eene stoute ontvluchting plaats van eenige der zwaarst veroordeelde gevangenen, die in het tuchthuis te Leeuwarden zaten opgesloten. Allen waren ze veroordeeld tot pl.m. twintig jaren gevangenisstraf, enkelen wegens moord. Zooals men weet, staat in de hoofdstad van Friesland de groote gevangenis, waarin uit het geheele land de mannelijke gevangenen, die tot eene tuchthuisstraf van meer dan 5 jaar veroordeeld zijn, hunne straf moeten uitzitten. Dus ook de levenslang veroordeelden hunnen binnen hare muren. Het zijn dus de beste broeders niet, welke in dit tuchthuis een groot deel van hun mislukt leven moeten doorbrengen, zoodat het alleszins begrijpelijk is., dat de zucht om, de vrijheid te erlangen bij vele van hare bewoners steeds een onderwerp van gedachten uitmaakt en slechts wacht op de gelegenheid om hunne wenschen `in daden te kunnen omzetten.

 

Doch het feit, dat alle pogingen tot uitbraak, sedert welke op de volgende bladzijden beschreven wordt, steeds in het allereerste begin van uitvoering gestuit toont aan, hoe uiterst moeilijk het is om te ontsnappen; en dit relaas, hoe even moeilijk het is om als ontsnapte op vrije voeten te blijven. Deze uitbraak, welke indertijd zooveel van zich heeft doen spreken, is thans zoo goed als in het vergeetboek. Indertijd is de sensationeele gebeurtenis bij stukken en brokken gepubliceerd zonder eenigen samenhang; we hebben nu de opvolgende feiten aaneengeschakeld tot een geheel. De geschiedenis toch is éénig in hare soort en even bijzonder als zeldzaam.

 

't Was in den vroegen morgen van den 15 Juni 1868, dus mids zomer en heel vroeg, dat iemand op de gren­zen van Leeuwarden twee verdachte personen uit de stad zag gaan, die bizondere haast schenen te heb­ben.  Hun uitzicht en kleeding, gevoegd bij den ongewonen spoed, waren zoo verdacht, dat hij terstond de nacht­politie in kennis stelde met wat hij gezien had, als zijn vermoeden te kennen gevende, dat het wel ontvluchte gevangenen konden zijn. Onmiddellijk werd de zaak onderzocht en bleek het vermoeden volkomen waar te zijn. Dra ontdekte men aan het tuchthuis, dat niet twee, maar zes van de zwaarst veroordeelden zich dien nacht uit de voeten hadden gemaakt. De kooien waren ledig, de gevaarlijke vogels ge­vlogen! Hoe deze ontvluchting mogelijk was, kon niemand zich verklaren. Men stond voor een raadsel. 's Avonds te voren waren de gevangenen door de bewaarders elk afzonderlijk opgesloten in alcoven. met stevige ijzeren sluitingen. Die alcoven bevonden zich op de bovenverdieping van 't nieuwe gebouw.

Al de sluitingen hadden ze verbroken, doch eenmaal uit de kooien waren ze nog slechts op de naar alle zijden goed gesloten bovenzaal en door de deuren was alzoo niet te ontkomen. Hoe een uitweg te vinden? Met een of ander werktuig, een raadsel alweer, hoe dit onder hun bereik kwam - gelukte het hun een opening­ in den zolder van de slaapzaal te maken. Hierdoor ge­kropen, bevonden ze zich op den zolder en wisten daar te verbreken de sluiting van een dakvenster. Door dit venster kwamen ze op het dak van het gebouw. Doch nu werd de zaak lastiger, aangezien beneden hen een schildwacht stond geposteerd met geladen geweer.

 

Het was tusschen 1 en 2 uur in den nacht de stad lag nog in diepe rust, maar lang tijd hadden ze niet meer, om onopgemerkt beneden en naar buiten in veiligheid te komen. Om aan den schildwacht te ontsnappen, beproefden ze het dak van een tweede gebouw te bereiken. Daarin slaagden ze weder naar wensch, doch het zwaarste stuk bleef nog immer om beneden en over de gracht te komen, waardoor de gevangenis is ingesloten.

 

De mr. uitbrekers hadden dit geval voorzien en mits­dien een touw medegebracht, dat hier een onmisbaar vereischte mocht heeten. Hoe ze aan dat touw waren gekomen? Ze hadden het zelf in hunne vrije uren ge­maakt van garen, dat bleek gestolen te zijn uit de werkplaats, waar ze daags arbeidden. Die arbeid zal hebben bestaan in weven of spinnen. Gedachtig aan het alle dagen een draadje, hadden ze samen 45 strengen garen weten meester te worden en daaruit het touw samengesteld, sterk genoeg om er man voor man aan te kunnen hangen en lang genoeg om tot den grond te reiken, zelfs al zouden ze zich moeten laten zakken van het hooge dak van het hoofd­gebouw. Met het eene einde stevig vastgemaakt aan een ' ijze­ren bout van het dakvenster, zal het vermoedelijk SchuIz zijn geweest, een 26-jarige Zwitser, laatst te Harderwijk woonachtig, die zich het eerst heeft neergelaten aan liet touw. 't Was een steile hoogte en beneden hem bevond zich de diepe gracht, die nog overgezwommen moest worden, om vasten grond onder de voeten te krijgen.

 

Goed overleg is het halve werk.

Het touw was zoo lang genomen, dat het niet alleen tot aan de gracht kon reiken, maar ook nog kon dienen als reddingsmiddel als het zwemmen gevaar mocht opleveren. De zwemmer had het om den middel gebonden. Bovendien had hij zich van zijne kleeren ontdaan, waarom zullen we nader zien. Toen hij goed en wel beneden en over was, nam hij het touw en knoopte het vast aan een der aldaar staande boomen. Zijne makkers konden zich nu maar van de hoogte als langs een hellend vlak naar beneden laten glijden. Alle vijf kwamen ze niet alleen behouden, maar en daarom had de eerste zich ontkleed en door de anderen zijne kleeren mee laten nemen, ook droog over, wat voor hen van veel belang kon heeten. Weinig uitzicht toch bestond er om de door­natte plunje te kunnen verwisselen en onderdak zou de eerstvolgende nachten ook niet wel gevraagd kunnen worden. Wie zou het hun willen verleenen, want de ontvluch­ting moest spoedig ruchtbaar worden, uren ver in het rond. Het stond dus zoo goed als vast, dat ze onder den blooten hemel een legerplaats moesten zoeken.

 't Stoute en weloverlegde waagstuk was tot dusver alzoo met het gewenschte succes bekroond. Zoo wèlgeslaagd was de uitvoering geweest, dat geen der mede­gevangenen, geen der zeven en twintig bewakers en geen der schildwachten iets van de ontvluchting hadden gemerkt.  Was de vrijheid nu al veroverd, toch bleven van alle zijden gevaren dreigen, klimmend bij den naderenden dageraad.

 

Kennelijk lag in de afspraak, om niet bijeen te blij­ven en niet allen denzelfden weg te gaan. Zij scheidden reeds in de stad en zoo toog een enkele naar het zuiden en zetten de anderen koers naar het oosten, naar de bosschen, zeker in de hoop op die wijze het spoedigst over de grenzen te zullen komen. 

 

Den eersten nacht konden ze onmogelijk een grooten afstand afleggen; zoodra het licht aan de kimmen rees, was het hun geraden, schuil te gaan; want aller oog zou hen zoeken en ieder hen terstond kunnen herken­nen aan hunne tuchthuiskleeding. De Wouden genaderd, 'n paar uur van Leeuwarden, zochten de meesten een goed heenkomen in de bosschen of roggevelden, om er den volgenden nacht af te wach­ten, de vriend van boosdoeners en roovers. Die hierin slaagden, konden tevreden zijn, doch twee anderen waren minder gelukkig, o. a. hij, die op de grens der stad nog gezien was, gelijk vroeger vermeld is.

 

***

Direct na de ontdekking der ontvluchting, dus heel in de vroegte, togen naar alle zijden de gewapende dienstknechten der justitie uit, om de gevaarlijke booswichten, mocht het zijn ten spoedigste, weder onschadelijk te maken. Uren in den omtrek werd het groote nieuws als in een ommezien verbreid en ieder, die er van hoorde, werd een helper der politie. Niemand op weg, veld of akker of hij hield een oog in 't zeil en toonde op zijn hoede te zijn. De boosdoeners waren van de gevaarlijkste soort, in de kracht des levens, de oudste telde 35, de jongste nauwelijks 26 jaren. Daarbij hadden ze gebrek aan alles. De vluchteling, die zuidwaarts was getogen, bevond zich in de ongunstigste conditie; geen bosch of iets van dien aard in de naaste omgeving der stad, waar hij zich kon verstoppen.

 

Nauwelijks in de buurt van Goutum gekomen, werd hij reeds gezien door de boeren, die gingen maaien, hooien of melken en zoodra hoorden ze niet van de ont­vluchting of ze zetten den vreemdeling na, die dra gevat weder naar Leeuwarden werd teruggebracht. Het was Christoffel Veldink.

 

Een tweede, Hendrik Huisbeek geheeten, verging het nog ongelukkiger. Na een zware worsteling werd hij door de boeren onder Rijperkerk over­meesterd. Stevig gebonden werd hij door de boeren op een platten wagen gezet en zoo fluks naar de hoofdstad gereden, waar hij zich evenals V e l d i nk met reden kon beklagen over zijne kortstondige en met zooveel moeite en gevaren verkregen vrijheid. 't Was hem aan te zien, dat hij zich duchtig in den wanhopigen strijd had geweerd. Zoo ging de eerste dag voorbij, de nacht verscheen en in heel Friesland, vooral in de Wouden, bevond zich menigeen, die met meer zorg dan gewoonlijk 's avonds bij het ter ruste gaan sloten en grendels in­specteerde. 

 

En niet zonder reden. De zich schuilhoudende en voor niets terugdeinzende boosdoeners moesten van den nacht profiteeren om hun slag te slaan. De honger moest hen als de wolven uit hunne holen drijven; ook aan andere kleeding hadden ze behoefte om verder te kunnen trekken.

 

Wel waren de signalementen van het gevaarlijke viertal overal kwistig verspreid en was heel de rijks­en gemeenteveldwacht den ganschen dag ijverig in de weer geweest om ze op te sporen, doch vruchteloos; niet de minste aanwijzing had men gevonden en wat gaven de signalementen bij donker! Men duchtte zeker inbraak en diefstal, doch in welke buurt en bij wien? Dat viel niet te gissen. Men had geen enkel spoor. De morgen daagde en wat men gevreesd had was bewaarheid geworden. Als een loopend vuurtje verspreidde zich de veel ge­rucht makende tijding, dat in den verloopen nacht was ingebroken bij den landbouwer Wiltje Oenes Bottema onder R o o d k e r k. Even brutaal en talentvol als de uitbraak der ontvluchten, was deze inbraak geweest.

 

Behoedzaam had men de luiken en vensters verbroken, en in de kamer gekomen, het aldaar staande kabinet geforceerd en geopend en daaruit ontvreemd 80 gulden aan contanten, een gouden oorijzer, een zilveren tabaksdoos, een dito horloge, manslijfdracht, linnengoed enz. zonder dat de bewoners, die in de kamer slie­pen, iets hadden gemerkt. Ja zelfs had men, om tot het kabinet te kunnen komen, een wieg moeten verzetten, waarin een zuigeling te slapen lag. Deze kleine was gelukkig blijven. doorslapen. Gelukkig, want waren de bewoners gewekt geworden door het schreien van het kind, mogelijk zou een strijd op leven of dood zijn ge­volgd en B o t t e m a en de zijnen zouden wellicht den kamp hebben verloren.

 

Eerst bij 't ontwaken alzoo werd de inbraak en dief­stal ontdekt. Dat de ontvluchten uit de gevangenis de daders moesten zijn, was direct het algemeen vermoeden. En waren het dezen geweest, dan hadden ze nu geld en goed, zij konden van kleeren verwisselen en met minder vrees voor ontdekking de wijde wereld ingaan. Maar ook voor de Justitie had deze inbraak eene lichtzijde. Men had nu een meer zeker spoor om te zoeken. In de buurt van den diefstal moesten de boeven zich wel ophouden. De nachten waren te kort om te voet ver weg te komen, zonder opgemerkt te worden.

 

Paarden werden er gelukkig niet uit de weide ver­mist; daarop alleen zou het nog mogelijk zijn geweest, dat men de grenzen had kunnen bereiken. Want dat de uitbrekers zich zouden beijveren om over de Oostgrens zich aan een directe vervolging te onttrekken, daaraan werd niet getwijfeld. Doch waarschijnlijk zal de kunst van paardrijden hen wel vreemd zijn geweest, anders ware mogelijk dat middel niet onopgemerkt gebleven en ongebruikt gelaten. Of zij moeten en met eenige reden bevreesd zijn geweest, dat paarden, die niet bestemd zijn om onder den man bereden te worden, wel in de allereerste plaats de aandacht op de ruiters moest vestigen, te meer waar te paard wel van de hoofdwegen gebruik gemaakt moest worden, en zich verschuilen voor dreigend gevaar onmogelijk mocht heeten. Doch zij hadden het met paard en wagen kun­nen probeeren. Zeker heeft hen daartoe de kans ont­broken.

 

Een macht van politie trok naar de omstreken van Roodkerk en ook de bevolking was overal ijverig mee in de weer, om te zoeken en te speuren. Men had nu een vast punt van operatie en een formeele jacht op groote schaal organiseerde zich als van zelve. Aan 't hoofd plaatste zich de Burgemeester van Tietjerksteradeel, die een beroep had ge­daan. op de landlieden, om met vorken, spaden en ge­weren op het appèl te verschijnen. Goed gewapend toog alzoo een groote menigte op ver­kenning uit. Eene kleine aanwijzing werd dra verkregen. Bij 't dagen van den morgen hadden twee grasmaaiers op de grens van R i n s u m a g e e s t een gesprek afgeluis­terd en iemand in gebroken Duitsch hooren roemen den heerlijken smook van Groninger koek. Nu bevond zich onder de vluchtelingen een Duitscher en bij de inbraak te R o o d k e r k bleek ook te zijn ontvreemd een Groninger koek. Verder vond men niet ver van B o t t e m a's woning de kleeren van twee der gevangenen; voor deze beiden stond het dus zoo goed als vast, dat zij aan de inbraak schuldig waren en zich in den omtrek moesten schuil­houden. Onvoorzichtig mag het dan ook van dezen hee­ten, wetende hoe hun spoor oogenblikkelijk gevolgd zou worden, dat zij de oude plunje niet afdoende hebben verstopt. Den geheelen morgen werd rusteloos gespeurd in bosschen en korenvelden, tot eindelijk in den namiddag eenig spoor werd gevonden, 't welk eindelijk tot de ontdekking leidde.

Alle vier lagen ze bijeen, de lang gezochten, slapend en vermoeid, doch onraad vernemende, zetten ze het op een loopen.

 

De Duitscher Wilhelm Spelleken van Ruhrort was dra uit het gezicht, doch zijne kameraden bleken minder vlug ter been. Hoewel niet zonder moeite, werden ze achterhaald en gevat. Hun verzet was niet zoo geweldig als vermoed had mogen worden; ze bleken trouwens zeer afgemat. Waarlijk geen won­der, als men bedenkt, dat ze zeker weinig of geen voedsel hadden gebruikt en dun gekleed als ze waren, onder den blooten hemel in 't veld hadden moeten overnachten.

 

Zwaar geboeid liet het drietal zich gewillig leiden naar de Hoogebrug, waar de Dokkumer trekschuit naar Leeuwarden werd opgewacht om daarmee naar de hoofdstad te gaan.

 

In deze schuit kregen de gevangenen plaats naast hunne bewakers, doch deze verdienen al evenmin een woord van lof als de bewakers van het tuchthuis; niet ver van Leeuwarden toch wist de 30-jarige Heinrieh Schutz, vroeger reeds genoemd, nog aan zijne geleiders te ontsnappen. Door een der openin­gen van de kajuit vond hij een uitweg naar buiten en kwam natuurlijk in de diepe trekvaart terecht. De politie waagde het niet hem langs denzelfden en ongewonen weg te volgen en de schuit met het paard er voor was niet voldoende vlug te stoppen om gelegen­heid te geven direct weer de hand op den stouten vluchteling te leggen. Doch Schulz, mogelijk ver­trouwend op zijne zwemkunst, had buiten de boeien gerekend, waarmee zijne, handen waren vastge­klonken.

Hij bleek machteloos en wel keerde terstond de schuit terug om te helpen en staken hulpvaardigen in bootjes van de walzijde hem de reddende hand toe, doch.... te laat. De jongeling verdronk, ver van zijn vaderland, als misdadiger! Of er deernis was bij de menigte, toen zijn lijk een oogenblik later werd opgehaald, wie zal het zeggen? Zeker is, dat de meest beruchte van het zestal ont­vluchten, de 28-jarige Amsterdammer Johan Koenraad van Schenk, een moordenaar, zoo diep be­wogen bleek met het lot van zijn trouwen makker in 't lief en leed der laatste dagen, dat hij schreide als een kind.

 

„'t Was mijn vriend", sprak hij meewarig en aangedaan. Weinig, zeer weinig had het gescheeld of Schulz zou zijne vrijheid opnieuw hebben veroverd door zijn wanhopigen moed. Toen het lijk in de schuit werd opgehaald, bleek het dat de drenkeling zijne boeien reeds had verbroken en dus de armen vrij had, om naar den wal te zwemmen; doch uitgeput als hij was, faalde, het hem aan kracht, om den dood te ontkomen. Ook zou het twijfelachtig genoemd mogen worden, indien het den zwaar vermoeiden man al gelukt was de overzijde der vaart te bereiken, of hij dan in staat geweest zou zijn, in zijn natte plunje, zijn vele vervolgers met eenige kans op succes te kunnen ontloopen. 't Kon slechts uitstel van executie zijn. Evenwel het was een nieuw stukje van bravour en handigheid en als het niet betrof een uit den aard der zaak met alle beschikbare krachten te verhinderen daad, zoo ware een andere en betere uitslag meer ver­diend geweest.  ***

Men kan zich voorstellen hoeveel volks er in de stad te hoop liep, toen het de aanhouding van het drietal reeds bij geruchte had vernomen en ook van het verdrinken kennis had gekregen. Op de hoofden, zoo gezegd, kon men loopen, toen de trekschuit te Leeuwarden arriveerde met haren zeldzamen „last". En op de straten naar de gevangenis stond het overal vol nieuwsgierigen om de ongelukkige „helden" te zien. Aan de Grachtswal tegenover de gevangenis, waar een pont voor de overvaart ligt, werd het gedrang van menschen, die naar de zijde der gevangenis wilden overgezet worden, zoo groot, dat de pont van wal ging met een klein dertig personen; op het midden van de gracht gekomen, zonk de schuit met haar overlast. Alle opvarenden gingen naar de diepte en op het angstgeroep dat luide gehoord werd, verschenen ijlings boo­ten en schepen en menschen met reddingsmiddelen, doch hoe snel gehandeld werd en hoe hulpvaardig allen zich betoonden, bij een der opgehaalde drenkelingen bleken de levensgeesten reeds geweken. Het was een veertienjarige knaap, een zoon van den slager D e V. Twee vrouwen bleken bewusteloos, doch kwamen ge­lukkig nog weder bij, terwijl de vrees algemeen bleef, dat er meerderen zouden zijn omgekomen, doch geen slachtoffers werden er later meer gevonden. Welk een veelbewogen dag! En toen het avond en reeds laat geworden was, be­reikte nog deze extra tijding de stad, dat ook Spellekens, een der hoofdpersonen van de ontvluchting, in de nabijheid van Buitenpost in zijn kamp voor,de vrijheid zich had moeten overgeven.

Op reis naar zijn Vaderland en reeds van kleeding verwisseld, waagde hij het, zich op den weg te vertoonen. Een veldwachter merkte hem op, en zijn taal reeds tegen hem getuigende, werd hij terstond in boeien geslagen en nog denzelfden avond naar de gevangenis ge­transporteerd, waar hij dien nacht weder rustte met zijne makkers onder hetzelfde dak, dat zij met zooveel moeite en gevaar den Zondagnacht te voren hadden weten te ontvluchten. Hoe weinig baat, voor zoo stoute daad!Hoewel er niet meer te vreezen viel van de ontvluchten, bleken de gemoederen nog niet overal gekalmeerd te zijn en met verdubbelde waakzaamheid betrokken de schildwachten hunne posten. Als 't kalf verdronken is, dempt men den put. Het was alsof Spellekens en de zijnen elk oogenblik van den nacht weder zouden uitbreken. Onder dien indruk stond de schildwacht met scherper instructies van zijn commandant dan te voren in 't nachtelijk uur te staren naar de getraliede vensters. En waarlijk niet te vergeefs. In den nacht van Donderdag op Vrijdag kwam er al weder onraad! De klokken hadden middernacht aangekondigd en omstreeks halfeen vertoonde zich iemand in het donker van de hooge muren der gevangenis. 't Was binnen de gracht en de houding der verschijning zoo verdacht, dat de schildwacht het noodig oordeelde zijn geweer te richten met een  „Werda !" Geen antwoord. Luider klonk het nu „Werda !" en vuriger werd de moedige soldaat.

De vluchteling zweeg, maar weigerde ook maar ééne schrede te wijken. Nog éénmaal het wachtwoord gesproken als laatste waarschuwing en het schot moet vallen. Donderend klinkt het nu ten derde en leste male Werda!!! De trekker wordt overgehaald en geen „goed volk!" wordt er gehoord, maar de uitbreker waagt het zelfs stoutmoedig nader te komen, zonder eenig geluid te geven. 

Pief ! Paf ! klinkt het in de nachtelijke stilte en de, van plichtbesef vervulde zoon van M a r s ziet het slachtoffer vallen: doodelijk verwond. Al de wachten in en buiten de gevangenis, hevig verschrikt, snellen op het hooren van den knal ter hulpe en ieder hunner is overtuigd dat er weder een ontvluchting valt te constateeren, waarbij hunne assistentie dringend geëischt wordt. De ongelukkige is reeds gevallen en de ter hulp gesnelde bewakers konden niet anders dan den dood constateeren, niet van een Schellekens, van Schenk of Schafstal, maar van een.... ezel, toebehoorende aan den.... commandant van het tuchthuis, den hoogsten gezagvoerder, wiens zwakke tucht op deze komische wijze nog eens aan de kaak en in 't volle licht zou worden gesteld. De ongelukkige ezel, aangeschaft door den commandant voor uitspanning zijner kinderen, werd meer beklaagd, dan zijn meester, die hem op zulk gevaarlijk terrein bij nacht had laten wandelen, althans op zijne rekening werd gesteld, dat het onnoozele dier uit zijn stal had kunnen breken en dit met zijn leven had moeten boeten.

***

De vluchtelingen werden einde Juli wegens hun stout bedrijf ieder veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf. De eisch luidde 1 jaar en 6 maanden. En voor de schuldigen aan de inbraak bij Bottema te Roodkerk - een dezer was verdronken - werd door het Prov. Hof tegen de drie anderen geëischt een gevange­nisstraf van 5 tot 20 jaren. 't Vonnis luidde: zes jaar voor ieder, te ondergaan na het eindigen van den tegen­woordigen straftijd. Deze bedroeg voor twee hunner, nog ongeveer vijftien en voor den derde bijna zes en twintig jaren.

***

Geconstateerd werd bij de behandeling der zaak, dat het personeel voor de bewaking der gevangenis te klein bleek te zijn. Wij kunnen dit niet beoordeelen, al heeft het al den schijn; wel leert deze geschiedenis, dat honderd duizend nachten bewakens en meer, slechts aan één - zegge één doodonschuldigen ezel het leven heeft gekost; Dat is al. Hoe schraal een loon voor zooveel dienst! Aangemoedigd door het welslagen der eerste ont­vluchting, begonnen de gerenommeerde uitbrekers van stonden aan te werken aan een nieuw plan om uit den kerker te ontsnappen. Weder werd er garen verzameld en van dat garen weer een touw vervaardigd, dat allengskens de ver­eischte lengte kreeg, om als vroeger dienst te doen bij het dalen en overtrekken van de gracht. Behalve touw had men ook de noodige werktuigen weten te „naasten". Al deze reisbenoodigheden werden zorgvuldig in de cellen verborgen; geen der bewakers koesterde een kwaad vermoeden, niemand hunner had ook maar het minste gemerkt van alle deze voorberei­dende werkzaamheden.

 

't Was in de maand October, nog vroeg in den avond. Binnen de muren der gevangenis was het rustig en stil, al de gevangenen waren reeds naar de slaapzalen ge­leid; acht uur sloeg de klok. Op eene dier zalen heerschte een stille bedrijvigheid. Veertien boosdoeners zaten daar opgesloten in ijzeren kooien achter zware sluitingen. Onder dezen de beken­de Speltekens en Schafstal, ons van vroeger bekend. Zij sliepen niet, al hadden ze daarvan den schijn aangenomen en slaagden er weder in onge­merkt hunne cellen te verbreken. Eenmaal vrij, boden ze hun makkers de behulpzame hand. 't Gelukte hun ook eenigen dezer te bevrijden en zoo stond er dra een vrij groot gezelschap drieste waaghal­zen tot vertrek gereed. Zij zwoeren elkaar trouw in nood en dood! En hunne ongelukkige lotgenooten, wier kooien men niet had kunnen verbreken en die dus achter moesten blijven, pleegden geen verraad. Zij bleven zwijgen als het graf, toen hunne makkers de slaapzaal reeds had­den verlaten. De werktuigen in 't bezit van dezen bewezen goede diensten. Met veel beleid en omzichtigheid slaagden ze er in het nieuwe gebouw te bereiken. Zij hoopten daar burgerkleeding te zullen vinden, ten einde daarmee hun „kennelijk" gevangentenue te kunnen verwisselen. Het kleed maakt den man; andere kleeding, dit had de vroegere ontvluchting hun geleerd, was eerste ver­eischte voor een gewenscht succes.

Behoedzaam bezig hun doel te bereiken, hoorden ze plotseling het gedruisch van naderende voetstappen en was goede raad duur.  Een bewaker scheen eenig gerucht te hebben gehoord, en zich spoedende naar de slaapzaal van Spellekens c.s., vond hij daar eenige cellen ledig. Er volgde een signaal, er daagde assistentie en in 't zelfde oogenblik had men de vluchtelingen gevolgd en.... gevonden. Geen uitkomst ziende, gaven allen zich over. Zij werden niet naar hunne cellen teruggebracht, maar nu mede tot straf opgesloten in onderaardsche cellen, waar ont­vluchten onmogelijk mocht worden geacht. De uitkomst nochtans zou het anders leeren. In de enge kelderruimte voelden ze zich nog veel min­der thuis dan boven en maar kort duurde het, of het scherpzinnig brein van een Spellekens had al weder een nieuw ontwerp tot ontvluchting gereed, dat eenstemmig goedgekeurd werd door zijne makkers, die in het geheim werden betrokken.

 

Schafstal zien we weder optreden naast zijn ouden makker en in 't complot waren mede opgenomen de 41-jarige Jan Seip en de 50-jarige Huibert van den Assem, de laatste metselaar van beroep. Als hadden de jongeren den raad der ouden gezocht om beter dan vroeger te zullen slagen. Of het toeval of opzet mocht heeten, dat evenals bij de eerste zoo wel­geslaagde ontvluchting weder zes personen in 't geheime bondgenootschap werden opgenomen, wagen we niet, te beslissen. Feit is, dat de uitval verijdeld werd en mislukte, toen een grooter getal daaraan deelnam. Ervaring is de beste leermeesteres.

 

Het weloverwogen ontwerp van ontvluchting, gelijk ons later zal blijken, was stouter nog opgezet, dan het eerste over de daken, doch voor we dit in bizonderheden mededeelen, dienen we eene gebeurtenis te vermelden in dezen van bizonder belang. Commandant, bewakers, militaire wacht en wie er verder zoo al in aanmerking mochten komen als ver­antwoordelijke personen in dienst van veiligheid en vrêe, waren éénparig zeker in hun oordeel, dat er voor ontvluchting geen vrees meer kon bestaan, na de geno­men maatregelen, sedert eenige dagen van kracht. Ten overvloede evenwel kwam er bericht uit 's-Hage, dat er eene inspectie zou volgen van Z.Ex. den Minister van Justitie, in Hoogstdeszelfs eigen persoon, vergezeld van den Inspecteur der gevangenissen in Nederland. Men wilde tegen elken prijs zekerheid.

 

Zoo werden dan op Vrijdag 23 October de gevangenen te Leeuwarden vereerd met een bezoek van Z.Ex. M r. - van Lilaar, vergezeld van den Inspecteur Mr. Estorphius Grevelink. Over de herhaalde ontvluchtingen moest aan deze hooggeplaatste Heeren opheldering worden gegeven. Aanwijzing in loco van heel de toedracht werd hun gedaan. en vervolgens daalde men af in de laagte, naar de onderaardsche ver­blijven, waar Spellekens c.s. zaten opgesloten. De hooge Heeren inspecteerden in hoogst eigen per­soon deze kelders en moesten getuigen: daar zitten ze veilig geborgen! Van hier is uitbreken niet mogelijk! Voor ontvluchting behoefde er nu geen vrees meer te bestaan, te meer niet wijl het getal bewakers met eenige personen vermeerderd en 't getal schildwachten meer dan verdubbeld was geworden. Het Hoofd van Justitie met hoogstdeszelfs deskundi­gen dienaar vertrokken denzelfden middag na de inspectie van het tuchthuis weder naar de Residentie. En de holbewoners der gevangenis? Hoe die zich te moede gevoelden? Wat zij zeiden, dachten en deden? Wat zij hadden kunnen doen, was dit: 

 

Twee dagen na het hooge bezoek hadden ze bij Zijne Excellentie den Minister van Justitie te 's-Hage op audiëntie kunnen gaan en zeker zouden ze dit hebben vertoond, had er kans bestaan dat het rooverstukje als tooverstukje ware beloond geworden met de vrijheid. Een goed etmaal toch na 't vertrek van Z.Ex. en den Inspecteur bleken ook de gevangenen te zijn vertrokken. Men vond hunne cellen ledig. Hoe was dat mogelijk!  Ja, die uitroep van verbazing is ten volle gewettigd. Op het oogenblik van de inspectie der Haagsche Mrs. hadden de Mrs. uitbrekers hunne geheime wegen al zoo goed als gereed, waarlangs ze opnieuw de vrijheid hoop­ten te vinden. Tal van nachten hadden ze met ijver aan die wegen gewerkt en wie daarbij uitstekende diensten zal heb­ben bewezen, dat was de metselaar Huibert van den Assem; was men bij de vorige ontvluchtingen gegaan door de getraliede sluitingen, ditmaal zocht men een uitweg door den grond, door loopgraven onder de fondamenten der muren door. Het eischte een goed beleid den onderaardschen gang zoo te graven, dat men op een geschikt punt weder boven zou komen. Naar de zijde van de gracht of ook ter plaatse waar een schildwacht op en neer wandelde, zou het een kwaad begonnen werk worden, zonder eenig uitzicht op verlossing.

Gekozen werd de richting naar het oude Blokhuisplein, omringd door hooge muren. Op dit plein kwam het zestal behouden aan, nog vrij vroeg in den avond en men had dus den ganschen nacht voor zich, om met behoedzaamheid en zonder overhaasting verder te gaan. Het door hooge muren omringde plein schijnt oppervlakkig geen geschikt punt te zijn geweest voor de ontvluchters, toch bleek dit punt met overleg zeer goed gekozen te zijn. Eerstens had men hier geen schildwacht te vreezen en in de tweede plaats moest hier een slag worden ge­slagen van groot gewicht. Een brutale inbraak moest aan de uitbraak voorafgaan. 

Aan het Blokhuisplein grensde een gebouw, waarvan men wist dat daarin geborgen waren diverse kleedingstukken. Het was om zoo te zeggen een magazijn van „gemaakte kleederen", waar ieder zijn gading zou kunnen vinden om pasklaar de wijde wereld in te gaan, zonder op het eerste oog voor een ontvlucht boosdoener te worden aangezien.

 

Behendig en taktvol had men dra door verbreking een doorgang gekregen en ieder daar een passend stel kleederen uitgezocht en aangetrokken, Spellekens o.a. dat van een gewezen catechiseermeester, en zoo toog men terug naar het plein.Het magazijn dat hun zoo goed had geholpen, grensde aan de woning van den Commandant, die zeker dien nacht niet gedroomd zal hebben, dat Spellekens c.s. zich in zijne onmiddellijke nabijheid bevonden en hem wel leelijk in zijn slaap hadden kunnen verrassen. De opperste bewaker bleef doorslapen en de waakzame uitbrekers in onverdachte burgerkleeding, richtten hunne oogen naar boven, om op en over de daken der gevangenis te geraken.

Hoe tegen die steile muren opgekomen? En hoe dan verder? Wat verricht was, hoe stout en hoe welgeslaagd, was nog maar een begin van al wat noodwendig volgen moest voor de vrijheid in zicht kon heeten. Men zat nog immer gevangen.E en van het zestal gevoelde zich reeds bevreesd voor de operatie naar boven, hij gaf zijn makkers te kennen, dat hij het waagstuk niet aandurfde en wenschte terug te keeren. Men kon hem niet overhalen en nadat hij zijne vrienden op hals en keel had gezworen, geen verraad te zullen plegen en eerst terug zou keeren door de loopgraven naar zijn cel, als zij goed en wel in veiligheid zouden zijn, liet men hem begaan. Hij moest zich verbinden, op het plein te blijven, wijl zijn terugkeer anders allicht slapende honden had kunnen doen ontwaken. De achterblijver hield woord, hij zag zijn vrienden de hoogte ingaan en successievelijk verdwijnen over de daken. Hoe ze boven zijn gekomen is voor ons een raadsel gebleven en van de daling vinden we enkel vermeld „dat ze zich op de eene of andere wijze naar beneden hebben laten zakken". Dat zal waar zijn en ongelooflijk waar zijn de feiten, dat de vluchtelingen twee schildwachten op hun weg moesten ontmoeten, wier kruit en lood onvervaard werd getrotseerd.

 

De eerste bewaakte een der pleinen binnen de gracht; hij zag het vijftal naderen, dat volstrekt geen ongewone haast maakte. Scherper richtte hij zijn blik in 't rosse licht der lantaarns naar de ongewone wandelaars in 't nachtelijk uur, doch hun voorkomen en doen bleek hem gansch gewoon, te zijn. Het bleken, naderbij gekomen, netgekleede burgers en hij dacht niet anders dan aan Heeren, met het toezicht belast, die zeer prijzenswaar­dig ook 's nachts eens een onverwacht kijkje waren komen nemen of alles wel in den haak en ieder op zijn post zou zijn. De argelooze en verschalkte schildwacht liet het vijftal alzoo ongemoeid passeeren. Waartoe het Werda ! geroepen, dat nog zoo kort geleden een ongelukkigen ezel het leven had gekost en zooveel aanleiding had gegeven tot spot, buiten de muren der gevangenis?

 

Een loos alarm zou ook nu weer aan geroutineerde spotvogels rijke stof hebben geleverd, reden waarom hij had gezwegen. Had hij wijs gedaan? Deswege ter verantwoording geroepen, nadat de vo­gels weer gevlogen bleken te zijn, werden er wel geen termen gevonden zijne houding eervol te vermelden, maar evenmin vond men gronden, waarop eene veroordeeling kon volgen. Hij werd mitsdien vrijgesproken. Wat hem overkwam, had de beste kunnen overkomen. Wie kon denken aan ontvluchte gevangenen, in fatsoenlijke burgerkleeding? Den tweeden schildwacht, die in 't nachtelijk spook­uur het gevaarlijke vijftal had gehoord en gezien, wacht­te zwaarder proces. 't Was een zeer jong soldaat, die weinige maanden geleden het vreedzame platteland had moeten verwisselen met het garnizoen in de stad en op zijne beurt ook de wacht bij de gevangenis moest betrekken.

 

De ijselijkste verhalen van de herhaalde malen ontvluchte dieven, brandstichters en moordenaars werkten nog op zijne verbeelding, als hij daar stond te schilderen bij het hooge gebouw met zijn getraliede vensters, herbergende over de zeshonderd boosdoeners, waarvan er elk oogenblik een of meer naar beneden konden komen. Wat zou hij doen, wanneer het toeval eens wilde, dat er iets kwam? Hij wilde er maar liever niet aan denken en telde zijn schreden op en neer, opdat de bange uren toch maar wat sneller mochten voorbijgaan. 't Geladen geweer, dat hij droeg zoo 't behoorde, had hem nog tot geen held gemaakt. Zijn post was naar de zijde van de Gracht, niet de meest gewenschte in zijn oog, want juist daar ter plaat­se hadden de uitbrekers vaker een uitweg gevonden; daarom zeker zou men hier een wacht hebben geplaatst om dat te beletten. Hij hoort iets; zooals hem geleerd is, slaat hij beide handen aan het geweer; hij zal het richten, „werda" roepen, „werda" roepen, hij zal vuur geven....

 

Hij luistert met ingehouden adem en ziet op hetzelfde oogenblik in de schemering eenige gestalten, schijnbaar van mannen. Zij naderen; ja het zijn helaas de gevrees­den, de uitbrekers van de gevaarlijkste soort; hij telt er eenigen in getal; de moed, die hem bezielde zoolang er geen gevaar was en hij slechts eenig gerucht had gehoord, zakt hem in de schoenen, nu de vijand zich werkelijk vertoont. Hij brengt zijn geweer weer in rust en oordeelt het voor 't behoud van zijn eigen leven het veiligst om maar te doen alsof hij hen niet ziet. Hij had er minstens vijf geteld, wat zal hij alleen uitrichten tegen zulk een overmacht!

't Was geen partij, gesteld dat hij er al een had neergeschoten en dat zou een treffer zijn, ongeoefend schutter als hij nog was, dan bleven er toch nog vier over, om hem zijn heldendaad betaald te kunnen zetten. Ja, voor hij tot driemaal toe het W e r d a of wachtwoord had kunnen laten hooren, zouden ze vrij zeker hem al te pakken hebben gehad en mogelijk wel voor goed on­schadelijk hebben gemaakt. De soldaat dacht als „'t wyfke dat yn 'e bránnettels siet: ho stilder, ho better!"

Maar de Heeren van den Gerechte dachten er anders over, zij oordeelden, dat de soldaatschildwacht zich aan verregaand plichtverzuim had schuldig gemaakt. Op staanden voet werd hij ingerekend en in militair arrest gesteld. *** Keeren we nu terug naar de vluchtelingen. 't Was nog maar even middernacht toen ze de laatste schildwacht passeerden en op de openbare straat van Leeuwarden verschenen. Allen waren vrij en ieder voor zich had een weg te kiezen, dien hij 't veiligst oordeelde om buiten het bereik van justitie en politie te blijven. Gelukkig hadden ze een geheelen nacht voor den boeg. Daarbij waren de nachten langer en was er minder volk op de been, dan vroeger. Daar stond tegenover, dat een bivak in bosch of open veld midszomer een niet zoo sterke schaduw­zijde had, als in den guren herfst. Wel was men nu beter gekleed, maar geld of voedsel moest worden gevonden. Doch daarover waren de meesten minder bekommerd. Eerstens boden sommige boomen nog vruchten en een inbraak was geen heksentoer voor specialiteiten in dit bedrijf. Vol goeden moed scheidden de bondgenooten met een „behouden reis".

 

De meesten maakten zich zoo snel mogelijk uit de voeten en zetten weder koers naar het Oosten waar Spellekens en Schafstal met de terreinen bekend waren. Een enkele dacht er anders over en redeneerde in zijn eigen, dat het 't wijst zou wezen stilletjes in Leeuwarden te blijven. Allerminst zou men daar „vluchtelingen" uit de gevangenis gaan zoeken. Hierin had hij niet kwaad gezien. Zaterdagnacht vrij gekomen, bewoog hij zich den Zondag daaraanvolgende onder de menigte langs de straten, zonder opgemerkt te worden.

***

Eerst in den morgen was de uitbraak ter kennisse gekomen van de Justitie en heel de stad kwam in beroering bij 't hooren van dit noodlottige nieuws. En naar buiten, waarheen de mare zich verspreidde als een loopend vuurtje, sloeg velen plattelandsbewoners de schrik om het hart. Niet alleen togen overal de gemeente en rijksveldwachters het veld in op verkenning en hielp de burgerij ijverig mee om de gevaarlijke sujetten op te sporen, maar zelfs werden er schutters onder de wapenen geroepen en togen jagers de bosschen in, om mee te helpen. In één dag was een groot deel van Friesland in rep en roer, doch de avond viel, zonder dat men ook maar het minste spoor van een der vluchtelingen had kunnen ontdekken. Er was te veel tijd verloopen tus­schen de uitbraak en de ontdekking er van. Het was ditmaal een zoeken gansch in den blinde en uit alle wind­streken kwamen tijdingen, dat men de vluchtelingen m e e n d e gezien te hebben.

***

In den laten avond van Zondag kreeg men toch nog eenig licht.

Van den Assem, de metselaar zonder een cent op zak, gevoelde maar al te zeer dat een hon­gerende vrijheid niet van langen duur kon blijven. Hij moest op de een of andere wijze voedsel zien te vinden, vóór de nacht viel, want inbreken zou bezwaarlijk gaan, nu er scherper gewaakt werd en ieder op zijn hoede zou zijn. Hij oordeelde het 't verstandigst om een aalmoes te vragen bij een der Roomsch Katholieke Geestelijken in de stad. Veler oogen konden daar niet op hem gericht worden. Zoo klopte hij aan in de, Speelmansstraat; of hem al of niet gegeven werd is ons niet bekend geworden, wèl had de politie dra kennis gekregen, dat er zich een bedelaar had vertoond en nu duurde het maar kort of deze was opgespoord. Opgebracht bleek, dat men een der vurig gezochte uitbrekers had teruggevonden; van zijn makkers nochtans wist hij geen ophelderingen te geven. Zoo viel de nacht, en overal inbraak vreezende, bleef menigeen op de been, vooral in de Wouden. Doch niet alleen hier, maar ook in andere oorden van Friesland verkeerden de menschen in zenuwachtige spanning. Kenschetsend in dit opzicht is een railleerend schrijven uit de goede stad Bolsward en daarnaar gerekend moet het ten plattelande en op de ruimte al treurig gesteld zijn geweest, wat betreft de angst, die veler hart had bevangen.

BOLSWARD, 26 Oct. 1868. 

Beste vriend! 

Ik haast mij U te berichten, dat wij er allen heelhuids zijn afgekomen; niemand in de geheele stad is vermoord, gewurgd of geplunderd, dank zij de energieke maatregelen van overheidswege genomen!! Toen in den loop van den Zondag de jobstijding kwam dat er niet minder dan 5 boosdoeners uit de L e e u w a r d e r gevangenis waren uitgebroken, die telegraafdraden hadden afgesneden en zich in burgerkleeding hadden gestoken, heerschte er eene algemeene ontsteltenis, te meer daar er geruchten gingen, dat zich verdachte tronies in de nabijheid der stad hadden laten zien.

 

De zaak werd bedenkelijk en de nacht was op handen, het was niet onmogelijk, dat alle die 5 boosdoeners regelrecht op het oude

Bolsward kwamen aanrukken en dan hoe verschrikkelijk konden niet de gevolgen zijn!

 

Goede raad was duur, maar men nam groote en af­doende voorzorgsmaatregelen, men liet het niet aankomen op den bejaarden commissaris, de 3 agenten, nachtwakers en stille wachters, maar om op alles voorbereid te zijn, deed men een gedeelte der stedelijke schutterij onder de wapenen komen, en den geheelen nacht door, aan elk der voormalige stadspoorten, 4 goed gewapende schutters plaatsen, die geregeld om het uur werden afgelost, hetwelk te meer noodzakelijk was, uithoofde van den aanhoudenden regen, en aldus is men er in geslaagd de boosdoeners buiten de stad te keeren, hun ontzag in te boezemen en niet één onzer goede ingezetenen is eenig leed geschied. Ik kan u niet met eenige zekerheid zeggen of deze voorzorgsmaatregelen dezen avond weder zullen worden toegepast;

 indien de voortvluchtigen er den reuk van krijgen hoe goed men hier op zijnhoede is, zullen zij zich nog wel eens bedenken voor en aleer zij beproeven, onze goede stad stormenderhand in te nemen. Intusschen is het te hopen, dat de boosdoeners spoedig weder worden ingepakt, want de samenloop van zoovele menschen, gelijk Zondagavond, stoort ons in de gewone ruste en die soort van staat van beleg kan ook niet voortduren, vooral wanneer de schut­ters het minder aangenaam mochten vinden het werk van de politie te doen. Tot later.

 

GIJSBERT.

Zelfs kwamen er tijdingen, als klachten gepubliceerd, dat er op niets kwaads vermoedende personen, die zich in 't veld bevonden, was geschoten, door mannen, die volijverig deelnamen aan de jacht op de vluchtelingen en niet vertrouwd bleken met het schietgeweer. Wie maar eenigszins verdachte teekenen had in zijn voor­komen of doen, werd aangehouden en als vreemdeling kon men zich niet overal veilig vertoonen, zoo sterk was de spanning bij sommigen, die zoekende waren naar de als onmenschen afgeschilderde boosdoeners.

 

Als gezegd, werd des Zondagsnachts een gewapende macht op de been gehouden; de uitbrekers m o e s t e n zich wel vertoonen, om aan voedsel te komen, zoo dacht men en daarin had men goed gezien. Onder het dorp Koten werden even na klokke twaalf twee personen opgemerkt, die er niet thuis behoorden; het ware kennelijk vreemdelingen en dit was voldoende reden om er de politie direct mede in ken nis te stellen. Wat vreemd was, was ook verdacht, in zonderheid op zulk een ongewoon uur. Twee burgers hadden de mannen gezien en met behulp van de gewapende macht keerde men dra terug om te weten of het mogelijk vluchtelingen zouden zijn. Inderdaad kwam men het tweetal weder op het spoor.

 

Maar hoe ze te naderen zonder opgemerkt te worden? Bij 't minste gerucht zouden ze het hazenpad kiezen en dra uit het oog verdwenen zijn. Met veel overleg werd gehandeld. Dit had men voor op de vreemdelingen, dat men beter bekend was met terrein en wegen. De operatie gelukte in zoover, dat van het tweetal één in de fuik liep. Het was de 27-jarige Klokkers, die vluchtende gevat werd. Hij bevond zich in gezelschap van Schafstal, een der oude bekenden, die ook nu weder zijne vervolgers wist te ontkomen. 't Voorgenomen plan een inbraak te plegen, was hier­door verijdeld geworden. Nog denzelfden nacht werd Klokkers als een, kostbare vangst naar de hoofdstad getransporteerd, waar hij met open armen werd ontvangen en met blijd­schap begroet. Welkom was hier tevens de tijding dat men Schafstal gezien had, van wien men nu wist dat hij zich ophield in de buurt van Kooten.

 

Onder de leiding van het hoofd der gemeente werd 's anderen daags al heel vroeg een verkenningstocht georganiseerd, bosschen en velden werden afgejaagd tot men onder Kootstertille gekomen den zwer­veling in het oog kreeg en hem van alle kanten nazette en in 't nauw wist te brengen. Vele honden zijn der hazen dood. Schafstal, hoewel zijn uiterste krachten beproevend om nog te ontkomen, moest zich ten slotte overgeven. Hij ging den weg naar 't Blokhuis. Van Spellekens en Seip wist men nog weinig. Enkel was er Maandagavond tijding bij de Justi­tie gekomen, dat ze op den weg naar H e e r e n v e e n zouden gezien zijn. Dit was niet meer dan een bloot vermoeden. Intusschen had men de militaire wachten rond de gevange­nis versterkt. Door den honger gedrongen, klopten Spellekens en Seip in den laten avond aan bij „alde Lutske", wonende in een klein huisje aan den zandweg van Veenklooster en Kollum. Het goede mensch gaf hun een kleinigheid en dankbaar voor de luttele gave, gingen ze goedwillig heen.

 

't Ruwe herfstweder noodzaakte beide vluchtelingen vervolgens een onderdak te gaan zoeken. Zij vonden dit te Buitenpost, onder den houtzaagmolen aan de vaart, doch toen 's morgens al heel in de vroegte de molen reeds werd ingespannen en in beweging gebracht, schrikten ze op uit hun slaap en kozen het hazenpad. De knecht, die op de zwikstelling vrij uitzicht had, merkte de vluchtende logeergasten en zag, dat ze den weg insloegen naar Augustinusga. Hij maakte terstond gewag van zijne bevinding en spoedig kwam zijne ontdekking ter kennis van de bevoegde macht. Onder aanvoering van den Burgemeester in eigen persoon, trok eene verbazend groote en steeds aan­groeiende menigte te velde. 25 gulden belooning werd uitgeloofd door den Burgervader, aan hem, dien het mocht gelukken een vluchteling te arresteeren. Er was alzoo 50 gulden te winnen dien dag

Gewapend met knuppels, schoppen en vorken ging het er met man en macht op los. Sommigen zetten zich ter paarde om meer kans te hebben op het behalen van de uitgeloofde premiën. De vluchtelingen, dra bemerkende wat er gaande was, zetten het op een loopen. Dit toonde reeds genoegzaam aan, dat het de beide gezochte uitbrekers moesten zijn, hoewel ook grappenmakers hier en daar die kunst ver­toonden en zoo loos alarm wisten te verwekken. Seip, de filestijner, 'zooals men hem noemde, groot en zwaar gebouwd als hij was, was minder vlug ter been dan zijn vriend Spellekens, een tenger man­neke, zwart van uitzicht, maar toch bleven ze bijeen, om desgewenscht elkander bij te kunnen staan in de ure des gevaars.

 

't Werd een formeele jacht en de vluchtelingen deden als de hazen door een troep windhonden achtervolgd; zij zetten koers naar de Kollumer bosschen, in de hoop daar nog een schuilplaats te zullen. vinden; doch de achtervolgers, die al nader en nader kwamen, wisten hun den pas af te snijden; zij werden gedreven over vlakke velden en door slooten in de richting van Veenklooster. Eindelijk kwamen ze te staan voor het groote scheeps­vaarwater van Dokkum naar Stroobos met den overmachtigen vijand op de hielen. Een kort beraad, een goed beraad; beiden sprongen ze in de breede vaart en zwommen die over. Verbluft stond het leger van jagers op zijn neus te kijken. Geen hunner waagde zich in 't koele nat en de vluch­telingen kregen nu weer een heelen voorsprong. Over greide en bouw, door slooten en boschjes werd de tocht voortgezet. De jagers hadden den weg over de brug moeten kiezen, wat niet belette dat ze de vluchte­lingen

een tijdlang in 't oog konden houden, die eindelijk verdwenen in de richting van Veenklooster. Drie burgemeesters waren successievelijk op het appèl ver­schenen.  Uren in den omtrek toch was het groote nieuws der zeldzame jacht verbreid geworden.

t Was in den middag, dat de landbouwer Smeding, met ploegen op den akker bezig, de vluchtelingen had zien passeeren, schuins over de bouw, en onmiddellijk daarop volgden eenige jagers, waaronder Melle de Vries, thans wonende op Kollumervallaat. Hij kwam Spellekens het dichtst op de hielen, maar hem aan te grijpen, al was er f 25 op gesteld, dat mocht nog een waagstuk heeten. Kon de boosdoener niet gewapend zijn en zou de zwaar veroordeelde in dit hachelijk moment in zijn kamp voor de vrijheid niet het uiterste middel beproeven en zelfs zijn leven wagen om zijn belager te ontkomen? Maar als De Vries hem niet aangreep, zouden anderen het doen, die onmiddellijk achter hem aan­kwamen. S p e l l e k e n s zwenkte, keerde zich vierkant tegen zijn achtervolger en greep in zijn buis als tastte hij naar een wapen, om zich te verweren. Doch hij had geen wapen en moest zich dus wel overgeven. Dit geschiedde en dra was hij overgeleverd aan de politie. Nu Seip achtervolgd, de filestijner, die plotseling uit het oog verdwenen was. Naar alle zijden gezocht, had Melle Boersma, van Buitenpost, het geluk den dikke te vinden en te vatten. Hij lag in een droge sloot, geheel onder de bladeren verstopt en onderscheidene zoekers, w.o. ook Melle de Vries, waren hem rakelings gepasseerd. In optocht trok men nu met de gevangenen naar het logement van de familie Smeding te Veenklooster, waar de prijsuitdeeling zou plaats hebben. Het huis liep er vol, om de uitbrekers van nabij te aan­schouwen.

 

Present onder de menigte was natuurlijk ook de burgemeester, die de premiën had uitgeloofd. Er ontstond verschil wie eigenlijk wel Spellekens het eerst had gevat. Ook de knecht van den burgemeester maakte aanspraak op de premie. Besloten werd, dat deze de f 25 met De Vries moest deelen en zulks niettegenstaande de uitspraak van Spellekens, geroepen als getuige in dezen, die sprak, wijzende op De Vries: dit is de man, die de f25 heeft verdiend! Doch zijn uitspraak werd niet als geldig aanvaard en De Vries is tot op dezen dag nog verontwaardigd als hij spreekt over de dertiendehalve gulden, die men hem bij deze gelegenheid heeft „ontkreaud". Hij zegt nu: „Ik zou het niet weer wagen, wat ik toen deed, ook voor geen 50 gulden. Ik had er mijn leven best bij kunnen inschieten", en daarin heeft hij niet zoo groot ongelijk.

 

In 't logement heerschte niettemin een feestelijke stemming en ter eere van den burgervader zij gezegd, dat Z.E.A. de moedige gevangenen met eenige onderscheiding behandelde. Hij gaf hun goed te eten en presenteerde hun zelfs een sigaar. Treffender nog sprak de menschlievendheid, toen in 't logement eten bezorgd werd van buiten, van menschen, die de gevangenen niet kenden, doch met medelijden begaan, hun op deze wijze geen bedachten. Wijselijk zorgde de burgemeester, dat er met mate gegeten en gedronken werd door de uitgehongerde mannen, die verklaarden, dat ze geleefd hadden van steenperen, die nog aan de boomen te vinden waren en „rouebjenn en fendestoeken" Ooggetuigen roemen Spellekens als een inne­mend, vlug, welbespraakt mannetje, beschaafd in zijn manieren; hij sprak tot de menigte in hartelijke be­woordingen en dankte den burgemeester voor het goe­de, hun bewezen. Guitig merkte hij daarbij op:

„dat hij spoedig hoopte terug te keeren!" „Al ben ik zwaar veroordeeld, ik ben geen bloedvergieter", ging hij voort. „Het kleed waarin gij mij ziet is met bloed bevlekt, het is van een moordenaar, die opgesloten zit, maar zoo slecht ben ik niet; bloeddorst is mij vreemd". In dien trant sprak hij en geen wonder, dat zijn woorden den indruk maakten, te meer nog, wijl hij het kleed droeg van een catechiseermeester, waarop hij de bijzondere attentie vestigde, om menschen toch niet te beoordeelen naar het kleed, dat zij dragen.

 

Seip, de filestijner, werd minder gunstig beoordeeld. Deerniswaardig was niettemin zijn toestand. Zijn han­den waren geschaafd en bebloed, al zijn vingers bleken ontveld en naar de oorzaak daarvan gevraagd, gaf hij ten antwoord, dat hij die zware zarken had moeten verwarken" bij de uitbraak. S e i p was een Muntendammer, scheepsjager van beroep, ruw en onverschillig in heel zijn doen. Deze nochtans heeft zijn tijd uitgezeten en is weer op vrije voeten gekomen, doch Spellekens is niet lang na de ontvluchting, allicht tengevolge van de vermoeie­nis en de ontbering in 't open veld en zulks in den barren

 herfst, ziek geworden en moet dra gestorven zijn.

Hij telde nauwelijks 26 jaren en had nog een straftijd van 12 jaren.

 

Hoewel in R h ij n 1 a n d geboren, was hij onze taal goed machtig.

 

S c h a f s t a 1 was uit W e e s p, oud 35 jaar en had nog 20 jaar straf te ondergaan. 

 

De verdronkene Schulz van B e r n, oud 30 jaar, zou met vijf jaar vrij zijn gekomen. Van Schenk, de Amsterdammer, een moordenaar, en C h r. Veldink, een brandstichter, waren de zwaarst veroordeelden.

 

De eene had nog bijna 30 en de laatste 20 jaar straftijd te ondergaan. Op jeugdigen leef­tijd betrad de laatste den drempel der gevangenis. Wij lezen daaromtrent dato 

 

October 1869.

 

„Daar woont lijden op deez' aarde,

Leed, waarbij de wereld schertst;

Daar zijn tranen, diep verholen,

Die de ellende uit de oogen perst;

Daar woont honger saam met de onschuld,

Afgepijnd door 't ijzeren lot.

Help daar mensch, wees daar een trooster,

't Is uw eerenaam bij God!"

 

Onder bovenstaand motto werven giften gevraagd voor den koopman Meijer Heimans, vroeger te Groenloo, nu te Deventer. In 1860 brandden in korten tijd in die stad 3 huizen tot den grond toe af en werden verschillende pogingen tot brandstichting ontdekt en gelukkig in tijds te keer gegaan. Openlijk werd er voor gehouden en beschuldigd bovengenoemde Heimans, die dan ook een maand lang van zijn vrij­heid beroofd werd, terwijl in dien tijd zijn zaken verlie­pen en ieder hem schuwde, 't welk hem noodzaakte van woonplaats te veranderen. Eindelijk werd de ware schuldige ontdekt; de 17-jarige Christoffel Vel­dink bleek de dader te zijn; hij was vroeger in dienst geweest bij Heimans. Zijn ouderlijk huis was ook door hem in brand gestoken en nauwelijks hadden zijne ouders hun leven kunnen redden.

 

Nadat al de boosdoeners weder opgesloten waren, werd de militaire macht versterkt met 1 korporaal en zes man, terwijl bovendien gedurende den nacht nog 1 sergeant, 2 korporaals en 10 man aan de wacht werden toegevoegd, ook om rondes te doen. De sterkte der wacht bedroeg toen zestig man. En 't getal bewakers 33, 't was met zes vermeerderd.

 

***

Den 13 Nov. aanvolgende werd bij den Commandant der gevangenis de order ontvangen om bij het minste teeken van insubordinatie den delinquent neder te schieten en in de zitting der Tweede Kamer van 2 Dec. voerden achtereenvolgens 't woord over den onhoudbaren toestand der gevangenis te Leeuwarden de heeren

De Roo van Alderwerelt, Van Namen, Hingst, Van Golstein, Van Beijmathoe Kingma, Storm van ’s-Gravesande en de Minister M r. v. LiLaar.  De heer De Roo wees er op hoe onder gewone ,omstandigheden en in eene plaats van een rustige en kalme bevolking op eenmaal onrust en spanning waren ontstaan bij de jongste gebeurtenissen in de gevangenis aldaar. Hij besprak den schrik en de ontsteltenis in de naburige gemeenten, die zelfs zoo verre steeg, dat in ééne gemeente de schutterij onder de wapenen werd geroepen.

 

Deze zaak - zei hij - is ernstiger dan men oppervlakkig zou meenen. Sedert de doodstraf niet meer wordt toegepast, worden daar tal van boosdoeners gevonden, die voor niets terugdeinzen en wellicht op dit oogenblik plannen beramen tot een nieuwe ontvluchting. Men vreesde zelfs te Leeuwarden, dat zij de overige gevangenen ontslaan en het gebouw in brand steken en allen zich een weg zouden banen door de stad en verder, daarbuiten. In een welgeordende, maatschappij is aan de uitvoering van een dergelijk plan wel geen geloof te hechten, doch rustige, vreedzame burgers eener groote stad, die in hun midden 600 misdadigers tellen, hebben er alle aanspraak op, dat de tucht gehandhaafd blijft.

 

Anderen sloten zich daarbij aan en wezen op de verplaatsing naar Woerden van den Commandant, wiens ezel het leven verloor. De Minister antwoordde o. m„ dat vroeger voor 800 gevangenen 18 bewakers voldoende waren geweest en voor 600 had men er nu reeds 33, zoodat hierin het kwaad niet kon schuilen. 

***

15 Dec. had de berechting plaats der ontvluchten. Op geen enkele der tot hen gerichte vragen antwoordden zij, zij schenen er zich niet om te bekommeren, wat met hen en om hen heen geschiedde, 't geen zich verklaren laat. „Zitten" moesten ze toch.

De rechtbank veroordeelde hen ieder weder tot 6 maanden gevangenisstraf. Een talrijk publiek woonde de terechtzitting bij. Dit is het einde der geruchtmakende geschiedenis.

 

FR.

 

P.S. Men deelde ons nog mede, dat bij de inbraak te Roodkerk een der boosdoeners, door het keldervenster te verbreken, naar binnen was gekomen. In den kelder vond hij een luikje of schuifje, dat geopend werd om in de kamer te komen. Doch hiervoor stond de wieg met een klein kind en daar boven vond men de bedstede, waarop de man en vrouw des huizes sliepen, de laatste met het wiegetouw om de hand gebonden. Behoedzaam wist de inbreker de wieg te verschuiven en het touw los te maken, zonder dat de moeder het merkte, terwijl ook de boer, tevens jager, gelukkig bleef doorslapen. Daarna liet hij zijn makkers binnen, werd het kabinet opengebroken door het slot uit te snijden en had de vroeger reeds vermelde diefstal plaats, die eerst des morgens door de bewoners ontdekt werd. De hond, die andere nachten sliep op een stoel voor het bed, zat dien nacht toevallig opgesloten in een hok. In de kamer stond een geladen geweer, waarvan de inbrekers, gelijk ze later verklaarden, zich direct meester hadden gemaakt.

 

Bron: privé bezit boekje, uitgeverij Hepkema uit Heerenveen. 

Een schrijver wordt er niet genoemd, aan het einde van het verhaal wordt gesigneerd met FR.

De vermoedelijke uitgevers datum zal in 1918 zijn gezien het begin van het verhaal over 50 jaar geleden.