Tuchthuis brand  11 op 12 november 1754

Tuchthuisbrand in Leeuwarden

In de nacht van 11 op 12 november 1754 is het tuchthuis in Leeuwarden "bij toeval" in brand geraakt. Een vrouw en vijf mannen kwamen om in de vlammen. Veel gedetineerden zijn ontvlucht (geaufugeert). Anderen kwamen weer terug en werden in het Blokhuis ondergebracht. 

Afbranden van het Landschaps- Tucht- en Werkhuis

Een deerlijk ongeluk trof deze stad door het afbranden van het Landschaps- Tucht- en Werkhuis, tusschen 12 en 13 November 1754, een brand, die, door de ligt aan te steken brandstoffen van wol en braziliehout, welhaast niet te blusschen was. Vijf manspersonen zaten op eene plaats, tot welke men ter hunner redding niet konde geraken; den smartelijksten dood voor oogen ziende, staken zij de handen door de traliën, smeekende zoo lang om hulp, totdat zij, door den rook verstikt, geen geluid meer konden geven, en in de vlam omkwamen.

 

Dit was ook het deerlijk lot eener gevangene vrouw, aan de vallende ziekte onderhevig, die zich, gelijk de andere vrouwen, niet wist te redden, door van eene verdieping naar beneden te springen. Andere gevangene manspersonen, waaronder eenigen zich reeds, uit benaauwdheid en wanhoop, bij elkander op stroo nedergelegd hadden, in geene andere verwachting dan door de vlam verteerd te zullen worden, kregen, door het maken van geweld, hulp van buiten, en zagen meest allen naar een goed heenkomen, gelijk ook ééne der vrouwen de gevangenis ontvlugtte. met allen mogelijken spoed bragt men de aangevoerde brandspuiten aan den gang, doch met weinig baat, dewijl de brand vast aanwakkerde, hooger rees, langs de gebinten van het dak opklom, de zolderingen aantastte, ter regter en linker hand door de vleugels van het gebouw vloog, den voorraad van hout en turf aanstak, waardoor de vlam torenshoogte in de lucht opsteeg, en, bij eenen sterken wind, de gloeijende vonken, als een vuurregen, over de stad dreef.

 

Welhaast stond het geheele gebouw in vollen brand; geene moeite, geene wakkerheid kon tot redding baten, weshalve men deze met vrucht aanwendde, tot behoud van het daar voor staande Blokhuis, of de gevangenis van het Hof Provinciaal, hetwelk, reeds aangestoken, de ellende scheen te zullen vermeerderen. Bij de aangewende pogingen ter behoudenis, kwam het omloopen van den wind, waardoor het gevaar van het Blokhuis verminderde, het Stads Turfhuis en Ammunitiehuis behouden bleven, en de zorg der brandblusschers zich alleen behoefde te bepalen tot het timmerhuis en eene groote schuur met hooi, reeds met brandzeilen bedekt, Met het aanbreken van den dag lag dit gebouw, omtrent honderd jaren voren gesticht, geheel in puinhoop, asch en kolen.  (org tekst) Bron: Tresoar 


Namen na de brand tuchthuis

*)geaufugeert betekenis is ontvlucht

No.

Naam

Plaats herkomst

Veroordeeld

tot

Na de brand

...

Jacob Engberts

Twijzel

12-03-1746

10 jaar

wederomgekomen

...

Andries Andriessen

Koudum

20-09-1749

10 jaar

geaufugeert

...

Pier Beerns

Harlingen

29-06-1748

7 jaar

wedergekomen

5

Hiske Clases

Herbaijum

31-01-1750

10 jaar

op ‘t Blokhuis

10

Sybrand Saskers

Koudum

18-04-1750

10 jaar

geaufugeert

18

Minne Sybes

Giekerk

30-01-1750

6 jaar

wedergekomen

62

Aafke Sierks

Hartwerd

17-10-1750

5 jaar

op ‘t Blokhuis

107

Froukjen Halbes

Hantum

29-04-1752

5 jaar

weergekomen

110

Geertruid Bleekman

Wezel

05-02-1752

3 jaar

op ‘t Blokhuis

113

Teunis Claesen

Roodkerk

26-02-1752

3 jaar

geaufugeert

115

Martsen Eelkes

Makkum

11-03-1752

3 jaar

op ‘t Blokhuis

120

Pieter Nannings

Stavoren

18-03-1752

3 jaar

geaufugeert

128

Maijke Folkerts

Kimswerd

14-04-1752

6 jaar

op ‘t Blokhuis

146

Jan Harmens Spijk

Joure

24-06-1752

3 jaar

wederomgekomen

155

Sytske Sytses

Leeuwarden

09-09-1752

3 jaar

op ‘t Blokhuis

164

Tettje Clases

St. Jacobskerk

16-09-1752

3 jaar

op ‘t Blokhuis

171

Swaantje Geerts

Boornbergum

17-11-1752

2 jaar

ontslagen

174

Claas Claases

Surhuisterveen

25-11-1752

3 jaar

geaufugeert

186

Wijtske Jans

Suameer

17-05-1753

2 jaar

op ‘t Blokhuis

193

Claas Claassen

Marrum

14-07-1753

10 jaar

geaufugeert

194

Sibbeltje Olpherts

Deinum

18-05-1753

4 jaar

op ‘t Blokhuis

196

Trijntje Hendriks

Rinsumageest

20-10-1753

3 jaar

op ‘t Blokhuis

202

Jan Dirks

Genum

08-09-1753

5 jaar

geaufugeert

203

Froukjen Ruurds

Harlingen

10-10-1753

2 jaar

op ‘t Blokhuis

205

Johannes Jans

Augustinusga

13-10-1753

3 jaar

dood

207

Tiet Jans

Workum

22-11-1753

1 jaar

ontslagen

208

Trijn Obbes

Workum

22-11-1753

4 jaar

op ‘t Blokhuis

209

Grietje Borgers

Leeuwarden

13-12-1753

1 jaar

dood

210

Buwe Dirks

Kimswerd

22-12-1753

3 jaar

dood

211

Doede Jans

Stiens

11-05-1754

5 jaar

geaufugeert

213

Tjalling Jacobs

Langweer

26-01-1754

3 jaar

geaufugeert

214

Teunis Jans

Kollumerzijl

26-01-1754

3 jaar

dood

218

Janke Jans

Kollum

01-02-1754

2 jaar

op ‘Blokhuis

219

Rinske Ylles

Kollum

01-02-1754

2 jaar

op ‘t Blokhuis

220

Jan Geerts

Suameer

27-04-1754

3 jaar

dood

225

Hendrik Johannes

Tjummarum

13-07-1754

5 jaar

geaufugeert

228

Berber Feijts

Grijpskerk

25-05-1754

5 jaar

op ‘t Blokhuis

230

Lysbeth Freerks

Heeg

23-10-1754

1 jaar

op ‘t Blokhuis

232

Hiltje Dirks

St. Jacobskerk

17-10-1754

10 jaar

op ‘t Blokhuis

233

Hendrikjen Lieuwes

Harlingen

11-09-1754

2 jaar

op ‘t Blokhuis

235

Tijs Willems

Leeuwarden

14-09-1754

5 jaar

geaufugeert

236

Wypkjen Hendriks

Aengwirden

08-10-1754

2 jaar

op ‘t Blokhuis

241

Pieter Levynus

Leeuwarden

04-09-1754

2 jaar

dood

243

Hijlke Arjens

Hindelopen

01-10-1754

2 jaar

geaufugeert

244

Neeltje Willems

Leeuwarden

08-10-1754

4 jaar

op ‘t Blokhuis

                 

 

LC 12 november 1954 pagina 3

Leeuwarder Courant. Op 12 November 1754 ging het tuchthuis te Leeuwarden in vlammen op

Brandstichting werd vroeger vaak door gevangenen gepleegd. De jaren 1654 en 1754, nu resp. drie en twee eeuwen geleden, zijn van historische betekenis in de ontwikkelingsgang van het gevangeniswezen in Nederland en in zonderheid voor dat in de Friese hoofdstad. Immers in 1654 werd door de Friese Staten het besluit genomen, om na mislukking van een experiment met de toepassing van vrijheidsstraffen in een vroegere periode, aan dit gewest een blijvende gevangenis te verzekeren, die de grondslag werd van de Bijzondere Strafgevangenis. En in 1754 kwam er door een hevige brand, vermoedelijk door gedetineerden zelf veroorzaakt, een abrupt einde aan een slecht bouwsel van Leeuwarder timmerlieden, waardoor opnieuw de aandacht van Frieslands Staten op een betere behuizing der gedetineerden werd gevestigd en waarvoor spoedig daarna ook door deze autoriteiten werd gezorgd. Met dit gevolg, dat de Engelse gevangenishervormer John Howard bij zijn bezoek aan de Leeuwarder gevangenis in 1783 kon getuigen, dat er waarschijnlijk in de hele Republiek der Verenigde Nederlanden niet zulk een degelijk gebouwd en goed ingericht tucht- en werkhuis werd gevonden als destijds te Leeuwarden in gebruik was. En hij was tòch al zo goed te spreken over het gevangeniswezen in ons land, vergeleken met dat in het Britse rijk rond 1780, hetgeen zijn compliment ten aanzien van het Leeuwarder strafgesticht des te gunstiger doet uitvallen. Natuurlijk behoudens enkele critische opmerkingen, waarop we hier thans niet verder kunnen ingaan.

 

De brand

Want een kort relaas van de Leeuwarder gevangenisbrand in de nacht en vroege ochtend van 12 op 13 November 1754 - volgens een andere lezing op 12 November zelf - vraagt hier even de aandacht onzer lezers. Gevangenisbranden met vaak zeer noodlottige gevolgen voor de gestichtsbevolking en gebouwen kwamen in de zeventiende en achttiende eeuw ook te onzent veel voor. Oorzaken daarvan waren vooral een groot tekort aan personeel, in vergelijking van het groot aantal gedetineerden, die veel zonder toezicht in de inrichting verbleven. Verder de inrichting der gevangenis zelf met een teveel aan houtwerk, waar nu beton, steen en metalen woarden verwerkt; de opslag van wol, vezels en braziliëhout als grondstoffen voor de gevangenisarbeid, dus alle zeer brandbare stoffen. Ook de verwarmingsmiddelen als kachels en potten met gloeiende kolen in de meeste vertrekken, waaruit de gedetineerden gemakkelijk brandende kolen konden smokkelen om daarna brand te veroorzaken, vergrootten dit gevaar, dat nog in de hand werd gewerkt door gebrek aan toezicht. Hoe het in de nacht van 12 op 13 November 1754 precies is toegegaan, zal wel altijd een raadsel blijven, ondanks het daarnaar dadelijk ingestelde justitiële onderzoek. Maar in elk geval brak er toen op meer dan een plaats in het Leeuwarder tucht- en werkhuis een rampzalige brand uit, welke in korte tijd het gehele gebouw had aangetast. Deze vond ook hier in de balen wol, het braziliëhout en de touwvezels, die overal in de werkzalen en in sommige cellen verspreid lagen of opgetast waren, gretig voedsel. Spoedig sloegen de vlammen het dak uit en de weinige handbrandspuiten, waarover de Leeuwarder brandweer toen beschikte, konden tegen deze vuurzee weinig uitrichten. Des te gevaarlijker werd de situatie, doordat in het nabijstaande stadsturfhuis een enorme voorraad winterbrandstof lag opgestapeld voor uitdeling aan de z.g. huiszittende armen. En nog gevaarlijker waren, voor explosie en uitbreiding van de brand, de aanwezige vaten buskruit en ander brandbaar en explosief materiaal in het belendende Ammunitiehuis. Tot overmaat van ramp stond er een gevaarlijke wind, die de gloeiende vonken van het brandende gebouw als een vurige regen over de stad dreef.

 

Moedig optreden

Er was dus alles aan gelegen om uitbreiding van de brand en het overslaan der vlammen naar het turfhuis, arsenaal en Blokhuis te voorkomen. Wonderen van moed en dapperheid werden hierbij ten toon gespreid, vooral als men de gebrekkige brandweertechniek en de slechte bestrijdingsmiddelen van die tijd in aanmerking neemt. Zo was er een Leeuwarder Vliet-bewoner die als spuitgast op het dak tussen Blokhuis en tuchthuis het eerstgenoemde gebouw tegen het overslaan der vlammen beveiligde, maar zichzelf en zijn kleding voortdurend moest laten begieten om niet in brand te geraken. Ook de drie soldaten, die het ene vat buskruit na het andere wegrolden, midden tussen de vonkenregen door, verrichtten wonderen van dapperheid en deden met levensgevaar hun plicht. Maar door deze loffelijke actie zal de redding der tuchtelingen mogelijk in het gedrang zijn gekomen. Voorzover zij de deuren nog voor zich geopend vonden, toen de deftige regenten en ook de Gedeputeerden in allerijl op het terrein van de brand waren gekomen, konden zij de ramp ontwijken en hernamen zij bovendien, natuurlijk tegen de wil van de autoriteiten hun vrijheid. Maar zij, die op de bovenverdieping achter slot en grendel zaten, konden niet allen zo vlug worden bevrijd. Een schrijver in de "Nederlandsche Jaarboeken" gaf van die noodlottige gevolgen o.m. het volgende relaas: "Vijf Manspersoonen zaten op een plaats, waar toe men te hunner reddinge, niet kon geraaken; den smertelijksten dood voor oogen ziende, staaken zij de handen door de traliën, smeekende zo lang om hulpe tot dat zij, door den rook verstikt, geen geluid meer konden geeven en in de vlammen omkwamen. Ook het deerlijk lot eener gevangene Vrouwe, aan de Vallende ziekte onderheevig, die zich gelijk de andere Vrouwen niet wist te redden, met van eene verdieping na beneden te springen. Andere gevangen Manspersonen, waaronder eenigen zich reeds uit benauwdheid en wanhoop bij elkander op stroo nedergelegd hadden, in geene andere verwagting dan door de vlamme verteerd te zullen worden, kreegen met geweld van binnen te maaken en hulpe van buiten toegebragt, uitkomst en zagen meest allen na een goed heen komen" - zeker een Fries, die dit schreef! - "gelijk ook een der Vrouwen de Gevangenis ontvlugtte".

Niets dan de muren der voormalige gevangenis bleven overeind staan en alle voorraden alsmede de administratieve bescheiden waren een prooi der vlammen geworden. Wie van de gedetineerden zich niet door een overhaaste vlucht aan de sterke arm van politie en justitie had kunnen onttrekken, werd in het nabijgelegen Blokhuis opgesloten om daar zijn straf uit te zitten, totdat een nieuwe gevangenis zou zijn herrezen.

 

Herbouw

Want na de puinruiming en het omverhalen der muren werd het terrein bouwrijp gemaakt, in verband waarmee Gedeputeerden op 5 December 1754 een buitengewone landdag uitschreven. We zouden thans zeggen een buitengewone Statenzitting. In die vergadering werd besloten om het tucht- en werkhuis ten spoedigste weer te herbouwen, maar dan beter, d.w.z. zowel solieder van bouw als doelmatiger van inrichting en ook meer afdoende tegen brandgevaar beschermd.

Dit gebouw werd op 16 April 1755 aanbesteed voor, wat het timmer- en metselwerk betrof 23.125 gulden, belachelijk laag als men de huidige bouwkosten onzer moderne gevangenissen daarmee vergelijkt; cijfers met zes nullen! Het duurde nog tot 24 Juli 1756, voordat dit strafgesticht ter beschikking kon wordeh gesteld van het Hof van Friesland. Het droeg het opschrift in de gevel: s Lands Tugt- en werkhuis, geboud anno 1661, afgebrand brand 12 Nov. 1754, herboud anno 1755 en 1756. Langer dan een eeuw heeft deze gevangenis aan de spits gestaan van de Nederlandse strafgestichten, vooral in de negentiende eeuw onder de naam van "Huis van Opsluiting en Tuchtiging", totdat in de jaren ren 1870-'79 nieuwe voorzieningen en een ander regime de Bijzondere Strafgevangenis op deze terreinen deden ontstaan. Bron: M p a g i n a E


1769 Marijke Meijers en Antje Gerrits

10 februari 1770. Zo'n vijftien jaar later stichtten Marijke Meijers  uit Leeuwarden en Antje Gerryts van Midlum weer brand in het herbouwde tuchthuis. Eerst hadden de vrouwen in het kozijn een gat gebrand, waardoor ze een ijzeren tralie konden verwijderen. Toen kroop een van de vrouwen met een pot gloeiende kolen door het gat, lichte enkele dakpannen van de turfzolder en wierp het vuur op de turf. Spoedig sloegen de vlammen uit het dak, maar nu ontdekten de bewaarders de brand zo snel dat zij konden ingrijpen, voor het vuur zich een weg vrat naar de andere gebouwen. De beide vrouwen slaagden er dan ook niet in te ontvluchten, en de vrouw die de brand op de turfzolder had gesticht, werd ferm gestraft: met geseling, brandmerken onder de galg en tien jaar gevangenisstraf.