Hein Groeneveld - ook dit is leven


Het verhaal van Hein Groeneveld 

(30 april 1920 – 1 augustus 1968)

 

Vijftien jaar geleden 24-12-1959 Een verhaal van Hein Groeneveld dat hij heeft geschreven in de De Bildtse Post.  De krantenknipsels zijn bewaard in een plakboek welke in bezit is van de familie Groeneveld. De krantenknipsels zijn de basis van dit verslag.

 

Berne yn Wier, soan fan Gerrit en Maria Groeneveld Hogerhuis

Maria Hogerhuis, waard berne op 28 november 1885 yn Wier. Sy wie de dochter fan Klaas Hogerhuis en Jeltje Faber. Gerrit Groeneveld waard berne op 5 desimber 1884 yn Wier. Hy wie de soan fan Jelle Groeneveld en Tjitske Bosma. Gerrit en Maria (Marie) trouden op 28 maaie 1908 yn Menaam. Sy kamen te wenjen op de pleats “Sparrenheining” ûnder Wier. Op dizze pleats buorke letter soan Jelle en dêrnei syn soannnen Gerrit en Klaas. Op de pleats wenje (jan. ’97) Gerrit en Margje. Beppe Marie is ferstoarn op 12 febr. 1960 yn Wier, is begroeven op it tsjerkhôf yn Wier op 16 febrewaris 1960 nei in routsjinst ûnder lieding fan Hein Groeneveld. Pake Gerrit is ferstoarn yn 1968 en ek begroeven yn Wier nei in routsjinst ûnder lieding fan Hein Groeneveld. 

 

Bern út dit houlik:

Jelle, berne op 18 maart 1909 (ferstoarn yn 1981)

Klaas, berne op 9 oktober 1911 (ferstoarn op 8 febr. 1924)

Tjitske, berne op 15 maart 1915 (ferstoarn op 15 juny 1991)

Hein, berne op 30 april 1920 (ferstoarn op 1 aug. 1968)

Klaasje, berne op 16 april 1925

Jelle troude mei Neeltje Meijer; sy krigen 3 bern: Gerrit, Henk en Klaas. Neeltje is ferstoarn op 29 oktober 1987, en begroeven yn Wier op 3 novimber 1987 nei in routsjinst ûnder lieding fan Gerrit Sieds Groeneveld (Hy hie ek de lieding fan de routsjinst fan har man Jelle yn 1981). Klaas is ferstoarn op 8 febr. 1924 (12 jier).

Tjitske troude mei Jan van der Veen. Sy krigen twa bern: Marie en Andries Jan. 

Jan is ferstoarn op 11 april 1960 yn Doanjum (45 jier), is begroeven op it tsjerkhôf yn Doanjum op 14 april 1960, nei in routsjinst ûnder lieding fan Hein Groeneveld. 

Sy troude op ‘e nij mei Oege Brinksma (dy ’t earder troud west wie mei Fokeltje de Vries) op 19 maart 1964. De troutsjinst, yn de Herfoarme tsjerke fan Doanjum wie ûnder lieding fan Hein Groeneveld. 

Andries Jan is ferstoarn yn 1983 en kremeard op 22 maart nei in routsjinst yn Apeldoarn ûnder lieding fan Gerrit Sieds Groeneveld. 

Hein troude mei Baukje Rienks op 10 augustus 1949. Sy krigen twa bern: Gerrit Sieds en Anna Marijke. 

Hein is ferstoarn op 1 augustus 1968 (48 jier) yn Braedstrup, Denemarken. Hy is begroeven yn Wier, nei in routsjinst yn de Herfoarme tsjerke yn Grou ûnder lieding fan ds. Wiebe Hylkema fan de Gerdyk. 

 

Klaasje troude mei Jan de Kant. Sy krigen in soan, Piet.  

 

Ook dit is leven Hein Groeneveld
Ook dit is leven is ook als boekje te koop

24-12-1959 De Bildtse Post

OOK DIT IS LEVEN Vijftien jaar geleden

 

Ineens realiseer ik het mij. Eerst als een vraag, waarop het antwoord niet kan uitblijven, dan als een zeker besef. Inderdaad, het is alweer vijftien jaar geleden, dat ik die kerstdagen beleefde, waarvan elk belangrijk moment onuitwisbaar in mijn geheugen gegrift zal blijven tot dat ogenblik, waarin geen geheugen meer zal zijn. 

 

Vijftien jaar geleden. Ik zie alles weer voor mij, zoals het was en zoals ik het ontelbare keren later weer opnieuw beleefd heb. 

 

 

Die vrijdagmorgen. Triest, druilerig en mistig weer buiten. Niet veel zicht. Ik zit op mijn gewone plaatsje bij ’t raam in de huiskamer. Een boek voor mij, maar gewoontegetrouw dwalen mijn ogen van het boek naar buiten en van buiten weer naar het boek. Dat moet immers! Ik zit hier wel warm en veilig in de huiskamer, onaantastbaar voor weer en wind, maar daarom nog niet onbedreigd, in alle opzichten veilig. Ik ben een jonge man, die ondergedoken is. Ik ben vogelvrij, ik kan elk ogenblik opgehaald worden.  

 

 

Dat is mij dezer dagen nog eens weer verzekerd. Je moet zien, dat je weg komt. “Ze onderzoeken alle boerderijen, ze weten stellig dat je er bent”. Maar aan de andere kant: waarom nu net? Waarom vandaag en morgen en overmorgen als het kerstmis is. Die Duitsers zullen toch zeker ook wel in de kerststemming zijn. Zij zullen het zeker weer anders vieren dan wij dat gewend zijn, maar vieren doen ze `t, dat staat als `n paal boven water. En waarom zal ik dan deze vertrouwde omgeving verlaten? Juist nu? Ik waag het er op. 

 

Hebben we niet uren en uren besteed aan dat maken van dat prachtige hok, daar onder het hooi, daar diep in de bieten, waar zelfs een geweerkogel niet kan doordringen? Wat zal mij kunnen gebeuren. Als zij bij de deur zijn, ben ik al ongrijpbaar. En zo voel ik mij zeker en veilig. Zelfs ondanks die welgemeende waarschuwing. Ik lees, kijk naar buiten, lees weer en vergeet de bedreiging….

 

Totdat ik opgeschrikt wordt door een schreeuw. Duitsers. Ze komen. Hoe kan dat nu? Ik heb toch van tijd tot tijd uitgekeken, kan de Duitsers van verre zien aankomen. Ben al in het hol als zij voor huis zijn. Maar dan heb ik al geen gelegenheid meer om over mijn verbazing heen te komen. Daar staat al één voor de kamerdeur, buitenshuis zie ik meer, ook een hond….

 

“Papieren”. Ik heb geen papieren, alleen maar een identiteitsbewijs, dat daarenboven vals is. “Meer papieren”. Ja, die heb ik niet. Dan klinkt het woord, dat al zovelen voor mij de weg van leed en ellende heeft doen gaan: “Mit”. Ik zeg niets, sputter zelfs niet tegen. `k Heb immers mijn eigen kans verspeeld. Die vervloekte mist ook. `k Had dubbel op mijn hoede moeten zijn. Ik had…. ja, ja, allemaal nakaarten, wát nu geen zin meer heeft. Ik moet wachten. ’t Was kennelijk niet, in de eerste plaats om mij te doen. Of toch….

 

Het hele huis wordt doorzocht. Iemand komt uit de voorkamer met een handvol brieven en papieren. Die zijn van mij. Worden opgeborgen. ‘k Ben me niet bewust, dat daarbij iets van belang is, dat me ’t leven moeilijk kan maken.  Ze spreken over radio, ze zoeken alles en nog wat, misschien weten ze zelf niet eens wat ze zoeken. En al die tijd sta ik daar in de gang met een man van zo’n vijftig jaar, die wel vriendelijk wil zijn, maar elke keer, wanneer hij iets vriendelijks zegt, schuchter om zich heen kijkt. 

 

‘k Probeer te weten te komen, wat ze met me willen. Maar hij haalt de schouders op. Tenslotte doe ik het ook maar en zwijg. In de keuken is moeder bezig met het klaarmaken van boterhammen. Dit maakt me even verbitterd. Och, dat ze mij halen kan alleen maar gebracht worden onder de noemer: pech gehad, ik zal ervan moeten maken, wat ervan te maken is, en daarenboven: mijn beste vrienden hadden hetzelfde lot ondergaan, maar dat ze dit mijn ouders aandeden, mijn moeder en mijn vader, die vanaf dit moment in zorg zullen zitten. 

Mijn verloofde, die de moordende toch van Gorkum naar Friesland heeft gemaakt, op een fiets met lekke banden, en nu hier morgen zal komen, terwijl ik gevangen zit. 

 

Ik zal kunnen vluchten. Deze oudere man is op d’een of d ’andere manier gemakkelijk om de tuin te leiden. Ik kan zonder al te veel moeite in mijn hol verdwijnen. Maar dan…. De represailles zullen erger zijn dan wat ik nu ondervind. Ze schijnen klaar. Mijn bewaker krijgt bevelen, die ik niet versta. Hij moet met mij naar St. Annaparochie, begrijp ik. Natuurlijk, daar worden alle opgepakte personen heen getransporteerd voordat ze naar Leeuwarden worden vervoerd. 

 

Ik mag of moet op de fiets, het verschil kan ik niet eens ontdekken. Achter de ramen van de voorkamer zie ik de gezichten van vader, moeder en mijn zuster. Gespannen. De handen gaan omhoog als ik opstap en wegrijd. Wanneer zal ik ze terugzien? En als ik ze terug zal zien, wat zal ik dan hebben beleefd? 

 

’t Is vreemd, maar ik voel niets van een teleurstelling of verbittering. Er is iets in mij van een vreemde bevrijding. Nou goed, het is zo ver; ik ben niet anders dan anderen, ik deel hetzelfde lot als mijn vrienden. Mijn bewaker is toch niet zo’n goede sukkel als ik hem eerst beschouwd heb. Hij zegt, dat Hitler de krieg zal winnen en dat die vervloekte Engländer aanstonds nog eens wat zullen ondervinden. 

 

Ik vraag: “Hoe dan?” Ja, dat zou ik wel zien. Hitler had nog meer pijlen op z’n boog. We zijn het beroemde Hoekje van weduwvrouw Snijder al voorbij… Nog altijd is het mistig, triest en druilerig. Ik ben benieuwd, wat er verder met me zal gebeuren. We naderen het Tehuis voor Ouden van Dagen. Ik zie de V van Victorie “Duitsland wint voor Europa op alle fronten”. Dan word ik opeens gesommeerd om af te stappen.

 

‘k Begrijp het niet goed. Maar als we het hek binnengaan, ik voorop en hij achter me aan, begrijp ik het wel. In het gezichtsveld van de commandant, Seidel is zijn naam, geloof ik, moet alles model. Och, wat doet het er ook toe. Ik ben aan hun genade overgeleverd, daarmee is alles gezegd….

 

Wordt vervolgd.    

 

31-12-1959 Vijftien jaar geleden

Ik had me weinig van de ontmoeting met commandant Seidel voorgesteld, maar wanneer ik dat wel had gedaan, was deze op een grote teleurstelling uitgelopen. Na een vijf minuten gewacht te hebben, word ik binnen gelaten. Hij zit achter zijn bureau; wat me het meest opvalt is zijn onberispelijke uniform “Naam?” Ik zeg de mijne. “Beroep”. Ik zeg mijn beroep. “Nog iets anders mee te delen?” Ik schud mijn hoofd. Dan klinkt een bevel en ik word naar de marechausseekazerne gebracht. 

 

Mijn bewaker belt. De deur wordt opengedaan. En dan is het eerste wat ik hoor: “Verrek, kerel, hebben ze jou ook al te pakken?” Het blijkt een van mijn beste kennissen onder de marechaussees te zijn. Een man uit één stuk, die me zelfs al een keer naar huis heeft gebracht, toen ik hem eens een kwartier na het verplichte uur, dat we binnen moesten zijn, bij ’t Hoekje ontmoette. 

 

Ik ben wel ietwat verbaasd door dit impulsieve, maar hartelijke welkom. Gaat dat hier zo? Dan valt de rest ook nog wel wat mee. Maar ik zie, dat de man zelf ook wel even geschrokken is door zijn uitval, hij zegt niets meer en brengt mij maar zo gauw mogelijk in een cel, waar ik drie, vier lotgenoten aantref. Dan is hij plotseling verdwenen. 

 

Later blijkt, dat hij niet een gesprek met me wilde riskeren, terwijl die Duitse soldaat er nog bij stond. Hij had reeds een slechte naam en wilde liever ook niet van bewaker gevangene worden. Mijn lotgenoten ken ik niet. Maar na even gepraat te hebben, zijn we al bijna familie van elkaar geworden, in elk geval goede vrienden. Nee, als de toestand niet slechter wordt, zal het deze Kerstdagen waarachtig nog wel gaan. Even later is mijn marechausseevriend terug. 

 

De soldaat is vertrokken. “Verrek kerel, wat schrok ik, toen ik jou zag. En later, omdat ik dat had gezegd. Hij had me zelf wel in de cel kunnen stoppen. Maar nou is ie weg. Kom maar mannen”. 

 

De deur van de cel wordt wijd opengedraaid en we mogen vrij rondlopen. “Eén ding. Nooit weglopen! Dat kan voor ons de kogel betekenen. Begrepen”. De uren gaan verder voorbij met praten, schertsen, roken voor zover de voorraad strikt toelaat en dan worden we ineens opgeschrikt door een nieuwe lichting gevangenen nadat we eerst weer zorgvuldig in de cel waren opgesloten. Deze personen zijn me bekend. 

 

Het zijn twee jongens uit mijn geboorteplaats. Ze komen lachende binnen, schijnen niet bijster onder de indruk te zijn, maar als we het verhaal horen van hun gevangenneming vergaat ons de lust tot lachen. Ja, ze waren gevlucht. Je laat je toch niet zonder meer gevangennemen. Die Duitsers hen achterna. Nee, geen hond. Die had ik trouwens ook niet gezien. En tenslotte floten hun de kogels om de oren. Toen hadden ze de handen maar omhooggestoken en zich overgegeven. En hoe is ’t hier? Een van hen kijkt om zich heen. Niet veel ruimte, wel? We vertellen iets van onze belevenissen. De oudste van hen kijkt wat bedrukt. “Zo, dan kunnen we hier moeilijk vluchten. Ik had me anders al voorgenomen om de eerste de beste kans maar te wagen. Maar ja, je kunt die mensen er niet in laten lopen”.

 

De uren verstrijken. Er is eigenlijk niemand die zich verveelt. Er komt zelfs bezoek, dat gastvrij wordt toegelaten. We mogen zelfs aanschouwen hoe een van ons zijn meisje begroet en dat telkens weer herhaalt. Ook ouders komen en dan ineens zie ik het bekende gezicht van mijn vader. Hij is bezig om me los te krijgen. Met een doktersverklaring, die ondertussen al is opgesteld. Onzin, natuurlijk, maar ja, wat doet een mens in nood?

 

Dan verschijnt de politieman weer. “Nou, mensen, ’t wordt zo langzamerhand tijd om te eten en ‘k moet eerst nog naar ’n paar boeren om melk. Ze zullen ’t hier best hebben bij ons. Volle melk, zo van de koe. Dus, in de cel, en de anderen er uit…” We zijn weer onder ons, eenieder nu met zijn eigen intieme gedachten. Zo’n bezoek van thuis is prachtig, maar je wordt er niet beter van. Het parool is hier: niet te veel denken aan het verleden, aan thuis, want dan word je week en dan ben je verloren. Zoals de maaltijd is, uitblinkend door de gulheid van het personeel van de kazerne, is ook de nacht.... 

 

Natuurlijk slapen we niet, zo’n eerste nacht; natuurlijk zijn we niet in de cel, maar zitten we, genoeglijk vergaderd, in het kleine kantoortje bij mijn vriend, die er maar weer eens een nacht voor opoffert om ons het zo plezierig mogelijk te maken. Hij legt de werking van een revolver uit. Het is interessant, maar we vragen eigenlijk iets anders in deze vreemde sfeer….

 

Er zal meer jolijt moeten zijn om ons wakker te houden en ons te weerhouden van naargeestig gepieker. Daar zit een jonge vent, eigenlijk niet meer nog dan een kind. Bedrukt kijkt hij voor zicht uit. Nee, dat kan zo niet blijven. Of slapen, of plezier, een van beiden. En dus probeer ik de boeg om te gooien. 

 

‘k Vertel een bak, waarom gelachen wordt. Anderen volgen. En tenslotte hebben we de juiste sfeer bereikt. Die van toffe jongens onder elkaar. Niet altijd even kuis of fijn, maar in elk geval animerend, opwekkend. Zo verloopt deze nacht, vervliegt de dag, die daarop volgt, en breekt de eerste Kerstdag aan. We hebben al een voorproefje gehad…. 

 

De avond daarvoor hebben de Duitsers in het Tehuis voor Ouden van Dagen kerstmis gevierd. Terwijl wij ons ophouden met onze kennissen, onze vrienden en familieleden, die van alle kanten toestromen, horen wij het gelach en gelal van onze overheersers. Er zal daar wel de nodige alcohol vloeien. ’t Is rumoerig genoeg… 

Er valt een enkel woord: “Kultur”. Maar ook zelfs een enkel blijk van begrip en vergeving: “Och, die mensen zijn ook ver van huis”. En daartussendoor de vraag: “Wat gebeurt er met ons? Laten ze ons hier de kerstdagen zitten?” Ja, dat is een vraag… 

 

’t Heeft er alle schijn van…. Maar wie zo denkt, houdt geen rekening met het verrassend element, waarin de bezetters altijd sterk zijn geweest. Vroeg in de morgen van de tweede kerstdag – we zijn nu al zover, dat we werkelijk ’s nachts slapen – worden we gesommeerd om snel op te staan en ons klaar te maken voor de aftocht. 

Buiten staat een boerenwagen. Een viertal Duitsers, landerig en humeurig, houden toezicht…. Het vriest en het is koud. We zoeken een plaatsje op de platte wagen…. Drukken een laatste hand, waarin we dankzeggen voor de behulpzaamheid die hier geboden werd. En dan, rillend van kou en zenuwachtigheid, rijden we, op weg naar Leeuwarden….

 

Uit een van de huizen, naast de kazerne, hoor ik mijn naam roepen. Een laatste groet. De draagster van die stem blijft achter. En wij gaan een nieuwe toekomst tegemoet, bibberend van kou, bewaakt door Duitsers. Het lijkt niet zo hoopvol…. Maar één van mijn lotgenoten heeft de humor bewaard… “Ik bewonder ze toch, die moffen… 

 

Eerst vieren ze feest, de hele nacht door. En dan nemen ze een fris bad om de kater kwijt te raken”. Hij vergeet wellicht dat: “Befehl ist Befehl”. Ik reken uit, dat we toch zeker anderhalf uur in deze kou moeten rijden….

 

Wordt vervolgd. 

 

8-1-1960 Vijftien jaar geleden

Het wordt inderdaad meer dan anderhalf uur rijden, deze winterse reis naar Leeuwarden op de 2de kerstdag van het jaar 1944. Waarom we de hoofdweg over Stiens niet nemen, is me niet duidelijk. We gaan over Beetgumermolen, Marssum en zo de straatweg langs naar een plaats, die ons nog niet bekend is, maar toch wel niet ver van de gevangenis af zal liggen. 

 

Beetgumermolen, Marssum, stille dorpen, die nog niet eens ontwaakt zijn. Een enkele groet van een volwassene, kinderen, die hun spel een moment staken om ons na te kijken. Op de wagen zelf wordt de stemming niet beter. De aanvankelijke humor is door de snerpende kou verdrongen. 

 

We zitten stijf tegen elkaar aangedrongen, hebben geen woorden meer om een gesprek te voeren, brokken van gedachten scheuren door ons hoofd, en dan die ene, nu welhaast hartstochtelijk geworden wens: waren we er maar: alles beter dan dit. De meesten van ons zijn immers niet in maanden buiten geweest. We hebben geen enkele innérlijké weerstand tegen deze temperaturen van drie, vier graden onder nul.

 

De overweg, we komen iets meer binnen de huizenblokken, de Groene Weide, daar hadden we eenmaal een feestavond van onze school, wat lijkt het lang geleden…. 

 

De Harmonie, dierbare herinneringen, die uit een andere tijd schijnen te zijn. Het Zaailand, stil en verlaten…. Hè, worden we direct naar het station gebracht? Dat betekent een lange reis naar Duitsland en meerdere uren, misschien wel dagen in een ijskoude trein. Nee toch, we slaan linksaf. Op deze wijze dus naar de gevangenis. Maar dan wordt er voor het gebouw, waarin eenmaal de Coöperatieve Zuivelbank zetelde halt gehouden. Is dit dan ook al in handen van de Duitsers? 

 

Een van mijn lotgenoten stoot me aan. Hier hebben ze de verhoren! Ik heb geen gelegenheid om verder te vragen, we moeten van de wagen en ons in gelid opstellen. Tien passen naar de hoofddeur. Die wordt geopend en we worden in een gang gelaten. Links van ons zijn ramen en rechts is een schot van houtboard getimmerd, ongeveer twee, drie meter hoog. Wat zich daarachter bevindt, weten we niet, maar dat worden we spoedig gewaar. 

 

De Duitsers, die ons begeleid hebben, vertrekken; er worden enkele deuren in dat schot geopend, en het volgende ogenblik staan we dicht tegen elkaar aangeperst met z’n zessen in een pikdonkere cel. Ongelofelijk snel is dat alles in z’n werk gegaan, zelfs de brutaalste onder ons heeft even geen woorden….

 

Wat wil dit worden? Het lijkt verduiveld veel op een verhoor…. Waarom anders dit opsluiten in pikdonkere nacht? Mijn buurman fluistert iets. Ik versta hem niet. Luister scherper. “Ze hebben het dan weleens over wisselend koud- en heet waterbaden, daar lijkt dit ook veel op. Man, ik ben nat van zweet”. Hij zal het nog wel warmer krijgen. 

 

Het was negen uur in de ochtend, toen we hier werden afgeleverd, en eerst om drie-vier uur ’s middags verlost men ons uit deze benauwdheid. En wat zich daartussen bij eenieder van ons heeft afgespeeld is moeilijk in woorden uit te drukken. Het is niet alleen die hitte, die ons dringt en drukt…. 

 

Daar komt de dorst bij, en in mindere mate de honger…. En dan, al heel spoedig, de behoefte aan een toilet. Een van ons houdt het niet langer uit. “Als het nog langer moet duren, doe ik het in de broek”. Ik schrik…. Dat moet niet gebeuren. Je kunt hoogstens afgesnauwd worden, wanneer je het vraagt…. Dus vat ik alle moed, die ik kan opbrengen samen, en klop. ’t Geeft niets. Niemand antwoordt. Nog maar eens. ‘k Roep nu ook: “Hallo, Hallo!” Dat helpt. 

 

Een gedrongen persoon in uniform doet open. Blaft zoiets van: “Ja”. Ik probeer hem in het Duits te antwoorden: “Mein Freund musz, musz….”, verdraaid, hoe zeg je zoiets in het Duits? Ik sta met de mond vol tanden. “Nou, komt er wat van?” Verrek, die vent spreekt Hollands. Later blijkt, dat het een Rexist is, een Belgische N.S.B.-er…. Dit alles verbluft me zo, dat het beste, wat ik op dag ogenblik kan bedenken niets anders is, dan het traditionele schoolvraagje: “Mogen we wel even naar achteren?” De man verstaat het niet. “Wat”. Ik herhaal: “Naar achteren. Wateren!” 

 

Hij begrijpt en blijkt enig menselijk mededogen te bezitten. “Kom maar…. Maar denk er om: wie vlucht, wordt doodgeschoten”. Ja, ja dat hebben we deze morgen al een paar maal eerder gehoord. En niemand van ons denkt aan vluchten. We hebben andere noden op dit moment. Om beurten gaan we. Vinden zelfs een kraan, waarbij we onze dorst kunnen lessen… Tjonge, jonge, wat een rijkdom na al die verdrukking….

 

Als we weer opgesloten tegen elkaar op staan, zegt mijn buurman: “Zie zo, nu nog een paar stukken brood met spek en ik kan alles weer aan”. Dat brengt me op een idee. Brood met spek heb ik niet, maar in de binnenzak van mijn jekker heb ik nog wel een stuk of vijf zes gerookte worstjes, die ik gisteren nog door heb gekregen van thuis. 

 

“Zeg, hebben jullie trek in ’n worstje?” Wat? Mijn medegevangenen zijn beduusd van zoveel rijkdom in één ogenblik tijd. Ik deel rond. Er zijn zelfs zeven. We kunnen ieder één krijgen. “Nou, hoe smaken ze?” vraag ik op de wijze, die eenmaal Dik Trom bezigde, toen hij zijn vrienden mee liet genieten van de perziken in de tuin van de burgemeester. Hij heeft stellig niet een positiever antwoord gekregen. Ik hoor alleen maar een paar onverstaanbare geluiden…. Nu hebben we meteen weer nieuwe moed gekregen om de toestand eens in een fluisterend gesprek onder ogen te zien. Een verhoor? Welnee…. Waarom zullen ze ons horen? 

 

We zijn geen politieke gevangenen, alleen maar onderduikers. Die worden aanstonds zomaar doorgezonden naar Drenthe. Maar wat dan? Wat betekent dit? Het antwoord komt van ongevraagde kant. De Rexist doet onze deur open, vraagt naar mijn naam. Hij heeft een bundel brieven en couverten in zijn hand. Ook een portefeuille, die ik als de mijne herken. Maar hoe komt die man aan mijn portefeuille? Op hetzelfde ogenblik gaat mij een licht op. 

 

Natuurlijk, die Duitsers hebben het hele huis doorzocht en deze brieven meegenomen, benevens de portefeuille, die ergens op de tafel lag. Mijn beroep? Ja, dat is waar ook. Ik ben officieel niet schoolmeester, maar godsdienstonderwijzer, ter wille van meer vermeende bewegingsvrijheid. 

 

Onze Belgische Rexist schijnt niet kerkelijk georiënteerd te zijn. Ik kan hem niet aan het verstand brengen, welk beroep dat is. Tenslotte geeft hij het maar op, nadat hij op het persoonsbewijs mijn nieuw beroep: “Pfarrer” heeft ingevuld. 

 

Nu ben ik dus ineens gebombardeerd tot dominee, vroeger op de lagere school mijn scheldnaam en misschien aanstonds weer reële toekomstmuziek. We hebben met z’n zessen plezier om deze grap. Maar het komt me voor, dat dit beroep grotere mogelijkheden biedt om aanstonds weer vrij te komen dan dat van onderwijzer. 

 

De tijd zal het leren. Nu hebben we in elk geval enige zekerheid, dat we hier zitten ter wille van het administratieve gedeelte. Toch vraag ik me angstig af, wat die Duitsers in al die brieven gevonden hebben. 

Een brief, uit Groningen, die niet verbrand is, is gevaarlijk. Daarin wordt gesproken over onderduikers, die uit Drenthe gevlucht zijn en via Groningen in Friesland onderdak gebracht moeten worden. Maar is die erbij? In dat geval ben ik zeker van een verhoor. Enfin, we zitten in dit schuitje en zullen wel moeten meevaren. Gerust ben ik echter niet meer en ik ben wat blij, wanneer ons medegedeeld wordt, dat we naar het Huis van Bewaring doorgezonden zullen worden.

 

Wordt vervolgd. 

 

22-1-1960 Vijftien jaar geleden

De eerste dagen gaan vlug voorbij door de sensatie van het ongewone. Er is zoveel dat boeit doordat het nieuw is, en daardoor is er van sleur nog geen sprake. Maar alles went, zo ook dit gevangenisleven. Ik wen aan de gesprekken, soms oppervlakkig en leutig, maar soms ook diepzinnig en inhoud rijk; ik wen aan de heterogeniteit van deze gemeenschap, zo ongelijksoortig in opbouw en samenstelling; ik wen aan de gevangeniskost, leer ook voedsel te waarderen, dat alles maar een vulling is voor de maag; ik wen aan de bewakers, die nu een onverschillig hun werk doen, dan zich weer ontpoppen als ’n vriend in nood van hoogste orde; ik wen aan de karweitjes, die worden gevraagd; het luchten op een binnenplaats, éénmaal per dag; de brieven van thuis, die doorgegeven worden; de pakjes met brood, de scherpe controle van de Duitsers daar beneden… 

 

Ik wen aan alles en weldra zal ook dit leven behoren tot de dagelijkse sleur der dingen, waarmee men nu eenmaal te maken heeft…

Maar zover komt het niet. Niet hier althans, in het huis van Bewaring. Het is midden in een nacht, dat ik wakker word. Mijn keel is opgezwollen, mijn hoofd bonst en mijn gehele lichaam doet pijn. Ik probeer weer te slapen. Maar zodra ik een beetje begin te sluimeren komen de dromen, nare dromen, waaraan ik geen touw kan vastknopen. Ik ben thuis, dan weer op school, zie mijn ouders, mijn verloofde, dan weer de Duitsers, die me opgepakt hebben, en daartussendoor dat telkens weer opgeschrikt worden, zodat ik wakker ben. 

 

Ik realiseer me, dat ik koorts heb. Ik heb dorst, maar weet niet te bedenken, waar ik water kan vinden. Ik wentel me van de ene op de andere zij, sluimer weer een ogenblik in en schrik dan weer wakker. Een grote angst komt over me, benauwt me tot stikkens toe. Hoe moet dit komen. Als ze me aanstonds zo op transport stellen betekent dit niet minder dan mijn dood. Ik ben immers overgeleverd aan bruten, die op een dode meer of minder niet zullen zien.

 

Dan merk ik dat iemand naast mij komt. Ik hoor de stem van de jonge man die de eerste dag mijn blik met rodekoolrats heeft overgenomen. “Zeg, wat is er met jou? Ben je niet goed? Kan ik wat voor je doen?” Een ruim en mild gevoel van dankbaarheid stroomt door mij heen.

 

 Zo is het immers ook. In welke situatie ik ook kom te verkeren, hoe naar ik er ook aan toe ben, overal zijn vrienden, die willen helpen. “Heb je ook water voor mij?” “Natuurlijk, ik zal even wat halen.” Een moment later is hij weer bij me. “Hier” Ik drink, het doet me goed. “Mankeert er wat aan?” Ik vertel, hoe ik me voel. 

“Maar dan moet je onmiddellijk voor de dokter. Ik zal er wel voor zorgen Nog wat?” Ik draai me om. “Nee, ik zal proberen, nog wat te slapen”.

 

Hij zoekt dwars tussen de slapende lichamen van de anderen door zijn legerstee weer op. Hij beseft misschien zelf niet, wat hij heeft betekend voor mij op dit moment, maar ik weet, dat ik hem nooit weer zal vergeten.

 Ik ben rustiger geworden, meer nog door zijn hulpvaardigheid dan door het water dat hij mij bracht, en even later val ik in een zo goed als droomloze slaap.

 

De volgende ochtend echter, wanneer het sein tot opstaan geklonken heeft, blijf ik liggen. Ik kan niet op mijn benen staan. Zodra ik mijn hoofd maar even opricht begint alles te draaien en de pijn in mijn keel is nu zo hevig geworden, dat zelfs ’t drinken van wat water een welhaast onmogelijke opgave is geworden.

 

Ik merk niet veel van wat er om me heen gebeurt. Plotseling is er weer iemand naast me, stelt me verschillende vragen. Het is de gevangenisdokter, waarvan ik weet, dat hij goed staat. Ik probeer hem zo goed mogelijk te beantwoorden. Zijn commentaar is: “Je moet hier zo gauw mogelijk weg, ‘k Zal je direct laten overbrengen naar een isoleercel”. 

 

’t Interesseert me weinig, wat dat inhoudt. Ik leef alles als in een droom. De anderen helpen me overeind, wanneer een paar bewakers zijn gekomen om me naar het binnenste gedeelte van de gevangenis over te brengen. Ze voeren me over de binnenplaats, door meerdere deuren en zelfs nog een poort langs verschillende nauwe gangen naar een ander gedeelte, waar ik enkele personen zie, die de bruine gevangeniskleding dragen. Ik realiseer me, dat ik nu tussen de zware jongens zit, wanneer ik, rillend van koorts, in een klein hokje van enkele vierkante meters op bed lig.

 

Een van hen is nog bezig met me warm toe te stoppen. “Nou manneke, nou eerst maar eens lekker maffen, morgen zien we wel een weer”. Dat is de hartelijke groet, die ik van deze medegevangene meekrijg. Hij knikt me nog eens toe en verlaat het vertrek.

 

Dan merk ik, dat ik niet alleen ben. Naast de mijne staat nog een krib. En ik die krib ligt een jonge man, die slaapt. Enfin, ’t is mij wel goed. Ik heb geen behoefte aan een gesprek. Wat zei die man ook al weer? Lekker maffen! Ja, dat wil ik. Slapen, vergeten, niet meer denken. Ik sluit de ogen. Wat ben ik moet. Ze zullen me hier wel niet weghalen voor transport. Morgen zien we weleens verder. Morgen…. Dan komt de slaap over me….

 

Een vreemd geluid maakt me wakker. ’t Is net alsof ik een ketting hoor rinkelen. Verbaas kijk ik om me heen. Ik zie een man, die net zijn onderbroek ophaalt…. Ik ben er nog niet bij. Wat is dit nu weer? Waar ben ik?

Hij ziet me, lacht…. Neem me niet kwalijk. Ik moest wat kwijt. Waar kom je vandaan? Hij kruipt weer in zijn bed. Ik zeg, wie ik ben… Ook hij noemt zijn naam. Het is een jongen ergens uit de Wouden. Hij is hier een paar dagen geleden naar toe gebracht. 

 

Nu voelt hij zich al wat beter. En hij wil ook graag zo spoedig mogelijk hersteld zijn. Immers, dan gaat hij op transport naar Drenthe en dan is het maar een paar stappen op weg naar huis. Ik lach om zijn optimisme. Zo gemakkelijk zal het wel niet gaan. Maar de verhalen die hij opdist over dorpsgenoten, die ook in Drenthe moesten werken, maar al lang de benen hebben genomen, zijn wel overtuigend.

 

Hij praat honderd uit. Het valt mij echter met mijn opgezwollen keel niet gemakkelijk om een gesprek te voeren. Ik heb nog koorts en ook uit de bezoeken van de gevangenisdokter blijkt, dat ik behoorlijk ziek ben. ´

Ja, die gevangenisdokter. Hij lacht maar wat als ik hem mijn klachten zeg. Maar zo’n laatste woord na zijn bezoek spreekt boekdelen. “Je blijft hier maar rustig liggen. Zo lang je hier bent, ben je niet op een ander plaats”. 

 

Er zijn meer, die me bezoeken. Mijn vriend de onderwijzer, bijvoorbeeld. Hij vertelt me, dat ik beneden in het Huis van Bewaring, in het ziekenboek sta ingeschreven als zwaar T.B.

 

Dus toch. De gevangenisdokter heeft mijn verhaal over mijn keuring voor T.B., waarbij een vlekje op mijn rechter long is ontdekt, ter harte genomen. De foto’s kunnen immers worden opgevraagd, het is zo duidelijk als wat, dat ik zwaar lijdende ben aan tuberculose…. 

 

Maar wat ik in werkelijkheid heb, weet ik niet. Men zegt mij, dat ik bont ben in mijn gezicht. De ziekte doet denken aan roodvonk. In mijn hart ben ik er blij om. Ook roodvonkpatiënten zullen ze niet in het een of ’t andere kamp plaatsen.

 

Daar is er mijn trouwe oppas, die me de eerste dag heeft toegestopt: manneke. Het is een klein manneke van een jaar of vijftig, die zijn vrouw heeft vermoord, maar ik heb in mijn leven nog niet een man ontmoet, die zo zachtaardig en behulpzaam is als hij. Ik kan ook iets terugdoen. De grote pillen brood, die mij van thuis worden toegezonden zijn toch teveel voor me zelf, ik deel ze met mijn metgezel en manneke en de laatste is elke keer weer kinderlijk blij. 

 

Hij wil niets van medegevangenen aannemen, maar de bewakers laten ’t oogluikend toe. Het rantsoen van de gevangeniskost is zo weinig, dat de gevangenen voortdurend rammelen van de honger, het zou al heel wreed zijn, wanneer manneke zijn eerlijk verdiend brood werd afgenomen.

 

Ook Kruithof brengt me dagelijks een bezoek. Hij is student geweest, maar werd wegens een moord op de broer van Mussert in het begin van de oorlog, gevangengenomen en hiervoor levenslang veroordeeld. Diepzinnige gesprekken hebben we. Het Gjalt, mijn buurman, véél te hoog. Die heeft maar één onderwerp dat hem boeit, de meisjes. Maar voor mij is een gesprek met deze levenslang veroordeelde een ware verkwikking.

 

Zo verlopen de dagen met slapen, praten en lezen. Ik heb hier een jaargang van het weekblad “Fen Fryske Groun” gekregen en dit interesseert me buitengewoon. Ik kan maar niet genoeg krijgen van die beelden van het Friese land in vredestijd. Daar is een foto bij, die ik telkens weer moet bekijken. 

 

Een simpel plaatje van een toneelvereniging in ons dorp, toen deze jubileum vierde. Ik ken ze allen die daar opstaan. En ze spreken van een verleden, waarvoor ik niet tegenstaande de noodsituatie waarin ik verkeer, dankbaar kan zijn.

 

Na enkele dagen wordt hoog bezoek aangekondigd: de commandant Grüntmann. Ik zie met verwachting naar hem uit. Wie weet. Als hij ons hier zo ziet liggen, zal hij ons toch wel ontslaan. Maar niets van dat al. De rauwe keelstem spreekt alleen maar over Drenthe, waar het zo gezond voor zieke mensen is.

 

Daarna maak ik nog kennis met Nico. Nico is nog maar 16 jaar, hij blijkt de zoon te zijn van een bekende Joodse professor en men heeft hem hier voor alle zekerheid maar in gevangeniskleren laten onderduiken. Het is toch al kras. Te midden van zware gevangenen, te midden van de Duitsers. ’t Bevalt hem best, hij heeft alleen maar razende honger en het is om deze reden dat hij eens een praatje met me maakt. Hij heeft namelijk gehoord dat mijn vader boer is.

 

Er komt ook verandering. Mijn vriend Gjalt, die weer zo helder is al wat, naar hij zelf zegt, gaat weer terug naar het huis van bewaring. Hij glundert bij het afscheid. Nog even, jong, dan ben ik weer thuis.

 

Maar een uurtje daarna is zijn bed alweer ingenomen door een ander, Siep Zandstra, een kantoorman, die een ernstige maagzweer heeft. Zijn komst betekent, dat ik nu geregeld de havermoutpap met hem mag delen. Trouwens, ook in geestelijk opzicht is deze verandering een verbetering. We kunnen best met elkaar opschieten en praten over alles en nog wat.

 

Wordt vervolgd.

 

29-1-1960 Vijftien jaar geleden

De dagen verlopen vrij rustig en vredig. Van eentonigheid kan men eigenlijk niet spreken, want elke keer, wanneer iemand onze isoleercel binnenkomt, betekent dit ’n nieuwe sensatie. ’s Morgens vroeg is dit ’n bewaker, die ons een mok met melkwater en een paar stukjes kuch brengt. Dat is volgens de gewoonte en zegt ons niet zo veel. 

 

Maar het nieuws, Dat hij meebrengt van buiten is voor ons van veel meer waarde. “Hoe ver zijn de Russen?”, dat is de vraag, die ons momenteel meer interesseert dan brood en melk. En dan krijgen we steeds een antwoord dat ons voor de gehele verdere dag bemoedigt. Nog tweehonderd kilometer van Berlijn, nog honderdvijftig, nog honderd, nog vijftig, het is haast niet te geloven, zulke vorderingen er worden gemaakt. 

 

We houden ons er zelf mee bezig, wat er moet gebeuren, wanneer het Derde Rijk zal instorten, Tja, dan is het natuurlijk een eerste zaak, dat men ons als politieke gevangenen niet kan onderscheiden van de gewonde gedetineerde. Er moeten maatregelen genomen worden om ons in dat geval een bruin gevangenispakje te verschaffen. Want je weet natuurlijk nooit wat die Duitsers, voordat ze de afmars blazen, zullen uitspoken, Het zijn opwekkende gesprekken die we met de bewakers en elkaar daarover voeren.

 

Trouwens, het is niet allemaal goud wat er blinkt. Want er begint ons iets te dagen van het grenzeloos optimisme, dat onze medegevangenen, die hier dus al meer dan tien jaar gezeten hebben, bezielt. Zij zijn zonder enige uitzondering gebeten op de Duitsers, Dat zijn de vijanden, die bewerkt hebben dat ze dag in dag uit op zo’n schammel rantsoentje moeten leven en werken. Ze krijgen er nooit wat extra’s bij. 

 

En wij beiden, die haast elke dag wel iets eetbaars doorkrijgen van thuis, beseften maar al te goed, dat deze mensen als het ware uitgehongerd moeten zijn. Dat is ons ook gezegd. “Denk erom mannen, wanneer het acht uur is geweest, geen lawaai meer maken. Want hierboven en naast jullie slapen de gedetineerden. Die hebben dan hun avondmaaltijd gehad en moeten direct in slaap vallen. Lukt hun dat niet, dan liggen ze urenlang wakker omdat ze door de honger de slaap niet meer kunnen vatten”. 

 

Zoiets geeft toch wel even te denken. Geen wonder, dat deze mensen met moordzuchtige plannen jegens de Duitsers rondelopen. Manneke zei het een paar dagen geleden nog zo treffend. “Wij zitten hier vijftien of twintig jaar omdat we in een vlaag van waanzin een medemens hebben gedood en die heren kommandanten, die de dood van honderden op hun geweten hebben lopen hier in een mooi pakje en met medailles op de borst rond. Ze hebben het recht niet om ons zo te treiteren.

 

Maar het gevolg van deze haat ten opzichte van de Duitsers is natuurlijk, dat de successen van de geallieerde legers reusachtig worden opgeschroefd. Deze mensen geloven die geruchten, dat betekent wellicht voor het de vrijheid straks en ze hebben geen innerlijke weerstand meer om de betrouwbaarheid van deze geruchten te controleren.

 

Het verhaal gaat, dat er ergens hier in het centrale gedeelte van de gevangenis een clandestien radiotoestel moet staan en dat men van daaruit de berichten doorkrijgt, doch niemand weet, waar dat staat en wie de man is, die luistert. Ja, één wordt er van verdacht, maar het blijft een open vraag, of deze man inderdaad geregeld luistert of een grote fantast is.

 

Wij gaan dus maar af op de berichtgeving van onze bewakers, die allemaal goed staan, maar krijgen zo langzamerhand wel door, dat ook deze mensen onder invloed staan van het suggestieve optimisme van de gedetineerden.

 

Natuurlijk, de dokter komt geregeld, en die vragen we ook weleens, maar die doet niet anders dan lachen en de schouders ophalen. “Je weet het,” zegt hij met een knipoogje, “ik sta in Duitse dienst en verder bekend als een gevaarlijk N.S.B.-er, zoiets moet je mij niet vragen. Ik zal mijn eigen ondergang hier rondbazuinen in de gevangenis”. En dat moeten we het dan maar weer mee doen.

 

De enige betrouwbare persoon, die ons de werkelijke stand van zaken doorgeeft, is mijn vriend de gevangenisonderwijzer. Van tijd tot tijd duikt hij op met zijn gevangenispetje, waaraan ik maar niet kan wennen, en dan brengt hij brood en brieven èn, wat eigenlijk nog meer betekent, betrouwbare berichten, Ja, het gaat inderdaad goed, maar eigenlijk veel te langzaam. Soms ontmoeten de geallieerden nog heftige tegenstand en dan kan het dagen duren voordat er weer enige vorderingen worden gemaakt. Maar men kan nooit weten. 

 

Als het Duitse grond aanstonds ineenstort, zoals bij Stalingrad, kan het ook zomaar gebeurd zijn. ’t Wordt trouwens tijd, want ook zijn eigen positie hier aan gevangenis wordt wankeler. Ze hebben ontdekt, dat hij door middel van bibliotheekboeken briefjes overbrengt van de ene gevangene naar de andere, mensen dus, die verhoord moeten worden en precies van elkaar moeten weten, wat ze zullen zeggen, en de heren vertrouwen hem niet meer. Wie zal zeggen, dat hij niet de hand heeft gehad in deze fraude. Hij heeft het ten stelligste ontkent, maar staat nu eenmaal onder verdenking, Er kan dus van alles gebeuren. “Als ’t me te gevaarlijk wordt, dan duik ik onder!”

 

Zo’n mededeling maakt ons toch ook weer een beetje triest. Jonge als we hem moeten missen, dan hebben we niet meer contact met thuis en dan krijgen natuurlijk ook niets meer door. ’t Wordt wel tijd, dat die Russen daar maar eens opschieten.

 

Nog een ander voorval deprimeert ons onze geisoleerheid. Tegen het invallen van de nacht, wanneer de bewaker komt om ’t licht aan te steken, krijgen we de mededeling, dat we ons vanavond heel rustig moeten houden. “In de cel hiernaast ligt een politieke gevangene, die heel erg ziek is en ’t is de vraag, of hij de nacht zal halen”. We worden er stil van. Een man dus als wijzelf. 

 

Opgepakt wellicht, omdat hij anderen heeft willen helpen en nu ligt hij hier misschien op sterven. Als we goed luisteren dan kunnen wij hem horen. Hij schijnt koorts te hebben, want we horen hem voortdurend praten.

De volgende dag vernemen wij dat hij in de morgen is overleden. Zijn vrouw is nog bij hem geweest. Wij bedenken, dat dit ook ons had kunnen overkomen. En meer zijn we die dag verbonden met onze naaste dan anders. Het verlangen naar hen is groot. Wanneer zullen we hen terugzien? Ja, zullen we hen terugzien?

 

Diezelfde dag komt er jobstijding voor mij. Ze hebben naar mij geïnformeerd omdat ik een verhoor moet ondergaan. Er is doorgegeven, dat ik het bed nog niet mag verlaten, zodat die verhoor is uitgesteld. Maar dit bericht, juist op deze dag, maakt de stemming niet beter. Ze zijn me dus niet vergeten. Ze willen me nog horen. De hereniging met al degenen, die me lief zijn, schijnt verder verwijderd dan ooit. 

 

Ik zit in de put. Geen mens ter wereld, die me daaruit kan halen. Siep begrijpt het; hij zegt niet veel. Het is op deze dag, dat mijn vriend de onderwijzer met toevoegt, dat ik net een blikken pan ben, het ene moment “himmelhoch jachzend” het andere “zum Tode betrübt”. Enfin het zal wel weer overgaan.

 

Wordt vervolgd.

 

5-2-1960 Vijftien jaar geleden

Het wordt langzamerhand duidelijk, dat ik de langste tijd in deze isoleercel geweest ben. Ik ben nog wel niet helemaal genezen van mijn ziekte, maar de vervellingen op handen, armen en benen tonen aan, dat het herstel is ingetreden en dat betekent, dat ik nu aanstonds wel spoedig zal worden overgeplaatst.

 

Waarheen? In elk geval niet naar huis. In mijn meest optimistische momenten had ik met deze ontwikkeling nog rekening durven houden, maar nu er gesproken is over een ophanden zijnde verhoor, duw ik deze gedachte zo ver mogelijk weg. Het is zaak, dat ik me instel op een nabije toekomst, die hard zal zijn; daarom moet ik me zelf verharden en niet week worden bij de gedachte aan mogelijkheden, die onwerkelijk zijn.

 

De geruchten van grote vorderingen, die de Russen maken, dringen nog steeds in onze geïsoleerdheid door, maar ze doen me niet zoveel meer. Ik ben immers nog steeds in de handen van de Duitsers en zolang hierin niet verandering is gekomen, verandert er niets in mijn situatie.

 

Siep probeert me wel te helpen. Hij staat elke middag getrouw de helft van zijn ruime portie havermoutpap af; het geeft me wel meer lichamelijke weerstand, maar geestelijk helpt het me niet zoveel. Hij moet me nu wel een ondankbare lotgenoot vinden in deze donkere dagen. Maar hij trekt er zich niet van aan. Als ik me helemaal in mezelf opsluit, begint hij weer met zijn meisje en probeert me weer terug te winnen voor het leven, dat aanstonds weer zoveel prettiger zal zijn, wanneer dit voorbij is. Het is en blijft een beste kerel, deze Siep, alleen maar jammer, dat hij ’t zo slecht getroffen heeft met deze in zichzelf gekeerde kameraad, die nergens meer open staat.

 

Ik zeg hem dat ook en dan lacht hij maar wat. “Man, je maakt je bang voor niks”. Straks vragen ze je wat en ze vinden niks en ze laten je weer gaan. Je zult zien”. Maar ik wil niet zien, ik wil niet in het goede geloven, ik wel me alleen maar verharden door aan de aller-slechtste afloop te denken. Dat zegt mijn vriend de onderwijzer ook. Hij doet het weer anders. Op zijn wijze. Met een gedichtje. “Een mens lijdt dikwijls ’t meest, door ’t lijden, dat hij vreest, doch dat niet op komt dagen. Zo heeft hij meer te dragen dan God te dragen geeft”. 

 

Hij heeft gelijk, natuurlijk heeft hij gelijk, maar hij moet één ding niet vergeten: hij zit niet in zo’n benarde positie als ik. Als ik dat tegen hem zeg, wordt hij even één moment heftig. “Zo dacht je dat! En dan die geschiedenis met die briefjes in die boeken. Dacht je dat zoiets mij in de koude kleren blijft zitten. Kom nou! In de grond van de zaak ben jij een lafaard, weet je dat wel? Je gaat op de vlucht, wanneer er moeilijkheden komen. Bij voorbaat denk je al, dat je ’t verloren hebt. 

 

Dat ze jou de baas zullen zijn. En je naar een concentratiekamp sturen. Maar dan zal ik zeggen, dat jij je leven hebt laten vullen. Als alle mensen van de illegaliteit zo waren, zoals jij nou, dan waren we al lang verloren geweest, Verdraaid kerel, hou de kop ervoor: Wat weten ze nou van jou? Wat kunnen ze weten? Niks. D’r zitten hier wel anderen”.

 

Met zo’n antwoord kan ik het doen. Daar heb je niet van terug”, zegt Siep lachend. En ik bedenk, dat ze beiden gelijk hebben. Op zo’n ogenblik komt er even een kleine verademing, maar ’s nachts lig ik uren wakker en ben soms tot stikkens toe benauwd. Ik realiseer me, dat ik niet voor een held in de wieg ben gelegd!

 

Nog vlugger dan ik gevreesd heb ’t einde van mijn samenzijn met Siep. Op een morgen, om een uur of tien, elf. “Groeneveld, gaat terug naar ’t Huis van Bewaring. Kleed je maar aan”. Ik ben er beduusd van. Siep vloekt hoorbaar. Ook hij schrikt van deze mededeling.

 

Ik kleed me zenuwachtig aan, ’t Is niet de eerste keer na mijn ziekte, ik ben er al weer eens enkele keren uit geweest voor een douche en voor luchten, maar het gaat nog onhandiger dan anders. Ik ga op mijn ledikant zitten als ik klaar ben. “Je zult je dekens wel weer mee moeten nemen, zo zijn we hier ook gekomen”. “O, nou goed dan. ’t Zal hem aan mij niet liggen”. Ik vouw de dekens op een bedenk me, dat ik toch ook nog wat aardigs tegen Siep moet zeggen. Hij is een verdraaid aardige kerel, geweest, al die dagen, Ik ga weer zitten en kijk naar hem.

 

“Nou, dan gaan we maar weer uit elkaar hè? Misschien zien we elkaar nog weleens terug in een concentratiekamp. Misschien ook wel niet. Zo is het leven als ze je gepakt hebben”. 

 

Siep komt even overeind. “Och kerel, zanik nou niet langer. We zien elkaar straks weer terug in vrijheid. Brengen we eens een bezoek bij elkaar met onze mooie meisjes. Zeg heb jij haar foto al? Mooi”. ’t Is even stil. “Wat duurt dat lang, voordat die bewaker komt. Nu ‘k hier toch weg moet, dan ook maar zo gauw mogelijk”. ’t Zal mij benieuwen, wie ‘k hier nou weer naast me krijg. Nou ja, iemand die ziek is. Voorgeschreven wet. En dan bij de volgende zal ik wel af moeten marcheren”. 

 

De sleutel wordt weer in ’t slot gestoken. ’t Is tijd. Ik geef Siep een hand. “Nou kerel, het allerbeste. En bedankt voor alles Tot kijk”. Ik kan op dat moment niet meer zeggen. En wat is dat nou met Siep. Hij lacht en draait zich dan abrupt om. Zou hij wat anders verwacht hebben? Bij de deur kijk nog veen om. Nee toch, de hand komt omhoog. “Tot kijk”. Dan sluit de deur zich weer. Weer een episode voorbij.

 

Ik loop met mijn bewaker door een aantal bekende en daarna voor mij onbekende gangen. We steken een binnenplaats over. Die is me wel weer bekend. Daar is de kamer van de directeur. En daar zit de administratie. Wat is dat? Mijn bewaker is ineens verdwenen, Hij heeft een paar gedetineerden ontdekt, die in een hevig gevecht gewikkeld zijn. Dat zie je niet vaak. Ze maken doorgaans een voorbeeldig gedisciplineerde indruk. Ik zie ineens ook de oorzaak van deze bandeloze vechterij. 

 

Op de grond ligt de stronk van een spruitkoolplant. Daar vechten ze om, deze verhongerde stumpers. Zo’n stronk heeft immers nog waarde voor mensen, die elke dag niet meer dan drievierdepart krijgen van wat ze nodig hebben. 

 

Als ze de bewaker ontdekken staken ze hun gevecht. Er wordt even met hen gepraat. Ze knikken. Dan neemt de bewaker de stronk op en breekt die middendoor. Als hij groet, springen ze in de houding. Hiermee is deze vete weer opgelost. Zoals zovele wellicht van dit soort.

 

“Dat hebt u prachtig opgelost”, zeg ik tegen de bewaker, wanneer hij weer aan mijn zijde loopt. Hij schudt het hoofd. “De oplossing, zegt je? De oplossing voor deze stumpers is, dat de moffen verdwijnen. In hun hart zijn ’t prachtkerels. Voor ons doen ze alles. Maar zodra een mof op het toneel verschijnt, willen ze zijn bloed wel drinken. Maar die tijd komt nog weleens. Hoe lang zit jij hier nou al?”

 

“Een week of zes”. “Je kreeg nogal eens wat door, niet?” Ik knik. “Nou dan weet jij nog niet, wat deze kerels moeten lijden. En je kunt er niks aan doen”.

 

We zijn nu weer op de binnenplaats van het “Huis van Bewaring”. Een veertig mannen draaien hier weer hun rondjes. Dit beeld ken ik nog van zes weken terug. Het deprimeert me. ’t Is hier in het Huis van Bewaring niet beter dan daarginds. De discipline is hier harder, omdat de bewakers direct onder de Duitsers staan.

 

Daar heb je er al weer één. Waarachtig, her is de commandant zelf En bij hem staat de gevangenisdokter, Ze praten op geanimeerde wijze als waren ze de grootste vrienden, Ik weet wel beter. We gaan hen voorbij. De dokter ziet mij. Schiet op me af. “Waar moet dat heen?”, zegt hij met een stem als van een Feldwebel. “Naar de ziekenzaal”, zegt mijn bewaker. 

 

De dokter keert zich weer van me af. “Mooi dan is ’t goed. Keert zich nog even om.  “Maar je moest eigenlijk naar huis, als je niet zoveel op je kerfstok had. Afmars”. Wat moet je nu van zo’n antwoord weer denken? 

 

De een spreekt hier al niet minder in raadsels dan de ander. En elke uitspraak heeft als een codewoord inhoud. Ik zie dat de dokter Herr kommandant gemoedelijk op de schouders klopt. Die twee zijn het weleens. Ja, ja. We bestijgen de ijzeren trappen weer. Zoals zes weken terug. Weer dezelfde gang langs de ijzeren deuren. En dan, bij een hoekdeur: Diep inademen. Adem inhouden. Toe maar! Ik sta weer in een zaal. Kleiner dan de vorige. Er zijn in ’t geheel maar zes man. En die liggen voor het merendeel in bed.

 

“Nou, kom er maar in”, zegt één van hen, “je bent welkom”. Ik ga bij de bedden langs en geef ze een hand. Ze zijn verbaasd, wanneer ik hun vertel, dat ik al een lange ziektereis heb gehad. In hun reacties klinkt iets door van respect. Met een half uur ben ik in hun kring opgenomen en word stilzwijgend als leider erkend. ’t Had erger kunnen zijn, dit nieuwe begin!

 

Wordt vervolgd.

 

12-2-1960 Vijftien jaar geleden

De eerste dagen in dit nieuwe milieu van het ziekenzaaltje verlopen zonder dat er iets bijzonders gebeurt. Dat kan zowel negatief als positief worden uitgelegd. Negatief, omdat ik weldra, bemerk, dat de controle hier veel strenger is dan in de echte gevangenis. Zo nu en dan loert er eens iemand door het kijkgaatje en dan kunnen wij er zeker van zijn, dat het de een of d’ andere S.D.-man is, ’t zij Hollander, Belg of Duitser. 

 

Deze strenge controle betekent ook, dat ik van nu af aan praktisch niets meer doorkrijg; mijn vriend de onderwijzer is nogal eens geweest om te zien, waar ik ben gebleven, maar toen heeft hij er me al op voorbereid, dat het hier buitengewoon moeilijk is om iets binnen te smokkelen. Enfin, honger heb ik nog niet, havermoutpap van Siep werkt nog na, en het gemis van brieven moet ik me maar getroosten. Er zit ook een positieve kant aan dit rustig verloop. Nu ik niets meer hoor over een ophanden zijnd verhoor begin ik weer hoop te krijgen, dat ze me misschien wel opnieuw vergeten zijn. Waarom ook niet? 

 

De administratie bij de heren zal wel niet zo best in orde zijn, elke dag komen er nieuwe gevallen bij, waaronder zeer dringende, och, ’t kan best nog meevallen. Ik zal me er voorlopig nog maar niet al te druk over maken. Als ‘t zo ver is, zien we wel weer.

 

Het vijftal mensen, dat ik hier om me heen zie, is van eenvoudige, maar goede kwaliteit. Er is een bij, die vanaf het begin mijn bewondering heeft opgewekt. Dat is een jongeman uit Stiens, die het klaargespeeld heeft om hier in deze ziekenzaal te komen, zonder dat hem iets mankeert. Dat heeft hij ons tenminste in vertrouwen meegedeeld, maar dat zie je er zo aan de buitenkant niet aan. Zijn ene been schudt en schokt voortdurend heen en weer en dit is reeds zo’n gewoonte geworden, dat het de hele dag doorgaat, zelfs in zijn slaap kan hij het zo nu en dan niet laten. 

 

Hiermee probeert hij de dokter en de Duitsers op een dwaalspoor te brengen, wat hem bij de eerste niet, maar bij de laatste wel gelukt. En daar gaat het per slot van rekening om. Zo komt dan de nacht, waarin we praktisch geen oog zullen sluiten.

 

Het is ons reeds van verschillende kanten meegedeeld, dat de toestand in het Huis van Bewaring weer spannend en drukkend is geworden, omdat de Duitsers als represaillemaatregel telkens vooraanstaande figuren uit de cellen of zalen halen om die dan ergens in Friesland neer te schieten. Zodra in een bepaalde gemeente ongeregeldheden zijn gebeurd moet elke gevangene die in deze gemeente woonachtig is, er rekening mee houden, dat hij diezelfde nacht nog kan worden doodgeschoten.

 

 Een gelukkige omstandigheid is, dat we hier doorgaans niet weten of er in onze gemeente iets gebeurd is, maar aan de andere kant is het toch ook weer zo, dat in deze periode van oorlog te allen tijde overal iets kan gebeuren, zodat eigenlijk niemand helemaal gerust is. Want wie zullen dan worden uitgekozen?

 

Deze nacht wil de slaap maar niet komen. Ik merk, dat ook de anderen nog wakker zijn en begin maar weer eens een praatje met mijn buurman. “Kun je ook niet slapen?” “Nee, man, je doet zo’n hele dag niets anders dan op je rug liggen en wanneer je dan ’s avonds moet slapen, wil het niet”. Ik antwoord niet. Probeer me in te denken, hoe vreemd deze situatie eigenlijk is. 

 

Daar lig je in het holst van de nacht te praten met een persoon, die je tot voor enkele dagen niet kende, en wiens lot precies hetzelfde is als dat van jou. “Ik had wel trek in een sigaret”. Ja, ik ook wel, maar nu de controle hier momenteel zo streng is, zullen we wel tot de bevrijding moeten wachten, voordat we weer kans hebben op een sigaret. 

 

Ineens schrik ik op. “Hoor, wat is dat? “Ik houd de adem in. Ook mijn buurman luistert. We horen stappen van laarzen op de trap. Nu zijn ze op de gangbrug, die voor de celdeur langs loopt. “Ze komen deze kant op”. Mijn buurman vloekt van schrik. “’t Kunnen bewakers zijn”. “Och bewakers. Die komen toch niet ’t holst van de nacht. ’t Zijn moffen”. We luisteren weer. Ik merk, dat de anderen ook wakker worden. “Duitsers”, fluister ik, “ze komen hierheen”. 

 

Niemand zegt een woord. Elk geluid daarbuiten wordt nu opgevangen. Ze houden stil. “’t Is niet voor onze deur. Hier naast”. Er zegt niemand iets, maar we kunnen niet verstaan, wat. Wel lijkt ’t ons de stem van een Duitser. Daar wordt een sleutel in het slot gestoken. Ja ’t is hiernaast. Wie zouden we moeten hebben? “t Is ons om het even. We kennen de mensen niet, die hiernaast zitten.

 

Er is zoiets als een commando. Dan is ’t weer stil. Onheilspellend stil. We horen geschuifel van laarzen, maar niets meer. En dan, plotseling, een schreeuw, die door alles heen dringt. “Ik wil niet, ik wil niet”. Er is wat gestommel, er klinken een paar korte bevelen, we horen gejammer. De geluiden verstommen, een enkele gil, die uit de verte schijnt te komen, en dan is er niets meer.

 

Het duurt een hele tijd, voordat we weer iets kunnen zeggen. Het eerste, wat ik van mijn celgenoten verneem is dat mijn buurman, nog een jonge kerel, huilt. Daartussendoor vloekt hij. Ik heb een hekel aan vloeken, maar ditmaal zijn ze me sympathiek, tenminste uit de mond van iemand die zich nog nooit bewust is geworden, wat een vloekwoord inhoudt.

 

De oudste van onze ziekenzaal zegt nu ook iets. “Ja, jongens in die toestand verkeren wij. Zo door de dag denk je dat het een lolletje is, dat morgen of overmorgen wel weer voorbij zal zijn, maar zo liggen de zaken niet. We zijn in handen van mensen, die er niet tegen opzien om duizenden, misschien wel miljoenen medemensen te vermoorden. 

 

Vannacht wordt deze man doodgeschoten, Joost mag weten waar…… Morgen kunnen wij aan de beurt zijn. Ik wou wel, dat we maar in Drenthe zaten, daar is ’t beter”.

 

De nacht praten we veel en zeggen weinig. ’t Is eigenlijk praat om praat te houden. De sfeer is triest. We voelen ons lamlendig. Totdat een van ons door een onverwachte opmerking de atmosfeer weer wat opklaart. “Zeg kerel, dat been van jou doet niks. Als je zo doorgaat, sturen ze je nooit naar huis”. En prompt begint onze makker weer opnieuw. Dat is immers een kans op redding. 

 

En zo beginnen ook wij maar weer aan de toekomst te denken ’t kan nog meevallen. Maar als de anderen rustig zijn geworden, een enkeling al slaapt, moet ik ineens weer aan die medegevangene denken. Waar zou hij nu zijn? Zou hij nog leven? Misschien heeft hij wel een vrouw en kinderen. 

Ik keer mij om, maar kan niet slapen.

 

Wordt vervolgd.

 

19-2-1960 Vijftien jaar geleden

De volgende ochtend vernemen wij, dat inderdaad die afgelopen nacht een man is opgehaald en met onbekende bestemming vertrokken. Wie het geweest is, horen we niet en er wordt ook niet gezegd, wat er met hem is gebeurd. Maar de represaille moorden gaan onverminderd door en we behoeven ons niet af te vragen wat het lot van de medegevangene is geweest, wiens hulpgeroep wij gehoord hebben zonder te kunnen helpen.

Doch andere gebeurtenissen vragen onze aandacht. Terwijl wij nog zonder woorden bij elkaar zitten, bewogen over het lot van het slachtoffer van deze laatste nacht, is daar de fatale boodschap voor mijn persoon. Groeneveld, je moet worden verhoord, maak je maar klaar, we zullen je direct halen.

 

Het is, alsof een bom is ingeslagen. Ik weet zelf niet recht wat ik doe. Ja, ik doe wat aan mijn kleren, stof ze wat af, voor zover dit mogelijk is, maar ben nu zo vervuld van datgene, dat nu zo vlak nabij is, dat ik alles gedachteloos doe. “Waar zal dat verhoor zijn? En hoe zal het zijn?” 

 

Ik stel me voor, dat ik nu wel weer terug zal moeten naar het gebouw van de Coöperatieve Zuivelbank of misschien ook wel naar dat van de Friese Levensverzekeringsmaatschappij, maar hoe het dan verder zal gaan, daarvan heb ik geen enkel vermoeden. Ik heb hier in de loop van de dagen en weken wel zoveel over verhoren gehoord, dat ik me net zo goed op ’n vriendelijk gesprek als op een afslachting voor kan bereiden en de conclusie van elke vraag of gedachte is dan ook: maar afwachten, je zult het wel zien.

 

Daar wordt de sleutel weer in het slot gestoken en ik moet mee. Mijn bewaker stelt me onderweg al ietwat gerust. “Je wordt hier in de gevangeniskamer verhoord, daar zit Albrechts, het zal wel wat meevallen”. Ik vraag: “Hoe dat zo? Is er dan verschil tussen de gevangeniskamer en ergens anders?” Hij blijft even staan en zegt ernstig: “Dat zou ik denken. De zwaarste gevallen komen hier niet voor de balie. Die gaan wel naar het Burmaniahuis of ergens anders in de stad. Maak je maar geen zorgen. Misschien krijg je nog wel een sigaret”. 

 

Ik weet niet of hij de waarheid spreekt, maar zijn mededelingen bewerken toch, dat ik zonder grote vrees de kamer van de heer Albrechts betreed. Hij zit aan een bureau met een grote stapel papieren voor zich, kijkt even op en wijst op een stoel, die voor het bureau staat. Hij zegt aanvankelijk niets, ziet zelfs niet op. Dit geeft mij de gelegenheid om eens om me heen te kijken. 

 

Er is niemand anders in de kamer dan ons beiden. Dat lijkt inderdaad niet veel op een martelpartij. Ook verder zie ik niets dat op foltering of pijniging wijst. Maar ja, ’t kan een voorlopig onderzoek zijn. Ik moet niet al te gauw gerust zijn.

 

Nu kijkt hij op. Zo te zien heeft hij niet een onvriendelijk gezicht. Maar dat zegt natuurlijk niets. Hij vraagt mijn naam en beroep. Verdraaid, daar zit ik al vast. Hij heeft natuurlijk dat “Pfarrer” doorgekregen. Ik besluit me maar aan het oorspronkelijke godsdienstonderwijzer te houden. “Wat?” Nu begint hij te blaffen. Ik herhaal: “godsdienstonderwijzer”.

 

Hij haalt zijn schouders op. “Also: kein Pfarrer”. Ik zeg: nou ja, zoiets. “Sprechen Sie Deutsch?” Ik schud mijn hoofd. Drommels, dat maar niet. “Verstehen Sie Deutsch”. Ik knik. Je moet zo’n man ook een beetje goedgunstig stemmen. Het valt in goede aarde. Hij glimlacht.

 

“Das stimmt. Ich verstehe Holländisch”. Ik wacht af, min of meer als een tijger, die gereed ligt om een prooi te bespringen. Alle zenuwen zijn gespannen. Nu hij zo begint te blaffen, kan ik het ook als het moet.

Hij kijkt me lang en onderzoekend aan. “Dus”, zegt hij dan in het Duits, “jij bent de man, die wapens gesmokkeld heeft”. Ik ben stomverbaasd. Ik wapens gesmokkeld? 

 

Hij kan me van alles verdenken, maar hier niet van. Dit is wel het allerlaatste, wat ik in de strijd tegen de Duitsers op mijn schouders zou nemen. Maar op hetzelfde moment komt de bevrijdende gedachte. Hij weet niets. Hij heeft die brief niet in handen, waarin over vluchtelingen uit Drenthe gesproken wordt. Dan was hij daarmee wel begonnen. Ik zeg, mezelf vergetend, “Nein”. 

 

Hij vraagt er nog even op door. Wordt heftiger en feller. “Je moet één ding niet vergeten: we hebben hier veel brieven van jou”. En dan begaat hij zijn tweede fout. Hij legt de hand op het bovenste blad papier, dat ik niet herken, en trekt het zover naar zich toe, dat ik het opschrift van de volgende brief kan lezen. “Geachte heer Damsma of Duursma of Dongstra”, ik weet het niet zo precies, maar in elk geval niet Groeneveld. Dat is dus niet van mij. 

 

En dat bovenste blad papier is ook niet van mij. Ik word overmoedig, herwin met de minuut mijn zelfvertrouwen. “Op een gegeven moment zeg ik: “U kunt alles van me vragen, maar u weet niets, u kunt niets weten, want er is niets!” Hij kijkt kwaad. “Man, dat zeg ik toch, ik heb hier een hele stapel van jou”. Ik schud het hoofs, probeer te lachen. “Dat zegt u maar om me onder druk te zetten, maar u hebt niets. U kunt niets hebben, want er is niets”. “Je liegt”, hij bijt het eruit. Ik blijf kalm in mijn zelfverzekerdheid. “Neem me niet kwalijk, ik lieg niet, maar u liegt”. “Dat zal je bewijzen”. En nu spring ik er boven op. Nu of nooit. 

 

“De eerste brief ken ik niet, maar de tweede brief is in elk geval niet van mij”. “Was!?” Hij schreeuw het uit. Ik knik. “Kijk maar, u vergist u. Die brief is bestemd voor de volgende en dat ben ik niet”.

 

Zoals gezegd had ik in deze dagen veel over verhoren gehoord, maar wat ik nu meemaak is eigenlijk maar een kinderspel. Hij kijkt even verbluft, ziet zelfs nog op ’t tweede vel briefpapier en begint dan te lachen. Hij zegt iets wat ik niet versta. Maar ’t moet zoiets geweest zijn als ”handige bliksem”. Hij is in elk geval sportief. En nu levert die eerst brief, die door mijn vriend, die lange tijd bij ons thuis was, is achtergelaten, ook niets meer op. ’t Gaat over een clandestiene vergadering, waarmee ik niets te maken had. 

 

‘k Zeg dan ook, dat ik van die brief niets af weet, dat hij ook wel niet aan mij gericht zal zijn. Hij kan me op deze manier wel alles in de schoenen schuiven. En daarmee loopt het af. 

 

Ik krijg geen sigaret, maar wel een woord, waarmee ik het voorlopig kan doen: “Je zult wel meer van ons horen”. Met andere woorden: hij weet momenteel niets meer en zegt me nog vrij vriendelijk goedendag als ik hem groet.

 

Dit had slechter kunnen aflopen. Wie weet, misschien zit er nog een ontslag uit de gevangenis in. En ik een uitermate opgewekte stemming begeef ik me weer op we naar mijn ziekenzaaltje. 

Er is nu ook niet een bewaker, die me begeleidt. Maar dan ineens, als een schim, komt er iemand naast me lopen. ’t Is de hoofdonderwijzer. Hij praat zacht voor zicht heen. “Je bent door Albrechts verhoord? Langzaam lopen”. Ik antwoord op dezelfde wijze. “Dat zei de bewaker”. “Waar ging het over?” Ik lach: “Om niets, hij wist niets”. “Wat? Om niets? Maar man, Albrechts is een topfiguur en we hebben hem in lange tijd niet gezien. 

 

Hij heeft altijd de ergste gevallen”. “Nou, als alle gevallen niet erger zijn dan dit, dan doe ‘k het ervoor”. “Dus niets gezegd?” “Nee”. “Geen namen genoemd?” “Nee”. “Niet geslagen? “Nee”. “Nou, dan begrijp ik er niets meer van”. En op dezelfde wijze als hij naast me kwam lopen, verdwijnt hij ook weer. 

 

Een bewaker neemt nu zijn plaats in. Afgesproken werk dus, deze illegaliteit in de gevangenis. Dit zijn nog handige bliksems. Meer dan dat. Het zijn helden. 

 

Ik word weer binnengelaten. Mijn vrienden vragen alles en nog wat. En ik zeg, dat ze zich nooit bang behoeven te maken over een eventueel verhoor. “De sigaret ontbreekt er nog aan, maar anders was het een complete visite geweest”. Enfin: Dat is voorbij.

 

Er schiet mij een woord te binnen. “De mens lijdt dikwijls ’t meest door ’t lijden dat hij vreest en dat niet op komt dagen. Zo heeft hij meer te dragen dan God te dragen geeft”.

 

Wordt vervolgd.

 

 

26-2-1960 Vijftien jaar geleden

Er gebeurt niet veel bijzonders, die laatste dagen, die mij nog resten in het gemoedelijke ziekenzaaltje van het Huis van Bewaring. Althans niet voor mij en het merendeel van mijn vrienden. Want voor één van ons, onze strijdmakker uit Stiens, over wie ik reeds eerder schreef, ligt het wel een beetje anders.

 

Op een morgen wordt hij uit de zaal gehaald. Ik weet niet om welke reden. Misschien was hij bij de dokter geroepen. Maar we vernemen die hele verdere dag niets meer van hem. We maken ons er maar niet druk over. We staan immers elke dag voor zoveel kleine en grote verrassingen, dat deze kleine er nog wel bij kan. Hij zal wel weer een verschijnen met zijn bibberbeen. Maar hij komt niet terug. In de loop van de dag vernemen wij van een bewaker, welk stout stukje hij heeft uitgehaald.

 

Toen hij, steunend op de schouder van zijn bewaker, bij de ijzeren trap, die naar de begane grond leidde, was gekomen, had hij zich plotseling laten vallen, driestweg naar beneden, en het mocht wel ’n groot wonder genoemd worden, dat hij niet een zeer ernstig letsel had opgelopen bij deze val.

 

Maar hiermee was voor de Duitse autoriteiten het klinkende bewijs geleverd, dat het geen aanstellerij van deze knaap was, en ze hadden er dan ook maar in toegestemd, dat hij naar huis werd gezonden.

 

We praten nog even over dit voorval na. We achten ons zelf niet in staat om op deze gedurfde wijze onze vrijheid te kopen. En we komen tenslotte tot de voorlopige conclusie, dat iemand, die zich zolang een ziekte inbeeldt, tenslotte zelf wel moet geloven, dat hij deze ziekte heeft. Een andere verklaring vinden we niet. Maar ondertussen is onze strijdmakker misschien al op weg naar huis, al of niet met een trillend been, en wij zitten hier nog te zuchten tussen de vier stenen muren, waarvan we hoogstens tien minuten per dag tijdens het luchten verlost zijn.

 

Na een paar dagen word ik gezond verklaard. Dat gebeurt hier ook al weer even anders dan thuis: “Groeneveld, je gaat naar zaal tien”. Ik kijk verwonderd op. “Naar zaal tien, wat moet ik daar?” Mijn bewaker lacht. “Niets, helemaal niets. Maar er moet hier een ander voor jou in de plaats”.

 

Ik raap mijn spullen bij elkaar. “Nou, toe dan maar. Maar jullie schijnen het speciaal op mij gemunt te hebben. Voel ik me hier net weer wat thuis en dan is het weer: afmars. Enfin, we zullen wel zien”. 

 

Ik neem afscheid van mijn ziekenzaalgenoten en maar hier en daar een grapje. ’t Is hier toch wel heel anders dan dat vertrek uit die isoleercel. Maar toen moest ik nog voor de balie. En nu kunnen ze me hoogstens naar Drenthe transporteren, nu dat niets heeft opgeleverd.

 

“Tot ziens” zeg ik. Vijf handen gaan omhoog. Tot ziens. In Drenthe of thuis.

 

Dan is ook deze episode weer voorbij. Voor alle zekerheid vraag ik op de gang nog even: “dus er zit niets achter. Geen transport of zo”.

 

De bewaker schudt zijn hoofd. “Nee, Er is hier nogal wat ziekte en er moet plaats gemaakt worden in de ziekenzaal”. Trouwens die andere zalen zijn overvol. Er zal wel haast weer een transport vertrekken”.

 

We zijn bij zaal tien. “Schrik maar niet”. Het volgende moment sta ik weer tussen dertig of veertig andere lotgenoten. Een nieuwe sensatie voor mij, maar niet minder voor de anderen. 

 

Weer diezelfde vragen. “Waar kom je vandaan. Waarom hebben ze je opgepakt. Hoe is ’t met de toestand?” Ik ken die vragen nu zo langzamerhand wel en ik help ze maar gauw uit de droom. “Ik ben hier al een hele tijd. Ziek geweest. Nu ben ik weer beter”. Als ze vernemen, dat ik hier al zo lang zit, komen nog meer vragen, maar omdat ik zo’n tijd in de echte gevangenis ben geweest, kan ik die niet beantwoorden.

 

Nu komt een man in een grijze trui naar voren. Geeft ‘m een hand en stelt zich voor. “Dan zijn we eigenlijk collega’s. Ik zit hier ook al van die tijd af”. Het blijkt een predikant te zijn uit Jorwerd en al spoedig merk ik, dat hij stilzwijgend als leider wordt aanvaard. De discipline is hier nog sterker dan in de zaal, waarin ik eerst werd opgenomen. Eén blik in het rond overtuigt me ervan, dat hier orde heerst, dankzij deze intieme leiding, en ’t komt me voor, dat de dagen hier weleens niet zo vervelend en eentonig zullen zijn als ik elders heb ondervonden.

 

Drommel er wordt hier ook nog gerookt. De predikant glimlacht. “Rantsoen”. Alles wat we binnen smokkelen, wordt verdeeld, maar de een is weleens wat zuiniger dan de ander.

 

Er wordt mee een plaats toegewezen. Ook een plaats, waar ik mijn mok en andere eigendommen kan bergen. En dan wachten we al pratende en lachende op de maaltijd, het is haast weer zo ver.

 

Ik merk ondertussen, dat een aantal mannen bezig is met het snijden van stukken karton, anderen zijn bezig om op dit karton figuren te tekenen. “Wat houdt dat in? Hebben jullie hier al zoiets als werkverschaffing”. “Nee, we zijn bezig met het maken van een monopoliespel. Morgen is het klaar en dan hebben de plechtige installatie”.

Al deze dingen doen me goed. Ik besef, dat ik me nog nooit gedurende de gehele gevangenistijd zo thuis heb gevoeld. Is dit nu het begin van het einde? Of het begin van een nieuw begin? Ik weet het niet. In elk geval laat ik mij de stamppot van aardappelen en rodekool goed smaken. 

 

Wordt vervolgd.

 

4-3-1960 Vijftien jaar geleden

Hoewel de verstandhouding in deze zaal buitengewoon goed is, dankzij het geestelijk overwicht van de predikant uit Jorwerd, zijn er toch enkele belevenissen, die het er niet gemakkelijker op maken.

 

Voor de eerste maal in mijn leven begin ik er enig idee van te krijgen, wat honger is. Daar in de ziekencel van het binnenste gedeelte van de gevangenis kreeg ik door middel van mijn vriend de onderwijzer wel zoveel voedsel door van thuis, dat ik meer dan genoeg had, ik kon daar de roomboter nog wel dubbeldik op mijn brood smeren, terwijl de vollemelkse pap van mijn vriend Siep meer dan de rest deed. 

 

Toen ik hier weer terug was in de ziekenzaal van het Huis van Bewaring, ging het ook nog wel, al zag ik mijn vriend minder verschijnen dan anders en kreeg ik de broodpakken en brieven niet meer zo geregeld door. De controle was hier in de loop van de weken dat ik daar afgezonderd gelegen had, veel scherper geworden.

 

Maar nu ik hier ben, in deze zaal met dertig veertig man, schijnt elk contact met de buitenwereld onmogelijk te zijn geworden. Ik zie mijn vriend praktisch niet meer en wanneer hij komt, nog steeds met zijn gevangenispet, die niet bij hem past, dan is het enige, wat hij kan doen, dat hij mij iets vertelt van de ontwikkeling der dingen daarbuiten. Hij vertelt me, hoe mijn vader en mijn verloofde hard bezig zijn om me los te krijgen, nu eens hier worden toegelaten, dan weer daar, maar tot nu toe nog niet zo bar veel succes hebben geoogst. 

 

“Maar het blijft een eerste zaak, dat je, je zoveel mogelijk ziek houdt; je staat nog altijd ingeschreven als een patiënt, die lijdt aan t.b.c. en de mogelijkheid is natuurlijk niet uitgesloten, dat je eens bezoek ontvangt van een Duitser, die wil weten, wat daar nu van aan is. Blijf zoveel mogelijk liggen in het stro, je kunt nooit weten”. En wanneer ik hem dan zeg, dat ik momenteel meer behoefte heb aan voedsel dan aan rust, haalt hij de schouders op en zegt, dat hij het in de gegeven omstandigheden moeilijk kan riskeren, dat hij betrapt wordt op het brengen van brieven en pakjes. Ze worden zo nu en dan ook gecontroleerd.

 

Ik krijg dus een behoorlijke eetlust, om nog maar niet te spreken van honger, en probeer mezelf vooral met het kuchje brood dat we eenmaal per dag krijgen, op rantsoen te stellen. Tot nu toe is me dat nog gelukt, maar het wordt wel heel erg moeilijk. De tijd is al lang voorbij, dat ik mijn potje renpaardensoep, zo genoemd omdat je er zo mager van wordt als een renpaard, en stamppot van rodekool aan een metgezel geef, omdat ik deze kool niet lust.

 

En zo komt dan de bewuste avond, dat ik niet kan slapen, omdat de honger me wakker houdt. Ik heb nog één sneetje brood, dat ik bewaard heb voor de volgende ochtend. Het is twaalf uur in de nacht. De anderen schijnen te slapen. En dan ik het niet langer uit. Ik doe een greep onder mijn jas, die als kussen gebruik, vind daar het sneetje brood en werk het in een ommezien naar binnen. Dat deze droge kuch zo lekker kan smaken.

 Ik kan me niet herinneren, dat ik ooit met zoveel eetlust iets gegeten heb. Het bewerkt, dat het al te knagende gevoel iets verminderd is en ik kan nu slapen.

 

De volgende ochtend merk ik, dat er meer zijn, die niets meer hebben. We stellen ons maar tevreden, het moet immers wel, met de mok watermelk die we krijgen en zien met hartstocht uit naar het tijdstip, dat de rats weer zal worden opgediend. Dat uitzicht hebben wij tenminste nog; er zullen in deze oorlogstijd ook wel duizenden zijn, die dat uitzicht niet meer hebben.

 

Veel aandacht kunnen we deze morgen trouwens niet aan deze normale dingen schenken. In de loop daarvan komt het bericht, dat de hele zaal in beroering brengt. Vanmiddag op transport. Op hetzelfde moment zijn er duizend en een vragen. Waarheen? Hoezo? Gaat de hele zaal mee? Ben ik er ook bij? Teveel vragen om te kunnen beantwoorden en de bewakers volstaan dan ook met een schouderophalen.

 

Ik probeer de zaak zoveel mogelijk van de optimistische kant te bezien. Zo’n transport, waarbij een ieder van deze zaak betrokken is, gaat natuurlijk naar Drenthe. En Drenthe is zeker niet een plaats, waar we het ergste moeten vrezen. 

 

Honderden, die hier gevangen gezeten hebben, zijn nu al weer thuis, omdat ze konden vluchten. ’t Zal wel wat meevallen. Maar ik wilde wel, dat ik nog maar een andere klomp had. Die ene van mij mist de kap en ik kan moeilijk op een klomp marcheren in de rij. Natuurlijk heb ik nog schoenen in mijn plunjezak, maar die moet ik eigenlijk zo lang mogelijk sparen. Ik vraag erom en gelukkig worden mij nog een paar oude klompen gebracht, een is te klein, de ander te groot, mar dat doet er niet toe, ik kan tenminste weer op twee benen lopen.

 

In de loop van die ochtend komt mijn vriend. Hij heeft van dit transport vernomen en zegt mij, dat ik me nu voor alles koest moet houden. Ik ben ziek en kan natuurlijk niet mee. Mijn verloofde komt deze ochtend in de stad en zal een contact hebben met de persoon, die er de medewerking aan heeft verleend, dat Siep vrijkwam. Ja, die is vrij, en er liggen voor mij ook kansen, maar nu komt dat verrekte transport ertussen.

 

Ik zeg, dat ik zo langzamerhand minstens zo lief in Drenthe ben. Hij ziet me verbijsterd aan. “Dus jullie weten nog niet, dat dit transport voor Willemshaven bestemd is, dus Duitsland?” Ik schrik. “Welnee”. Mijn hemel, dat wordt dan niet beter. Hij klopt me op de schouder. “Nee, zo is het. En daarom zijn we hard, hard bezig om jou nog op het nippertje los te krijgen. Hou je zo ziek mogelijk. Ze komen nu straks zeker om te zien, hoe het met je is”.

 

Hij vertrekt weer en ik heb direct een aantal mensen om me heen. “Wat zei-ie?” 

Ik vertel hun, dat dit transport kennelijk naar Duitsland gaat. Het bericht doet de stemming met een slag veranderen. Tot nu toe was de stemming opgewekt. “Zie zo jongens, we gaan de gevangenis verlaten en aan het werk in Drenthe”, maar nu doemt daar zoiets als een concentratiekamp voor de ogen van mijn medegevangenen op. Het wordt stil en de angst voor het onbekende legt een druk op allen.

 

We krijgen eten, de maaltijd wordt zonder de gebruikelijk kwinkslagen genuttigd. Daarna komt het bericht, dat we ons gereed moeten houden. Ik heb alles zo goed mogelijk ingepakt, maar blijf liggen. Zou die stomme Duitser nou nooit komen? Dan zal ik straks ook moeten blijven liggen als de mannen vertrekken….

 

Weer een bericht. Ds. V. Gelder gaat niet mee met transport. Hij hoort het bericht onverstoorbaar aan. “Zo, weer niet?  Dat is dan al de derde keer”.

 

De minuten verstrijken. Nu kan het bevel van vertrek elk ogenblik komen. Er wordt niet veel gezegd. Een ieder is met z’n gedachten thuis of bij de toekomst. Er is een gespannen gelatenheid. Ik weet niet wat ik moet. Weifel elke minuut tussen meegaan of hier blijven. Voel er toch het meeste voor om maar mee te gaan.

 

En dan, nog als een donderslag uit heldere hemel: “Mannen we vertrekken. En Groeneveld gaat niet mee op transport”. Nooit in mijn leven volgden duisternis en licht elkaar zo snel op. Nooit in mijn leven lagen gevangenschap en vrijheid, dood en leven zo dicht bij elkaar.

 

Wordt vervolgd.

 

11-3-1960 Vijftien jaar geleden

De mannen verlaten de zaal. Een laatste groet in onze richting. We kijken ze na en blijven dan alleen achter. De deur wordt gesloten. ’t Is heel stil nu om ons heen. We gaan zitten op een van de vier kribben, die in vroegere jaren als slaapplaats voor de gevangenen golden, toen was het maximum voor zo’n gevangeniszaal vier man. 

 

“Zeg, moet je eens kijken, ik heb hier nog wat”. Ds. V. Gelder glimlacht en toont mij een half pakje shag. “Bestemd voor de mannen, die van ’t verhoor terugkwamen, maar die zijn er nu niet meer. ‘k Zou zeggen, steek maar eens op”. We draaien een sigaret en praten nog wat na.

 

’t Was een verdraaid aardig stel. Jammer, dat ze zijn vertrokken.

“Ja”, zegt ds.  v. Gelder, “dit is nu al de derde keer, dat ik hier achterblijf, ik begrijp er niets van. ‘k Vermoed nog het meest, dat ze me aanstonds nog weer naar huis terugsturen”. Deze opmerking brengt mij bij de overdenking van mijn eigen toekomst. ’t Heeft natuurlijk een reden gehad, dat ik van het transport werd afgevoerd. En die reden ligt waarschijnlijk heel dichtbij. 

 

Op de een of d ‘andere manier heeft mijn verloofde of mijn vriend, misschien ook wel in samenwerking, ’t noodzakelijk gesprek kunnen voeren met een van de Duitse voormannen. En in dat geval hebben ze hem kunnen overtuigen van de ernst van mijn ziekte, die alleen maar een ziekte in naam is en als zodanig in het ziekenboeg van de gevangenis voorkomt. 

 

Maar hoe het nu verder zal gaan, weet ik niet. Misschien moet ik met ds. V. Gelder ook wel zeggen, dat het, het meest waarschijnlijk is, dat ik aanstonds naar huis wordt gestuurd. Maar die gedachte duw ik direct weer terug. Dat zou al te mooi zijn. En toch, telkens weer komt dit vooruitzicht bij me op. Het zit erin, hoe ik de situatie ook bekijk ook wend of keer. Ik moet maar op goede hoop leven.

 

We blijven niet lang samen. In de loop van de avond komen er al weer een aantal mannen bij en na verloop van enkel dagen is de zaal weer compleet, dat wil zeggen: men kan er met de beste wil van de wereld niet meer bij voegen.

 

Deze algehele verandering biedt trouwens een welkome afwisseling. We horen vrij veel nieuws en merken, dat het daarbuiten nog altijd goed gaat, maar nog steeds te langzaam. De Duitsers zijn echter actiever dan ooit en daarom is het aantal, dat wegens represailles gevangen werd genomen als gijzelaar groter dan ooit. Er zijn vrij veel vooraanstaande personen, die wegens onregelmatigheden in eigen gemeente op elk tijdstip van de dag en van de nacht uit deze zaal gehaald kunnen worden en dan doodgeschoten.

 

We proberen zoveel mogelijk deze dreigende achtergrond te vergeten. Soms gebeurt dat door een ernstig woord van onze altijd even opgewekte en stimulerende leider v. Gelder, soms ook door de een of d ‘andere vorm van jolijt. 

 

Het lied: “Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan. Hij brengt ons Sint Niklaas, ik zie hem al staan”, gezongen op de wijs van der Duitse legerschlagers, klikt altijd weer op en lokt menig kwaad gezegde van een van de vele landwachters, die voor de controle in het Huis van Bewaring moeten assisteren, uit. 

 

Ze worden vaak ontvangen met een honend gelach, omdat al lang gebleken is, dat ze weinig meer kunnen uitrichten dan kwaad kijken en brullen. Meer dan eens wordt een van ons naar een strafcel verwezen, maar de bedreiging wordt nooit uitgevoerd.

 

In deze sfeer van gemoedelijke kameraadschap gebeurt dan ineens iets, wat niet minder is dan een ramp, nog wel zondag. Nog altijd komt tabak, shag of sigaretten door. Het is op dit ogenblik zelfs weer beter dan het geweest is. Een gedeelte komt terecht in de gemeenschappelijke pot, een ander gedeelte mogen de gelukkige bezitters zelf besteden. 

 

En nu, net op dit ogenblik van overvloed, komt de jobstijding, dat de bewakers, op straffe van ontslag of zelfs gevangenschap, geen enkele lucifer meer mogen aanbieden. Wegens brandgevaar, heet het. Nou ja, dat wisten ze drie of vier maanden geleden ook wel. Maar wij zitten er mee met al onze tabak en nog altijd constante rooklust. 

 

Er wordt een vergadering belegd. En aan het einde van deze vergadering menen we dat een mogelijk oplossing hebben gevonden. Onmiddellijk daarna gaan we een grondig onderzoek instellen naar onze inventaris. Veel zaken ontdekken we, die onbruikbaar zijn voor ons doel. 

 

Maar een lege jampot die hier al maanden gelegen heeft en een stuk karton worden terzijde gelegd als bruikbaar. Dan komt iemand met een oude sok aandragen, die zo vol gaten zit, dat hij toch niet mee gedragen kan worden, maar voor ons doel een zeer waardevolle aanwinst is. Als we zover zijn, staken we voorlopig de actie. De rest zal morgenvroeg moeten gebeuren.

 

Die volgende ochtend al vroeg komt de ziekenoppasser zijn beroemde ronde doen. “Nog iets voor de dokter? “Prompt melden zich vier man voor het spreekuur. Hij kijkt verbaas op. “Vier?  Wat is dat nou? “Wat heb jij?” Hij wijst een van de vier aan. “Ik kan niet achteruit, bewaker”. 

 

Nu is het geduld van onze brave ziekenoppasser uitgeput. “Wat een drommel, houd een ander voor ’t lapje. Ik laat niet met me spotten”. Maar hoe hij ook kijkt en welke dreigementen hij er ook uitslingert, het blijft zoals het is: vier man voor de dokter: niet achteruit.

 

Het duurt lang, voordat de vier terugkomen. Met spanning wachten we hun komst af. En als ze tenslotte tegen het etensuur de zaal inkomen, zijn we nog niets wijzer geworden. De dokter had spottend gelachen, de schouders opgehaald en ze er weer uitgebonjourd. O, drommel, als hij het maar niet door heeft gehad. 

Maar om een uur of twee komt onze ziekenoppasser terug. Met medicijnen. Vier flesjes wonderolie voor de betrokken patiënten. Hij wordt met gejuich ontvangen. 

 

De verdere uitvoering van ons plan is maar een peulschilletje. De olie komt in ’t jampotje. Het stukje karton, met ’n gaatje erin en een wollen kous erdoor. Komt als afsluiting bovenop. 

 

En nu is het wachten op die ene lucifer, die het eeuwige vuur zal moeten ontbranden. We hebben geluk.

De ene bewaker, die we in vertrouwen wilden nemen, verschijnt dezelfde avond nog. Hij kijk zuinig, hij twijfelt, bezweert ons dat we nooit en te nimmer zijn naam mogen noemen en de eeuwige vlam verdekt moeten opstellen, en steekt dan de met olie doordrenkte pit aan. 

 

Het vaderland is gered. Ter ere van de vier “helden” roken we een kwartiertje een vredessigaret.

De eeuwige vlam deelt mee in de vreugde.

 

Wordt vervolgd.

 

18-3-1960 Slot Vijftien jaar geleden

De dagen, die nu volgen, zijn kleurloos door gebrek aan afwisseling. Deze groep mist ook de levendigheid die de andere groep kenmerkte. Een van ons, een jonge man, die als gijzelaar gevangen is genomen, krijgt op een avond om acht uur het bericht door, dat zijn vrouw het leven heeft geschonken aan haar eerste kind. We feliciteren hem en hij trekt zich stil in een hoek terug.

 

Later op de avond maak ik nog een praatje met hem. “Dit weten”, zo zegt hij, “is eigenlijk nog erger dan de spanning die eraan voorafging. Nu merk je, hoezeer de Duitsers je in hun greep hebben. We zullen er maar het beste van hopen”. Ik kan niet anders dan het met hem hopen.

 

De volgende dag wordt weer iemand verhoord. We slaan er aanvankelijk niet zoveel acht op, ach, er wordt zo vaak iemand uit de zaal geroepen, zonder dat hem iets noemenswaardigs overkomt, maar wanneer hij na een uur of drie nog niet terug is, beginnen onze gedachten toch naar hem uit te gaan.

 

Zou hij het moeilijk hebben? Of zou hij alleen maar zo’n lange tijd hebben moeten wachten. Meestal zijn de verhoorden met een half uur of hoogstens een uur terug. Dit schijnt toch erger te zijn. We denken er even aan en dan zijn we al weer in onze gesprekken en gedachten met iets anders bezig. 

 

Totdat de deur opengaat en onze lotgenoot door een paar bewakers wordt binnengedragen. Een eerste blik maakt ons duidelijk, dat ze hem op een welhaast misdadige wijze hebben toegetakeld. Hij kan niet staan, heeft een blauw oog en kreunt half bewusteloos van pijn en ellende. Ogenblikkelijk ontfermen zich een paar over hem. Een komt met een sigaret, een ander draagt de eeuwige lam.

 

“Toe jong, hier, rook eens”, je bent hier onder vrienden. Hij opent zijn ogen en kijkt om zich heen. Herkent ons. “Gelukkig”, zegt hij. En dan: “Ik heb toch lekker niks gezegd”. Hij neemt de sigaret aan en inhaleert diep. We laten hem rustig even bij komen. En dan, bij horten en stoten, vertelt hij het verhaal van zijn belevenissen tijdens het verhoor. 

 

Ze hadden hem van alles gevraagd en toen hij tenslotte niets uitliet, hadden ze hem gedwongen om iets te erkennen, wat hij per se niet gedaan had. En toen was de marteling begonnen. Met slagen, met gloeiende sigarettenpeukjes, die op zijn hand werden uitgedoofd, met het bevel om vijftig diepe kniebuigingen te maken, een onmogelijke opgave voor hem, omdat hij vergroeid en invalide was.

 

Maar hij had niets gezegd, kon niet zeggen, omdat hij aan het feit, waarvan ze hem beschuldigden, niet deel had. Tenslotte had hij zijn bewustzijn verloren en wat er verder gebeurd was, wist hij niet. 

 

“Maar ze zullen me vanmiddag wel weer halen”, zegt hij triest. We proberen hem te troosten. “Dat kan ook nog wel wat meevallen. Je hebt immers niets gezegd en niets erkend”, “Nee, niks”, zegt hij op een toon als stond hij nog voor zijn martelaars. “Nou, dan is ’t immers hiermee afgelopen”. Het blijkt later dat we gelijk hebben, want hij wordt de dagen daarna niet teruggeroepen.

 

Wat er verder met hem gebeurd is, ben ik nooit te weten gekomen omdat voor het grote moment van mijn bevrijding dichtbij was.

 

Ik had na de gedenkwaardige vrijdag, toen ik van het transport werd afgevoerd niets meer van de reden daarvan vernomen. Mijn vriend liet zich niet meer zien, ook de bewakers konden mij niet wijzer maken en ik wachtte dus maar af. Het kon natuurlijk ook zijn, dat mijn verloofde helemaal niet contact gekregen had met bevoegde instanties en het initiatief alleen maar van de heren was uitgegaan.

 

En dan zou ik toch nog wel met een volgend transport naar Duitsland moeten.

Nu het zo lang duurt berust ik er maar weer in en stel me voor, dat er niets bijzonders aan de hand is geweest. In de loop van de weken heb ik al geleerd om alles te aanvaarden, wat over me komt, en me beslist niet al te grote illusies te maken over een mogelijk invrijheidstelling.

 

Maar dan blijkt, op een woensdagmiddag, terwijl ik uit verveling lig te slapen, dat ik het ditmaal volkomen mis heb gehad.

 

Ineens hoor ik mijn naam roepen. Als ik de ogen opsla, die een aantal zaalgenoten om me heen. De eerste geachte is, dat ik weer voor het verhoor moet. Maar dan komt de bewaker, dezelfde, die ons aan de eeuwige vlam heeft geholpen. “Groeneveld, je gaat naar huis”. 

 

Het dringt niet tot me door. “Wat?” “Je gaat naar huis”. Het bericht brengt niet alleen bij mij een geweldige beroering, maar ook bij de zaal. Op ’t zelfde ogenblik, terwijl ik opsta, word ik overstelpt door een aantal verzoeken. “Zeg, wil je een brief voor me meenemen?” “Zeg, wil je een boodschap voor me afgeven, thuis?” “Kun je mijn vrouw waarschuwen en zeggen dat ik het goed maak?” “Wil je een pakje voor me meenemen?”

 

Ik knik maar, neem van deze dit, van de ander dat in ontvangst. ‘k Zal later wel zien, waar het heen gebracht moet worden. En ondertussen zoek ik mijn bullen bij elkaar.

 

De bewaker staat er rustig bij. “Neem de tijd maar”, zegt hij. “Er zijn nog mannen die schrijven”.

Het is mij allemaal wel goed. Ik beleef dit alles als in een roes. Houd mezelf nog voor, dat dit niets anders is dan een mooie droom, die aanstonds weer is afgelopen. Ik druk handen hier en daar. Hoor klanken als: “Wel thuis” en “Tot ziens”.

 

Dan ga ik met mijn bewaker mee. Neem nog even het zo vertrouwde beeld van die ruimte binnenplaats met zijn ijzeren trappen en overlopen in me op.

 

“Je boft, kerel”, zegt mijn bewaker. Ik knik. Ga met hem door een deur. En dan zie ik ineens mijn verloofde staan. Dus toch…. Een geweldig gevoel van dankbaarheid doorstroomt me. We zeggen niet veel. Ik verhard me nog steeds. ’t Is alles te mooi om waar te zijn.

 

Er wordt om het zakje gezocht, waarin mijn andere spullen zijn opgeborgen. Het schijnt zoekgeraakt te zijn. Mijn verloofde spreekt af, dat we dat later wel zullen halen. Dan wordt het toch nog gevonden, maar de dekens zijn er nog niet bij. Later maar.

 

Ik krijg vertrouwde dingen, die ik weken geleden heb afgegeven, terug. Mijn portemonnee, een pakje shag, lucifers…. Dan gaan we nogmaals door een deur….

 

Net wordt een nieuwe lichting gevangenen binnengebracht. Een bekend gezicht…. Waarachtig, één van mijn allerbeste vrienden. Gerrit Wiersma. “Wat moet jij hier, ik ga er uit”. “Nou, zover is het met mij nog niet, ik moet erin”. Meer gelegenheid om te spreken hebben we niet. 

 

De hoofddeur gaat open en we staan in de buitenlucht. 

Samen. Onbewaakt en vrij.

“Kom, zegt mijn verloofde, “we gaan naar huis”.

 

Een half uur later, nadat ik eerst ook nog in het oude Weeshuis een “Ausweis” heb ontvangen, helpen vrienden ons aan een fiets.

En dan, na een nog vrij moeizame tocht omdat ik niets gewend ben, mag ik het vertrouwde ouderhuis, de vertrouwde gezichten van vader en moeder weer aanschouwen. 

 

Ik heb honger en kan toch niet eten.

Maar dat is nog niet zo erg, ik ben weer thuis!!!

 

Hein. Groeneveld

 

Bijlages