Dienstkleding 1954


Dienstkleding algemene aanwijzingen 1954

  1. U bent persoonlijk verantwoordelijk voor het in goede staat bewaren van dit boekje.
  2. Dit boekje dient door U te worden overgelegd bij kledinginspecties, bij nieuwe verstrekkingen of bij wijziging in de verstrekking. Voorts wanneer dit door Uw hoofd van Dienst of door de namens hem optredende ambtenaar wordt verlangd.
  3. Wijzigingen en bijschrijvingen mogen slechts worden aangebracht door of vanwege Uw hoofd van Dienst.
  4. Bij verlies van dit boekje moet U Uw onmiddellijke chef daarvan dadelijk in kennis stellen.
  5. In dit boekje zijn de voorschriften opgenomen, welke voor U het meest van belang zijn. U dient ze aandachtig te lezen, omdat het zich beroepen op het niet kennen van de voorschriften niet zal worden aanvaard.
  6. De verstrekking van dienstkleding steunt op de bepalingen van het Rijkskledingbesluit 1954 en het Rijkskledingreglement en op de op grond hiervan gegeven dienstvoorschriften. Voor kennisneming van het Besluit en het Reglement kunt U zich wenden tot de met de kledingvoorziening belaste functionaris bij Uw Dienst.

 

Dienstkleding 1

Dienstkleding bestaat uit: a. uniformkleding; b. werkkleding.

 

Dienstkleding 2 Verantwoordelijkheid voor 

U is verantwoordelijk voor de U verstrekte dienstkleding

 

Dragen in dienst 3 

a. Uniformkleding moet door hen aan wie zij is verstrekt in dienst worden gedragen;

b. werkkleding, zoals stofjassen, overalls, zuurpakken e.d., welke is verstrekt ter bescherming van de uniformkleding, moet worden gedragen bij het verrichten van de werkzaamheden waarvoor zij is verstrekt.

 

Dragen buiten 4

a. dienst a Buiten dienst mag dienstkleding worden gedragen, doch niet bij het verrichten van arbeid of bezigheden vreemd aan de Dienst, waardoor het aanzien van de Dienst kan worden geschaad of de kleding aan extra slijtage wordt blootgesteld;

b. behalve indien door de desbetreffende Minister daartoe vergunning is verleend, mag in uniform of werkkleding niet aan betogingen en optochten worden deelgenomen.

 

Wijzigingen aan 5

Aan dienstkleding mag geen enkele wijziging dienstkleding worden aangebracht.

 

Insignes 6 

Het is niet geoorloofd op dienstkleding andere enzovoort insignes, onderscheidingstekenen e.d. te dragen dan die, waarvan het dragen op dienstkleding door of vanwege de Regering is voorgeschreven of toegestaan.

Speldjes e.d., welke dienen als bewijs van een bijdrage in een van overheidswege toegestane collecte of inzameling, mogen slechts op de dag der inzameling of collecte worden gedragen.

 

Schoeisel 7 

Bij uniformkleding behoren in dienst of in het openbaar naar het oordeel van de Dienst zwarte of bruine schoenen te worden gedragen.

 

Uniformpet e.d. 8 

Bij het verrichten van buitendienst in uniformkleding moet de daarbij behorende pet of ander voorgeschreven hoofddeksel worden gedragen.

 

Combinatie van uniform- en andere kleding 9 

Het in uniform dragen van een ander dan het daarbij behorende overhemd en zelfbinder is niet toegestaan.

 

Dienst doen 10 

De zelfbinder dient altijd te worden gedragen in overhemd ook wanneer het hoofd van Dienst toestemming heeft verleend in overhemd dienst te doen; bretels mogen dan niet zichtbaar zijn.

 

Uitreiking van 11 

Bij de uitreiking van dienstkleding moet deze nieuwe kleding worden gepast.

 

Niet passende 12 

Niet passende kleding moet U niet aanvaarden.kleding Veranderingen aan eenmaal aanvaarde kleding komen voor Uw rekening, tenzij later optredende wijzigingen in de lichaamsafmetingen oorzaak zijn van het niet meer passen.

 

Bewijs van ontvangst en van het goed passen 13 

Wanneer een aan U verstrekt kledingstuk goed passend is bevonden, moet U daarvoor een bewijs van ontvangst en van het goed passen tekenen.

 

Merkteken 14 

De in de dienstkleding voorkomende merktekens mogen door U niet worden verwijderd. Wanneer in de dienstkleding aangebrachte merkknopen niet meer aanwezig zijn, dient U hiervan kennis te geven aan Uw hoofd van Dienst of aan de door hem met de kledingaangelegenheden belaste ambtenaar.

 

Inhouding 15

A. Voor de uniformkleding wordt op het loon of salaris een inhouding toegepast, welke geacht wordt gelijk te zijn aan het bedrag, dat door het dragen van uniformkleding op burgerkleding wordt bespaard. In verband hiermede zijn de uniformdragenden, naargelang de loongroepen of salarisschalen, ingedeeld in 5 categorieën;

B. voor werkkleding, verstrekt aan niet geuniformeerden, welke dus dient ter bescherming of vervanging van de eigen kleding, wordt eveneens een inhouding toegepast, welke zodanig is, dat minstens het voordeel van de centrale inkoop wordt genoten;

C. voor werkkleding, verstrekt aan geuniformeerden, vindt geen inhouding plaats, omdat deze kleding geen extra besparing op burgerkleding oplevert.

 

Staking van 16 

De inhouding wordt gestaakt, wanneer U inhouding rechtens langer dan 2 achtereenvolgende maanden geen dienstkleding hebt gedragen, omdat U ziek was buitengewoon verlof had of omdat er zich andere bijzondere omstandigheden voordeden. Voorts, wanneer voor de aan U verstrekte werkkleding de bedragen zijn betaald, welke daarvoor zijn vastgesteld. Wanneer de staking van de inhouding niet tijdig heeft plaats gevonden, wordt het bedrag dat teveel van U is ingehouden terugbetaald.

 

Onderhoud, kleine herstellingen en de benodigdheden hiervoor 17 

U is verantwoordelijk voor het uiterlijk aanzien van de aan U verstrekte uniformkleding. Daarom dient U zorg te dragen, dat:

A. deze kleding regelmatig wordt afgeborsteld en gelucht;

B de kragen worden gereinigd;

C. vetvlekken worden verwijderd met bijv. tetra (onbrandbaar) of benzine (zeer brandbaar);

D. kleding, welke niet regelmatig wordt gebruikt, van tijd tot tijd wordt gecontroleerd op mot;

E. kleding en hoofddeksel nimmer worden gedroogd bij of op een kachel, ook niet op een centrale verwarming;

F. kleine herstellingen tijdig en voor eigen rekening worden verricht;

G. katoenen kleding niet te vuil wordt gedragen en wordt gewassen volgens de voorschriften, die achter in dit boekje staan;

H. de ter bescherming van de uniformkleding verstrekte overall of stofjas e.d. wordt gedragen in alle daarvoor in aanmerking komende gevallen;

I. lederen kleding regelmatig wordt onderhouden met ledervet, dat door de Dienst wordt verstrekt;

J. kunstlederen kleding regelmatig met spons en zeem wordt gereinigd.

De voor de kleine herstellingen eventueel benodigde stof, uniformknopen, onderscheidingstekenen enzovoort kunnen op Uw verzoek door de Dienst kosteloos worden verstrekt.

 

Grote herstellingen en chemisch reinigen 18 

Voor grote herstellingen en in bepaalde gevallen chemisch reinigen van dienstkleding en waterdicht maken van regenkleding moet U zich wenden tot Uw hoofd van Dienst of tot de door deze daarvoor aangewezen ambtenaar.

 

Kledinginspectie en vernieuwing 19 

Op regelmatige tijden wordt door of vanwege het hoofd van Dienst een inspectie gehouden van alle dienstkledingstukken, welke in het Rijks kledingboekje nog niet zijn afgeschreven. Wanneer de minimum-draagtijd van een dienstkledingstuk nagenoeg is verstreken, vindt eveneens een inspectie plaats om na te gaan of het desbetreffende kledingstuk dient te worden vernieuwd dan wel of de draagtijd met minstens 3 maanden kan worden verlengd.

 

Voortijdige vernieuwing 20 

Verstrekking binnen de minimum-draagtijd is mogelijk. Indien U kunt aantonen, dat U de vervroegde vernieuwing niet heeft kunnen voorkomen, zullen U hiervoor geen kosten in rekening worden gebracht. In het tegenovergestelde geval kunt U voor de extra kosten aansprakelijk worden gesteld.

 

Eigendomsrecht van dienstkleding 21 

De aan U verstrekte dienstkleding is eigendom van de Dienst. In de hierna volgende punten 22 en 23 is aangegeven in welke gevallen de dienstkleding niet en in welke gevallen zij wel in eigendom van de drager kan overgaan.

 

Inlevering van kleding 22 

A. De dienstkleding, die, zonder dat daarvoor inhouding op Uw loon of salaris is toegepast, is beschikbaar gesteld (de reserve-uniform, de werkkleding verstrekt aan geuniformeerden en de als inventarisgoed verstrekte dienstkleding) blijft eigendom van de Dienst en moet worden ingeleverd wanneer zij:

  1. niet meer geschikt is voor dienstgebruik en daarvoor ook niet geschikt gemaakt kan worden;
  2. niet meer nodig is; Afstaan van kleding aan de dragers

B. bovendien moet dienstkleding worden ingeleverd: bij schorsing, oneervol ontslag of bij overlijden, tenzij de eigendom van deze kleding op grond van de hierna volgende punten 23 a,

• en c is verkregen;

• bij inlevering van dienstkleding behoort door de Dienst een ontvangstbewijs te worden uitgereikt.

 

Afstaan van kleding aan de dragers 23

A. De uniformkleding, waarvoor op Uw loon of salaris inhouding is toegepast, KAN, nadat de minimum-draagtijd is verstreken, aan U worden afgestaan, indien zij naar het oordeel van Uw hoofd van Dienst niet meer geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor dienstgebruik;

B. de aan niet-geuniformeerd personeel verstrekte werkkleding wordt zijn eigendom, zodra het in totaal verschuldigde kledinggeld is ingehouden;

C. wanneer U in verband met eervol ontslag, wijziging van functie of door verandering in de wijze van uitvoering van functie geen uniformkleding meer behoeft te dragen, kunt U deze, met toestemming van Uw hoofd van Dienst, onder bepaalde voorwaarden, overnemen voor een bedrag, hetwelk door de Dienst wordt bepaald.

 

Verwijderen van rang- en dienst onderscheidingstekenen 24

Van de uniformkledingstukken, die Uw eigendom zijn geworden, moeten de rang- en dienstonderscheidingstekenen (o.a. de uniformknopen) worden verwijderd en bij Uw Dienst worden ingeleverd.

 

Behandeling 25 

Wanneer U klachten heeft over de U ver van klachten verstrekte dienstkleding, dient U zich te wenden tot Uw hoofd van Dienst, of tot de door hem met de kledingaangelegenheden belaste ambtenaar.

Wanneer de klachten niet tot een bevredigende oplossing worden gebracht, kunt U deze, met medewerking van Uw Dienst of van Uw Vakorganisatie, aan de Rijkskledingcommissie voorleggen.

 

Wasvoorschriften 

Algemeen Verschillend gekleurde goederen mogen niet bij elkaar in hetzelfde water te weken worden gezet, noch tegelijk in hetzelfde sop worden gewassen evenmin als zeer vuile kledingstukken (bijv. met olie of andere vette stof verontreinigde overalls e.d.) met andere katoenen kleding. Bleekmiddelen (zoals bleekwater, chloor) mogen niet worden gebruikt. Het wasgoed moet niet te warm worden gewassen; koken daarvan moet in elk geval worden nagelaten.

 

Bijzonderheden 

Overhemden Zie algemeen. Bij overhemden met vaste boord dienen de boorden niet te worden gesteven. Gesteven boorden zijn namelijk zeer aan slijtage onderhevig.

 

Donkerkleurige 

De aandacht wordt er op gevestigd, dat de werkkleding betrekkelijk donkere kleur van de stof bij de eerste keer dragen de neiging heeft enigszins af te geven; na 1 of 2 maal wassen komt dat niet meer voor. In het bijzonder wanneer werkzaamheden van zeer vuile aard worden verricht moet de kleding niet te lang achtereen worden gedragen.