Gevangene 1113 onthult


Merkwaardige onthullingen van oud gevangene 1948 

Gevangene 1113 onthult
Boek gevangene 1113 onthult

In het Leeuwarder inferno verloopt een werkdag als volgt. Des morgens te half zeven luidt op de binnenplaats een bel: opstaan! Met meer of minder elan wordt aan dit commando gevolg gegeven, want het kwartiertje nasoezen is ook hier in trek. Om 7 uur worden de celdeuren in de cellenvleugel geopend. Eerst wordt de beruchte ton buiten gezet en dan kunnen de gevangenen hun stenen waterkruik bij de waterkraan op de gang vullen. In de cellen bevindt zich namelijk geen sanitaire installatie, men wast zich in een wasblik. Op de verblijfzalen staan gemeenschappelijke wasbakken met stromend water.')

Dan wordt de krib opgemaakt en opgeklapt, lakens en dekens worden volgens voorschrift gevouwen. Ondertussen deelt een bewaarder brood uit en komt de gangreiniger binnen om de blikken kroezen met „koffie" te vullen. De gevangene voltooit zijn toilet en hij ontbijt. Sommigen hebben nog de moed hun cel met stoffer en blik aan te vegen. Onderwijl wordt het eerste sigaretje gerookt.

 

Tijdens deze bedrijven is de cel weer gesloten. Te kwart voor 8 luidt de bel opnieuw: aanvang van de arbeid! Weer knarsen de sleutels en koutend en keuvelend begeeft elk zich naar zijn werkplaats, behalve de celwerkers. Op de binnenplaats is het dan een gewemel. Er worden groeten gewisseld en korte praatjes gemaakt. De arbeid duurt van 8 tot 12 uur, maar we kunnen beter zeggen dat er van 8 tot 12 gelegenheid tot werken bestaat. Want we zeiden het reeds eerder: het tempo is zéér traag en elk tracht zich te „drukken". Onder de arbeid wordt levendig geconverseerd.

 

Om twaalf uur loeit een sirene: schafttijd!

Uit alle hoeken en gaten van de door vele verbouwingen ietwat wanordelijk geworden steenklomp komen de werkers weer te voorschijn en elk haast zich naar verblijfzaal of cel, waar het middagmaal al staat te wachten.

Tijdens deze maaltijd en ook bij ontbijt en avondeten gaan de celdeuren op slot. De reden daarvan heb ik nimmer kunnen ontdekken, of het zou deze moeten zijn, dat de bewaarders hun meegebrachte boterham dan rustiger kunnen verorberen.

 

1) In onze illustere strafgestichten van Norg (het vroegere „Veenhuizen") is geen waterleiding. Men gebruikt daar water uit pompen en putten en kent er het oudtestamentische

ambt van „waterdrager".

 

Na het eten brengt de reiniger warm water voor de simpele afwas en om half 1 worden de cellen weer ontsloten. Tot half twee is er bewegingsvrijheid. Sommigen en dan vooral de ouderen knappen een uiltje. Reglementair mogen zij daarvoor niet op hun brits liggen, maar dit wordt oogluikend toegestaan.

 

De meesten echter begeven zich naar de binnenplaats om zich daar te vertreden of op zonnige dagen op een der in carré staande banken hun krantje te lezen. De wandelaars draaien op hun eentje of in paren of gedrieën in een grote cirkel rond. Het geroezemoes tussen de omringende hoge muren heeft een zeer bijzonder geluidseffect, een lotgenoot sprak van „de boulevard" en inderdaad meent men een branding te horen. Van half twee tot 6 uur wordt er weer gewerkt. Van 6 uur tot half zeven avondeten en daarna komt de vrije avond.

 

In de huizen van bewaring zitten ook anderen dan de preventief gedetineerden. Enkele cellen zijn gereserveerd voor de gegijzelden: zij die belastingschuld hebben en deze niet willen betalen en zij die hun alimentatieplichten niet nakomen. Dit komt zelden voor. Deze cellen zijn ruimer, hebben een houten vloer en normale ledikanten, geen matglas maar wel een ton en de gijzelaars mogen hun voedsel van buiten laten komen. Zulk een gijzeling mag niet langer dan een jaar duren, maar in de regel wordt reeds spoedig, om aan deze volgens gevangenismaatstaf nog vrij draaglijke toestand te ontkomen, een compromis met de schuldeisers gesloten.

 

Weer andere (tijdelijke) bewoners van de huizen van bewaring zijn- de „passanten", de doortrekkenden, zij die van het ene strafgesticht naar het andere overgeplaatst worden. Zulke overplaatsingen zijn aan de orde van de dag. Zijn er ontvluchtingen geweest of plannen ontdekt, dan worden de snoodaards overgeplaatst. Lastige en oproerige elementen onder de gevangenen verhuizen ook nogal eens. Vaak is geen enkele reden voor de overplaatsing te ontdekken en dan wordt gezegd dat de reden „pedagogisch" is.

 

Vroeger zaten de gestraften hun klusje uit in het strafgesticht van hun arrondissement, behalve zij die een straf van meer dan 5 jaar hadden, want dezen gingen allemaal naar „Leeuwarden". Men zat dus dicht bij huis. Dit is nu niet meer zo. Aan elk gesticht is thans een eigen stempel gegeven, naar wordt beweerd. Het is moeilijk enig systeem te ontdekken en de systemen wisselen ook steevast met elke nieuwe minister van justitie, maar toch heet het dat ons land meedoet aan de moderne „selectie" der gevangenen en aan de „differentiatie' der strafgestichten en dat wordt uitgezocht welk strafsysteem in welke gevangenis de beste baten zal opleveren voor de heropvoeding van elke individuele gevangene.

 

In de praktijk komt hiervan weinig terecht en gezien de veelvuldige overplaatsingen tast men blijkbaar vaak mis, maar deze selectie en differentiatie hebben wel dit onaangename gevolg dat de gestrafte ver van zijn familieleden wordt ondergebracht, waardoor de bezoeken duur en tijdrovend en dus schaarser worden.

 

Met de politieke gedetineerden is wel zeer dwaas omgesold. Er zijn er die na hun arrestatie in 1945 twintig tot dertig keer en soms nog vaker verhuisden! Na allerlei experimenten en zinloos heen en weer gesleep is de toestand thans uiteindelijk zo geworden dat de levenslange politieken (nu nog 50 man) op enkelen na die in Leeuwarden bleven, in de koepel van Breda zijn opgesloten en de tijdelijk gestraften (tot 20 jaar, hoger gaat een tijdelijke straf niet) in „De Krententuin" te Hoorn, welk strafgesticht na de kerstontsnapping van 7 gedetineerden uit Breda in 1952 door het hoofd van het gevangeniswezen het aanstaande „Alcatraz van Nederland" genoemd werd.

 

Zij hebben dus voorlopig hun pied à terre gevonden. Men zegt dat deze oplossing definitief is, maar dit geloof ik zo maar niet, want daarvoor wisselen de „bazen" te vaak en daarmee de strafmethoden. Er heerst geen continuïteit. Bij elke nieuwe kabinetsvorming en ook bij elke wisseling in de directie der strafgestichten wordt ook onder de gevangenen druk gesproken over en gegist naar de zéker op handen zijnde veranderingen, die in de regel geen verbeteringen zijn.

 

Dan is er nog een groep, die in het huis van bewaring zit, maar niet meer in voorarrest. Deze groep „zit reeds in zijn straf'. Dit zijn de hechtenisklanten die een kort strafje hebben en zij die een gevangenisstraf van minder dan drie maanden hebben. Zij zitten als regel niet cellulair, maar worden met zo'n 8 man in een „zaal' gestopt. Een weidse naam, dat „zaal". Maar desolater woonoord is niet denkbaar. Er zijn een woon- en een slaapzaal naast elkaar, met daartussen een ijzeren hek.

 

De woonzaal heeft een ruwe betonnen vloer, bakstenen muren (die misschien nu wat geverfd of gewit zullen zijn, want er is een evolutie gaande), kleine raampjes met matglas en tralies en middenin de zaal staat een langwerpige, smalle houten tafel op schragen. Aan de tafel zitten de logeergasten op lange banken zonder leuning. De tafel is vet en vies, want bij de maaltijden worden geen tafellakens gebruikt. In een hoek staat een massale ton, die door elk in het bijzijn van de anderen gebruikt moet worden.

 

Stromend water is niet aanwezig, elk heeft z'n wasblikje en z'n gore handdoek. De ventilatie is nauwelijks toereikend, het stinkt er permanent. De lucht is bedorven, maar ook de geestelijke atmosfeer. Op deze „zalen" wordt alles door elkaar gestopt en onder deze hechtenisklanten zitten zeer rotte elementen. Des nachts verhuist elk naar de slaapzaal ernaast, de ton wordt meegesleept en het hek wordt achter hen gesloten. In dit slaaphol staan 8 ijzeren kooien met kribben, elk gaat nog eens achter de tralies en die kooien worden soms wel gesloten, maar soms ook niet, zodat de logés bij elkaar op bezoek kunnen gaan.

 

De meeste overplaatsingen geschieden per autobus. Justitie heeft zelf een autotransportdienst; het zijn donkerblauwe bussen met geblindeerde en getraliede ramen. De ingang is achter en de deur wordt van buiten met een sleutel gesloten. Het rijden in zo'n bus is wat angstig, want mocht er eentje in het water rijden, dan verdrinken de inzittenden, omdat zij er niet uit kunnen komen.

 

Twee maal per week vertrekken uit Den Haag twee zulke bussen, een naar het noorden en een naar het zuiden en beide rijden het hele land door. Daarbij worden de verschillende strafgestichten bezocht en wordt er uiten ingeladen alsof het vee-auto's zijn. Het is steeds een zielig gezicht, deze ontheemden met hun schamele eigendommen in kartonnen dozen of in pakpapier, sommigen in burger, anderen in het bajespakje.

 

De auto naar het noorden rijdt over Haarlem, Amsterdam, Alkmaar, Hoorn, Groningen en Leeuwarden naar Veenhuizen. Hier wordt overnacht. De volgende dag rijdt de gedetineerde over Assen, Zwolle, Avereest, Almelo, Arnhem, Utrecht en Den Bosch naar Vught. Hij is dan „passant".

 

In dit inferno (Huis van Bewaring)komt de preventief gehechte dus na de 4 dagen cel op het politiebureau terecht. Het transport erheen heeft plaats per boevenauto, de begeleidende parketwachter belt aan, achter een luikje in de voordeur verschijnt het hoofd van de portier, die zich van de identiteit van de aanbeller vergewist, dan gaat de voordeur open en de verdachte wordt binnengebracht. Zijn eerste gang is naar de magazijnmeester, die in zijn kielzog steeds een gevangene meevoert, de „knecht van de magazijnmeester".

 

Dit door de gedetineerden zeer begeerde baantje is overbodig, want de magazijnmeester kan het best alleen af. Voorschrift is echter dat een bewaarder zelf niets mag dragen, dat wil zeggen wel paperassen of zo, maar geen dekens, etensgamellen, stoelen en dergelijke. Dat stáát namelijk niet, dit is beneden de standing van het personeel en er moet nu eenmaal op alle terreinen een distantie zijn tussen de gehechte en zijn superieuren.

 

De nieuwkomer wordt dus opgewacht door de magazijnmeester met gevolg en naar het fouilleervertrek gebracht. Hier moet hij zich in het bijzijn van de magazijnmeester geheel ontkleden en dan gaat hij naar het waslokaal om een verplichte douche te nemen. In die tijd doorsnuffelt de bewaarder zijn kleren. Alle voorwerpen worden eruit gehaald en in een register genoteerd, alle kostbaarheden (portemonnaie, portefeuille, horloge, ringen, vulpen en sleutels) worden in een zakje geborgen. Het geld wordt geteld, maar niet in het bijzijn van de gedetineerde. Straks bij zijn ontslag moet hij een bewijsje tekenen dat hij alle ingenomen voorwerpen en ook al het geld terugkreeg, maar wie weet na maanden of jaren nog welk geldbedrag er toen aanwezig was?

 

De fouillering geschiedt grondig. Alle zomen worden goed afgetast en vooral wordt ferm gevoeld naar de schouderstukken van het colbertjasje, omdat oude rotten daar vaak tabak verstoppen en op het naar binnen smokkelen van rookwaren wordt zeer sterk gelet, daarop is de fouillant afgericht.Nu mag de arrestant zich weer aankleden.

 

Tijdens het voorarrest mogen eigen kleren gedragen worden. Ook eigen onderkleding. Hierop leg ik de nadruk, want als regel wordt juist gezegd dat dit niét mag en elk die niet eerder met een huis van bewaring kennis maakte, accepteert het, al zal hij misschien nog even protesteren.

 

Er kan slechts één reden bestaan, waarom aan de pas binnenkomende bij voorkeur de uniforme bajeskleding wordt opgedrongen en deze reden ligt in de gemakzucht van het personeel. Het wassen van het eigen ondergoed moet namelijk buiten het gesticht gebeuren, familieleden moeten het vuile wasgoed ophalen en het omruilen voor een schoon stel.

 

Deze handelingen brengen extrawerk mee voor de portier, die dan vaker naar de voordeur moet sloffen en ook voor de magazijnmeester, die elk uitgaand en binnenkomend bundeltje in een register moet noteren en nakijken op contrabande. Beiden hebben er dus belang bij dat het bajesondergoed gedragen wordt. Dit bestaat uit een katoenen hemd, een katoenen onderbroek (lang of kort naar keuze), een borstrok en een paar grofwollen sokken. In de huizen van bewaring worden meestal de afleggertjes van de gevangenissen gedragen, daarom is de kwaliteit in de regel niet zo prima.

 

Voor hen die gewend zijn wollen onderkleding te dragen, is de overgang naar het katoenen spul allesbehalve prettig en allerminst bevorderlijk voor hun lichamelijk welzijn, te meer omdat de stenen cellen kil zijn en de opgeslotene weinig lichaamsbeweging heeft. Vele celbewoners krijgen dan ook reumatische klachten. Blijf daarom hardnekkig volhouden, dat u eigen onderkleding wilt dragen.

 

Men zal tegensputteren, maar moet toegeven. Pyjama's behoren niet tot de uitrusting in de strafgestichten. De gevangenen moeten geheel ontkleed naar bed gaan of moeten hun hemd aanhouden. Ook dit is een onderdeel van de niveaudaling. Het duurt lang voor men hieraan gewend is, eigenlijk went het nooit. De bewoners van de huizen van bewaring echter, die nog niet veroordeeld zijn, mogen een eigen pyjama dragen. Dit wordt door het personeel ook niet gezegd, want ook deze nachtkleding moet buiten gewassen en dus ook omgeruild worden en dit geeft ook maar weer extrawerk voor het personeel.

 

We gaan nu terug naar de ceremoniën die elke nieuw binnenkomende arrestant in het huis van bewaring moet ondergaan. Hij heeft zijn douche gehad en mag zich weer aankleden. Alle zakken zijn intussen geledigd, hij mag geen enkel voorwerp bij zich houden. Nu brengt men hem naar „de administratie", waar de onderdirecteur en een paar klerken resideren. Een hunner noteert in een wanstaltig groot boek de personalia en het signalement.

 

Men vraagt ook naar de „godsdienst" en hierop kan het best met „geen" geantwoord worden. In de huizen van bewaring is het kerkgaan vrij, maar als men straks na de ver-oordeling naar een gevangenis verhuist en in de vergezellende papieren staat niet „G.G." (geen godsdienst), dan móét de gedetineerde in de eerste maanden elke zondag naar de kerk. Een weigering wordt gestraft. De G.G.'s mógen ook naar de kerk, maar zij zijn daartoe niet verplicht. Er worden ook vingerafdrukken genomen. Misschien heeft de recherche dit ook reeds gedaan, maar het gebeurt nu weer.

 

Men schijnt trouwens langs en door elkaar heen te werken, want bij elke overplaatsing naar een ander strafgesticht herhaalt zich deze plechtigheid. Zelfs wanneer de overplaatsing tijdelijk was en de gevangene dus straks terugkeert naar zijn vorige gesticht, moeten zijn vingertoppen er weer aan geloven.

 

Nu wordt de nieuweling „ingedeeld". Aan een wand van het administratievertrek hangt een bord met een plattegrond van het huis en in elk celvakje zijn kaartjes geschoven met de naam van de bewoner. De leegstaande cellen vallen dus direct op en dan is het huisvestingsprobleem spoedig opgelost. Maar omdat onze huizen van bewaring in de regel overvol zijn (al luwt de naoorlogse misdaadgolf wel wat) moet de cel vaak door twee en soms meer mannen gedeeld worden.

 

Soms worden twee kribben boven elkaar gezet, maar nog vaker moet een der ingeslotenen op een strozak op de betonnen vloer slapen. Toch wordt tegen zulk een samenwonen niet vaak geprotesteerd. Slechts weinigen kunnen de eenzaamheid verdragen en daarom zijn vele gedetineerden maar wát blij dat zij aanspraak hebben, want voor iemand die plotseling alleen in een cel opgesloten zit, kunnen de dagen zéér lang duren.

 

Die dag begint om 7 uur. Een bel luidt en iedereen moet opstaan. De eerste bezigheid is het opmaken van de krib. De lakens en dekens moeten volgens model (een bewaarder geeft les in deze materie) opgevouwen en opgeborgen worden en de krib mag niet blijven staan, maar moet opgeklapt worden. Overdag mag de ingeslotene namelijk niet op zijn strozak liggen op straffe van een bonnetje. Nu wordt met dit voorschrift wel de hand gelicht. Vooral als de gedetineerde wat ouder is, staat men oogluikend toe dat hij na de maaltijd een uiltje knapt. Dit hangt ook af van de mentaliteit en de dienstijver van de bewaarder.

Na het opmaken van de krib wordt toilet gemaakt.

 

Het ovale wasblik wordt gevuld met water uit de stenen kruik en de gevangene kan zich wassen met het verstrekte stukje namaak-sunlightzeep en met de ene handdoek, waarvan een punt voor het wassen gebruikt moet worden en de rest voor het drogen. Deze verdeling van de handdoek over twee doeleinden vraagt enige handigheid, die echter spoedig wordt aangeleerd. Het is een van de stappen op de weg naar de primitiviteit.

 

Dan het scheren. Elektrisch scheren mag niet (waarom eigenlijk niet?),men moet een veiligheidsscheermes gebruiken en de mesjes daarvoor moet men zelf bij de kantine kopen, wat feitelijk onbehoorlijk is, want ook daarvoor zou „de zaak" moeten zorgen, te meer omdat baard en snor alleen mogen blijven staan als de directeur daarvoor permissie geeft!

 

Ook moet de gedetineerde zelf voor scheerzeep en kwast zorgen. Hetzelfde geldt voor tandenborstel en tandpasta. De gedetineerde moet dus over enig geld beschikken, zolang hij nog niets verdient met de gestichtsarbeid. Eerst dient hiervoor het bij de arrestatie in beslag genomen geld en zolang onze man in voorarrest zit, mag hij geld van buiten ontvangen, dat op de giro van het huis van bewaring gestort moet worden. Het is niet overbodig dat even op zulke ogenschijnlijke kleinigheden gewezen wordt, want voor dit geld mogen ook kantinewaren worden aangeschaft.

 

Nu volgt het ontbijt. Het voederklepje in de celdeur valt omlaag en door die klep schuift een bewaarder een bruin broodje en wordt de tinnen beker volgeschonken met zo iets als koffie. Van „de zaak" krijgt de gevangene per week een half pond margarine, een ons kaas, een bokking of een haring en een paar plakken bloedworst. Een tafellaken is niet aanwezig, de ruwhouten opklaptafel met vele ingekerfde namen en hiëroglyfen blijft ongedekt. Sommigen bemachtigen een stuk pakpapier en gebruiken dit als tafellaken.

 

Er is alleen een diep etensbord aanwezig en het eist enige oefening op zo'n diep bord de boterhammen te snijden. In de cel zijn mes, vork en lepel aanwezig, maar 's avonds voor het naar bed gaan moeten deze in een rekje buiten de cel gehangen worden, want de gevangene zou in de nacht eens een uitbreekpoging kunnen ondernemen door met vork of mes kalk tussen de stenen los te peuteren. De andere ook genoemde reden, de vrees voor zelfmoord, klopt niet, want de scheermesjes mogen wel in de cel blijven en zelfmoord lukt altijd nog gemakkelijker met een scheermesje dan met een stomp broodmes!

Na het ontbijt moet de cel gedweild worden, waarvoor een emmer water en een vieze, vodderige dweil dienen.

 

En dan begint de dag, de lange eentonige dag.

In het voorarrest kan geen gedetineerde tot werken gedwongen worden, in tegenstelling met de strafgestichten, waar - en dat is maar goed ook de arbeid verplicht is. Toch zijn er slechts weinigen die het werk weigeren, niet omdat zij zo werklustig zijn, maar omdat de verveling dan nog groter zou worden. Want heeft de ingeslotene geen werk, dan rest hem niets anders dan lezen in de hier wel aanwezige bijbel en het lezen van de eens per week door de gestichtsonderwijzer rondgedeelde en grotendeels wat antieke boeken van het Fannie Eden-type.

 

Ik heb er heel wat afdankertjes van de openbare leeszaal tussen gevonden. Overigens kan de ingeslotenein gepeins aan het tafeltje blijven zitten of hij gaat „tuchten", heen en weer lopen in de cel, 7 passen heen en 7 passen terug langs de uitholling in de betonnen vloer. „Uitzicht" heeft hij niet, want het matglazen raam laat slechts een smal reepje hemel open. Kranten mogen in de eerste tijd niet gelezen worden, dit mag eerst later, maar dan moet hij zich op een krant abonneren, zodat het blad hem zonder tussenpersonen wordt toegezonden. Hij mag dus geen kranten van thuis ontvangen, want er zou eens geheimschrift in afgesproken codevorm in kunnen staan! Studieboeken mogen vooreerst ook niet toegezonden worden.

 

Deze maatregelen beogen een geestelijke isolering van de verdachte. Zijn psychische energie mag niet aan andere dingen besteed worden dan aan zijn strafzaak. Het zal wel de bedoeling zijn dat hij hierdoor tot inkeer en berouw gebracht wordt en dan nog het liefst tot een bekentenis, indien deze nog niet afgelegd werd. Dit blijkt hieruit dat na het rond-zijn van de zaak, na het afgesloten zijn van het onderzoek, het geestelijke voedsel wel wordt toegelaten. Althans wanneer dat onderzoek als sluitstuk een bekententis heeft, want de hardnekkigen blijven geestelijk geïsoleerd. Zulk een toegebrachte geestelijke kwelling is een third degree.

 

De verveling leidt ertoe dat de ingeslotene alras zwicht voor de aandrang van de werkmeester, die hem spoedig na binnenkomst opzoekt en hem als nieuwe werkkracht tracht te ronselen. Een tweede prikkel om toch maar werk te accepteren ligt in het ontvangen van loon voor de arbeid, al is dit nog zo schamel. De preventief gedetineerde mag zich wel geld laten toesturen, maar velen hebben van buiten niets te verwachten en om bij de kantine rook- of etenswaren te kunnen kopen, moet wat verdiend worden. In de loop van de morgen en van de middag mag de gedetineerde een half uur luchten.

 

De luchtkooi heeft de vorm van een halve cirkel, die verdeeld is in smal beginnende en breed uitlopende sectoren, waartussen hoge muren. Aan de voorzijde van de luchtkooi bevinden zich tralies en bovenop zit kippegaas. In elk van deze sectoren worden de bewoner of de bewoners van een cel gestopt en de deur achter hen gaat op slot. In deze luchtcellen moet gelopen worden, zitten of stilstaan wordt gestraft!

 

Zeker, ook de preventief gedetineerde (wiens schuld nog niet vaststaat) moet zich aan de regels van het huis houden, anders zou het een janboel worden, maar de persoonlijke vrijheid van handelen wordt in dit strafstadium wel wat te erg beknot. In zulk getiranniseer zit iets onredelijks. De gevangene moet dus heen en weer lopen langs de muren en tralies. Het kantoorpersoneel in een der gebouwen aan de Keizersgracht naast de Leeuwarder gevangenis heeft het uitzicht op deze luchtkooi en vaak zag ik hen staan kijken. Het moet dan ook wel een vreemd schouwspel zijn, die mannen in een leeuwekooi.

 

Het is twaalf uur geworden, het einde van de morgenwerktijd. En tijd voor het diner. De etensblikken worden op de gang voor de celdeur gezet, zij worden door de bewaarders en de gangreinigers gevuld en daarna rondgebracht naar de cellen. Is 'er geen erwtensoep of stamppot, dan wordt de groente apart in een blikken schaaltje gedaan, de jus in een aardewerken potje en de aardappelen in het eigenlijke etensblik. Nu valt de gevangene aan. Er is een diep bord met een vork en een mes, maar het bord wordt lang niet altijd gebruikt.

 

Dikwijls worden de aardappelen, de groente en de jus in het schaffie dooreen gemengd en van daaruit gegeten. Het is een hele toer de eetgewoonten van vroeger aan te houden, nu de cultuurremmen zijn weggevallen. Door het gedrag aan tafel wordt nu immers niemand meer geërgerd.

In gevangenissen wordt goed gegeten, zelfs al zit de gedetineerde dag aan dag in een cel opgesloten, zodat hij behalve het uur luchten per dag weinig lichaamsbeweging heeft en weinig in de buitenlucht is. Men zou dit kunnen verklaren door het feit dat de maaltijden de haast enige afleiding zijn in het eentonige bestaan en ook door de gebrekkige „degelijkheid" van het voedsel, waardoor de honger niet lang gestild blijft en grotere hoeveelheden gegeten worden.

 

Er is echter nog een omstandigheid waaraan betekenis gehecht mag worden. De ton in de hoek penetreert de cel met zijn inhoud met een constante creosootlucht en het is vanouds bekend dat teerprodukten de eetlust aanwakkeren. Na een tijdelijk verblijf in Utrecht, waar de w.c.'s buiten de cellen staan, ontdekte ik na terugkomst in Leeuwarden weer een sterkere honger.

Verhalen over het toedienen van kamfer aan het voedsel om de geslachtelijke prikkelbaarheid der tot het celibaat gedwongen gedetineerden te onderdrukken, zijn onwaar. Dit zou niets helpen en de kamfersmaak zou het voedsel ongenietbaar maken. Na het eten komt de afvalemmer de cellen langs en dan wordt ook heet water rondgedeeld voor de afwas.

 

Per man een half etensblik vol water, dat vaker lauw is dan heet, en op een zeer onbeholpen en primitieve wijze wordt daarin de afwas gedaan. Het ene vaatdoekje in de week is na 2 dagen reeds zo vuil en vet dat het haast onbruikbaar is. Uit een gevangenis moet elke luxe geweerd worden, zo luidt het axioma en daar kunnen we het helemaal mee eens zijn, maar zulk vies, vuil, smoezelig gedoe kan erg gaan hinderen. Het levenspeil wordt in de detentie steeds omlaag gedrukt en dit moet ook, anders zou men niet kunnen blijven leven; maar het landlopersniveau waarop de gevangene ten slotte belandt, blijft drukken.

De middagmaaltijd plus afwas heeft zo ongeveer een half uur geduurd, dan is het half een en blijft er nog een uurtje over voor de werkmiddag begint. Ofschoon de voorschriften, waaraan echter zelden de hand wordt gehouden, het verbieden, halen velen hun krib omlaag voor een kleine siësta.

 

Om half twee komen de enveloppes, de theezakjes, de wasknijpertjes en de schakelaars weer aan bod tot 6 uur. Ook in de strafgestichten geldt de 48-urige werkweek, al is in de huizen van bewaring het overwerken niet verboden. Velen zetten in de avonduren de arbeid nog even voort, omdat zij toch niets anders te doen hebben, maar overwerk wordt hier natuurlijk niet betaald. Al is de produktie nog zo groot, er mag niet meer dan 60 cent per dag verdiend worden, behalve wanneer voor de snoepfabrikanten wordt gewerkt: dan kan het loon stijgen tot een gulden per dag. De snoep verwerkende gedetineerden zijn dan ook de richards.

 

Na de boterham om half zeven (kuch met een plakje kaas of een plakje bloedworst) komt de avond. Tuchten, lezen of doorwerken. En zo langzamerhand komt in alle cellen van de huizen van bewaring en ook in die van de strafgestichten een luidsprekertje te hangen (vroeger hingen hier en daar luidsprekers op de gangen). De keuze van het programma en ook van de soms gedraaide grammofoonplaten wordt bepaald door de politieke, culturele en kerkelijke instelling van de gestichtsleiding. Naar muziek kan dus ook geluisterd worden. Het „geestelijk isolement", waarvan eerder sprake was, is hierdoor niet zo volkomen als het openbaar ministerie wel zou willen! Dit vindt deze facet van de modernisering van het strafwezen dan ook maar zozo.

 

Om half tien luidt de bel als waarschuwing dat men zich voor de nacht moet klaarmaken en om 10 uur worden de lichten gedoofd. De nacht duurt dus 8 uur en dit is lang. Afgezien van de eerste tijd na de arrestatie met zijn totale desintegratie wordt in de strafgestichten uitstekend geslapen. De straftijd wordt voor een derde deel in vergetelheid doorgebracht.

 

Dit is misschien een moeilijk te verdragen gedachte voor hen die het oog-om-oog en het tand-om-tand principe nog aanhangen en die misschien wel zouden willen dat elke straftijd om deze reden met een derde verlengd werd. De strozak en de iets te smalle en iets te korte krib moeten eerst wel even wennen, maar daarna gaat het zeer goed zelfs. De minister overwoog in 1957 de strozakken te vervangen door schuimrubbermatrassen. Onzin! Leg in de cel liever een houten vloer met een stukje zeil. Het zal ongetwijfeld veel beter zijn meer sociale ambtenaren en meer onderwijzers aan te schaffen.

 

De zondag is voor de meeste gevangenen één taaie verveling. Op deze dagen wordt slechts één maal een half uur gelucht vanwege de zondagsdienst van de bewaarders. Zo heet het tenminste, al heb ik de deugdelijkheid van dit argument niet kunnen ontdekken, want op de zondag heeft de bewaarder nog minder te doen dan in de week. Het aantal dienstdoende cipiers is ook gelijk aan dat op de werkdagen; achter een personeelskrapte kan men zich derhalve ook niet verschuilen.

 

Enfin, om welke duistere reden dan ook, het zitten in de cel van 's morgens 7 tot 's avonds half tien wordt slechts onderbroken door de maaltijden ('s middags een bal gehakt en soms broodpap toe) en door een half uur luchten in de luchtkooi. Nu eist de billijkheid dat ik wel even rapporteer, dat in sommige huizen van bewaring, die zich hiervoor door hun bouw lenen, op zondagen op een binnenplaats gelucht wordt door de gedetineerden in groepen. En dan soms een uur lang.

 

Een of twee bewaarders zien toe dat geen ontsnappingspoging gedaan wordt over de hoge muren. Dit is een grote verbetering. Des morgens kan hij die wil ter kerke gaan. De kerkgang is voor de bewoners van een huis van bewaring niet verplicht en toch wordt door hen trouw gekerkt. Het spijt me te moeten zeggen dat dit niet zozeer uit een begeerte des harten gebeurt, maar voornamelijk om even uit de cel te zijn, want de kerkgang is ook een welkome onderbreking van de eentonige zondag.

 

Een andere bezigheid op de zondag is het schrijven van de wekelijkse brief. Nu zijn er veel gedetineerden die moeite hebben met het volpennen van het vodje. Er zijn zelfs die „niet weten wat ze schrijven moeten" en die daarom hun brief wel eens overslaan. Maar er zijn ook gevangenen, voor wie dit kattebelletje en dit rantsoen veel te klein zijn. Bedenkt u eens: één brief per week, die in de eerste plaats naar „huis" gaat; maar om de contacten met vroeger (de toekomst!) zo goed mogelijk aan te houden, moet ook eens aan vrienden en zakenrelaties geschreven worden. Nu wordt voor dat laatste geval wel eens op aanvraag een zogenaamde „zakenbrief" gegeven boven het rantsoen.

 

1) Wat niemand weet en wat ook niet gezegd wordt is dit, dat de eerste brief direct na binnenkomst in het huis van bewaring geschreven mag worden. Deze „inkomstbrief' moet men aanvragen en deze moet dan ook worden gegeven sommige strafgestichten ook vrij scheutig is met het verstrekken van extra brieven.

 

De plotselinge overgang naar zulk een middeleeuwse omgeving valt menigeen moeilijk.

Een voorwaarde voor de aanpassing aan zulk een degradatie is, volgens Cohen in zijn proefschrift over het concentratiekamp, het verlagen van de eigen geestelijke standing. De gevangene moet zich aanpassen aan een leven aan de uiterste grens van het bestaan. De detentie maakt hem tot een wezen van lagere orde en het stempel van deze gedwongen niveaudaling blijft ook na zijn ontslag op de eens gestrafte drukken, omdat de lichamelijke en geestelijke verwording té lang inwerkten.

 

In de gestichten zanikt men steeds om werk. Zo nu en dan zijn er zéér slappe periodes.

Op de kleermakerij te Leeuwarden worden dan de spoelen van de naaimachines gehaald, zodat de kleermakers met de hand moeten naaien, en op de drukkerij worden dan onzinnige en geheel overbodige drukwerken gewrocht, zoals die van de voogdijraden, waarvan ik in het vierde hoofdstuk vertelde.

Maar soms was er niéts te doen en dan dook elke letterzetter tot ontstichting en onrust van de werkmeester achter z'n bok en behartig^ de zijn eigen zaken.

 

De een ordende zijn postzegelverzameling (mocht in mijn tijd, nu niet meer), een ander leerde Russische woordjes, nummer drie Spaanse, een vierde knutselde, een vijfde ergerde z'n buurman of vocht een robbertje, een zesde wuifde naar de zusters in het ziekenhuis ernaast (wat trouwens geregeld gebeurde), de zevende maakte z'n taalles voor de middenstandscursus, acht en negen lazen hun romannetje en de rest zat te kruisjassen. En allen rookten. En dat onder werktijd, een der zwaarste bajeszonden. Deze vrijbuiterij knaagde hevig aan de zenuwen van de werkmeester, want: de directeur of de huismeester kon zó binnenkomen en dan zó'n janboel!

 

Toen eens een „hoge" (het kan heel goed een minister geweest zijn, want elke nieuwe minister van justitie rent, nog voor hij zijn eerste maandsalaris gebeurd heeft, door de strafgestichten) in het gesticht vertoefde, de gebruikelijke rondgang deed en dus ook de zetterij zou bezoeken, vroeg de werkmeester me, hij smeekte bijna, of ik proberen wilde tegen de tijd dat het hoge bezoek verwacht kon worden,  alle zetters achter hun zetbok te krijgen om quasi bezig te zijn.

 

Enfin, die werkmeester was lang de beroerdste niet, dus we stónden achter de zetbok toen de hoge met z'n gevolg binnenschreed, en we maakten met z'n allen een vlijtige indruk. De schijnmanoeuvre slaagde, alleen de huismeester vertrouwde het zaakje niet; achterdochtig snoof hij de zetterijlucht op en taxeerde deze op het gehalte aan tabaksrook. Al is de doorsnee-gevangene zeer op z'n gemakje gesteld en doet hij daarom bij voorkeur langzaam aan.

 

In het Leeuwarder inferno verloopt een werkdag als volgt.

Des morgens te half zeven luidt op de binnenplaats een bel: opstaan! Met meer of minder elan wordt aan dit commando gevolg gegeven, want het kwartiertje nasoezen is ook hier in trek. Om 7 uur worden de celdeuren in de cellenvleugel geopend. Eerst wordt de beruchte ton buiten gezet en dan kunnen de gevangenen hun stenen waterkruik bij de waterkraan op de gang vullen. In de cellen bevindt zich namelijk geen sanitaire installatie, men wast zich in een wasblik. Op de verblijfzalen staan gemeenschappelijke wasbakken met stromend water.')

 

Dan wordt de krib opgemaakt en opgeklapt, lakens en dekens worden volgens voorschrift gevouwen. Ondertussen deelt een bewaarder brood uit en komt de gangreiniger binnen om de blikken kroezen met „koffie" te vullen. De gevangene voltooit zijn toilet en hij ontbijt. Sommigen hebben nog de moed hun cel met stoffer en blik aan te vegen. Onderwijl wordt het eerste sigaretje gerookt.

 

Tijdens deze bedrijven is de cel weer gesloten. Te kwart voor 8 luidt de bel opnieuw: aanvang van de arbeid! Weer knarsen de sleutels en koutend en keuvelend begeeft elk zich naar zijn werkplaats, behalve de celwerkers.

 

Op de binnenplaats is het dan een gewemel. Er worden groeten gewisseld en korte praatjes gemaakt. De arbeid duurt van 8 tot 12 uur, maar we kunnen beter zeggen dat er van 8 tot 12 gelegenheid tot werken bestaat. Want we zeiden het reeds eerder: het tempo is zéér traag en elk tracht zich te „drukken". Onder de arbeid wordt levendig geconverseerd.

 

Om twaalf uur loeit een sirene: schafttijd!

Uit alle hoeken en gaten van de door vele verbouwingen ietwat wanordelijk geworden steenklomp komen de werkers weer te voorschijn en elk haast zich naar verblijfzaal of cel, waar het middagmaal al staat te wachten.

 

Tijdens deze maaltijd en ook bij ontbijt en avondeten gaan de celdeuren op slot. De reden daarvan heb ik nimmer kunnen ontdekken, of het zou deze moeten zijn, dat de bewaarders hun meegebrachte boterham dan rustiger kunnen verorberen.

 

1) In onze illustere strafgestichten van Norg (het vroegere „Veenhuizen") is geen waterleiding. Men gebruikt daar water uit pompen en putten en kent er het oudtestamentische

ambt van „waterdrager".

 

Na het eten brengt de reiniger warm water voor de simpele afwas en om half 1 worden de cellen weer ontsloten. Tot half twee is er bewegingsvrijheid. Sommigen en dan vooral de ouderen knappen een uiltje. Reglementair mogen zij daarvoor niet op hun brits liggen, maar dit wordt oogluikend toegestaan.

 

De meesten echter begeven zich naar de binnenplaats om zich daar te vertreden of op zonnige dagen op een der in carré staande banken hun krantje te lezen. De wandelaars draaien op hun eentje of in paren of gedrieën in een grote cirkel rond. Het geroezemoes tussen de omringende hoge muren heeft een zeer bijzonder geluidseffect, een lotgenoot sprak van „de boulevard" en inderdaad meent men een branding te horen. Van half twee tot 6 uur wordt er weer gewerkt.

 

Van 6 uur tot half zeven avondeten en daarna komt de vrije avond.

 

Arbeid inkomsten van gedetineerde X

Datum Verrichte arbeid Dagloon Commentaar (1113)

  • juli 1948 11 dagen smederij Werkt voldoende
  • 0,08 Mr X heeft een levenslange straf, verdient daarom de helft minder dan een tijdelijk gestrafte, omdat voor hem (toen nog) geen uitgaanskas wordt gefokt.
  • Aug. 1948 26 dagen smederij Werkt voldoende 0,10 Ziet u de loonsverhoging van 2 cent per dag?
  • Sept. 1948 26 dagen smederij Werkt voldoende 0,13 3 cent per dag meer!
  • Okt. 1948 20 dagen smederij Werkt voldoende 0,15 6 dagen typografiezetter Voldoende 0,15 Overgang naar de zetterij. In elk geval een meer „intellectueel" ambacht dan het smeden.
  • Nov. 1948 26 dagen typografiezetter Voldoende 0,15
  • Dec. 1948 26 dagen typografiezetter Voldoende 0,18
  • Jan. 1949 25 dagen typografiezètter Voldoende 0,18
  • Febr. 1949 24 dagen typografiezetter Voldoende 0,20
  • Maart 1949 27 dagen administratie van de statistiek 1) 0,23
  • April 1949 24 dagen administratie van de statistiek 0,23 Vermoedelijk in deze maand 1 of 2 dagen ziek geweest. Geen werk - geen loon.2)
  • Mei 1949 25 dagen administratie sociale dienst 
  • 4 Zondagen idem 0,23 Betekent: redactielid van het gestichtsblad „De Schijnwerper". Continubedrijf! 
  • 25 dagen toeslag art. 14 0,05 De toeslag! Hersenwerk moet betaald worden.
  • Juni 1949 25 dagen idem 25 dagen toeslag 4 Zondagen idem 0,25 0,05
  • Juli 1949 26 dagen idem 26 dagen toeslag 4 Zondagen idem 0,25 De periodieke verhoging stopt. Voor een levenslange is nu het plafond bereikt.

 

1) Deze afdeling van de werkverschaffing in de Leeuwarder lik, de statistiek, zat, 6 man .sterk, in een apart zaaltje. Uit Den Haag gezonden kaarten werden door deze gedetineerden op diverse plaatsen en in onderscheidene vakjes voorzien van kruisjes en andere tekens. Bier zat onze chic, een exclusief groepje, dat langer en vaker bezoek kreeg dan wij, plebeeërs; dat reeds op maandag of dinsdag van de censor een seintje kreeg „dat de heren hun post wel even kunnen ophalen," terwijl wij tot de woensdag moesten wachten.

 

Deze „statistiek" bestond voornamelijk uit lieden die tijdens de N.S.B.-hoogconjunctuur opklommen tot invloedrijke posities. Men lééfde daar nog in die goede, oude tijd, men hield nóg rekening met hiërarchieke verschillen, men hield de vroegere titulatuur nóg in ere en beweende collectief de verleden tijd. Overigens werd er geducht gekletst en geroddeld. Hier was de broedplaats van de geruchten; er heerste distinctie en men overwerkte zich niet.

 

Een hunner deelde me in vertrouwen mede dat het in een maand verrichte werk met gemak in een week gedaan kon worden. Dit werd met trots verteld, noblesse oblige, nietwaar?

 

2) Is een gevangene ziek, dan krijgt hij 15 cent per dag. Dus geen 80% van het loon, als een zieke arbeider in de vrije maatschappij. Hij is trouwens niet in de ziektewet verzekerd. Wel voor ongevallen. Maar dan ook 15 cent per dag.

 

Onder de populatie der Leeuwarder gevangenis zaten in 1950 juristen, bouwkundigen, ingenieurs, boekhouders, zakenmensen, economen, artsen, wiskundigen, kantoormensen en illustrators. Ook daar zou dus zulk een team gevormd kunnen worden. Leeuwarden is wel geen regeringscentrum als Den Haag, maar ook hier zouden opdrachten gevraagd kunnen worden van rijks-, provincie- en gemeente-instellingen en misschien ook van particuliere bedrijven.

 

Deze avonden kunnen op zeer verschillende manieren doorgebracht worden. Een grote groep (het zijn steeds dezelfden) verhuist terstond naar de recreatiezaal.') Hier staan ongeveer 30 tafeltjes met stoelen, een behoorlijk voorziene leestafel en een (droge) bar. Er hangen overgordijnen en de verlichting is indirect.

Een „levenslange" is buffetchef en gedetineerde kelners nemen de bestellingen op. Met voor kantinegelden aangeschafte bonnen kunnen thee, koffie, chocolade, limonade en koek gekocht worden. Hier wordt geschaakt, gedamd, gekout en vooral gekaart.

 

In begin 1952 stond minister Mulderije genadig toe dat in de gevangenissen een avond per week gekaart mocht worden, maar om deze oekaze werd meesmuilend gelachen, omdat al lang in elke gevangenis elke avond werd gekaart!

 

Onderwijl repeteert het mannenkoor in de kerkzaal, in een ander zaaltje oefent het „huisorkest", elders speelt een piano, men hoort een trekharmonika, op de recreatiezaal schettert de radio en in een andere hoek hoort ge de pingpongballen tikken. Op de studiezaal en in de cellen wordt gestudeerd en in een ander vertrek repeteert de toneelgroep: „Het culturele leven in de gevangenis"!

Enkele keren in het jaar (in Amerika elke week!) wordt in de kerkzaal een film gedraaid, een wat verouderde en verfomfaaide smalfilm.

 

1) In deze recreatiezaal worden ook de bezoeken gehouden. Men mag in de 2 weken een uur bezocht worden door hoogstens 3 familieleden tegelijk, elk groepje zit dan aan een apart tafeltje. In de zaal bevinden zich wel bewaarders, maar zij bevinden zich buiten gehoorafstand, zodat ongestoord en onbeluisterd gesproken kan worden. Ik meen dat het departement deze ontspanning betaalt.') Af en toe geeft koor of' toneelgroep een uitvoering; zang-, toneel- en muziekgroepen van buiten brengen ontspanning; clubs houden wedstrijden, onderling of tegen groepen van buiten (vroeger tenminste).

 

Er is een protestants en een rooms kerkkoor, dat geregeld oefent. Een avond per week houdt de gestichtspredikant bijbelcursus.

 

Eén maal ( maar dat was nog in de goede oude tijd van 1950) gaf het circus Strassburger een voorstelling op de binnenplaats. Ook de Postharmonie en het onvolprezen Leger des Heils treden daar af en toe op.

 

En dan het volleyballen en het handballen. Vooral de handbal! De binnenplaats biedt geen ruimte voor voetbal en ook het handbalveld is aanmerkelijk kleiner dan in de vrije wereld en de klinkers zijn geen ideale speelvloer, maar gehándbald wordt er, met een haast dierlijke agressiviteit. Hiervoor zijn de zaterdagmiddagen en de zondagen en enkele zomeravonden. Ettelijke steeds uiteenvallende en weer anders gegroepeerde gestichtsclubs bekampen elkaar, de supporters zitten op banken rond het veld.

 

Er is een tijd geweest dat clubs van buiten zich met de gestraften kwamen meten, maar gewoonlijk verloren zij de partij, omdat zij niet tegen de animale speldrift opkonden. Over dit handballen wordt de gehele week gepraat. Men sluit weddenschappen met shag als inzet en vormt pools. Cracks bekritiseren de spelers en geven tips. Reputaties groeien en verwelken, bij het vaak ruwe spel worden schenen gekwetst, enkels ontwricht en builen. gegooid. Men doet aan klassementen en competities.

 

Op feestdagen worden „sportfeesten" gehouden. Het programma vermeldt ook hier het traditionele zaklopen, kussenvechten, hindernisfietsen, koekhappen, hardlopen en soortgelijke vermakelijkheden. Daarbij wordt veel en luidruchtig gelachen, tot ergernis van de buiten de muren passerende filisters. Op de avond heeft de prijsuitreiking plaats, de prijzen bestaan steeds uit eet- en rookwaren.

Brood en spelen - dezelfde leepheid als in het oude Rome.

 

In de Leeuwarder gevangenis bestonden tot 1952 twee - niet gesubsidieerde - orkesten. Een daarvan, het strijkorkest (piano, cello, viool en fluit) is ter ziele gegaan, dit speelde serieuze muziek. Overbleef het zogenaamde „huisorkest", dat het frivole muziekgenre beoefende (piano, violen, trombone, saxofoon, accordeon, trompet en een drummer), feestelijke bijeenkomsten in de recreatiezaal opluisterde en sportfeesten opvrolijkte. Ook de crooner ontbrak niet. Daarnaast was er nog het mondharmonika ensemble. Het niveau van dit bescheiden muziekgenre lag blijkbaar te laag voor de witte banders (de politieke gevangenen droegen ter onderscheiding een witte band om een der broekspijpen), want het groepje van 8 man was uitsluitend samengesteld uit criminelen: moordenaars, roofmoordenaars en doodslagers.

 

Deze aanvankelijk schokkende kwalificatie verliest ras haar huiveringwekkend karakter, men raakt eraan gewend (een der gevaren van de detentie in gemeenschap!), want men gaat dagelijks met zulken om en verliest langzaam elke intuïtieve tegenzin. Op een uitvoering der beide orkesten zat eens aan mijn linkerhand iemand die zijn op heterdaad op echtbreuk betrapte vrouw met een bijl de schedel insloeg (wie werpt hier de eerste steen?) en aan mijn rechterhand een man die de echtgenoot van zijn maitresse vergiftigde. We hebben genoeglijk gepraat, offreerden elkaar een saffiaantje en vonden het eenstemmig een toffe avond.

 

De beide kerkkoren hebben een dirigent van buiten.

Het in de jaren 1949 tot 1952 bestaan hebbende „grote koor" werd door een gedetineerde geleid.

 

Dit koor, dat in het begin uit 120 man bestond, maar later door de stage afvloeiing van vele witte-banders ineenkromp tot zo'n 70 leden en nog later tot 30, genoot destijds een zekere reputatie. De brave directeur Jansen ging er zelfs mee de boer op. Als hij ergens sprak (en hij deed dat goed!) over de vernieuwing van het gevangeniswezen, werd de spreekplaats per telefoonlijn verbonden met de gevangenis en dan zong het koor door een luidspreker, of hij nam grammofoonplaten mee.

 

Een derde tot een kwart der gedetineerden zong in het koor, van een selectie was dus geen sprake, ieder die lust had mocht meezingen. Aan de artistieke prestaties deed dit uiteraard geen goed.

 

De bekendheid bij de buitenwereld zal daarom voor een groot deel mede op sentimentele gronden berust hebben, want van een „gevangenenkoor" gaat een enigermate lugubere charme uit.

 

Nog in 1949 werd ook gezongen voor gezelschappen van buiten: verpleegsters, PTT-personeel, zelfs voor een winkeliersvereniging. Er werd dan druk over en weer geflirt, maar ineens was dit afgelopen, hiervoor had Den Haag een stokje gestoken, naar verluidde.

 

Naast de veel omstreden Schijnwerper verscheen eens per maand nog een blad in de Leeuwarder gevangenis en wel „De Pijler", het vakblad voor de gedetineerden.

In tegenstelling met de Schijnwerper, waarvan de redactie zich in deskundige handen bevond, werd die Pijler geredigeerd door een wonderlijk samenraapsel.

 

De technicus en de (uitstekende) tekenaar waren op hun plaats, maar de rest was een vreemd allegaartje.

De hoofdredacteur was een would-be literator, die met een mulo-diploma promotieplannen bezat, wiens eerdere letterkundige arbeid had bestaan in het schrijven van kalenderblaadje-achterkanten, die cabaretzanger was en thans - houdt u weer even vast - met twéé mederedacteuren de tijd stuksloeg met het zitten achter een bureau in de „redactiekamer".

 

De Pijler bevatte slechts enkele oorspronkelijke stukken, het merendeel was overgenomen uit andere technische bladen. Dit is allerminst een kritiek op de inhoud, want deze was alleszins nuttig en lezenswaard, maar alleen de gedetineerde-tekenaar had hieraan een dagtaak, de rest deed in de vier weken tussen het verschijnen van twee nummers niet veel anders dan geeuwen en roddelen. Ook deze Pijler is ter ziele.

Het derde blad, een eenvoudig sportblad, met reportages van de binnen de muren gehouden wedstrijden en met vermelding van de prijswinnaars, heeft slechts even bestaan. Deze spruit werd reeds vlak na de geboorte gesmoord door de bezuiniging.

 

Als - lelijk! - pendant werd in deze bezuinigingsperiode een begin gemaakt met de uitgave van D.I.O. (Door Inspanning Ontspanning), het verenigingsorgaan van de P.O.V., de organisatie der Leeuwarder gevangenbewaarders. Deze gestencilde periodiek werd op onze zetterij geliasseerd en geniet en de omslag werd op de drukkerij gedrukt.

 

De werkmeester was bij deze bezigheden steeds wat nerveus en deed geheimzinnig. Ik heb reden voor het vermoeden dat de werkuren (en ook het papier?) niet aan de P.O.V. in rekening gebracht werden. De stijl van het blaadje was om op te spugen. Deze zelfde P.O.V. haalde eens de volgende, zonder twijfel niet onder het penitentiaire reveil vallende en in elk geval verre van opvoedkundige stunt uit.

 

Telkenjare organiseerde deze bewaardersvereniging een wandeltocht. (De pompeuze drukwerken hiervoor werden óók door de gestichtsdrukkerij verzorgd, maar ja - dit was in de malversatietijd). Hij die de mars voor de eerste keer deed, kreeg een medaille waarop de gevangenispoort was afgebeeld. Hij die de mars voor de tweede keer aflegde (ook niet-bewaarders mochten meedoen!), kreeg een medaille waarop een sleutel.

 

Maar de topprestatie - drie maal met succes de tocht volbracht - werd beloond met een medaille, waarop de afbeelding van... een paar handboeien. Maar intussen las men in hun verenigingsorgaan gezwollen tirades over „de nieuwe geest in de gevangenis".

 

De Leeuwarder gevangenis bezat (en bezit ze nog, ofschoon ze weinig meer gebruikt worden) 10 strafcellen op een rij naast elkaar, zij liggen even beneden het bodemniveau en hebben dezelfde afmetingen als een gewone cel. Het enige meubilair bestaat uit een betonnen brits en een ton, verder is alles van steen. De cellen hebben geen verwarming ondanks een verordening van 1928, welke voor schrijft dat zij van oktober tot april verwarmd moeten zijn. De gestrafte moet zijn eigen kleding afleggen, de strafkleding bestaat uit. een katoenen hemd, een katoenen korte onderbroek, sokken, klompen en een der oudste, meest versleten bajespakken.

 

In de cel is het halfdonker, er brandt geen licht, ook in de winter niet. De enige bezigheid bestaat in een heen en weer lopen (7 passen heen, 7 terug), wat ook wel nodig is om draaglijk warm te kunnen blijven. De koude is ook een beletsel om op de betonnen brits te gaan liggen en eerst om 9 uur in de avond worden de dekens met een strozak binnengebracht.

 

Deze lichaamsstraf is een anachronisme.

Nu worden deze strafcellen in Leeuwarden niet meer gebruikt, althans sporadisch. Er zijn nu voor de gestraften aparte cellen in de cellenvleugel, die ook een betonnen brits hebben en waarin de gestrafte de gehele dag ook niets te doen heeft. Maar deze cellen zijn verwarmd.

 

Wel wordt in de laatste jaren de aankleding van de cellen verbeterd. De stenen muren worden gesausd of geverfd; in cellen die geen uitzicht op de vrije wereld hebben, wordt het matglas door vensterglas vervangen; voor de celkrukjes zijn stoelen in de plaats gekomen en in de cellenvleugel der Leeuwarder gevangenis zijn de privaattonnen thans ingebouwd in een soort van kabinetje met een aparte luchtverversing naar buiten.

 

Maar dit zijn dan ook de enige verbeteringen aan de cel zelf. Men streeft nog naar een houtbedekking op de betonnen vloer en het aanbrengen van een raampje met gordijntje op de plaats van het kijkgaatje, maar hiervoor zijn nog geen gelden beschikbaar.

 

Een grote vooruitgang is, dat de gedetineerde aan de celwanden foto's en plaatwerken mag ophangen. Deze laatste knipt hij uit geïllustreerde bladen, maar hierop wordt toezicht gehouden, want wij zijn een fatsoenlijk volk. Ofschoon de kloosterachtige soberheid van vroeger dus werd doorbroken, bleef het meubilair van de cellen hetzelfde: de opklaptafel (die in alle gestichten iets te hoog is voor een gemakkelijke schrijfhouding), de stoel en het opklapbed, de ijzeren krib (iets te kort en iets te smal) met stromatras. Maar de gevangene slaapt nu ook tussen lakens en om het strokussen zit een kussensloop.

 

In de moderne strafliteratuur wordt niet meer van „cel" gesproken, maar met een zekere tederheid van „kamertje", omdat de benaming cel te veel herinneringen aan het beruchte tijdperk van vroeger zou oproepen. Inderdaad zijn vele cellen tot waarlijk knusse vertrekjes omgetoverd. Maar daarvoor moet lang en veel georganiseerd worden. Sommigen bezitten of ontwikkelen verbluffende talenten voor deze knoeierij.

 

Is men goede maatjes met de gangreiniger, dan zorgt deze voor een afgekeurde kokosloper of vloermat. Dit factotum - vaak zeer gewiekste jongens! - kan ook boekenrekjes leveren. Ik bracht het zelfs zover - shag is een machtig middel! - dat ik door zijn tussenkomst een aparte schrijftafel met bureaulamp kreeg en u weet nooit hoe rijk ik me voelde.

 

De man uit de linnenkamer leurt met afgekeurde dekens voor overgordijn of tafelkleed; de gedetineerde timmerman fabriceert en versjachert boekensteunen en lepelbakjes; een bevriende schilder strijkt hier en daar een kwastje; vanuit de smederij worden asbakjes verhandeld; een kleermaker maakt stoelkussens en weer een ander lampekappen.' )

 

Wanneer dit alles tactisch-geleidelijk geschiedt, laat het personeel zulk organiseren oogluikend toe, al is dit na de malversaties in de Leeuwarder gevangenis veel moeilijker geworden. Enkele artiesten brengen het inrichten van hun cel tot zulk een hoogte, dat hun kamertjes aan de door de directie rondgeleide bezoekers - waaraan de gedetineerden een gruwelijke hekel hebben - gedemonstreerd worden als voorbeelden der gemoderniseerde en gehumaniseerde gvangenenverblijven.

 

De bewoners van deze toonkamers hebben van hun eenkamerwoningen haast boudoirs gemaakt, zij hebben deze popperig versierd, overdadig geverfd en getapissieerd. Ge vindt er verscheidene schemerlampjes, veelkleurige lampekappen, kleedjes op de vloer, een hortus in de vensterbank, glimmend gepoetste waskommen en etensblikken, spiegelend eetgerei, „schilderijen" aan de wand en de onvermijdelijke boekenkast of -kasten. In 1950 werd de zolder boven een der werkplaatsen vertimmerd tot 12 aardige kamertjes, die men „chambrettes" noemde.

 

Het celkarakter was geheel verdwenen. De stoffering bestond uit een „gewone", los staande tafel met twee stoelen en een „echt" opklapbed met een springverenmatras en een gordijntje ervoor. Aan de muren zat behang, op de vloer lag een eenvoudig tapijtje en op de tafel een gebloemd kleedje. Geen tonnen in het vertrekje, maar daarbuiten privaten met waterspoeling.

De (daarvoor uitgezochte) bewoners aten gezamenlijk en konden hun eigen chambrettes zelfs afsluiten!

 

1) In Amerika mogen de lang gestraften hun verblijven inrichten met meubilair van buiten. Ze hebben een fauteuil en een eigen radiotoestel. Toch is het maar goed dat onze justitie deze privileges niet overnam en dus geen mogelijkheid tot ijverzucht schiep. Dit was een goed begin en beloofde veel, want er zouden mee van zulke chambrettes komen. Maar ze zijn niet meer in gebruik.

 

De zeer zwaar bewaakte gevangenis aan het Blokhuisplein te Leeuwarden is in 1875 gebouwd, of liever verbouwd (want het spinhuis staat daar al lang) en men heeft dit degelijk gedaan. Sedertdien is er nóg vaak en veel verbouwd en de muren werden steeds hoger en de tralies steviger. Vroeger werd ieder daar cellulair opgesloten en toen behoorde een ontvluchting tot de grote zeldzaamheden. Dan moesten met vernuftig binnengesmokkelde vijlen tralies doorgezaagd worden, vloeren ondermijnd en tunnels gegraven.

 

Prachtverhalen heb ik daarover gehoord, maar die zullen in hoofdzaak wel gejokt zijn. Tegenwoordig gaat het heel wat gemakkelijker. Alle gevangenen, behalve de thuiswerkers die liever in hun cel blijven of er voor straf niet uit mogen, werken overdag met z'n allen in werkplaatsen, zij luchten op de binnenplaats en mogen 's avonds in de recreatiezaal samenrotten.

 

Dit heeft het de gestichtsleiding niet gemakkelijker gemaakt. Want een vijl of een stuk touw wordt gemakkelijk meegenomen van werkplaats naar cel, het onderlinge contact tussen de gevangenen begunstigt het smeden van snode plannen en zwakke plekjes in de bewaking worden op deze manier eerder ontdekt en doorgegeven.

 

In Leeuwarden vond een bewaarder eens in een cel een sleutel die op de voorpoort bleek te passen! Deze was stiekem op de smederij nagemaakt en had moeten dienen voor een ontvluchting. In allerijl is toen het slot van de eerste poort (daarachter komen er nog tweé) vervangen door een ander. Na de ontvluchtingen van 1957 is de slotenexpert van Justitie ook langs de bajessen gereisd.

 

Toch blijft een ontsnapping uit „Leeuwarden" een prestatie.

In 1950 namen drie mannen de benen. Op een zolder forceerden zij een deur, zij klommen langs daken en lieten zich met touw langs de buiten muur zakken; zij ontkwamen aan de revolverkogels van de buitenbewaking en bereikten het platteland rond Leeuwarden, waar ze trouwens al heel gauw gesnapt werden.

 

Toen heb ik iets beleefd waarvan ik versteld heb gestaan. Een der uitbrekers had in een dorpje een burgerkostuum gepikt om zich van het gevaarlijke bruine bajespakje te kunnen ontdoen (met de tegenwoordig veel gedragen gewone overalls is dit ontvluchtingsonderdeel vrijwel overbodig) en nu zou hij straks voor die diefstal gestraft kunnen worden.

 

En wat gebeurde nu? Een van zijn achtergebleven „gabbers" zocht me op, hij vertelde me waar Chris dat burgerpakje gejat had en nu vroeg hij me of ik de bestolene (de naam werd me genoemd!) misschien kende en of ik het niet zo zou kunnen regelen dat het klofje betááld werd. Want dat zou Chris in z'n straf kunnen schelen. Ik ben er maar niet op ingegaan, maar hoe ter wereld wist een gevángene op de volgende morgen wat zich in de nacht in Friesland had voorgedaan!

 

Op een winderige, regenachtige herfstavond in 1955 nam weer een trio de benen uit Leeuwarden. Deze, vernuftige escapade was lang voorbereid. Een nagemaakte sleutel van een zolderdeur - 3 burgerpakjes uit de magazijnen - een klim in een dakgoot - een touw met een haak om een hek gegooid - langs dat touw naar beneden - en daar stonden ze aan de Keizersgracht. Ook hun vrijheid heeft niet lang geduurd.

 

Maar nu gaan we de poort binnen en daar ontmoeten we het eigenlijke gevangenispersoneel. En dan beginnen we onderaan, bij de tijdelijke en later vast aangestelde hulpbewaarder, zónder strepen op de mouw.

 

U weet het misschien uit de advertenties van het ministerie van justitie: bewaarder kan slechts hij worden, die een flink postuur heeft, minstens 173 cm lang is en minstens 140 pond zwaar (over een maximum wordt niet gesproken). Hij mag geen bril dragen en moet een parate kennis bezitten van de zevende klas lagere school. Hoe ter wereld kunnen jonge mannen op zulke advertenties reageren! Want het salaris kan ook niet het lokaas zijn. Inde laatste advertentie die ik zag (de lonen kunnen intussen verhoogd zijn) werd als aanvangssalaris f 195,- per maand genoemd en als maximum f 261,-, te bereiken na zes jaar.

 

Dit is waarlijk een krats; elders kunnen zulke jonge mannen toch meer verdienen. Het aanhoudende gejammer over personeelsgebrek, dat uit alle gestichten en bij voorkeur na alle ontvluchtingen opstijgt, is daarom een verblijdend verschijnsel. Want het pleit voor die jonge mannen met een flink postuur, niet korter dan 173 cm en niet lichter dan 70 kg, die geen bril dragen en die zeven klassen lagere school doorliepen, dat zij een andere baan zoeken.

 

Gedurende mijn verblijf in het huis van bewaring moesten de bewaarders een cursus algemene ontwikkeling volgen en na afloop daarvan moesten examentjes afgelegd worden. Het slagen hiervoor was voorwaarde voor het krijgen van een vaste aanstelling. Er zakten heel wat, maar zij mochten het na een half jaar nog eens proberen.

 

Wie dan zakte, moest eruit.

Deze IVIO-cursus wordt nu niet meer gegeven, omdat voor de aanstelling thans een voldoende lagere-schoolkennis geëist wordt. Tot voor kort werd die voorwaarde dus niet gesteld en het was dan ook geen wonder -dat de zeer eenvoudige taal- en rekenoefeningen voor velen nog te moeilijk waren. Men kwam me toen zo vaak om hulp vragen, dat het me ging vervelen en te veel tijd ging kosten. Ik heb toen de oplossingen en uitwerkingen maar in een veelvoud getypt en uitgedeeld. De jeremiades over personeelstekort werden in mijn detentietijd ook reeds gehoord. Maar was er wel een tekort?

 

Op de zetterij heb ik meermalen dienstroosters gezet, waarbij gebruikte, dus ingevulde dienstschema's als voorbeeld dienden. We konden dus - en deden dit dan ook kritisch - de werkverdeling onder het personeel bekijken. We zullen geen moeite doen de toen opgestelde berekeningen hier weer te geven, want het is ondoenlijk, aan een niet-insider de grote personeelsverspilling duidelijk te maken.

 

Men moet zich zelf aan het verschijnsel geërgerd hebben, dat op elke overloop en bij elke trap een bewaarder gapend en verre van martiaal de wacht houdt, terwijl dit volstrekt niet nodig is; nog afgezien van het feit dat zulk een voortdurend bespied, beloerd en op de vingers gekeken worden dermate prikkelend werkt op de gevangenen, dat het de opvoedingspogingen belemmert.

 

Op een dag in november 1950 dwaalde de directeur met enkele heren door de Leeuwarder mannenstad en al gauw wisten we officieus, dat dit koppel een departementale bezuinigingscommissie voorstelde, die het bewakingsvraagstuk in studie had. In die uren ontwikkelden alle personeelsleden een enorme vlijt en energie.

 

Men rende heen en weer, kantoorpersoneel repte zich met bundels papieren door de gebouwen, de schrijfmachines klepperden fortissimo en we zagen cipiers overal en op punten waar we anders nooit iemand van dit gilde zagen, we ontdekten hen op alle mogelijke plaatsen, bij alle deuren, hekken en doorgangen.

 

De trage schare stond op stoom. Het lag er dik op, dat hier pogingen ondernomen werden, de commissie listiglijk tot de overtuiging te brengen dat men eerder een tekort aan personeel had dan een teveel. Toch heeft de suggestieve mobilisatie gemelde commissie niet voldoende kunnen imponeren, want enkele maanden later werden 20 tot 30 van het ongeveer 220 man sterke personeel ontslagen. Zo heeft deze herrie een dag geduurd en daarna viel alles en ieder weer in de luie dommel.

 

Hoeveel suppoosten hebben me niet verteld dat zij zich verveelden. Denk u dat eens even in: een werkkring hebben waarin men zich verveelt. Het zal dezelfde verveling zijn als die van een straatagent die zijn patrouilles slentert.

 

Wat doet zo'n bewaarder dan de hele lieve dag?

In de cellenvleugel van de Leeuwarder gevangenis zijn de meeste cellen overdag verlaten, behalve die waarin de „thuiswerkers" zitten en damespyjama's naaien.  Alle cellen worden dan geïnspecteerd. Deze celcontrole is allereerst gemunt op sporen en aanduidingen van eventuele ontvluchtingsplannen: de ruiten worden onderzocht op scheuren, de sponningen op hun ongereptheid, aan de deurkozijnen wordt gewrikt en in de luchtkokers wordt getast. Deze „arbeid" heb ik vaak gadegeslagen, het wordt een rituele bezigheid. Daarna komen het hoekkastje of de hoekplankjes aan de beurt, waarop het eet-, scheer- en toiletgerei hun plaats hebben. Deze bergruimtes worden nagesnuffeld op smokkelwaar.

 

Daarvoor wordt ook tussen de opgevouwen dekens en onder de strozak gevoeld. Daarna krijgen de privé-bezittingen van de gevangene een beurt. Vooral de „papieren' zijn een gewild object. Foto's worden bekeken en omgedraaid, studiemateriaal en cahiers worden doorgebladerd en vooral de brieven worden gelezen.

 

Door het enige malen betrappen van een bewaarder bij deze bezigheid werd alras mijn illusie dat alleen de censor onze correspondentie las, verstoord. Dit snuffelen in de privé=bezittingen is hinderlijk en ergerlijk. Bovendien is het vernederend. Niets mag en kan achter slot geborgen worden, alles staat bloot aan onbescheiden geloer. Dit zijn de voorgeschreven werkzaamheden voor de morgen. Na volbrachte celvisitatie plaatsen de snuffelaars hun handtekeningen in een dik boek: alles oké.

 

Komt om 12 uur de stroom „werkers" thuis, dan moeten celdeuren open- en dichtgemaakt worden voor het rondbrengen van de blikken met voedsel en daarna voor het ronddelen van warm water voor de afwas. Even later gaat de bel voor het luchten en dan moeten de cellen nog eens opengesloten worden.

 

In de middag is er, behalve het trage reageren op een belsignaal uit een cel, niets anders te doen dan rondslenteren langs de trappen en de drie etages. Voorde avondboterham herhaalt zich hetzelfde ceremonieel als voor het middagmaal en dan worden met een zekere gewichtigheid ook de brieven en kranten rondgedeeld.

 

Daarbij worden de kranten van de vorige dag ingenomen; dit is in Leeuwarden voorschrift, in andere gevangenissen weer niet. Men mag ze dus, ofschoon men ze zelf betaalt, niet in zijn bezit houden. Naar het waarom heb ik vaak gevraagd, zonder ooit een bevredigende uitleg te krijgen, het „anders wordt het een rommel in de cel" heb ik als reden niet kunnen aanvaarden. Eigenlijk werd er nooit een antwoord gegeven dan: dit is nu eenmaal voorschrift.

 

Naar de beteuterde gelaten te oordelen had men zichzélf nog nooit naar het waarom gevraagd!

Nog een onbegrijpelijke en ook nooit verklaarde bijzonderheid is, dat de gelezen kranten compleet en ongeschonden ingeleverd moeten worden. Men mag geen artikelen uitknippen, maar wel weer overschrijven! In Vught is men niet zo dwaas en daar had ik stukken uit kranten geknipt die over het gevangeniswezen gingen. Maar toen ik in Leeuwarden terugkwam, mocht ik ze niet meenemen naar m'n cel, ze werden bij de fouillering opgeborgen. Worden zulke kranteknipsels toch eens in een cel ontdekt, dan worden ze in beslag genomen.

 

Zulke grillige ordonnanties verkleinen het respect voor de gestichtsleiding! Te half tien 's avonds worden de cellen gesloten en een half uur later worden de cellichten uitgedraaid. Daarna trekken de nachtwachten vilten pantoffels aan om de nachtrust der slaapsteeklanten niet te verstoren; de riemen met de revolvers worden omgegespt en om het halfuur doen ze hun sluipende rondes door het gebouw.

 

In dit „beroep" zit toch geen enkel opbouwend element! Toen ik dit eens opmerkte tegen een jonge, gespierde bewaarder, de zoon van een keuterboertje, en hem vroeg of hij niet met meer nut op het land kon werken dan gevangenbewaarder zijn, kreeg ik het snuggere antwoord: "Och, die moeten er ook wezen."

 

Onder de gevangenisbevolking spoedig bekend welke personeelsleden „plat" zijn. Hun aantal valt gelukkig mee. De indertijd beruchte malversaties in de Leeuwarder gevangenis vonden plaats tijdens mijn domicilie in dat gesticht.

 

We wisten reeds lang van kleine dieverijtjes. In het huis van bewaring was ik in mijn positie van gangreiniger al ooggetuige van het verdwijnen van brandhout, onderkleding en wollen dekens. Hierover waren we allerminst verontwaardigd, want de corrupte bewaarders waren ook „gemakkelijk" voor ons, er viel wel eens een, pakje shag af en we maakten ons allemaal schuldig aan kleine gapperijtjes: giro-enveloppen werden als kladpapier gebruikt, de nettenbreiers leverden stukjes touw, de etuitjes voor de - in die tijd nog clandestiene - benzineaanstekers kwamen van de zadelmakerij, de benzine uit de garage en pakpapier uit de drukkerij diende als tafellaken. En al zulk „organiseren" is diefstal, al pleegt het zich toe-eigenen van staatseigendommen ook buiten de gevangenis geen diefstal genoemd te worden.

 

Minder goed waren we te spreken over de bevoorrechting van sommige lotgenoten bij het ontvangen van bezoek. Het kostte kistjes sigaren en quanta geestrijke dranken (zei men) om tot deze geprivilegieerden te gaan behoren, om onder het mom van zakenbezoek boven het uniforme bezoektarief te komen en het bezoekuur verlengd te krijgen, of om in een andere dan de normale bezoekzaal bezoek te ontvangen of gespaard te worden voor het bijzijn van de hinderlijke derde. Deze bezoekregeling ging buiten de directie om - nu niet meer en nu is het dan ook uit met dat geknoei - maar berustte bij iemand van het kantoorpersoneel.

 

Maar, al werd hierover wel gekankerd, we slikten het.

Van de omvangrijker malversaties waren we ook op de hoogte, want er gebeurde zoveel op sommige werkplaatsen, dat dit voor de bajesbewoners geen geheim kón blijven.

 

Daarom waren we niet verwonderd, toen op de 5e september 1951 de bom barstte. Op de avond van die dag verscheen de officier van justitie in het gesticht met enige rechercheurs. Kantoren werden doorzocht, cartotheken en andere bescheiden meegenomen. Reeds lang tevoren waren verhoren afgenomen aan hoofden van dienst die we niet mochten. Onder de gevangenen tierde het leedvermaak dan ook welig.

 

Overal en steeds werden schampere opmerkingen en uitroepen gehoord. „Dieven!" klonk het, als leden van het arbeidspersoneel passeerden. In deze septembermaand was het roerig in de Leeuwarder gevangenis, elke dag werd het gesticht bezocht door rechercheurs; alle bedrijven werden stelselmatig gecontroleerd en de boeken van jaren her werden meegenomen. De werkmeesters werden nerveus, op de werkplaatsen vielen conflicten voor met brutale dwangarbeiders en het hogere personeel werd prikkelbaar.

 

Elke ambtenaar werd gehoond, of een bevel werd nukkig of helemaal niet opgevolgd. Als de nieuwe dagploegen bewaarders 's morgens de poort binnenkwamen, werd hun toegeroepen: „Ben je er nog?" Van de „onkreukbaarheid" was weinig overgebleven. Een massale overplaatsing van personeel zou daarom een verstandige maatregel zijn geweest.

 

Vermakelijk was het volgende: onmiddellijk na de 5e september werden de cellen en de verblijfzalen der gedetineerden grondig uitgekamd, alsof wij in het hoekkastje, tussen de dekens of achter de privaatton woonwagens hadden kunnen verstoppen of de clandestien en zonder betaling voor personeelsleden gemaakte voordeuren, ameublementen of kippenhokken! Men trachtte de tekorten te verklaren uit dieverijen der gevangenen, maar bij deze stumperige poging bleef het, want de gaten waren té groot. 

Naar gewoonte ging de recherche zeer onkies te werk.

 

Een der werkmeesters werd tijdens de arbeid gearresteerd. Twee rechercheurs gingen de werkplaats binnen, een hunner knipoogde tegen de gedetineerden, de ander begaf zich naar het kantoortje en wenkte de meester en ten aanschouwen van de meesmuilende gestraften namen zij het sjofele mannetje tussen zich in en voerden hem weg als een zware misdadiger. Waarom gebeurde dit niet vóór of ná de werktijd? Waarom hem niet in zijn woning gearresteerd of aan de poort geroepen en hem daarvandaan zonder enig opzien meegenomen?

 

Maar ook: waarom dat leedvermaak onder de gevangenen? Waarom geen medeleven met de gearresteerde, met zijn 4 dagen politiebureau, de halfdonkere cel zonder lectuur, zonder closetpapier, zonder bretels, zonder schoenveters, zonder halsboord, zonder das? Wij allen hadden immers eens diezelfde weg afgelegd, die elke menselijke waardigheid vertrapt en alle verdere levensperspectieven vernietigt? Maar nee, de hele bende had lol, nu hun bazen in de knel raakten.

 

Op de opmerking dat mét het gezinshoofd ook het onschuldige gezin wordt gestraft, sloeg de meute aan: „En ónze vrouwen en kinderen dan? En zij die onschuldig zitten?" Hiertegen hielp geen praten. Er werd gearresteerd en geschorst.

 

De malversatiebalans vermeldde ten slotte:

  • de directeur geschorst, 
  • de adjunct-directeur van de arbeid idem,
  • de twee hoofdopzichters van de arbeid ook,
  • twee werkmeesters „met ziekteverlof",
  • de opzichter van de rijksgebouwendienst in de petoet, 
  • een werkmeester dito.

 

Een half jaar later kwam de berechting. Toen is er iets gebeurd dat alle „Leeuwarders" pijnlijk getroffen heeft: de beschuldiging en de veroordeling door de rechtbank van' hun directeur, de heer Jansen.

 

Al was de straf dan ook licht. Beiden, de gestrafte en de officier, zijn van dat vonnis in beroep gegaan, maar de laatste heeft later, na overleg met zijn chef de procureur-generaal, zijn bezwaren tegen het vonnis van de rechtbank ingetrokken. Of er te veel hoge bonzen in de knel kwamen? Dit is wel het vermoeden.

 

De naam van directeur Jansen noem ik opzettelijk, want hij heeft, geholpen door zijn lieve vrouw, als een der eersten de nieuwe wegen bewandeld. Hij bracht licht in de duisternis van de Leeuwarder gevangenishel. In een conflict met een bewaarder durfde hij een gevangene gelijk te geven; hij was een der zeer weinige gevangenisdirecteuren, misschien wel de enige, die de zedelijke moed bezat in het woord van een gevangene te geloven en hem vertrouwen te schenken.')

 

Onze directeur Jansen bezat elks achting en genegenheid en hij bezat de tact en de durf voor het gaan van eigen wegen. „Leeuwarden" werd het paradepaardje van het Justitiewezen, buitenlandse strafdeskundigen werden er rondgeleid en door de Koningin werd de heer Jansen geridderd.

 

Toen kwam de debácle. Hij heeft er voor moeten boeten dat zijn ambtenaren oneerlijk waren. Zelf zocht hij geen persoonlijke bevoordeling, maar misschien was hij iets te gul. Ook onze hoogste chef, de groot-moefti van het gevangeniswezen, keerde na een bezoek aan de Leeuwarder gevangenis huiswaarts met een niet betaalde aktentas.

Men heeft directeur Jansen, de man die méér wist van de innerlijke nood der gestraften.

 

1) „Bolle jan" had van zijn 60 levensjaren reeds 20, met periodieke onderbrekingen, in diverse spinhuizen doorgebracht. De laatste ontsporing kostte hem levenslang, wat op zijn leeftijd ook levenslang betekende. Jan was schilder. Hij schilderde ook personeelswoningen

buiten het gesticht, werd daarbij wel door een bewaarder geëscorteerd, maar deze ging theedrinken en Jan had alle kansen om te gaan tippelen. De directeur had Jans woord gevraagd en gekregen en dat - zei jan tegen me - was een stalen band. Alles ging goed.

 

Jan gedroeg zich onberispelijk, er was nooit enige klacht. Tot na de knoeierijen het directeurschap tijdelijk door een man werd waargenomen, die de klok achteruitzette. Ook Jan moest voortaan binnen het gesticht blijven, het woord van een gevangene werd niet langer geloofd. Toen heb ik Jan zien devalueren tot de recalcitrante, ontevreden bajesklant.

 

De corruptie in de Leeuwarder gevangenis kwam aan het licht omdat het té gek ging. Er wordt veel meer niet ontdekt. Want kleine dieverijtjes en knoeierijtjes komen voor in alle strafgestichten en zij zullen blijven voorkomen, zolang het personeel niet beter geselecteerd én betaald wordt. In de reeds vaker ter sprake gekomen advertentie, waarin het ministerie van Justitie sollicitanten oproept voor de functie van gestichtswachter, worden ook de (intussen waarschijnlijk verhoogde) salarissen genoemd: van bruto f 195,- tot f 261,- per maand, welk maximum in 6 jaar bereikt kan worden. Dit is te weinig. Nu is er wel wat verval. Want - zo staat in die advertentie - de gestichtswachten worden gratis gehuisvest in kazernes; van rijkswege worden uniformkleding, schoeisel, enz. verstrekt tegen inhouding van f 5,12 per maand en de aftrek voor de voeding bedraagt f 1,30 per dag. Dus: gratis huisvesting en een aftrek voor de kost van slechts f,10,- per week. Wilt u hen daarvoor in de kost hebben? Is dit geen verkapte salarisverhoging?

 

Als de hulpbewaarder na afloop van een proeftijd een vaste aanstelling krijgt, verschijnt een gele streep op zijn mouw. En na enige tijd krijgt hij twee strepen: bewaarder eerste klas. Deze bevordering gaat automatisch. Maar dan komt er een selectie. Uit de eersteklassers komen de hoofdbewaarders voort. Dit is hun nieuwe naam; nog niet lang geleden heetten zij brigadier en zo worden ze nog wel genoemd. Zij zullen bepaalde eigenschappen moeten bezitten om tot deze rang op te klimmen, maar - zoals overal - protectie speelt ook een rol.

 

Enkelingen brengen het nog tot huismeester, vroeger majoor geheten. De brigadiers hebben drie strepen en de huismeesters drie strepen plus een kroontje op de mouw. In elke gevangenis vindt men twee of drie van zulke huismeesters. Zij leiden de inwendige dienst, stellen dienstroosters op en regelen de vrije dagen en de vakanties van het personeel. Zij moeten een zedelijk overwicht bezitten; de hoofdbewaarders en de huismeesters die ik ontmoet heb, hadden dat inderdaad.

 

De gestichtscensor krijgt veel lectuur onder ogen, die niet voor vreemde ogen bestemd is. We mogen daarom veronderstellen - en mijn ervaring is van dien aard dat ik geen reden heb om dit in twijfel te trekken - dat hij discreet is en dat hij kan zwijgen. Nu zal dit dag in dag uit lezen van andermans brieven ook een sleur worden en de censor zal zo langzamerhand wel zó zat zijn van de opstand tegen het „onverdiende" lot, van de klachten over de menage en de in woorden uitgedrukte martelaarsallures, dat hij er onpasselijk van wordt en menige brief niet meer leest.

 

Zo zijn we aan het einde gekomen van ene beschrijving van hen die zich aanboden om te heersen over medezondaars. Het zal menigeen met mij verwonderen, dat hiervoor nog mensen gevonden kunnen worden. „Hij die straft, liegt zijn eigen schuld weg," las ik ergens. Deze uitspraak gold de rechters, maar mutatis mutandis geldt zij ook voor hen die de gestrafte bewaken en beloeren. De besten onder hen zal dit besef dan ook wel eens kwellen en -de enkelen die dit tegen mij uitspraken, heb ik dan ook vroeg of laat zien vertrekken. Hoe zou het ook anders kunnen. bron boek: gevangene 1113 onthult