Wolter van der Berg


Wolter van der berg. Vernieuwing van het systeem. In 1924 waren er heel wat geruchten in de Bijzondere Strafgevangenis voor Mannen te Leeuwarden. Zoo was nl. de officiële naam van Blokhuisplein 40. Door de Rechters was en ook door de Directie werd in die tijd meegedeeld dat er nieuwe maatregelen zouden komen, die heel wat goeds inhielden voor de gedetineerden. 

Mijn Pake


Pake 29-06-1892 - 21-08-1967, 

is van 1920 tot 1948 bewaarder geweest in de gevangenis te Leeuwarden. Toen ik jong was vertelde mijn Pake mijn wel eens wat over het leven in de gevangenis; ik heb hem toen gevraagd om die verhalen eens op papier te zetten om zodoende te bewaren voor het nageslacht.

 

Op de wikkels van de NCRVgids heeft Pake met een potlood een aantal zaken opgeschreven. Het is alleen jammer dat Pake dacht dat hij een boek moest schrijven want hij begon heel vaak opnieuw om een betere toonzetting te krijgen. (Mijn Pake was een perfectionist). Na zijn overlijden heb ik al deze wikkels gelezen en de meest interessante verhalen er uit gehaald. Met vriendelijke groet, Ruurd van der Berg Dearsum

 

Een woord vooraf,

Op allerlei manieren zijn er boeken verschenen betreffende de criminaliteit. De commissaris vertelt en Verteld verder enz. Ook is hier wel kritiek op gemaakt en naar ik meen is er zelfs een boek waarin gezegd wordt: De commissaris kan me nog meer vertellen. En ook is er een uitgave van meen ik van een Officier of Rechter, over de klanten die onder de hamer doorgingen van het recht.

 

En ook is er een boek, of misschien wel meer van gevangenen. Maar van een bewaarder is mij niet bekend dat er enig geschrift is verschenen. Nu is dat ook niet zo verwonderlijk, want bij onze intrede in het gevangeniswezen werd van ons een eed gevraagd, die behelsde dat er wat binnen de muren voorviel niet aan de buitenwereld zou bekend worden.

 

Niet altijd woog dit zwaar op het personeel maar toch werd er terdege rekening mee gehouden en zo doende bleef het voor de buitenwereld ook geheim wat er tussen de muren voorviel.

 

Naar mijn mening heerst er over het algemeen een verkeerde gedachte over de tijd toen het regiem hard en zwaar was. Men heeft het wel eens willen afschilderen als onmenselijk. Maar dat er dingen zijn voorgevallen als de volgende bladzijden gaan vertellen zal menigeen in het geheel niet willen geloven en toch berust alles wat verder verteld wordt op de volle waarheid.

 

Misschien wel door de hardheid van ons beroep, zagen verscheidene van het personeel toestanden die geholpen moesten worden om dragelijk te kunnen zijn. Er worden zoveel mogelijk geen namen genoemd en de bijnamen zijn werkelijk echt. In de verwachting dat deze stukjes we! gelezen zullen werden is mijn moeite beloond en de gedachten aan de gevangenis van toen wat milder geworden.

 

Inleiding

Nu er de laatste tijd zoveel over het gevangeniswezen in de dagbladen verschijnt, zowel wat betreft de bewoning als de bewoners, dacht het mij goed ook eens op papier te zetten wat mijn belevenissen zijn geweest in die 28 jaren dat ik aan een gevangenis verbonden ben geweest. Mijn belangstelling gaat steeds uit naar hetgeen over gevangenissen en wat daarmee samenvalt in de pers wordt vermeld. Het boekje de " DE OVERVAL" heb ik dan ook met belangstelling gelezen. Dat niet alles wat naar waarheid is gebeurd in die dagen op papier kan uitgedrukt worden is vanzelfsprekend. Nog meer is dit het geval met het maken van een film.

 

En zo zijn er natuurlijk dingen of liever voorvallen die gebeurd zijn, niet aan de openbaarheid worden prijsgegeven. Het benadrukt de volle waarheid daarom ten dele. Ik hoop in de stukjes die ik mij voorgenomen heb te schrijven, de volle waarheid te vermelden, ofschoon ik mij nu al voorstel, dat er heel wat verstandige hoofden zullen schudden en zeggen dat kon in die tijd met zo'n streng regiem niet zijn gebeurd.

 

En toch is het de volle waarheid, al zullen door mij geen namen worden genoemd, alleen maar bijnamen en omdat het geschreven werkelijkheid is, ben ik niet bang dat het niet aan het licht zal komen wat de schrijver van dit boekje bedoelt. Niet dat ik meen dat de regering of liever het departement van justitie het in deze tijd niet goed doet, maar meer om gebeurtenissen die werkelijk zijn geschied in laten we zeggen, in een tijd die minder bewogenheid kende met degenen die achter de tralies waren opgeborgen.

 

En ook om aan te tonen, dat in een gemeenschap die door het rechtsbewustzijn is samengebracht wel dingen gebeuren die niet moesten geschieden, maar ook dat er door goede collegiale omgang door het personeel in die strenge tijd van strafrecht veel kon worden verzacht, wat het departement of liever het gestichtbestuur niet zou willen toestaan.

 

Zo zullen dan in een tijdsbestek van 28 jaar veel dingen die de laatste jaren door mij zijn opgetekend in het daglicht worden gesteld in de hoop dat er in alle narigheden toch ook wel lichtpunten worden blootgelegd die men in die omstandigheden niet zou hebben verwacht.

 

En omdat ik weet, dat er nu nog enige collega's over zijn die dit alles met mij hebben meegemaakt ben ik er toe overgegaan om dit alles op schrift te stellen. Ook de gedetineerden die ons de bijnamen verschaften, of die ons niet alleen als hun verzorgers beschouwden zijn nog zoo veel in leven.

 

Van de collega's die in dit boekje worden genoemd zijn al enige overleden, die van dezelfde leeftijd als wij zelf, of nauwelijks ouder het tijdelijke met het eeuwige moesten verwisselen. Niet dat wij als collega's van een en hetzelfde geloof waren, neen er waren er bij die daar niets van wilde weten, ofschoon ze zich in hun levenswijze goede vrienden betoonden. Wel waren erbij die toen al zoo vast voor hun geloof uitkwamen, en voor diegenen is dan ook hun heengaan tot Heerlijkheid geworden zoals we volgens onze Bijbel mogen aannemen.

 

Ook van de gedetineerden die in dit boekje worden besproken waren zowel Rooms-Katholieken, Protestanten en ook die nooit anders dan gedwongen zoals in de gevangenis in de kerk kwamen, en toch werden wij als personeel door hun allen ook altijd heel goed bejegend.

 

Werd iemand al te familiair dan werd door deze of gene aan zulk een halt toegeroepen en hem onder het oog gebracht wat de bedoeling was van onze behandeling. Hetwelk ook altijd in goede aarde viel, wel een bewijs dat we wel hadden uitgeschift en niet met iedereen buitengewone wegen bewandelden.

 

Wie zij dan wel waren? Nu om eerlijk te zijn; het waren degenen die hun straf niet aan konden, of die heimwee hadden, of zoals wij het noemden, zaten te zuchten.

 

Om deze mensen wat tegemoet te komen in hun lot, werden door ons niet altijd gewone middelen gebruikt. Ook niet altijd dezelfde middelen, de een had dit nodig en een ander weer iets anders. We hadden in die tijd een schoenmakersmeester die oog had voor vele moeilijkheden van zijn pupillen en daar hoop ik dan ook wel eens blijk van te geven.

 

Onze Schoenpik, dat was zijn bijnaam, was iemand die blijk gaf een goed Christen te zijn, die trachtte te leven naar zijn overtuiging. Hij kwam dan ook vaak bij ons en vertelde van: die en die zit zoo te piekeren, daar moeten jullie je eens wat extra mee bemoeien en zo kwam dan van het een het ander.

 

Ik heb geschreven van 28 jaar en dat is ook de volle waarheid; in 1920 aangesteld en in 1949 in begin maart met pensioen gegaan. Toch zal ik mij bepalen tot de jaren 1920-1940, uitgezonderd dan een paar gebeurtenissen die ik niet kan nalaten ook te vermelden. En die zullen dan in het allerlaatste gedeelte te vinden zijn.

 

Eerst zullen we beginnen in 1920 toen in vele gevangenissen het personeel werd uitgebreid, omdat de wel wat lange en trieste diensttijden toen ietwat werden verzacht. Ook nog maar een beetje, maar dat bracht toch en grote vermeerdering mee van personeel.

 

Wij hielden die eerste tijd nog altijd 57 uren in de week en 16 hele zondagen vrij in het gehele jaar, daar kwamen dan een paar halve zondagen bij, als men op wacht des zondagsavond of van wacht op zondagmorgen kwam. Dus nog wel lange werktijden en altijd op ongewone tijden in het gesticht aanwezig.

 

En om nu dan een beeld te krijgen van hetgeen in die tijd door het personeel moes worden verricht, zij meegedeeld dat in de Cellenvleugel alle gedetineerden alleen, eenzaam dus, zaten opgesloten.

 

In de Gemeenschap, waarin iedere gevangene nadat hij 5 jaren in eenzaamheid had doorgebracht kwam, werden ze verpleegd op zalen. In de volgende beschrijving dienaangaande zal wel duidelijk worden dat die manier van opsluiting ook heel wat problemen met zich meebracht.

 

Verschil van bij elkander brengen op zalen was er wel, namelijk voor de Recidivisten, zij die meerdere malen een vonnis achter de rug hadden, en de Levenslangen die ook heel apart werden gehouden. En ook zoo als toen ook nog waren: militairen uit Indie. Al deze mensen werden uit elkander gehouden, zowel in verblijf- werk- als slaapzalen. Zo heb ik dan vandaag ook weer eens mijn gedachten op papier gezet.

 

Gedachten aan het vroegere leven waarin veel strenge en volgens de voorschriften zwaar werk moest worden verricht. We hadden in die tijd 16 hele zondagen van de 52 vrij, en dan nog enige halve zondagen, wanneer we op of van wacht kwamen. De wekelijkse werkduur was 56 uren, die voluit in het gesticht werden doorgebracht.

 

Om op tijd op zijn post te zijn, waren de meesten 10 minuten voor de aanvangstijd aanwezig .. Want altijd, ook onder het aflossen moesten de posten blijven bewaakt. Zodoende kwam er ook nog wel een uur bij de 56 in de week. En zoo ging de tijd verder, allerlei slag van mensen kregen we onder ons toezicht.

 

Een dokter die ook enige jaren moest doorbrengen liep gewoon op klompen, ofschoon er ook wel schoenen waren. We wezen hem er wel eens op dat er ook wel schoenen waren te krijgen. Maar dan was zijn antwoord er lopen hier zoveel op klompen, waarom zou ik het dan niet kunnen? Later jaren kreeg hij toch schoenen maar niet eerder dan dat ze hem door de dienstdoende arts werden voorgeschreven.

 

En zoo zou ik een hele poos kunnen doorgaan maar dat is de bedoeling van dit schrijven nu ook weer niet. Mijn bedoeling was iets te laten zien uit die zware tijd, waaruit blijkt dat het gros van het mensdom niet zou verwachten, dat zoiets nu werkelijkheid was binnen de muren van een gebouw waar zoo veel leed moest worden doorgemaakt. Veel zijn het niet geweest, maar er waren er ook wel die tegen de draad in wilden en het toch moesten verliezen. En dat er door deze personen spanningen werden veroorzaakt, die voor ons het leven nog weer veel zwaarder maakten, behoef ik niet nader uit te leggen.

 

Ook zijn er wel geweest die door z.g. hongerstaking het wilde winnen. Maar de meesten begonnen na enige dagen toch maar weer te eten. Een is er bij geweest die het tot het bittere einde heeft doorgezet, tenminste hij hield het zolang vol, dat de dokters die aan het gesticht waren verbonden, het noodzakelijk achtten om met kunstmatige voeding het leven er in te houden en dit was ook weer een hele verzwaring van onze arbeid, totdat er weer een dag kwam dat deze patiënt ook weer tot de orde van alledag overging.

 

Voorzichtig moesten we dan wel weer met deze mensen omgaan, want dat ze het verloren hadden was hun wel duidelijk, maar bekennen wilden ze dit niet.

 

Het begin in 1920.

Overal deuren die op slot waren, bewaarders met bossen sleutels en mensen die in pillow gekleed zich veel aan ons nieuwelingen gelegen lieten. Iedereen van ons werd door hen getaxeerd, zou dat een goede zijn of zou die wel wat brutaal uiziende, hun in de toekomst dwars kunnen zitten? 

 

We werden in het begin aan oude en goed doorknede mensen in het vak toevertrouwd, die ons die eerste dagen en weken heel wat van het gevangeniswezen leerden hoe het niet en hoe het wel moest.. En maar goed tellen, want ieder had een gedeelte dat aan zijn zorgen was toevertrouwd en die 10, 16, of 26 mensen moesten op de voor hen bestemde plaats blijven en dus altijd maar tellen. Dat tellen heeft, zo vernamen we later sommige bewaarders wel eens parten gespeeld, want er waren er altijd bij die zich van het werk verwijderden wilden, en iets doen wat niet mocht.

 

Onze eerste opleiding was in de Gemeenschap maar ook al heel spoedig deden we dienst in het cellulaire gedeelte. In de Gemeenschap waren de gedetineerden op zalen samengebracht: Verblijfzalen, Werkzalen en Slaapzalen.

 

In de cellen zat iedereen apart en in de eerste jaren was dat 5 jaar eenzame opsluiting. Dat die eenzamen toch ook wel eens contact met hun buren hadden zal u later wel eens duidelijk worden. In die jaren kwam het wel voor, dat een bewaarder 7 dagen lang, tenminste al die tijd dat hij in die 7 dagen dienst moest doen, met de levenslange veroordeelden was opgesloten, alleen voor schafttijden. Morgens een halfuur en middags een halfuur werd hij dan afgelost. Ook kwam het veel voor dat een gehele zondag met voorafgaande zaterdagmiddag op een en dezelfde zaal werd doorgebracht. Dit was dan bedoeld om de verhoudingen die er onder de gedetineerden heersten beter te kunnen leren kennen.

 

In die eerste jaren is het mij al eens gebeurd, dat ik zaterdagsmiddags en de gehele zondag met een zaal recidivisten moest omgaan. Deze mensen kenden het klappen van de zweep en men moest dan ook terdege uitkijken om er niet gehavend uit te voorschijn te komen. Als een gedetineerde dan wel eens een buitengewone houding aannam, behoefde dat niet altijd te duiden op onenigheid of vechtpartij hetgeen u uit het volgende wel zal blijken.

 

31 maart 1962

Omstreeks 1925 hadden we ook een bewoner in ons huis, die was machinist geweest bij de spoorwegen en had net als men nu ook zo vaak hoort een hobbie n.l. klokkenmaker. Men was in die sombere dagen heel streng op materialen waarmee misschien kon worden uitgebroken n.l vijlen, messen, hamers en dergelijke gereedschappen.

 

Onze hobbieman had scharen in zijn cel, die hij moest gebruiken bij zijn werk en daar hij van de werkmeester oude kartonnen dozen ontving kon hij in zijn vrije tijd aan het knutselen gaan. Kartonnen dozen werden gebruikt voor de Petten die bij ons bij duizenden werden gemaakt en daar deze wel werden verzonden per post, was er soms een hele verzameling, die niet meer kon worden gebruikt en kwam dan bij onze klokkenmaker terecht. 'avonds na werktijd mocht hij dan zijn gereedschap even langer in de cel houden en zo ontstond onder zijn handen een klok die heel goed bij de tijd bleef. Maar hij was met Dextrine stijfsel in elkander gezet en had de hebbelijkheid om vocht op te nemen en dan weder kromp of uitzette. Hing hij vlak bij de verwarming dan ging het wel.

 

Gaarne wou hij toen een klok maken van blik. Oud blik was ook voorradig van afgekeurde etensblikken en groenteblikken en drinkbekers. Goede raad was duur, want dan moest er ander gereedschap komen om de gemaakte stukken vast te kunnen solderen enz.  Een bewaarder die in die tijd of schoon nog jong, de capaciteiten bezat om leiding te geven en moed om voor de gedetineerden op te komen, kreeg het voor elkaar, dat onder toezicht van een bewaarder, deze gereedschappen werden verstrekt.

 

En toen ontstond niet alleen een klok die goed en altijd wou lopen en bij de tijd blijven, maar ook een aantal spoorrails, een station met klok. Een locomotief die werkelijk reed, door een samenstel van radertjes die onze machinist zo had gemaakt dat de loc. En de spoorwagons een hele tijd konden lopen. Ook de stationschef verscheen, met de plak om het sein tot vertrek te geven. Kortom er kwam een geheel spoorwegstation tot stand, waar op alles volgens een door onze hobbieman uitgevonden systeem alles in beweging en tot stilstand kwam, volgens een gewoon stationsgebeuren.

 

Zelfs zoo, dat de trein niet eerder in beweging kwam, dan dat eerst de stationschef zijn plak in de hoogte stak. Vanzelfsprekend moest het geheel een kleine omvang hebben en werden de reizen ook in het rond gemaakt rondom het station. De bewaarder die hier heel veel voor heeft gedaan, was eerst ziekenverpleger geweest en werd in 1927 benoemd in het eerste psychopaten gesticht te Leiden.

 

Dat er in die tijd heel anders werd gewerkt als nu, is een vaststaand feit. Maar dat er niet anders werd gedaan dan met de sleutels rammelen is niet waar. Gaarne was het personeel in die tijd bereid ook in alles mee te werken en werd hoewel soms een zware dienst moest worden volbracht men ook nog in staat bij schafttijden toezicht te houden bij dergelijk knutselwerk.

 

Ook zij nog vermeld, dat de kartonnen dozen in die tijd veel slapper waren dan tien jaar later, toen er ook nog eens een klok werd gemaakt van karton, die met gewone spelden werd in elkaar gezet. Deze klok werd gemaakt in de gemeenschap en mochten deze letteren nog eens worden gelezen door een van hen die in 1933 een stout stukje hadden uitgehaald en zodoende in Blokhuisplein 40 terecht kwamen dan zal het hun wel heel duidelijk zijn, waar deze klok en hoe of hij werd gemaakt.

 

Datum 20-03-1963 Vernieuwing van het systeem.

In 1924 waren er heel wat geruchten in de Bijz. Strafgevangenis voor Mannen te Leeuwarden. Zoo was nl. de officiële naam van Blokhuisplein 40.

 

Door de Rechters was en ook door de Directie werd in die tijd meegedeeld dat er nieuwe maatregelen zouden komen, die heel wat goeds inhielden voor de gedetineerden. Zoo zou toen heel wat gedaan worden aan het bewonen van de cel. Er zouden in plaats van driepoten (krukjes), stoelen komen. De cellen zouden worden geverfd. Er mocht een bloem worden gekocht en in de cel mochten ook vogels worden aangekocht. En ook zou de kantine worden uitgebreid, zoo mochten o.a. ook in de cel tabak en een pijp hun intrede doen.

 

Tot aan die tijd was dat alleen het geval in de gemeenschap, waar in het begin van de twintiger jaren ook alleen nog des zondags een pijp werd gerookt. Maar iedere week werd een half ons tabak verstrekt aan degenen die dit hadden besteld. Dit was alleen in de gemeenschap het geval maar in 1925 mocht dit ook in de Cellenvleugel.

 

Een gevangene staat mij nog heel goed voor de geest, die van al deze praatjes want zoo noemde hij dat, niets maar dan ook niets wou geloven. Dat zijn allemaal maar mooie voorspiegelingen, beweerde hij. Ik geloof het niet eerder dan dat ik de tabak in mijn cel heb en houd mij dan maar niet voor de gek want jullie krijgen de tabak niet weer als ik ze eenmaal in handen heb!

 

Toen we dan kwamen met de kantinelijst om ook tabak te bestellen, wou hij niet eerder bestellen, dan toen hem duidelijk gemaakt werd dat hij dan ook geen tabak kreeg wanneer hij ze niet zelfbestelde. En toen de tabak werd gebracht geloofde hij het nog maar nauwelijks. Voor de gedetineerden was dit een hele verandering.

 

Hongerstaking Eije Wiekstra

Ook waren er toen al reeds z.g.n. hongerstakingen. Veel kwam dit niet voor. Toch zijn mij twee gevallen bekend, die het lang vol hielden zodat de dokter die aan het gesticht verbonden was, moest ingrijpen en wanneer de man in kwestie toestemde dan werd zonder meer kunstmatige voeding toegediend. Maar in de meeste gevallen werd dit niet toegestaan en moest worden ingegrepen en werd de patiënt toch gevoed op een kunstmatige manier. Ook is mij een geval bekend waar het op de volgende manier toeging: Een gevangene kon zijn zin niet krijgen en begon de directie te dwingen met allerlei tegenwerpingen. Eerst wilde de man niet meer werken en toen hem dit niet beviel, want hij mocht toen ook niet meer schrijven enz.

 

Begon hij met eten te weigeren, dit werd een hele tijd volgehouden maar het werd hem toch te bar. Op zekere dag schafte de pot: kapucijners met spek. Dat spek was in dobbelsteentjes en hard en droog uitgebakken. Het was maar een lepelvol maar het was spek. Dit eten werd bij de gevangene die in hongerstaking was, alle dagen weer op de gewone tijd binnengebracht en bleef daar ongeveer een uur, maar het bleef onaangeroerd. Er moest n.! goed opgelet worden of er ook iets was genuttigd.

 

De dag van kapucijners met spek werd deze persoon te machtig en het spek met enige lepels kapucijners was verdwenen. En toen werd het weer gewoon opgeheven. De bewaarder maakte er een grapje van; de rest van de kapucijners werd opgewarmd en lekker naar binnen gewerkt!

 

Dit verhaal heeft Pake mij (zijn kleinzoon) iets anders verteld toen ik een jaar of 17 was: De gevangene was eije wykstra.  Toen hij in hongerstaking ging zeiden de bewaarders: Hy kin wol in wike sunder iten en dan sjogge wy wol fierder. Na een week kwam mijn Pake op het idee om Eije zijn lievelingskostje voor te zetten: dat zou hij niet kunnen weigeren. Er werd besloten om hem iedere dag een precies uitgetelde hoeveelheid kapucijners (zonder spek) voor te zetten.  Eije reageerde de eerste dagen niet. De bewaarders besloten toen om er spek bij te doen; dat bleek de treffer: Eije kon de lucht ven de spekjes niet weerstaan en zo werd de hongerstaking beëindigd!

 

De dokter en de dominee in oorlogstijd.

Net voor de oorlog ging onze dokter een keer met vakantie. Andere keren als de dokter vakantie had werd hij altijd vervangen door een oude bekende dokter. Maar deze keer zou het anders gaan. Dokter vertelde ons dat hij deze keer een piepjonge dokter had gevonden, die hem zou vervangen. En toen de piepjonge dokter kwam leek hij ook werkelijk heel jong.

 

Maar hij was dokter en maakte een heel goede indruk bij velen van het personeel. Dat deze jonge dokter later vast aan het gesticht zou worden verbonden, was toen nog geen sprake van. Maar als ik het wel heb werd deze dokter vast aangesteld in het begin van de oorlog. En toen was ook nog niet bekend dat deze dokter eens zou gehuldigd worden voor zijn werk aan de goede vaderlanders die ingesloten zaten en dat hij op de film zou verschijnen.

 

En een foto van heb ik jou daar in het weekblad de Spiegel. Eerlijk dokter, het is verdiend hoor. En dan ook nog van mijn eigen dominee, die door de Duitsers was ingesloten. Toen ik de eerste keer bij hem in de cel kwam, zei deze dominee : God is overal bij mij ook in deze cel. En ik ben heel blij dat men mij ook de Bijbel laat houden. Later kwam ik eens bij dominee, toen hij mij vertelde dat hij zich verdienstelijk maakte voor de gemeenschap, hij was aan het enveloppen vouwen. Ook vertelde hij mij toen, ik heb koolrapen gekocht want mijn maal is niet zo heel groot, dat een koolraap gaat er nog heel goed bij.

 

Zoo sloeg deze dominee zich buitengewoon goed door zijn eerste gevangenschap heen. Ook kwam ik eens op een morgen bij dominee toen hij mij vertelde, nu heb ik vanmorgen een berisping gehad van een van je collega's. Ik vroeg wat is er aan de hand dominee? Ja, zo begon hij toen, op cel 7 zit een collega van mij weetje wel, en die kan er slecht tegen zo als ik gehoord heb. Ik denk hoe kan ik hem nu laten weten dat ik er ook ben en toen schoot mij te binnen onze studietijd en ons lied dat we als studenten zoo konden zingen en fluiten en toen ben ik in de vroege morgen aan het fluiten gegaan. Het mag niet weer, maar hij, mijn collega heeft antwoord gegeven, dus hij weet dat ik er ook nog ben.

Dat was dan de dokter en de dominee in oorlogstijd.

 

27-03-1962 Demonstratie van vliegen en parachutespringen 

Het zal misschien in het jaar 1922 of 1923 geweest zijn dat er op het vliegveld in Leeuwarden, toen nog gelegen aan het Kalverdijkje en maar heel klein van omvang een demonstratie werd gegeven van vliegen en parachutespringen. Dat was in die jaren een geweldig iets en ver voor die tijd werd er dan ook reclame voor gemaakt, die lang niet mis was. Hoe of zoiets tot de gevangenis was doorgedrongen, weet ik niet maar een gedeelte van hen was heeeel goed geïnformeerd. De geweldige prestatie zou plaats hebben op een zondag.

 

Ook hier waren sommigen op tegen, anderen vonden het wel goed want zoo redeneerden ze we zien er toch niet een snars van en wat schieten we daar nu mee op. Nu was toen van de dienstregeling ook een gewoonte dat de Bewaarder die zaterdags morgens de Wasserij onder zijn toezicht had des zaterdagsmiddags na twee uur de Recidivisten, dat was toentertijd nog een Zaal die wat achteraf, n.1. tussen HvB en Gevangenis in lag: Zaal 72 (of 7-27), deze Bewaarder moest ook zondags deze zaal bedienen.

 

Vele van de bewoners van deze zaal waren al meer malen in Leeuwarden geweest of hadden in andere gebouwen al vele straffen achter de rug en waren alzo onder de Recidivisten gerangschikt. Een dezer bewoners was de gehele zaterdagmiddag wat in zich zelve gekeerd. Mijn persoon was aangewezen om zaterdagmiddag en zondag op deze zaal het toezicht te houden en met 12 of 15 gevangenen de tijd zoek te zien brengen. De persoon die in zich zelve was gekeerd, ging ook des zondags steeds weer op dezelfde plaats zitten, met het gezicht op de ramen, die uitzicht gaven op de ruimte tussen HvB en het grote huis maar waarvan alleen de bovenste ruiten doorzichtig waren; de ondersten waren matglas.

 

Ofschoon er enkele van zijn lotgenoten waren die al meermalen hadden gezegd: Jaap ziet ze vliegen. De persoon in kwestie bleef op zijn eens ingenomen plaats zitten. Omstreeks het middaguur had "hij" door een uitroep: Daar is er een!!! Werkelijk een vliegtuig gezien waarvan wij toen ook getuige waren. Tussen twee en drie uur zat hij alweer naar buiten te staren en plotseling riep hij: " Daar springt ie!" en werkelijk hij had gelijk want de gehele bevolking van de zaal was toen getuige dat de Parachute met de springer een ogenblik zichtbaar waren voor de ogen van enige gevangenen en 1 bewaarder die opgesloten zaten in de Gevangenis.

 

En toen kwam aan het licht, want zoo stil als hij zaterdagmiddag en zondagmorgen was geweest, zoo uitbundig was hij met zijn verklaringen. Hij had uitgerekend dat de plaats waar het vliegveld toen lag aan de oostzijde van de stad was en dat de wind die dagen westelijk was dus zoo redeneerde hij moet de parachutespringer boven de stad zijn sprong wagen om weer op het vliegveld of in de nabijheid daarvan te landen.

 

En hij had volkomen gelijk want het gebeurde en wij allen waren door zijn opmerkzaamheid getuige van toentertijd zo weinig voorkomende gebeurtenis. Deze zware jongens, zoals zij zich zelve ook meer dan een keer noemden, waren soms wel zeer met elkaar ingenomen maar konden ook wel eens zware onenigheden hebben, doordat er soms dingen aan het licht kwamen uit hun vorig leven die ze zich heel anders hadden voorgesteld en waarin dan naar voren kwam dat de een de ander dan ook meermalen had bedrogen en soms enige jaren meerdere straf hadden toegebracht door bekentenissen die de andere tot die tijd niet had geweten.

 

Wanneer er zo iets was dan kon de bewaarder zijn pret wel op en zat hij anderhalve dag met deze heren op een en dezelfde afgesloten zaal, waar een plaats was, waar de bel hing om hulp te kunnen krijgen en deze plaats werd door de heren ook goed bewaard wanneer er een knokpartijtje moest wezen. Over het algemeen kon men met deze Recidivisten wel opschieten want ze waren de tucht gewend en zagen als het moest ook niet op tegen strafcel enz.  Want zo redeneerden ze : De bewaarder doet zijn plicht!