De pijnigtoren


Pijnigtoren

In het rondeel in de zuidoosthoek was de pijnbank ondergebracht en die toren heette in de volksmond daarom ‘de pijnigtoren'. De toren is in de achttiende eeuw afgebroken maar de fundamenten zijn in 1919 opgegraven. Metingen en berekeningen wezen uit dat de toren tussen de zeven en acht meter hoog geweest moet zijn. De doorsnee was 12.50 meter en de muren waren 3.25 meter dik. Het gejammer van degenen die op de pijnbank ‘behandeld' werden, zal daar niet doorheen gegaan zijn.


In de z.g. Pijnigtoren, gesitueerd in de zuidoostelijke hoek van het complex, stonden een aantal toestellen die in hoge mate er aan bij droegen dat men maar al te graag – om maar van de pijn af te zijn - bekende, ook als men het delict niet gepleegd had. De uiteindelijke straffen waren, om het maar eens zwak uit te drukken, niet misselijk en in de meeste gevallen behoorde recidive tot de onmogelijkheden. Voor mindere vergrijpen werd weleens een hand afgehakt, een oor gekort, een tong doorpriemd of een brandmerk op het lichaam aangebracht. De uitvoering hiervan werd onmiddellijk na de uitspraak uitgevoerd. Vrijheidsstraffen werden niet of nauwelijks gegeven; dat vond men te ingewikkeld en te duur. Als alternatief werd wel gekozen voor verbanning. De toren werd ook wel "Ammunitie Toren" of "Kruittoren" genoemd.

Bij de opgraving werden kogels gevonden. 2 stenen en 2 ijzeren kogels, ook was er een houten kogel aangetroffen met een diameter van 21 cm, langs drie onderling loodrecht staande assen uitgeboord en volgegoten met lood. Naar zeggen werden deze kogels afgegeven aan het Fries museum.

Theissen vermeldt den bouw van een nieuw rondeel in 1557, op den Noordoostelijken hoek van het Leeuwarder kasteel 20) en dat voor dien bouw werden uitgevoerd: meer dan 1300 ton kalk (uit Dordrecht), 100 ton cement (uit Amsterdam), 100 schuiten zand, voorts 100.000 Friesche steenen en 400.000 dubbele Leidsche steenen, terwijl in 1556 reeds 800.000 Leidsche steenen geleverd waren.

 

Bij de slechting van het Blokhuis op 1 Febr. 1580 zijn de Oostelijke en Zuidelijke wallen blijven bestaan en slechts één van de 4 rondeelen, n.l. dat op den Zuidoostelijken hoek. Dit rondeel, dat den naam bleef dragen van Pynigtoren, omdat de pijnbank van het Hof daarin was gevestigd geweest , komt nog op de 17e eeuwsche plattegronden der stad voor, o.a. op dien, afgebeeld in het 11e deel van Eekhoff's werk.

 

Op dien van J. H. Knoop (1760) is het niet meer aanwezig, doch de fondamenten bestonden nog en zijn eerst in 1919 door den dienst der Gemeentewerken opgeruimd tijdens de afgraving, ten behoeve van de scheepvaart, van den hoek in de stadsgracht bij de strafgevangenis op het punt van samenkomst met het Nieuwe Kanaal. Bij het opruimingswerk bleek hef rondeel te zijn aangelegd op 1.50 M. beneden Friesch Zomerpeil en te rusten op een hierna te beschrijven fundeering. De ronde toren was nog tot 1 M. boven Zomerpeil aanwezig, was inwendig 5.80 en uitwendig 12.50 M. in middellijn, zoodaf ong. 240 M3. metselwerk moesten worden verwijderd.

 

De fundeering bestond uit een liggend roosterwerk van ribben (doorgezaagde eiken palen) met zwaluwstaartverbindingen aan elkaar bevestigd. Alle 9 vakken van het 8-hoekige roosterwerk waren op de wijze, als in afb. 2 B voor één vak aangegeven, volgeslagen met ongeveer 2.5 M. lange palen, van tapschen vorm en bij 4 stuks tegelijk uit één ong. 0.30 M. dikken eiken paal van diezelfde lengte gezaagd. Deze dunnere palen waren alle met de punten in den grond geslagen . Behalve de vorenstaande gegevens, verstrekte de Directeur der Gemeentewerken, 1 r. C h. C. van der VIis, ons nog de hierbij gepubliceerde foto's van: 2 stenen kogels, diameter ongeveer 91/2 en 8 cm.  2 ijzeren kogels, waarvan een in twee helften gegoten en doorboord, diameter ong. 11 cM. (afb. 2 E), een baksteenen fragment hoog 15.5 cM. (afb. 2 F), alles bij de opgravingen gevonden. Ook was nog aangetroffen een houten kogel met een diameter van pl.m. 21 cM., langs drie onderling loodrecht staande assen uitgeboord en volgegoten met lood. Een en ander is door de Gemeente Leeuwarden afgestaan aan het Friesch Museum aldaar.

 

Vergelijkt men nu de vorenvermelde gegevens van D r. Theissen over het in 1557 gebouwde (of vernieuwde) rondeel met de gevonden afmetingen van den voormaligen „Pynigtoren" en neemt men voor de Friesche steenen dezelfde maten aan als die van de te Harlingen 24) aangetroffen reuzenmoppen, dan is te berekenen dat met die 100.000 steenen een hoogte van ong. 5 M. kon worden opgemetseld, alzoo 3.50 M. boven water. Neemt men nu verder aan dat de dubbele Leidsche steenen een formaat zullen hebben gehad als het hedendaagsche Waalsteen-hardgrauw (gemiddeld 21 X 101/2 X 51/2 cM.) dan geven de 400.000 stuks een inhoud van ruim500 M3. metselwerk, overeenkomende met eveneens ong. 5 M. hoogte.

 

Wij komen op die wijze tot een rondeel hoog ong. 8.50 M. boven water ofwellicht 1 of 1.5 M. lager indien de aangevoerde steenen tevens voor een toegangspoferne (als te Harlingen ontgraven) en voor overkluizing, ter afdekking van den toren, mochten zijn gebruikt. Een hoogte van 7 à 8 M. voor de rondeelen welke, volgens de oude afbeeldingen, boven de wallen uitstaken, komt ons wel aannemelijk voor. Echter blijft dan nog de vraag bestaan, waarvoor de in 1556 aangevoerde 800.000 stuks Leidsche steenen kunnen zijn gebruikt. De citadel had een gracht met, volgens Gabbema, 280 roeden (ong.1000 M.) in omtrek.  bron: "de vrije Fries" 


Berichten uit de krant

Pijnigtoren leeuwarden
bron Historisch Centrum Leeuwarden

Bron, kleine krantsje HCL