Meidagen van 1940 Rotterdam

Aan den Hoogedelgestrengen Heer Dr. J.S. Korteweg

Hoofd van het Gevangeniswezen, Departement van Justitie,

--'s-----G- -R- -A- V--E--N-- -H- -A- -G- -E-. --

 

Bij Uw laatste bezoek aan mij in de Strafgevangenis te ROTTERDAM, werd o.m. door U nog eens opgemerkt, dat U van ROTTERDAM, waar toch zooveel was voorgevallen in de Meidagen van 1940, nooit eenig rapport had ontvangen.

 

U zult begrijpen, dat na hetgeen me ook nadien passeerde - mijn insluiting - ik naderhand weinig behoefte gevoelde, me al het leed nog eens te realiseeren, te meer nog daar wanneer ik zou gaan schrijven sommige autoriteiten ook een veer zouden moeten laten. Ik vond het welletjes, te meer nog nu aan de Directeuren grootere bevoegdheid werd verstrekt, hetwelk ik - als een gevolg beschouwde van de ingekomen inlichtingen omtrent de houding der autoriteiten, meer speciaal bedoeld de Colleges van Regenten.

 

Nu ik echter al deze dingen in een rustiger omgeving, om zoo te zeggen vanaf een andere hoogte kan overzien, en door een bezoek in de laatste dagen van mijn verblijf te ROTTERDAM door de politieke recherche, op last van den Procureur-Generaal te 's-GRAVENHAGE, nog eens aan alles herinnerd werd, acht ik het voor mezelf toch gewenscht bij U hier over een ambts-eedig rapport in te dienen.

 

U houdt mij ten goede, wanneer me iets ontschoten is. Ik richt het geheel en in vertrouwen aan U, in de hoop dat zulks goed is, temeer daar zich alles afspeelde in een tijd, waarin U eigenlijk onze allerhoogste Chef waart.

 

Natuurlijk zult U, die de hel hier niet mee maakte, soms bij U zelven zeggen; "Dat had ik anders gedaan”. U dient daarbij echter in het oog te houden, dat wij hier aan het “front" leefden, en de psychose van den Oorlog mij evengoed als ieder ander had aangegrepen.

 

Het rapport gelieve U als bijlage van deze brief aan te treffen.

 

Met Hoogachting,

Uw dw,

A.B.R. Jansen

Directeur Bijz. Strafgevangenis LEEUWARDEN

Voormalig Directeur van de Strafgevangenis te ROTTERDAM

10 Mei tot 23 Mei 1940 Rotterdam

 

Ambtseedig-Rapport

Betreffende de gebeurtenissen in de Gevangenissen te ROTTERDAM, vanaf 10 Mei tot 23 Mei 1940.

 

Begin Mei werd aan twee vaste bewaarders en vier hulpbewaarders – de laatsten deden reeds eenige jaren regelmatig dienst – van Departementswege opgedragen den Heer Molenaar, Directeur van de toenmalige Strafgevangenis te AMSTERDAM, te vergezellen naar het interneeringskamp Fort Ooltgensplaat. Hierdoor werd ik genoodzaakt onmiddellijk ander hulppersoneel, dus nog niet terzake kundigen, in dienst te nemen.

 

Op den 10den Mei, ’s morgens half vier, werden we uit onzen slaap gewekt door kanonschoten en zware dreunende slagen, welke later bleken door bommen te zijn veroorzaakt, welke op het vliegveld WAALHAVEN geworpen werden. We zagen gevechts- en transportvliegtuigen, granaten springen, vliegtuiggevechten, vliegtuigen vlammend neerstorten en begrepen dat wij in oorlog waren, althans dat Nederland aangevallen was.

 

Ik kleedde me onmiddellijk en spoedde met naar de gevangenis, waar een nerveuze spanning heerschte. Er waren als gewoonlijk slechts 3 bewaarders in den nachtdienst. Even wil ik opmerken, dat op 1 Mei, de Adjunct-Directeur van den Huisdienst benoemd was tot Directeur van het Huis van Bewaring te Utrecht, zoodat ik voor alles alleen stond. Ik verwachtte het ergste en dit werd bewaarheid. Het kanongebulder en de luchtgevechten namen hand over hand toe. Personeel kwam te laat in dienst, doordat sommige deelen der stad niet meer betreden mochten worden en de Maasbruggen bezet bleken te zijn door de Duitsche troepen.

 

Een der bewaarders, die in ROTTERDAM-Zuid woonde en zich kon legitimeeren, werd alsnog doorgang verleend. Later op den dag vroeg deze verlof om te trachten ’t overmaassche te bereiken, omdat daar toen het brandpunt van den strijd lag, en te trachten zijn gezin in veiligheid te stellen, wat hem na een tocht met een roeiboot gelukte. Hem werd met zijn gezin zoolang huisvesting verleend bij een der bewaarders bij het gesticht. Een gevangene, later bleek dat een N.S.B. er te zijn, begon de rust ernstig te verstoren, daarbij trachtend anderen op zijn hand te krijgen.

 

Om zulks te voorkomen werd hij naar de strafcel gebracht, waarna ik hem persoonlijk aanzegde, niet te zullen aarzelen, wanneer hij van daaruit zou trachten nogmaals de orde te verstoren, de strengste maatregelen te treffen, ter wille van de andere gedetineerden, ik had daarbij de geladen revolver in de hand-. Daarna veroorzaakte betrokkene geen last meer. De moeilijkheden met de levensmiddelenvoorziening begonnen direct. De bakker kwam niet, evenmin als de slager en de melkleverancier. Ik droeg onmiddellijk op, met het brood zeer zuinig te zijn en geen overgebleven eten, zooals gewoonlijk, bij de z.g.n. spoeling te doen.

 

Ik wist natuurlijk niet hoelang de toestand zou duren en moest de levensmiddelenvoorziening zoo lang mogelijk in stand houden, gezien het Ministerieele voorschrift: “de gedetineerden mogen onder geen enkele omstandigheid worden losgelaten, met het oog op de burgerbevolking; mocht een deel der gevangenis slachtoffer worden van oorlogsgeweld, dan moeten de overlevenden zooveel mogelijk in de overblijvende gebouwen worden ondergebracht.” De practijk zou ook nu weer de theorie in ’t ongelijk stellen.

 

Ingevolge Ministerieele opdracht had ik indertijd reeds overleg gepleegd met den Burgemeester van Rotterdam, om, ingeval de gevangenis toch ontruimd moest worden, een ander gebouw daarvoor aan te wijzen. Men kon mij echter geen gebouw voor dat doel beschikbaar stellen.

 

Gezien de ontwikkelingen der toestanden, was dit toch onmogelijk geweest. Met de beschikbare levensmiddelen, capucijners, boonen, erwten en het nog aanwezige brood werd gedurende de volgende dagen de voeding zoo goed mogelijk in stand gehouden.

 

Er was voortdurend luchtalarm, zoodat het luchten der gedetineerden zeer gebrekkig, soms in ’t geheel niet kon plaats vinden. Van tijd tot tijd klonken dreunende slagen van inslaande bommen en zag men menschen vluchten met have en goed uit geteisterde wijken. Zoo verliep de dag van den 10den Mei in zorg en spanning, terwijl de kanonnen in de richting van ROTTERDAM-Zuid en –West bulderden.

 

Het personeel was voor ’t grootste gedeelte aanwezig, en werd zooveel mogelijk in de gelegenheid gesteld thuis te gaan eten. Ingevolge voorschrift van het Departement van Justitie, om ingeval van oorlog of onrust de hulp van de gewapende burgerwacht in te roepen, trad ik in verbinding met deze instantie, meer speciaal met het oog op de bewaking van het buitenterrein. De eigen wacht werd tevens voor de nacht- en dagdiensten versterkt. De Burgerwacht kwam ’s avonds op met ongeveer 12 manschappen onder een luitenant der Burgerwacht, een reeds bejaard man.

 

De wacht zette posten uit op de door mij aangewezen plaatsen, terwijl een wachtwoord werd uitgegeven. Het bleek me al heel spoedig dat sommige leden al heel slecht met de behandeling van een geweer op de hoogte waren, terwijl een enkeling het betrekken van de wacht in het donker te machtig werd, en men van de betrokkene meer last dan gemak had. Des avonds hield het geschutvuur op, en klonken alleen nog enkele geweerschoten. Ik bleef dien nacht in het gesticht.

 

Er liepen geruchten dat er in de binnenstad door muiters en Hollandsche soldaten gevochten werd, doch dat de muiters uit de binnenstad werden verdreven en zich nestelden in de buitenwijken. Bij het lichtworden op 11 Mei begon den strijd opnieuw en donderden weer de kanonnen. Het gerucht liep dat de Mariniers-kazerne vanuit de lucht was gebombardeerd, hetwelk later waar bleek te zijn. Een hulpbewaarder, wonende in die omgeving bleef absent; later bleek omdat zijn huis reeds verwoest was en hij met zijn vrouw een goed heenkomen had moeten zoeken.

 

Plotseling verscheen in den loop van den dag een auto met een Nederlandse Officier van Gezondheid voor ’t gesticht. Hij bracht per auto eenige gevangen genomen lichtgewonde Duitsche soldaten. Allen konden loopen met uitzondering met uitzondering van één, die door het bewakingspersoneel naar binnen moest worden gedragen. Ik protesteerde bij den Officier van Gezondheid tegen deze opname, daar ik van meening was dat de soldaten niet in de Gevangenis behoorden.

 

Ook belde ik daartoe nog het Hoofdbureau van Politie op, vanwaar ik hoorde dat een 30-tal gevangengenomen Duitsche soldaten ook reeds in het Huis van Bewaring was ingesloten. Mij werd gezegd: “Het is oorlog, de legerleiding beveelt en U hebt slechts te gehoorzamen”. Ik had inmiddels ook getracht verbinding te krijgen met den Rechterlijke macht, in casu den Officier van Justitie, tevens lid van het College van Regenten over de Gevangenissen. Het bleek me echter dat na den morgen van den 10den Mei niemand meer op de rechtbank aanwezig was; griffie-personeel noch magistratuur.

 

Allen hadden een goed heenkomen gezocht. Ik heb den Officier van Justitie herhaalde malen aan huis opgebeld, doch kreeg geen gehoor. Mogelijk is ‘t, dat de verbinding reeds verbroken of geblokkeerd was. Evenmin kreeg ik gehoor bij den Heer Voorzitter van het College (inmiddels overleden), zoodat ik geheel op eigen initiatief was aangewezen en alle verantwoording alleen te dragen kreeg. Gedurende de vier oorlogsdagen liet niemand van het College evenmin als van de Rechterlijke macht zich zien of hooren.

 

Ik kreeg geen enkele instructie voor de behandeling der Duitsche krijgsgevangenen en daar ik geen militaire opleiding genoten had, wist ik van de krijgswetten niets af. Ook in de gevangeniswetten en reglementen komt daarover niets voor, hetwelk logisch is, daar krijgsgevangenen nu eenmaal niet in de gevangenis behooren te worden ingesloten.

 

Onmiddellijk gaf ik extra last, de krijgsgevangenen vooral goed te behandelen; ik zei o.a.: “denk aan je eigen jongens die soldaat zijn”

 

Een herhaalde poging verbinding te krijgen met het Departement van Justitie in DEN HAAG mislukte, vermoedelijk doordat tusschen ROTTERDAM en DEN HAAG oorlogshandelingen plaats vonden. Daar ik niet wist waar de Duitsche soldaten vandaan kwamen en dus ook niet wist of ze gevisiteerd waren, werden ze bewaakt door een met een revolver gewapenden bewaarder, terwijl ik hen de handen achter het hoofd liet samenvouwen, totdat de visitatie was afgeloopen.

 

Op één werd een groot vaststaand mes gevonden, overigens niets. Blijkbaar waren ze dus wel, doch onvoldoende gevisiteerd. De meeste mannen zaten echter onder het bloed van hun wonden, vol stof en vuil, zoodat ik last gaf, hun schoon gestichtsondergoed te verstrekken en reine gevangenis-bovenkleeding. Natuurlijk moest ik een en ander aan daarvoor aangewezen bewaarders, die zulks regelmatig deden, overlaten, daar mijn aanwezigheid overal geeischt werd.

 

Het kleeden in gevangenisuitrusting had tweeërlei doel: In de eerste plaats een sanitaire en in de tweede plaats een veiligheidsmaatregel. Ik had nl. te zorgen dat de ontvluchtingskans zoo gering mogelijk was. Volgens de voorschriften is dit mijn goed recht. Den eersten dag zaten (in totaal 7 man) zij alleen, doch toen ze er mij om verzochten, bracht ik hen bij elkaar in de cellen, zoodat er tweemaal 2 en éénmaal drie bij elkaar zaten.

 

Van luchten kwam zoo goed als niets terecht, door het telkens weerkeerende luchtalarm. Wel had ik last gegeven hen vooral gezamenlijk te luchten, waarbij zij dan konden rooken. Later bleek me dat daar niets van gekomen is door de geschetste omstandigheden. Ook hun maaltijden waren dusdanig als de mogelijkheden me toelieten te doen verstrekken, o.a. dus koffie zonder melk. De soldaten veroorzaakten geen enkele last, en gedroegen zich rustig en gedisciplineerd, en stonden op goeden voet met het personeel.

 

Genoemde 7 man waren niet allen tegelijk binnengebracht, doch ik meen eerst 5 lichtgewonden en daarna afzonderlijk nog eens tweemaal één, die door gewapende Nederlandsche motorrijders gebracht werden. De gestichtsdokter, door mij gewaarschuwd, nam de lichtgewonden terstond onder zijn behandeling. Ik was daarbij persoonlijk niet aanwezig; klachten heb ik daarover nooit vernomen.

 

Bij het inbrengen der Duitschers werd door den Nederlandschen Officier van Gezondheid tevens gezegd, dat de gestichtsdokter hen verder moest behandelen. De gevechten in en om de stad namen in hevigheid toe. Soldaten liepen langs de huizen met geladen geweren in den aanslag, niemand mocht voor de ramen en alle ramen moesten gesloten blijven. Werd daaraan niet voldaan, dan werd er geschoten. Auto’s met soldaten op de spatborden en bumpers doorkruisten de stad. Een enkele maal ging ik even thuis zien; van slapen kwam niets, terwijl ik de kleeding niet heb uitgehad.

 

Het personeel, dat met een revolver vertrouwd was, - oud-militaire politie, mariniers en marechaussee – had ik een geladen revolver uitgereikt. In totaal ongeveer 7 stuks. In het geheel bezat het gesticht er naar ik meen 10, waarvan één onder berusting van den Directeur en één bij den Adj. Directeur van den Huisdienst (deze plaats was, zooals reeds gezegd, vacant). Ik kon dus al het personeel bij lange na niet bewapenen, en zou, al was dit mogelijk geweest, dat toch niet gedaan hebben, daar ik wist dat het personeel in ROTTERDAM of nog nooit had geoefend of slechts zeer weinig. De eerste stappen om daarin verbetering te brengen waren indertijd door mij daarvoor reeds gedaan, maar tot uitvoering was het door de aanstormende omstandigheden niet gekomen.

 

Tegen den avond kwam er bericht op het bureau der Strafgevangenis, dat door de Politie “staatgevaarlijke lieden” in de gevangenis gebracht zouden worden. Op het bureau gaf men te kennen dat één en ander zonder schriftelijke opdracht van den Justitie-autoriteit niet mocht plaats hebben. Men stelde mij met een en ander in kennis, waarna ik ’t Hoofdbureau van Politie, hetwelk telefonisch nog niet geblokkeerd was, opbelde en inlichtingen vroeg. Een en ander bleek juist te zijn.

 

Ik protesteerde tegen deze opname zonder eenige schriftelijke opdracht van Justitie-autoriteiten. Mij werd brusk gezegd: “U hebt ze maar te nemen, ’t is nu Oorlog, de legerleiding beveelt en U hebt slechts te gehoorzamen. Anders hebt U zich voor de gevolgen te wachten”. Later toen ik voor moest komen bij de Duitschers, wist de legerleiding bij monde van Kolonel Scharroo natuurlijk niets.

 

Toen ik opmerkte, dat ik geen cellen genoeg had, zeide men daar o.a.: “Dan stop je ze maar bij elkaar, we hebben ze hier ook wel met 8 man bij elkaar zitten”. Wat te doen? Zooals gezegd, verbinding te krijgen met het Departement van Justitie in Den Haag was me onmogelijk gebleken. College van Regenen noch Officier van Justitie had ik kunnen bereiken, noch lieten zich zien. De omstandigheden achterhaalden me, en een auto, onder bewaking van met helmen uitgeruste en karabijnen gewapende Politiemannen (Gemeentepolitie) reed voor en bracht mij, voor zoover ik me herinner, in den schemeravond ruim twintig mannelijke personen (het was de Zaterdagavond voor Pinkster).

 

Allen hadden bagage bij zich, doch vanwaar ze kwamen wist ik niet. De lijst met namen der ingeslotenen kreeg ik van het Huis van Bewaring, waar ook reeds een aantal was ingesloten. Hierop bevonden zich alleen de namen, doch de lijst was door niemand onderteekend. Wie ik kreeg, moest ik door het vragen der namen bij de inschrijving zelf laten uitzoeken, daar velen van de lijst reeds in het Huis van Bewaring waren ingesloten.

 

Intusschen woedde de oorlog in en om de stad voort. Een bewaarder, Pliester, was me in den loop van den dag komen vertellen, dat er vanuit een huis op den Noordsingel op hem geschoten was. Ik verwees hem naar de op den Noordsingel patrouilleerende Nederlandsche soldaten en zag even daarna, dat dezen met geweld een bovenhuis binnendrongen en drie mannen in hemdsmouwen naar buiten haalden en hen met de handen omhoog tegen den muur plaatsten.

 

Het huis werd vermoedelijk doorzocht en de mannen gearresteerd. (Later liepen de Duitschers dit huis in en uit). Ik belde de politie over een en ander op, die me aanraadde het personeel in burgerkleeding te laten gaan en komen, daar het niet vertrouwd was in uniform op straat te komen. Een en ander is ook zoodanig geschied. 

Zoo stond ik met enkele bewaarders en eenige ongeoefende Burgerwachters tegenover een ruim twintig mannen, waarvan ik niet wist waarvoor ze kwamen, noch waarvan zij verdacht werden of waaraan ze schuldig waren. Alleen was gezegd “staatsgevaarlijk”. Het leeken mij gegoede lieden, ook meer eenvoudiger waren erbij, voor zoover ik kon waarnemen in de schemerige gangen der gevangenis. Ik gelastte hun de handen achter ’t hoofd te vouwen, mijn plicht moest ik doen. Wel zeiden enkelen, “We hebben niets bij ons”, doch daar ze de overmacht op ons hadden, liet ik ze bewaken door 2 met revolvers gewapende bewaarders en 2 of 3 burgerwachters met geweer.

 

Zelf bleef ik er steeds bij, opdat er geen ondoordachte dingen gebeuren zouden. Eén der mannen werd door de doorgestane ellende onwel en zakte in elkaar; ik liet hem een stoel geven, gaf hem een glas water, en heb hem laten rusten, totdat hij ingeschreven moest worden en gevisiteerd, hetwelk binnen door het daarvoor aangewezen personeel geschiedde. Persoonlijk ben ik niet bij het visiteeren en kleeden geweest. Om mijn verantwoordelijkheid voor ontvluchting zooveel mogelijk te dekken, gaf ik last hen allen in gevangeniskleeding te steken.

 

Een en ander geschiedde op de daarvoor gebruikelijke plaatsen, nl. de badcellen in het sousterrain. Daarna werden ze naar de cellen gebracht en liet ik allen afzonderlijk opsluiten. Hen op zalen onderbrengen was niet mogelijk, daar deze door criminele gevangenen bezet waren in vleugel A. De Duitsche soldaten en de “staatsgevaarlijken” zaten allen in vleugel C. Gelukkig maar voor mij, want vleugel A werd Dinsdag 14 mei geheel verwoest door het bombardement, en waarschijnlijk zouden allen den dood gevonden hebben. De dagen daarop bezocht ik allen eenmaal en had met sommigen een gesprek. Ik was wel steeds op alles voorbereid.

 

Het eten voor de geinterneerden was hetzelfde wat de gevangenen kregen, ander eten had ik niet. Ik begrijp volkomen, dat de geinterneerden, die vermoedelijk nog nooit met de gevangenis in aanraking kwamen, veel dingen als een groote onaangenaamheid hebben gevoeld, doch dit is nu eenmaal aan het gevangenisregiem verbonden, en wordt natuurlijk door ons die er dagelijks in verkeeren, niet zoo sterk meer aangevoeld.

 

De gestichtsgeneesheer bezocht hen allen ook, zooals dat voorgeschreven is. Bijzonderheden daarover zijn mij niet ter oore gekomen. In den loop van den dag kreeg ik plotseling bezoek van een militaire luchtwacht. Deze vertelde me van den watertoren in Kralingen te zijn gebombardeerd. Hij wilde nu een luchtpost vestigen op de centrale hal der gevangenis.

 

Ik heb dit uitdrukkelijk geweigerd, daar deze gewapende soldaten zeker een doelwit zouden worden van de vijandelijkheden en als gevolg de gevangenis met al zijn inwonenden. Hoewel de betrokkene aandrong bleef ik pertinent weigeren. Later bleek dat ze een post op het gebouw der Rechtbank hadden betrokken. Hier was alleen de concierge aanwezig. Wie daar de toestemming gegeven heeft is me niet bekend.

 

Op één der Pinksterdagen deed zich ook nog het volgende voor. Er vervoegde zich bij den Portier der Gevangenis een man, die een band van de luchtbescherming om zijn arm droeg. Hij had een waterleiding slang bij zich. Hij vertelde, dat hij vanuit de Zegwaardstraat of Bleyswijkstraat, dat weet ik niet precies meer, vlammetjes op één der vleugels had gezien. Ik zeide, dat dit niet mogelijk was, daar de kap van deze vleugels uit ijzer en steen bestaat. Hij hield vol, dat het waar was.

 

Daar ik een en ander niet vertrouwde, vroeg ik hem zich te legitimeeren, hetgeen hij deed, door een bewijs als autobestuurder, met den naam Artz of Aartsen. Ik nam hem mee naar binnen en ging vervolgens, vergezeld van den huismeester Stolk en nog één van het personeel, met den luchtbeschermingsman naar buiten.

 

Gekomen bij de luchtcellen, klonken er plotseling schoten, ik schat ongeveer 3 of 4. De projectielen sloegen tegen den muur van de gevangenis. Zij kwamen niet van een geweer, daarvoor waren ze niet zwaar genoeg. We schrokken en vroegen aan den luchtbeschermingsman of hij hier soms meer van wist, doch hij ontkende ten stelligste. Dekking zoekende gingen we weer terug en attendeerden de wacht des avonds op deze omstandigheid.

 

Direct heb ik de Politiepost aan den Bergsingel over dit voorval opgebeld en hoewel daar eerst niet veel animo werd betoond, kwamen er op mijn aandringen toch een aantal Politiemannen met helmen en karabijnen. Ik wees aan waar we stonden toen de schoten vielen. Er werd een met een karabijn gewapende agent bij de luchtcellen geplaatst, terwijl zich een aantal agenten naar de Zegwaardstraat begaf voor onderzoek. Van den afloop weet ik verder niets.

 

Na deze affaire begreep ik, dat wanneer ik in de gestichtstuin liep, al meerdere malen uit de omliggende huizen geschoten was. Ook de huismeester Stolk (nu gepensionneerd) vertelde dezelfde ervaring te hebben. Zoo verliep ook de 2e Pinksterdag, terwijl het oorlogsgeweld doorging en zwarte rookwolken aangaven, waar zware branden woedden.

 

Dien dag, ’s avonds, werd door de Gemeentepolitie een autobus vol met dames, waaronder twee kinderen, gebracht. Ook dezen moest ik opnemen. Ik had met het oog op gemakkelijker controle de Bijzondere Strafgevangenis voor vrouwen laten ontruimen en de vrouwelijke gedetineerden uit deze afdeeling ingedeeld in de gewone strafgevangenis voor vrouwen. De dames deelde ik mede, dat allen zooveel mogelijk bij elkaar op de zalen van de Bijz. Strafgevangenis voor vrouwen zouden worden ondergebracht. De vrouwen zijn geheel door het vrouwelijk personeel afgehandeld. Alleen het inschrijven geschiedde door één der heeren commiezen. De Adj. Directrice, Mevrouw van Oort, had hier de leiding.

 

Ik deelde tevens mede, dat natuurlijk de beide kinderen bij hun moeders bleven. Het bleek me, dat er Hollandsche vrouwen bij waren, die me vertelden, dat hun mannen ook geinterneerd waren. Verder waren er eenige Duitsche dames bij, waaronder, zooals me later bleek, Mevrouw Winter, de vrouw van de Duitsche Havencommandant in ROTTERDAM, die al 17 jaar in Rotterdam woonde. Ik stelde hen allen zooveel mogelijk gerust.

 

Gewapende macht was niet aanwezig, met uitzondering van mezelf, die een revolver onder mijn kleeding droeg. De stemming was rustig en gelaten. Wanklanken werden niet gehoord. Allen deden rustig hun plicht. Daar ik in de mannenafdeeling moest zijn, heb ik verder de insluiting rustig aan de leiding van de Adj. Directrice, Mevrouw van Oort, overgelaten, wetende dat deze in beheerschte, vertrouwde handen was. Ook dien nacht verbleef ik verder in het gesticht, daar ik niemand had om mij af te lossen. Wel heeft de Adj. Directeur van den Arbeid, de Heer Strasser, me zooveel mogelijk bijgestaan, doch daar deze buiten de gevangenis woont, kon hij niet steeds aanwezig zijn.

 

Zoo verliep de nacht van 13 op 14 Mei. De zon scheen den anderen dag; het was een schitterende voorjaarsdag. ’t Krijgsrumoer was wat verstomd, weinig luchtalarm. We verademden een weinig. Ik kon weer eens thuis zien, waar men de nachten op grondbedden beneden doorbracht. In het gesticht was alles rustig, hoewel de spanning voelbaar was. Zou vandaag de ontknooping van het drama komen?

 

Het werd 12 uur, de moeilijkheden met de voeding waren nog dezelfde, doch honger was er niet, althans behoefde er niet te zijn. De kok deed wat hij kon met het beschikbare. ’s Middags, ongeveer kwart voor één, weer luchtalarm. Ik was net even thuis voor de koffietafel. We zagen plotseling vliegtuigen zeer laag vliegend en hoorden in de nabijheid bommen inslaan.

 

In de gevangenis klonk gehuil en ik was direct op mijn post. Verschillende gedetineerden begonnen op de deuren te slaan en er klonk glasgerinkel. Ik gaf last eenige malen in de lucht te schieten en maande aan tot rust. Plotseling een geweldige slag. Alles werd zwart om me heen. Het gebouw wankelde. Hulpgeschrei weerklonk. Toen de stofwolk was opgetrokken stond ik midden in het puin, met slechts een klein wondje zooals later bleek, aan het hoofd.

 

Ik zag dat vleugel A geheel in puin lag. Omdat ik niet wist wat er verder zou gebeuren, de ringmuur aan één kant geheel om lag, de keuken verwoest was, waterleiding, gas noch elektriciteit meer functionneerde, gaf ik last de gevangenen, in vleugel B, (de meest gevaarlijke, door grote scheuren, eerst te ontslaan.

 

Na de bominslag trachten eenigen van het personeel door paniek aangegrepen te ontkomen. Ik dwong hen te blijven, met de woorden: “Ik blijf, jullie ook”. Snel werden de gevangenen uitgesloten; velen geheel over hun zenuwen heen. Het personeel met de particuliere kleeding belast, hielp zooveel het kon om de eigen kleeding uit te reiken. Meerdere gevangenen boden onmiddellijk hun diensten aan voor de redding der slachtoffers.

 

De Duitsche geinterneerde soldaten hielden zich rustig en ik ging hun zeggen, dat ik zoo spoedig mogelijk een ander, veiliger onderdak voor hen zou trachten te vinden. Om hen zoo op straat te zetten, daarvoor was de toestand veel te gevaarlijk. Evenzoo ging ik naar de geinterneerden met de aanmaning rustig te blijven. Ik wilde nl. deze mannen niet gelijk met de gevangenen ontslaan, om hun eigen bestwil. Toen de gevangenen weg waren – dit duurde misschien ¼ uur – liet ik de geinterneerden ook vrij en liet hun aanwijzen waar hun eigen kleeding in ontvangst kon worden genomen.

 

Later is me gebleken, dat zoowel gevangenen als geinterneerden niet aller hun eigen kleeding direct in ontvangst hadden genomen. Van de geinterneerden boden ook meerdere hun hulp aan bij de redding. Het personeel, waaronder ook het bureau-personeel, was inmiddels reeds op de puinhoopen aan het zoeken naar de bedolven slachtoffers. De Adj. –Directrice had zich gelijktijdig met ontslaan der vrouwenafdeeling belast. Daarmee heb ik me niet kunnen bemoeien.

 

Later bleek, dat de Bijz. Strafgevangenis voor vrouwen, waarin ik de geinterneerde vrouwen den avond tevoren had ondergebracht, ook door een bom, (doch schuin onderin) was getroffen. Het geheele gebouw was ontzet, de ringmuur gedeeltelijk vernield, mijn ambtswoning welke er aan grenst was ernstig beschadigd, ramen en deuren vernield. Gelukkig vielen er in de Bijz. Strafgevangenis voor vrouwen geen slachtoffers, ofschoon met later gerapporteerd is, dat de deuren der zalen met geweld losgeslagen moesten worden, om de geinterneerde vrouwen uit te laten.

 

De woning van de Hoofdbewaarster was verwoest, even als de er onder gelegen strafcel en badcel. Ook in vleugel D, vrouwen-Strafgevangenis, vielen geen slachtoffers. / Inmiddels had ik op het bureau last gegeven, te trachten een beter onderkomen voor de Duitsche soldaten te vinden. Het bleek me later – ik was daar niet bij – dat een afdeeling Mariniers getracht had plaats te vinden voor deze soldaten, doch daar de geheele binnenstad in brand stond en de bevolking zeer opgewonden was, bracht men de mannen terug.

 

Ik werd gewaarschuwd en liet de mannen weer insluiten, hun belovende, te zullen doen, wat ik kon. (/Dit is niet de waarheid, doch omdat het nog 1942 was, kon ik de waarheid niet schrijven) Verschillende personen konden met levensgevaar, hoewel gewond, vanonder de puinhoopen, welke meters hoog lagen, worden gered. Zij werden op brancards, welke in het gesticht reeds maanden voordien gemaakt waren, naar het “Eudokia” ziekenhuis en het Gemeente-ziekenhuis aan den Bergweg gebracht.

 

De eerste dooden werden ook gevonden en in dekens gewikkeld, voorloopig terzijde gelegd. Het was een afschuwelijke toestand. Op een enkele plaats bevond zich een gevangene, geklemd tusschen de celdeuren en het tralievenster. De celdeur was naar binnen geslagen. Onmiddellijk zond ik iemand uit om een autogeensnijapparaat.

 

De Heer Dupoun, eigenaar van een Constructiewerkplaats in de omgeving verscheen, die het traliewerk doorbrandde, waardoor de man gered werd. Toen bleek dat achter dezelfde celdeur nog een doode zat. Inmiddels kwamen er uit de omgeving meerdere mannen belangeloos hun hulp aanbieden. Het werk was echter levensgevaarlijk, in verband met nog steeds losrakende steenen en ijzerwerk. Toen achtte ik het oogenblik gekomen, te trachten iets voor de nog ingesloten Duitsche soldaten te doen. Ik begaf mij naar het Politiebureau-Bergsingel en verzocht maatregelen te willen treffen.

 

De stad had zich al overgegeven. Ik schrok toen ik buiten kwam; de geheele binnenstad één vuurzee. Langs de Singels lagen de menschen groot en klein, terwijl huis na huis in vlammen opging. Het was gloeiend heet op straat. De Politie heeft gezorgd, dat de Duitsche soldaten door middel van de vrouwelijke Vrijwillige hulp, brood en melk kregen. Toen pas werd mij bekend in welk groot gevaar mijn huisgezin verkeerd had. Gelukkig waren allen gespaard. In het gesticht vertelde de huismeester mij, dat hij zijn vrouw veiligheidshalve onder in vleugel A had gebracht en zij bedolven was. Ook de Portier had zijn vrouw, dochter en zoon daar gebracht en ook zij waren bedolven. Evenzoo werd de ambtenaar kok –Declamy – vermist.

 

Men man en macht werd doorgewerkt bij het licht van lantaarns en zaklampen. Staaltjes van moed en zelf verloochening deden zich daarbij voor, zoowel van de zijde der helpende burgers, als van de gevangenen en geinterneerden. Hunne namen ken ik niet, wel heb ik deze menschen allen een briefje met een dankbetuiging ter hand gesteld, toen we niet meer konden doen. Van het personeel noem ik speciaal bewaarder Klaver, meesterknecht van der Werf, meesterknecht Nadort, Mej. Nouwen, opzichteres van den Arbeid. Hierbij doe ik niets te kort aan diegenen, die ik niet zag of noem.

 

De familieleden van den huismeester en den portier waren nog in leven; we konden nog met hen spreken, doch de puinhoop was zoo groot en steen voor steen moest verwijderd worden. Eindelijk omstreeks ’s nachts half drie, hadden we de slachtoffers bereikt, doch de drie vrouwen waren overleden en de zoon van 16 jaar leefde nog. Deze werd door mij persoonlijk met 4 gevangenen, nog naar “Eudokia” gebracht, doch helaas was hij den volgenden dag ook overleden. Daar nergens eenig levensteeken meer werd vernomen en het gevaar van verder instorten groot bleef, liet ik met bergen ophouden.

 

Inmiddels sliepen op mijn bureau eenige leden van het personeel met hun gezinnen, die bij den ramp alles verloren hadden. Doodvermoeide gevangenen, die tot het laatst geholpen hadden, sliepen op de Collegekamer en andere intact gebleven localiteiten. Ook ik ging even slapen ten huize van den Adj. Directeur van den Arbeid, den Heer Strasser, waar mijn gezin ook verbleef, daar mijn ambtswoning eerst hersteld moest worden.

 

’s Morgens half zes was ik weer buiten, want ik moest nog plaats zoeken voor de Duitsche gevangen soldaten. Gelukkig zag ik Duitsche soldaten en vroeg naar hun Commandant. Men wees mij een Duitsch Officier, Majoor von Bock. Ik vertelde hem de situatie en hij ging mee naar de gevangenis. Voor de gevangenis kwamen plotseling eenige “Hollandsche” burgers met de groet “Heil Hitler”, die Majoor Bock wilden vertellen, dat er nog een groot aantal Duitschers in de gevangenis verbleef. Hij zond hen met een handgebaar weg.

 

De Duitsche soldaten werden uitgesloten, kregen eten en drinken, terwijl ze verzochten de gevangenisonderkleeding te mogen behouden, ’t welk ik toestond. De soldaten gaven mij de hand en dankten voor de goede behandeling. Ook Majoor von Bock dankte me met een handdruk. Ik dacht er niet aan, dat deze aangelegenheid voor mij nog zoo’n beroerde nasleep zou krijgen.

 

Ik had voorzoover ik wist mijn plicht gedaan en was tot het laatst op mijn post gebleven. Zoo stond ik in den morgen van 15 Mei voor de puinhoopen, wetende dat nog velen bedolven waren. Ook hoorde ik dat 4 gevangenen, die in gevangeniskleeding gevlucht waren, op de Schiekade door Hollandsche soldaten waren doodgeschoten, de ongelukkigen.

 

Ik wilde trachten technische hulp te verkrijgen, toen het eerste College-lid, in al die dagen, verscheen, Dokter Feisser, Directeur van de Gemeentelijken Geneeskundigen dienst, die de toestand zag en me beloofde zich direct met Burgemeester Oud in verbinding te zullen stellen, als ik me verder dan zelven wilde vervoegen bij den technischen dienst op het stadhuis. Ik hield een auto aan, welke mij daarheen bracht. Er kwam hulp in den vorm van zoogen. lijnwerkers van de Rotterd. Electrische-Tram, allen technische menschen met gereedschappen, en een geneeskundige hulpploeg.

 

Ook verscheen er een groot aantal mannen van een Scheepswerf, in totaal ongeveer 120 man, welke welwillend door den eigenaar beschikbaar werden gesteld. De vrouwelijke Vrijw. Hulp voorzag al deze menschen van brood en melk. Zoo werd 9 dagen gewerkt, tot de laatste doode geborgen was, nl. de beambte kok Declamy. Voor de overleden vrouwen van het personeel, werden in eigenbeheer lijkkisten getimmerd, terwijl Mevr. Van Oort de Adj. Directrice de lijken aflegde en reinigde.

 

De begrafenis had in allen eenvoud plaats, daarbij gevolgd door vele leden van het personeel, waaronder ondergeteekende. Alle geborgen lijken werden door mij persoonlijk herkend, voor zoover mogelijk. Deelen van menschelijke lichamen werden op het gevangenisterrein begraven met toestemming. In dekens gewikkeld brachten gereedstaande auto’s de dooden, na eerst te zijn gereinigd, naar de begraafplaats “Crooswijk”.

 

Onderwijl kwamen familieleden van vermisten en dooden aan het gesticht en ik heb deze menschen zooveel ik kon te woord gestaan. Met inbegrip van leden van het personeel en hun familieleden meen ik, dat er 42 dooden en vermisten waren. De lijst hiervan berust bij de Strafgevangenis te Rotterdam.

 

Na een dag of wat verschenen enkele College-leden, de President van de Rechtbank Mr. De Bie, ook de Officier van Justitie, Mr. Andringa, die wilde weer gaan insluiten. Z.E. had bepaald nog niet gehoord, dat de gevangenis gedeeltelijk ingestort en verder zwaar beschadigd was. Ik heb hem gezegd eerst maar eens te gaan zien. Toen hij dat gedaan had kwam hij me vertellen dat hij me voorloopig niet lastig zou vallen.

 

Op een der dagen, terwijl de berging nog in vollen gang was, verschenen er Duitsche Officieren, die me een verhoor afnamen over het opnemen der Duitsche soldaten. Men vertelde mij, dat ik het Volkenrecht overtreden had. Ik heb precies verteld hoe alles zich had toegedragen. Den 23 Mei – 9 dagen na de ramp – werd ik plotseling gearresteerd door de Duitsche Weermacht, en naar de Strafgevangenis te Scheveningen overgebracht. Ik verbleef daar van 23 Mei tot 11 Juli en werd in dien tijd eenmaal verhoord.

 

Verder kreeg ik een Duitsch Officier als verdediger, een zeer vriendelijk man. Ik werd in de gevangenis door de Duitschers zeer correct behandeld en hoewel ik het verblijf zeer onaangenaam vond.

 

Den 10 den Juli had de zitting van den Krijgsraad plaats. Overste Scharroo, de Commandant van Rotterdam, behoorde tot de getuigen, evenals de wn. Hoofdcommissaris Rombach en Commissaris de Jong. Verder leden der Duitsche weermacht. Van Overste Scharroo, zoomin als van wnd. Hoofdcommissaris Rombach, kreeg ik den indruk van flinkheid.

 

Zij trachtten de verantwoordelijkheid van zich af te schuiven, hetwelk gebleken is, toen door mij getracht werd orders voor insluiting schriftelijk bevestigd te krijgen. 

 

Den 11den Juli werd ik per auto naar de Strafgevangenis te ROTTERDAM gebracht, met den krijgsraad, welke den toestand ter plaatse opnam. De Voorzitter van den Krijgsraad, een overste, leidde op voortreffelijk objectieve wijze de zitting.

 

Des namiddags 11 Juli kwam de verdediger aan het woord, terwijl ik persoonlijk mijn zaak ook nog mocht verdedigen.Nadat de Krijgsraad in raadkamer was gegaan, volgde in den namiddag mijn vrijspraak en onmiddellijke invrijheidstelling. Dr. J.S. Korteweg, Hoofd van het Gevangeniswezen, bezocht me direct den volgenden dag en ik ging met onbepaald verlof, hetwelk 5 weken duurde.

 

Ik meen U hier een getrouwe schildering te hebben gegeven van al het beleefde.

 

Aldus op ambtseed opgemaakt. 

Mei 1942

Uw DW. ,

Oud-Directeur Strafgevangenis ROTTERDAM

Directeur Bijz. Strafgevangenis LEEUWARDEN

A.B.R. Jansen