Seks achter tralies – Intimiteit en gezondheid in de mannengevangenis van de jaren ’90
In de jaren negentig veranderde het gesprek over seks in de gevangenis voorgoed. Waar intimiteit tussen mannen decennialang werd verzwegen of bestraft, dwong de opkomst van aids de gevangeniswereld tot een confrontatie met de werkelijkheid: ook achter tralies bestond seksualiteit, en dus ook risico.
Van taboe naar beleid
Tot ver in de jaren tachtig gold seks in de gevangenis als een overtreding van de orde. Er werd niet over gesproken, niet geregistreerd, en zeker niet gefaciliteerd. Maar toen de aids epidemie zich verspreidde, werd stilzwijgen een gevaar. Artsen en verpleegkundigen in penitentiaire inrichtingen begonnen te pleiten voor voorlichting, testen en condooms — niet uit morele overwegingen, maar uit zorg voor gezondheid en veiligheid.
De medische dienst kreeg een nieuwe rol: niet alleen genezen, maar ook beschermen. Condooms werden beschikbaar gesteld, aanvankelijk discreet via de arts of verpleegkundige, later ook via de bajeswinkel. Het was een kleine revolutie in een gesloten wereld: een erkenning dat gevangenen niet alleen lichamen zijn om te disciplineren, maar mensen met verlangens, relaties en risico’s.
Intimiteit als overlevingsstrategie
In de mannengevangenis was seks zelden alleen lichamelijk. Het kon een vorm van troost zijn, van macht, van verbondenheid — soms liefde, soms ruilmiddel. De grenzen tussen vrijwilligheid en noodzaak waren dun, en juist daarom werd de discussie over bescherming zo beladen. De beschikbaarheid van condooms betekende niet dat alles bespreekbaar werd, maar wel dat de staat impliciet erkende: seks bestaat hier, en we moeten ermee omgaan.
De erfenis van de jaren ’90
Vandaag is seksuele gezondheid in detentie een vanzelfsprekend onderdeel van beleid. Maar de weg daarheen begon met die ongemakkelijke gesprekken in de jaren negentig — tussen artsen, bewakers, en gevangenen die durfden te vragen om iets wat tot dan toe ondenkbaar was.
Het verhaal van seks achter tralies is geen schandaal, maar een spiegel. Het laat zien hoe menselijkheid zich een weg baant, zelfs door muren van beton en schaamte.
Kwetsbaarheid in een wereld van controle
In de mannengevangenissen van de jaren negentig heerste een cultuur van stoerheid. Wie overleefde, deed dat met rechte schouders, harde humor en een gezicht dat niets prijsgaf. Maar achter die façade leefden mannen die, net als iedereen, behoefte hadden aan nabijheid, aanraking en erkenning. Intimiteit was er niet iets om over te praten — het was iets om te verbergen.
Een lichaam dat niet van jezelf is
In detentie is het lichaam nooit helemaal privé. Het wordt gecontroleerd, geteld, gefouilleerd, opgesloten, vrijgelaten op vaste tijden. Zelfs slapen gebeurt onder toezicht. Juist daardoor werd intimiteit — zelfs de meest basale vorm van zelfintimiteit — een stille daad van verzet, een manier om iets van jezelf terug te winnen.
Voor veel gedetineerden was het de enige plek waar ze nog autonomie ervoeren: een moment waarop het lichaam niet van de staat was, maar van henzelf.
De opkomst van aids en de noodzaak van bescherming
Toen aids in de jaren tachtig en negentig de samenleving bereikte, werd ook de gevangenis geconfronteerd met een realiteit die lang was ontkend: seks vond plaats, ook achter tralies. Artsen en verpleegkundigen zagen de risico’s en drongen aan op bescherming. Condooms werden via de medische dienst verstrekt — discreet, soms bijna fluisterend — en later via de bajeswinkel. Het was een stille erkenning dat intimiteit bestond, ondanks regels, schaamte en machtsverhoudingen. Niet om gedrag te stimuleren, maar om levens te beschermen.
Kwetsbaarheid in een harde wereld
Tussen de stoere mannen zaten gevangenen die ’s nachts wakker lagen van eenzaamheid. Mannen die verlangden naar een hand op hun schouder, een gesprek zonder oordeel, een moment van zachtheid. In een omgeving waar emoties als zwakte golden, werd intimiteit een vorm van overleven.
Sommigen vonden die in vriendschappen, anderen in geheime relaties, weer anderen in momenten van zelfzorg die niemand hoefde te zien. Het waren manieren om mens te blijven in een wereld die je voortdurend reduceerde tot nummer, dossier of risico.
Wat deze geschiedenis ons leert
Het verhaal van intimiteit in de gevangenis is geen sensatieverhaal. Het is een verhaal over menselijkheid in een systeem dat draait om beheersing. Over mannen die, ondanks muren, regels en stigma’s, manieren vonden om zichzelf te voelen — soms letterlijk, soms emotioneel, soms spiritueel. De jaren negentig markeerden een kantelpunt: van ontkennen naar erkennen, van taboe naar gezondheidszorg, van controle naar een klein beetje ruimte voor menselijkheid.
Seksualiteit in Nederlandse mannengevangenissen tijdens de aidscrisis
Deze institutionele stilte creëerde een paradox: seksualiteit bestond wel, maar mocht niet bestaan.
3. De impact van hiv/aids op het gevangenisbeleid
Met de opkomst van hiv/aids veranderde dit. De medische diensten binnen penitentiaire inrichtingen — destijds opererend
onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Justitie — signaleerden dat ontkenning van seksueel contact niet langer houdbaar was. Internationale organisaties zoals de WHO en de Council
of Europe adviseerden vanaf eind jaren ’80 dat gevangenissen dezelfde preventiemiddelen moesten bieden als de vrije samenleving. In Nederland leidde dit tot drie belangrijke
beleidsverschuivingen:
3.1. Introductie van condooms via de medische dienst
Vanaf begin jaren ’90 werden condooms discreet verstrekt door de medische dienst. Dit gebeurde aanvankelijk op verzoek,
om stigmatisering en disciplinaire repercussies te vermijden.
3.2. Normalisering via de bajeswinkel
Later werden condooms opgenomen in het assortiment van de bajeswinkel. Dit was een beleidsmatig signaal: seksuele gezondheid werd
erkend als onderdeel van detentie, niet als afwijking ervan.
3.3. Integratie in gezondheidsvoorlichting
Medische diensten begonnen voorlichting te geven over hiv, soa’s en risicogedrag. Dit sloot aan bij bredere DJI ontwikkelingen
waarin gezondheidszorg werd geprofessionaliseerd en gestandaardiseerd.
4. Kwetsbaarheid achter het pantser van stoerheid
Hoewel gevangeniscultuur naar buiten toe werd gedomineerd door stoerheid, hiërarchie en emotionele terughoudendheid,
toonden medische dossiers, interviews en latere beleidsrapporten dat veel gedetineerden kampten met:
Intimiteit — in welke vorm dan ook — werd een manier om menselijkheid te behouden in een omgeving waar het lichaam voortdurend onder toezicht stond. Zelfintimiteit, geheime relaties, of emotionele verbondenheid waren vaak de enige plekken waar gedetineerden autonomie ervoeren.
5. De rol van DJI en institutionele erkenning
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) ontwikkelde in de jaren ’90 en vroege jaren 2000 een meer expliciet gezondheidsbeleid,
waarin seksuele gezondheid een plaats kreeg. Belangrijke elementen waren:
Hoewel de Penitentiaire Beginselenwet (1999) seksualiteit niet expliciet benoemt, creëerde zij wél een juridisch kader waarin zorgplicht, menswaardigheid en lichamelijke integriteit centraal kwamen te staan. Dit bood ruimte voor modernisering van beleid rond intimiteit en gezondheid.
6. Conclusie: van ontkenning naar erkenning
De geschiedenis van seksualiteit in de mannengevangenis tijdens de aidscrisis laat zien hoe een gesloten systeem gedwongen werd
om menselijkheid te erkennen. Condooms in de bajeswinkel waren geen triviale beleidswijziging, maar een symbolische breuk met decennia van ontkenning.
Het verhaal toont hoe gedetineerden — vaak gezien als stoer, hard en onaantastbaar — in werkelijkheid kwetsbare mensen zijn die hunkeren naar nabijheid, autonomie en veiligheid. En hoe beleid, zelfs in een wereld van controle en toezicht, kan verschuiven richting zorg, realisme en menswaardigheid.
Alleen in Nederlandse gevangenissen maar niet Huizen van Bewaring
Bezoek zonder toezicht (BZT) is een bijzondere vorm van bezoek waarbij een gedetineerde en diens partner of naaste in een afgesloten ruimte zonder directe bewaking samen kunnen zijn. Het is een erkend onderdeel van het Nederlandse detentiestelsel en wordt gezien als een recht dat bijdraagt aan menswaardigheid en sociale stabiliteit.
De mogelijkheid voor BZT is vastgelegd in:
Volgens deze circulaire geldt:
2. Hoe vaak en voor wie?
Uit onderzoek naar bezoekregelingen blijkt dat gedetineerden:
BZT is bedoeld voor:
3. Doel van bezoek zonder toezicht
BZT heeft drie belangrijke functies:
a. Relatiebehoud en stabiliteit: Detentie veroorzaakt afstand en spanning in relaties. BZT biedt een gecontroleerde manier om intimiteit en verbondenheid te behouden.
b. Resocialisatie: DJI ziet stabiele relaties als beschermende factor bij terugkeer in de samenleving. BZT ondersteunt dat door normale sociale interacties mogelijk te maken.
c. Menswaardigheid: De Penitentiaire Beginselenwet verplicht inrichtingen om gedetineerden menswaardig te behandelen. Ongestoord bezoek is een manier om dat te waarborgen.
4. Hoe ziet zo’n ruimte eruit?
Hoewel de inrichting per PI verschilt, zijn er vaste kenmerken:
De term “wipkamer” of "peeskamer" is populair in de volksmond, maar in beleid wordt uitsluitend gesproken over bezoek zonder toezicht.
5. Grenzen en toezicht
De directeur kan BZT weigeren wanneer:
Weigering moet schriftelijk worden gemotiveerd en is beklagbaar.
Samenvatting
“Waar macht en nabijheid elkaar raken, ontstaat gevaar.”
Intimiteit tussen personeel en gevangenen in historisch Fries perspectief
In elke gevangenis — vroeger en nu — bestaat een spanning die nooit helemaal verdwijnt: de nabijheid tussen personeel en gevangenen. Het is een nabijheid die noodzakelijk is om een inrichting draaiende te houden, maar die tegelijk voortdurend bewaakt moet worden. Want waar macht, afhankelijkheid en menselijkheid elkaar raken, ontstaan risico’s. Dat was zo in de 18e eeuw in de Blokhuispoort, en het is vandaag nog steeds zichtbaar in moderne inrichtingen zoals Ter Peel.
1. De Blokhuispoort: een wereld van nabijheid en afhankelijkheid
In de 17e en 18e eeuw was de Blokhuispoort geen anonieme instelling. Het was een kleine, gesloten gemeenschap waar cipiers, bewaarders, schoonmakers, koks en gevangenen elkaar dagelijks tegenkwamen. De grenzen tussen professioneel en persoonlijk waren dunner dan nu. Bewakers woonden soms met hun gezinnen binnen de muren; gevangenen deden klusjes in de keuken of op de binnenplaats; er was voortdurend direct contact.
Uit archiefstukken blijkt dat er regelmatig te veel nabijheid ontstond. Niet altijd seksueel — soms ging het om vriendschappen, voorkeursbehandelingen, het doorgeven van brieven of het toestaan van kleine vrijheden. Maar ook toen al zagen bestuurders het gevaar: elke vorm van intimiteit kon leiden tot corruptie, chantage of machtsmisbruik.
In 1743 werd bijvoorbeeld een bewaarder aangesproken omdat hij “te familiair” omging met vrouwelijke gevangenen. Hij bracht hen extra eten, liet hen langer op de binnenplaats en sprak met hen op momenten dat hij geen toezicht hoefde te houden. Er is geen bewijs voor een seksuele relatie, maar de regenten van het Hof van Friesland noteerden dat zijn gedrag “de discipline ondermijnde en de orde in gevaar bracht”. Het laat zien hoe vroeg dit thema al werd herkend.
2. De 19e eeuw: professionalisering én nieuwe risico’s
Met de komst van het moderne gevangeniswezen in de 19e eeuw werd alles strakker georganiseerd. Uniformen, dienstroosters, protocollen — het moest de menselijke factor beteugelen. Maar juist die professionalisering maakte de nabijheid soms nóg intenser. Bewakers werkten lange diensten, vaak in stilte, soms alleen met één gevangene in een celgang.
In de Blokhuispoort zijn meerdere gevallen bekend waarin personeel te veel emotionele betrokkenheid ontwikkelde bij gevangenen. Een cipier uit 1887 werd overgeplaatst omdat hij “te toegeeflijk” was tegenover een vrouwelijke arrestant die hij “bijzonder genegen” was. De taal is voorzichtig, maar de boodschap is duidelijk: de grens was overschreden.
Ook in de strafgevangenis van Leeuwarden (de latere Norgerhaven in Veenhuizen, waar veel Friese gevangenen terechtkwamen) zijn dossiers te vinden waarin bewakers werden berispt voor “ongepaste vertrouwelijkheid”. Soms ging het om het doorgeven van tabak, soms om het schrijven van brieven namens gevangenen, soms om het toelaten van verboden contact.
3. De 20e eeuw: de Blokhuispoort als sociale microkosmos
In de 20e eeuw veranderde de Blokhuispoort opnieuw van karakter. De gevangenis werd moderner, maar bleef een plek waar mensen dicht op elkaar leefden. Bewakers spraken later vaak over de “huiskamer sfeer” van de inrichting: iedereen kende elkaar, en dat maakte het werk menselijk — maar ook kwetsbaar.
In de jaren ’60 en ’70 zijn er meerdere interne rapporten waarin wordt gewaarschuwd voor te persoonlijke relaties tussen personeel en gedetineerden. Soms ging het om medewerkers die gevangenen te veel vertrouwden, soms om gevangenen die probeerden personeel emotioneel te manipuleren. Een oud bewaker vertelde later dat “de grootste valkuil niet agressie was, maar sympathie”.
Hoewel er in Friesland geen grote publieke schandalen bekend zijn uit deze periode, laten interne stukken zien dat leidinggevenden voortdurend alert waren op grensoverschrijding — precies omdat het zo makkelijk kon ontstaan in een kleine, gesloten gemeenschap.
4. De moderne tijd: nieuwe voorbeelden, oude patronen
Het recente incident in de vrouwengevangenis Ter Peel — waar een bewaker werd ontslagen wegens seksueel contact met een gedetineerde — laat zien dat het probleem niet verdwenen is. Integendeel: het is een structureel risico dat in elke inrichting opnieuw kan opduiken.
De patronen zijn eeuwenoud:
Wat in de 18e eeuw werd omschreven als “te familiair”, noemen we nu “professionele grensoverschrijding”. De woorden zijn veranderd, de dynamiek niet.
Het laat zien hoe dun de lijn is tussen zorg en misbruik, tussen nabijheid en gevaar, tussen menselijkheid en manipulatie. Het is een verhaal dat confronteert met een ongemakkelijke waarheid: gevangenissen zijn niet alleen plekken van straf, maar ook van menselijke relaties — en juist die relaties kunnen ontsporen